De verdachte was toen 14 jaar oud.
HR, 03-06-2025, nr. 24/02206 J
ECLI:NL:HR:2025:843
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-06-2025
- Zaaknummer
24/02206 J
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Jeugdstrafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:843, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑06‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:345
ECLI:NL:PHR:2025:345, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:843
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑12‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0196
Uitspraak 03‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Jeugdzaak. Medeplegen opzettelijke brandstichting door explosief in portiek aan te brengen, art. 157.1 en 157.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Grondslagverlating. Was hof gehouden in bewezenverklaring keuze te maken tussen medeplegen van poging tot opzettelijke brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is en medeplegen van poging tot opzettelijke brandstichting waarbij levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander te duchten is? 2. Bewijsklachten medeplegen en “terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander, te weten in die woning en/of naastgelegen woning(en) bevindende personen te duchten was”. Ad 1. In het algemeen geldt dat zogenoemde alternatieve bewezenverklaring toelaatbaar is v.zv. keuze uit de in tll. alternatief vermelde kwalificaties voor strafrechtelijke betekenis van feit van geen belang is. Zo’n belang is in ieder geval aanwezig als aan alternatieven ongelijke strafmaxima zijn verbonden (vgl. HR:2011:BO6691). Hof heeft in bewezenverklaring geen keuze gemaakt tussen enerzijds medeplegen van poging tot opzettelijke brandstichting of teweegbrengen van ontploffing terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en anderzijds medeplegen van poging tot opzettelijke brandstichting of teweegbrengen van ontploffing terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander te duchten is. Omdat verdachte op moment van (mede)plegen van feit nog geen 16 jaren oud was, heeft hof toepassing gegeven aan art. 77i Sr. O.g.v. deze bepaling worden beide alternatieven (zowel ieder voor zich als gezamenlijk beschouwd) met maximaal 12 maanden jeugddetentie bedreigd. Onder die omstandigheden heeft hof wat hiervoor is vooropgesteld niet miskend. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Hof kon o.b.v. zijn vaststellingen in bewijsvoering oordelen dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd en dat derhalve sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking in de zin van medeplegen. ’s Hofs vaststellingen o.b.v. bewijsmiddelen kunnen ’s hofs oordeel dragen, v.zv. inhoudende dat wanneer brandbom tot ontploffing was gebracht levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander te duchten was geweest. Hof hoefde niet nader te motiveren dat bij het ontploffen van brandbom brand zou kunnen ontstaan in ingang van woningen en dat die brand mogelijk zou doortrekken naar andere (delen van) woningen, terwijl daarin (gelet op tijdstip waarop een en ander plaatsvond) mensen aanwezig waren die hun huis wellicht niet (op tijd) zouden kunnen ontvluchten (feit van algemene bekendheid). Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02206 J
Datum 3 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 6 juni 2024, nummer 22-002616-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof in de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde ten onrechte geen keuze heeft gemaakt tussen het medeplegen van een poging tot opzettelijke brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is, of het medeplegen van een poging tot opzettelijke brandstichting waarbij levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
2.2.1
Aan de verdachte is primair tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 27 april 2023 te [plaats] , ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten in/aan een woning en/of portiek gelegen aan de [a-straat 1] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de (naastgelegen) woning(en) en/of de in die woning(en) bevindende goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning en/of de/een naastgelegen woning(en) bevindende personen te duchten was, met dat opzet
- een brandbare vloeistof tegen een houten plaat heeft gegooid/gespoten/gegoten/gesprenkeld en/of
- (vervolgens) twee, althans een of meer, cobra(‘s) 20, in elk geval vuurwerk- en/of een brandbom heeft vastgeplakt aan een fles terpentine, althans een brandbare vloeistof en die fles bij voornoemde woningen heeft geplaatst
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 27 april 2023 te [plaats] , ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten in/aan een woning en/of portiek gelegen aan de [a-straat 1] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de (naastgelegen) woning(en) en/of de in die woning(en) bevindende goederen en/of
- levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning en/of de/een naastgelegen woning(en) bevindende personen te duchten was, met dat opzet
- een brandbare vloeistof tegen een houtenplaat heeft gegoten en
- twee cobra’s 20 heeft vastgeplakt aan een fles terpentine en die fles bij voornoemde woningen heeft geplaatst
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“Hij die opzettelijk brand sticht, een ontploffing teweegbrengt of een overstroming veroorzaakt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.”
- Artikel 77i lid 1, aanhef en onder a, Sr:
“De duur van de jeugddetentie is:
a. voor degene die ten tijde van het begaan van het misdrijf de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt: ten minste een dag en ten hoogste twaalf maanden.”
2.4.1
In het algemeen geldt dat een zogenoemde alternatieve bewezenverklaring toelaatbaar is voor zover een keuze uit de in de tenlastelegging alternatief vermelde kwalificaties voor de strafrechtelijke betekenis van het feit van geen belang is. Zo’n belang is in ieder geval aanwezig als aan de alternatieven ongelijke strafmaxima zijn verbonden. (Vgl. HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691, rechtsoverweging 2.5.2.)
2.4.2
Het hof heeft in de bewezenverklaring geen keuze gemaakt tussen enerzijds het medeplegen van een poging tot opzettelijke brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en anderzijds het medeplegen van een poging tot opzettelijke brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Omdat de verdachte op het moment van het (mede)plegen van het feit nog geen zestien jaren oud was, heeft het hof toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 77i Sr. Op grond van deze bepaling worden beide alternatieven – zowel ieder voor zich als gezamenlijk beschouwd – met maximaal twaalf maanden jeugddetentie bedreigd. Onder die omstandigheden heeft het hof wat onder 2.4.1 is vooropgesteld, niet miskend.
2.5
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
3.1
De cassatiemiddelen komen op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
3.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5, 6, 12, 14 en 15.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2025.
Conclusie 25‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Jeugdzaak. Medeplegen poging opzettelijk brand stichten en/of ontploffing teweegbrengen met gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar. De eerste deelklacht van middel 1 is op zichzelf terecht voorgesteld. Het hof heeft met de alternatieve bewezenverklaring inderdaad geen keuze gemaakt tussen 'brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is’ en ‘brandstichting waarbij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is’, hoewel aan die alternatieven verschillende strafmaxima verbonden zijn. Volgens de AG leidt dit echter niet tot cassatie, aangezien de verdachte nog geen zestien jaar was ten tijde van het delict zodat in dit specifieke geval op grond van art. 77i Sr hoe dan ook een maximale gevangenisstraf van twaalf maanden geldt. De tweede deelklacht over medeplegen faalt, omdat het hof op basis van de bewijsmiddelen kon oordelen dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Het tweede middel faalt, nu het hof niet nader hoefde te motiveren dat door ontploffing brand zou kunnen ontstaan in woningen, en daar aanwezige mensen hun huis wellicht niet (tijdig) zouden kunnen ontvluchten; dat dit gevaar onder de omstandigheden van dit geval bestond is een feit van algemene bekendheid. Conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02206 J
Zitting 25 maart 2025
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008,
hierna: de verdachte
I Inleiding
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 6 juni 2024 wegens "medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is", veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 58 dagen, met aftrek van het voorarrest.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
II Tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering
3. De verdachte is primair ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 27 april 20231.te Rotterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten in/aan een woning en/of portiek gelegen aan de [a-straat 1-4] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de (naastgelegen) woning(en) en/of de in die woning bevindende goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning en/of de/een naastgelegen woning(en) bevindende personen te duchten was, met dat opzet
- een brandbare vloeistof tegen een houtenplaat heeft gegooid/gespoten/gegoten/gesprenkeld en/of
- (vervolgens) twee, althans een of meer, cobra(‘s) 20, in elk geval vuurwerk- en/of een brandbom heeft vastgeplakt aan een fles terpentine, althans een brandbare vloeistof en die fles bij voornoemde woningen heeft geplaatst
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
4. Ten laste van de verdachte is door het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 27 april 2023 te Rotterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten in/aan een woning en/of portiek gelegen aan de [a-straat 1-4] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de (naastgelegen) woning(en) en/of de in die woning bevindende goederen en/of
- levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning en/of de/een naastgelegen woning(en) bevindende personen te duchten was, met dat opzet
- een brandbare vloeistof tegen een houtenplaat heeft gegoten en
- twee cobra’s 20 heeft vastgeplakt aan een fles terpentine en die fles bij voornoemde woningen heeft geplaatst
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
5. De bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 augustus 2023 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Ik wist niet wat medeverdachte [medeverdachte] daar deed, maar wel dat het iets met cobra's was.
U vraagt mij waarom ik die avond daar naartoe ben gegaan. In het eerste gesprek met medeverdachte [medeverdachte] , daarvan weet ik de tijd niet, hadden wij gebeld dat er vandaag wat zou komen. Daarna heb ik gezegd: "gaan we nog". Ik heb uitgelegd dat ik eigenlijk niet durf, dat ik bang ben en een slecht gevoel heb. Hij had gezegd: "kom gewoon, ik wil niet alleen gaan". Ik dacht dat ik mijn vriend in de steek zou laten. Medeverdachte [medeverdachte] heeft mij opgehaald en toen zijn wij samen naar Rotterdam Centraal en die scooter gelopen.
U houdt mij voor dat er via Snapchat een groepsgesprek was tussen mij, [medeverdachte] en [gebruikersnaam 3] en dat ik heb gezegd dat [gebruikersnaam 2] van mij is. Dat klopt. U vraagt mij of ik nog weet wat er in dat gesprek besproken is. Niet per se, maar het ging over wanneer, hoe laat, waar precies en wat er moest gebeuren.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de raadkamer d.d. 10 mei 2023. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
De OvJ:
Het OM gaat ervan uit dat de accountnaam op Snapchat ‘ [gebruikersnaam 2] ’ van de verdachte is.
De oudste rechter:
Klopt het dat het Snapchat account waar de officier van justitie het over heeft van jou is?
De verdachte:
Dat klopt.
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 april 2023 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700 2023130646-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 11-12 van Procesdossier VGL):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren
De collega aan het politiebureau keek de beelden live uit van cameratoezicht. Wij kwamen kort hierna de straat in rijden vanaf de [b-straat] . Wij zagen een man in het donker gekleed en met gezichtsbedekking op lopen aan de rechterkant van ons. Wij hielden deze man staande. Ik vorderde inzage in een legitimatiebewijs van hem. Wij hielden hem ongeveer staande ter hoogte van pandnummer 23. Daarna werd hij ons bekend als:
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .
Op het moment dat wij [verdachte] staande hielden hoorden wij van de centralist van onze meldkamer dat er een andere man in beeld was bij cameratoezicht en dat hij nog liep ter hoogte van de scooter. Dat was dan ter hoogte van nummer 54. Ik zag daar inderdaad een man lopen en ik zag dat hij van ons weg liep. Ik stapte vervolgens in de auto en hield de man iets verderop staande. Ik vorderde een legitimatiebewijs van deze man waarna hij ons bekend werd als:
[medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .
Ik liep op dat moment langs het portiek van pandnummer [1-4] . Ik zag dat daar een hout schot tegen de gevel aan geschroefd was in verband met de eerdere explosie. Ik zag bij het voorbij lopen dat er nu een natte plek in het hout zat en dat er een fles met vloeistof tegen het hout aanstond. Ik herkende dit direct als een brandbom, omdat mij ambtshalve bekend is dat men zwaar vuurwerk aan flessen plakken met brandbare vloeistof. Dit pakket herkende ik als zodanig.
4.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 april 2023 van de politie Eenheid Rotterdam met nr.2304271743.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 33-41 van Procesdossier VGL):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Omstreeks 03:22 uur zie ik dat er een scooter aan komt rijden met daarop twee personen. Beiden personen zijn in het donker gekleed.
Ik zie dat de persoon achterop de scooter (persoon 1) afstapt en loopt in de richting van een portiek aan de linkerzijde van het beeld. Vervolgens zie ik dat de scooterbestuurder de scooter omdraait en parkeert aan de zijkant van de weg. De scooterbestuurder (persoon 2) stapt vervolgens ook van zijn scooter af en heeft een lichtkleurig voorwerp in zijn hand. Persoon 2 loopt vervolgens naar persoon 1.
Te zien is dat beide personen zich op houden ter hoogte van een portiek aan de linkerzijde van het beeld.
Vervolgens zie ik omstreeks 03:23:48 uur dat persoon 2 met een blauwkleurig voorwerp in zijn handen de [a-straat] oversteekt naar de overzijde van de straat.
Persoon 1 loopt op dat moment weg in de richting van de [b-straat] , maar blijft halverwege de [a-straat] staan. Persoon 2 houdt zich vervolgens op ter hoogte van een portiek aan de rechterzijde van het beeld. Te zien is dat hij een lichtkleurig voorwerp in zijn handen heeft. Vervolgens zie ik dat er een ander vormig voorwerp te voorschijn komt en dat persoon 2 terug loopt naar de scooter. Het voorwerp wat deze zojuist heeft gepakt steekt persoon 2 onder zijn linkerarm. Ik zie vervolgens dat persoon 2 een voorwerp bij de scooter legt en weer terug loopt naar het portiek aan de rechterzijde van het beeld. Om 03:27:42 uur zie ik dat persoon 2 bukt ter hoogte van dit portiek. Ik zie dat het beeld door cameratoezicht draait naar dit portiek en wordt ingezoomd waardoor ik alleen nog maar zicht heb op persoon 2 en de rechterzijde van de straat. Ik zie dat de persoon met zijn gezicht naar het portiek draalt en bezig is met een voorwerp in zijn handen. Vervolgens houdt persoon 2 het voorwerp tegen de deur van het portiek aan. Ik zie dat er vervolgens een vloeistof naar beneden valt en dat persoon 2 zijn voet naar achteren trekt. Ik zie dat persoon 2 nogmaals bukt bij de deur van het portiek en zich ergens mee bezig houdt. Het is niet zichtbaar wat dit precies is. Vervolgens staat deze weer op en pakt iets uit zijn rechterzak waar hij vervolgens naar kijkt. Ik zie vervolgens dat persoon 2 een voorwerp in zijn handen heeft wat lichtkleurig oplicht. Ik zie dat persoon met zijn rechterhand naar zijn gezicht gaat en met zijn linkerarm een gebaar maakt. Ik zie om 03:29:49 uur dat er een politieauto de [a-straat] in komt rijden vanuit de [b-straat] .
Ik zie vervolgens dat beiden personen worden aangehouden.
In het tijdsbestek van de aankomst van de personen op de scooter, te weten 03:22 uur tot en met staande en houding van deze personen 03:29 uur geen andere personen zich in de straat lopend hebben bevonden. Er is enkel eenmaal een personenauto door de [a-straat] gereden echter heeft deze niet stilgestaan en er is ook niemand uitgestapt.
5. Een proces-verbaal van bevindingen (forensisch onderzoek) d.d. 19 mei 2023 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2023130646-13. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 301-309 van FO dossier):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 27 april 2023 kwamen wij, naar aanleiding van een melding van het aantreffen van een explosief, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [a-straat] ter hoogte van nummer [1-4] .
Bevindingen
Op de stenen dorpel voor de toegangsdeur van het portiek [a-straat 1-4] zagen wij een half gevulde fles met vermoedelijk terpentine waaraan met bruine tape twee stukken vuurwerk, met elk een vuurwerklont, vast getaped waren. Wij zagen dat er een etiket met terpentine op deze fles aanwezig was en dat de vloeistof naar terpentine rook.
De dop was van de fles afgedraaid en lag op het centraal antenne kastje naast de deur. Op de onderzijde van de deur, de dorpel en een deel van het trottoir was een vloeistofvlek zichtbaar. Zeer waarschijnlijk was een halve liter van de terpentine uitgegoten over de deur en het trottoir. Het geheel was nog niet aangestoken.
De lonten waren intact.
Het explosief is ontmanteld door teamleider explosie veiligheid. Hier kwamen twee cobra's 20 tevoorschijn vanonder de bruine tape.
6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 april 2023 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 2304301948.OIG. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 93-97):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
[medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 2007 te Rotterdam en [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , zijn op 27 april 2023 aangehouden als verdachte binnen dit opsporingsonderzoek.
Bij de aanhouding van [medeverdachte] werd een mobiele telefoon aangetroffen. Ik zag dat in het toestel een SIMkaart is gebruikt voorzien van telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Dit telefoonnummer is door [medeverdachte] tijdens het eerste verhoor als verdachte binnen dit opsporingsonderzoek opgegeven als zijnde het telefoonnummer dat hij gebruikt. Tevens zag ik dat er vele selfies waren opgeslagen op het toestel met daarop een persoon steeds gelijkend op de persoon afgebeeld op de politiefoto van verdachte [medeverdachte] gemaakt op 27 april 2023. Ik zag dat de applicatie Snapchat is gebruikt op het toestel en dat de gebruiker van het toestel gebruik maakt van Snapchat met de naam: [gebruikersnaam 1] □ (owner). Dit is namelijk te zien aan de toevoeging (owner).
Uit onderzoek naar de activiteit op het toestel, in de aanloop naar het incident waarvan verdachte [medeverdachte] wordt verdacht, is een chat tussen [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] naar voren gekomen. Hierbij lijkt het op 26 april 2023 vanaf 21:10 uur te gaan over het incident.

Op 26 april 2023 om 21:12:02 werd de volgende afbeelding verstuurd door [gebruikersnaam 2] .

7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 mei 2023 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 2305020749.OIG. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 98-108):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Uit onderzoek naar de activiteit op het toestel (het hof begrijpt: het onder bewijsmiddel 6 genoemde telefoonnummer [telefoonnummer 1] ), in de aanloop naar het incident waarvan verdachte [medeverdachte] wordt verdacht, is een Snapchat conversatie tussen [gebruikersnaam 1] ; [gebruikersnaam 2] en [gebruikersnaam 3] naar voren gekomen. Opgemerkt dient te worden is dat niet alle berichten in de chat leesbaar zijn, deze zijn namelijk getypeerd als Expired Media. De volledige chat is onderaan dit proces-verbaal toegevoegd.



6. Het hof heeft de bewezenverklaring van het feit als volgt gemotiveerd:
“De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. De raadsman heeft aangevoerd dat [gebruikersnaam 2] enkel stoer wilde doen in het gesprek met [gebruikersnaam 3] , maar dat hij hem, als het erop aan komt, doorverwees naar [medeverdachte] . Het was al een bestaand plan en zijn bijdrage in het gesprek heeft geen bijdrage geleverd aan het feit. [gebruikersnaam 2] ging enkel met [medeverdachte] mee om hem gezelschap te houden, omdat [medeverdachte] dat vroeg. Hij hield zich ter plaatse afzijdig en is zelfs weggelopen. Er kan, alles bij elkaar, geen opzet en ook geen nauwe en bewuste samenwerking worden bewezen, reden waarom hij moet worden vrijgesproken.
In tegenstelling tot de rechtbank en de verdediging, is het hof van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe overweegt het hof het volgende.
Vast staat dat de medeverdachte [medeverdachte] in de nacht van 26 op 27 april 2023 een brandbom, bestaande uit een fles terpentine en twee cobra’s, heeft geplaatst in de [a-straat] te Rotterdam, terwijl de verdachte (hierna: [gebruikersnaam 2] ) met hem mee was gekomen en in de straat aanwezig was tijdens het plaatsen van de brandbom. De politie keek via de aanwezige straatcamera live mee en heeft [medeverdachte] en [gebruikersnaam 2] direct aangehouden, en de brandbom, voordat die tot ontploffing kon worden gebracht, ontmanteld.
Het hof gaat verder uit van de volgende - aan wettig bewijs ontleende - feiten en omstandigheden. Er was een plan om de brandbom te plaatsen die nacht. [gebruikersnaam 2] wist daarvan: toen [medeverdachte] hem op 26 april 2023 stuurde dat hij die avond, zoals hij het noemde, ‘werk’ had, reageerde [gebruikersnaam 2] daarop met een nieuwsbericht over een explosief in de [a-straat] . Zij hadden onderling veelvuldig contact: zo hebben zij tientallen keren gebeld die dag en de nacht in de aanloop naar het plaatsen van de bom en spraken zij elkaar via Snapchat. Ook namen [gebruikersnaam 2] en [medeverdachte] deel aan een Snapchatgesprek met ene ‘ [gebruikersnaam 3] ’. De laatste lijkt de opdrachtgever tot het plaatsen van de bom te zijn, of in ieder geval een tussenpersoon. In dit gesprek bespraken zij details zoals waar en hoe laat het moest gebeuren en wanneer er betaald zou worden. Het was [gebruikersnaam 2] die vroeg: "Krijg we morgen die pap?" (het hof begrijpt dat hiermee ‘geld’ wordt bedoeld).
Gedurende ruim een uur - van 00:26 uur tot 01:38 uur - was [medeverdachte] stil en was [gebruikersnaam 2] degene die met [gebruikersnaam 3] chatte. In dat gesprek merkte [gebruikersnaam 3] op dat [medeverdachte] en [gebruikersnaam 2] het gewoon moesten zeggen als ze zich wilden terugtrekken, en dat hij dan andere boys zou vragen. [gebruikersnaam 2] antwoordde: "Bro we trekken niet terug".
Ook iets later in het gesprek, toen [gebruikersnaam 2] had gezegd dat [gebruikersnaam 3] met [medeverdachte] moest praten, stuurde [gebruikersnaam 3] naar [medeverdachte] "t moet nu", waarop [medeverdachte] antwoordde dat hij een step nodig had. Daarop reageerde [gebruikersnaam 2] met: "Ja toch kom Gewoon richting Mij het haak”.
In een ‘een op een’ gesprek tussen [gebruikersnaam 2] en [medeverdachte] , zei [medeverdachte] dat hij niet alleen wilde gaan. [gebruikersnaam 2] en [medeverdachte] zijn vervolgens samen op één scooter naar de [a-straat] gegaan; aldaar bleef [gebruikersnaam 2] op een afstandje staan. Terwijl [medeverdachte] bezig was om de brandbom te maken, liep [gebruikersnaam 2] verder de straat in. Zij hadden daar nog telefonisch contact. Kort erna heeft de politie beiden aangehouden.
Anders dan de verdediging heeft gesteld, ziet het hof in het boven aangehaalde gesprek geen teken dat [gebruikersnaam 2] enkel voor en namens [medeverdachte] het gesprek voerde; toen [medeverdachte] even later weer deel nam, bleef [gebruikersnaam 2] actief in het gesprek. [gebruikersnaam 2] heeft de door [gebruikersnaam 3] geboden kans om zich terug te trekken laten lopen. Dat [gebruikersnaam 2] niet wist wat er te gebeuren stond, acht het hof ongeloofwaardig mede gezien het feit dat hij het bovengenoemde nieuwsbericht naar [medeverdachte] stuurde. Het hof concludeert daaruit dat [gebruikersnaam 2] wist waar [medeverdachte] op doelde met ‘werk’.
Het hof is van oordeel dat [gebruikersnaam 2] bij de plannen voor het plaatsen van de bom betrokken is geweest en dat hij er op rekende een (deel van) de opbrengst te krijgen. Hij nam als volwaardig partner deel aan het gesprek met [gebruikersnaam 3] , wist wat er ging gebeuren en is - nadat [medeverdachte] had gezegd dat hij niet alleen wilde gaan - mee gegaan naar de plaats delict. Daar heeft hij zich evenmin gedistantieerd. Hij is weliswaar een eindje verderop gaan staan, maar had ook daar nog contact met [medeverdachte] en is vervolgens ook weer teruggelopen. Naar het oordeel van het hof is gezien het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien dan ook sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.
Op grond van het voorgaande - in onderling verband en samenhang bezien - is het hof van oordeel dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is.”
III Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
7. Het eerste middel bevat twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof zich schuldig heeft gemaakt aan grondslagverlating omdat het in zijn bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing geen keuze heeft gemaakt tussen ‘brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is’ en ‘brandstichting waarbij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is’.2.Een dergelijke alternatieve bewezenverklaring is volgens de stellers van het middel in dit geval niet toelaatbaar omdat aan de alternatieven ongelijke strafmaxima zijn verbonden. De tweede deelklacht gaat over het bewezenverklaarde medeplegen. De stellers van het middel menen dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om van een nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken.
8. Het hof heeft voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing bewezenverklaard, terwijl daarvan, kort gezegd, gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Het gaat hier om een alternatieve bewezenverklaring waarbij het hof geen keuze heeft gemaakt tussen twee alternatieve mogelijkheden die in de tenlastelegging zijn opgenomen. De rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt houdt in dat een alternatieve bewezenverklaring in principe toelaatbaar is voor zover de keuze tussen de in de tenlastelegging opgenomen alternatieven van geen belang is voor de strafrechtelijke betekenis van het feit. De bewijsmiddelen dienen in een dergelijk geval wel de ruimte te laten voor de opengelaten mogelijkheden.3.
9. Het schijnt mij toe dat ook het te dezen door de Hoge Raad gehanteerde criterium feitelijke en juridische aspecten van het feitbegrip uit art. 68 Sr in zich bergen.4.“Het gaat immers steeds om de strafrechtelijke betekenis (juridisch) van het bewezenverklaarde feit (feitelijk)”, aldus Boksem.5.Aanhaling van een viertal arresten van de Hoge Raad kan deze materie hier verduidelijken. Het feitelijke aspect kwam aan de orde in HR 22 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8315, waarin het hof verschillende feitelijkheden als gevolg waarvan het slachtoffer zou zijn gedwongen ontuchtige handelingen te ondergaan alternatief had bewezenverklaard. Die constructie oordeelde de Hoge Raad ontoelaatbaar, maar wel kan uit zijn overweging worden afgeleid dat dit anders zou hebben gelegen als alle alternatieven door bewijsmiddelen geschraagd waren geweest.6.Het ‘juridische aspect’ is in beeld, aldus vaste rechtspraak, wanneer aan de opengelaten alternatieven ongelijke strafmaxima zijn verbonden. Zie HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het hof een keuze had moeten maken tussen diefstal met geweld in vereniging onderscheidenlijk afpersing met geweld in vereniging (beide twaalf jaren gevangenisstraf) en opzettelijke vrijheidsberoving (acht jaren gevangenisstraf).7.Ook kan het openlaten van alternatieven tot cassatie leiden indien die keuze van belang is voor de aan het feit te geven kwalificatie8.; dit deed zich voor in HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:227. Volgens de Hoge Raad had in die zaak de keuze tussen diefstal en gekwalificeerde verduistering niet achterwege mogen blijven.9.De Hoge Raad kwam tot eenzelfde oordeel in HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:569, ten aanzien van gewoon witwassen en gewoon schuldwitwassen.10.
10. De steller van het middel wijst er (terecht) op dat de maximumstraffen in art. 157 Sr oplopen naarmate het gevolg van het teweegbrengen van een ontploffing in ernst toeneemt. Indien het feit gemeen gevaar van goederen doet ontstaan, staat daarop ten hoogste twaalf jaren gevangenisstraf. Bij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel wordt dat vijftien jaren. Daarmee is aan het ene alternatief dus een hoger strafmaximum verbonden dan aan het andere. Een alternatieve bewezenverklaring is dan in beginsel niet toelaatbaar.
11. In de voorliggende zaak doet zich echter een bijzonderheid voor. Het jeugdstrafrecht geldt hier omdat de verdachte nog geen zestien jaar was op het moment dat hij het feit pleegde. Dat maakt dat art. 77i Sr van toepassing is, hetgeen in deze jeugdstrafzaak impliceert dat op beide alternatieven – zowel los van elkaar als gezamenlijk beschouwd – maximaal twaalf maanden gevangenisstraf staat. De alternatieven verschillen in dit specifieke geval dus op het juridische niveau niet van strafmaximum, waardoor de verdachte denk ik op dit punt geen belang bij cassatie heeft.
12. Dan de tweede deelklacht over het bewezenverklaarde medeplegen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de brandbom weliswaar niet direct zelf geplaatst heeft, maar dat (i) er een gezamenlijk plan was om de brandbom te plaatsen (bewijsmiddel 1), (ii) de verdachte en de medeverdachte veelvuldig contact hadden naar aanloop van het incident en (iii) zij spraken over ‘werk’ dat ze die betreffende avond hadden (bewijsmiddel 6). Ook onderhield de verdachte een Snapchatgesprek met ‘ [gebruikersnaam 3] ’ (bewijsmiddel 7), de persoon die – naar het hof aanneemt en waarover in cassatie niet wordt geklaagd – fungeerde als opdrachtgever of als tussenpersoon. De verdachte heeft aan deze ‘ [gebruikersnaam 3] ’ gevraagd wanneer ze het geld zouden krijgen en er is besproken hoe laat en waar ‘het’ moest gebeuren (bewijsmiddelen 1 en 7). Op de opmerking van ‘ [gebruikersnaam 3] ’ dat ze zich nog konden terugtrekken, heeft de verdachte geantwoord “Bro we trekken niet terug” (bewijsmiddel 7). Verder is de verdachte met de medeverdachte meegereden naar de [a-straat] , is hij tijdens het plaatsen van de bom aanwezig gebleven en is hij in de buurt gebleven, mogelijk om een oogje in het zeil te houden (bewijsmiddelen 1 en 4). Het hof kon op basis van dit alles oordelen dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd en dat derhalve sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking in de zin van medeplegen.
13. De eerste deelklacht leidt vanwege gebrek aan belang niet tot cassatie en de tweede deelklacht faalt.
IV Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
14. Het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring van “terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning en/of de/een naastgelegen woning(en) bevindende personen te duchten was”. Om tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging te komen, is vereist dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Het hof heeft volgens de stellers van het middel echter niets vastgesteld over in hoeverre daadwerkelijk inwoners in de (naastgelegen) woningen aanwezig waren.
15. Op basis van de bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat de medeverdachte voor de ingang van een aantal portiekwoningen (nummers [1-4] ) midden in een woonwijk en vroeg in de ochtend (iets voor 03.30) terpentine over de deur en het trottoir heeft gegoten en vervolgens twee cobra’s 20 aan de nog halfvolle fles terpentine heeft gebonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat terpentine een licht ontvlambare vloeistof is en dat een cobra 20 zeer zwaar vuurwerk is, te vergelijken met een bom. Deze vaststellingen kunnen het oordeel van het hof dragen voor zover inhoudend dat wanneer de brandbom tot ontploffing was gebracht levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was geweest. Het hof hoefde niet nader te motiveren dat bij het ontploffen van de brandbom brand zou kunnen ontstaan in de ingang van de woningen en dat die brand mogelijk zou doortrekken naar andere (delen van de) woningen terwijl daarin – gelet op het tijdstip waarop een en ander plaatsvond – mensen aanwezig waren die hun huis wellicht niet (op tijd) zouden kunnen ontvluchten. Ook het bestaan van dat gevaar is onder die omstandigheden immers een feit van algemene bekendheid.
16. Ook het tweede middel faalt.
V Slotsom
17. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑03‑2025
Het hof heeft bewezenverklaard dat er gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, terwijl in de kwalificatie gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel staat opgenomen. Hierover wordt in de toelichting niet uitgeweid, mogelijk omdat in art. 157 Sr geen verschil bestaat in strafmaximum tussen levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, zodat ik dit punt hier verder buiten bespreking laat en enkel inga op de bewezenverklaring.
A.J.A. Van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 315-316; HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8315, NJ 2004/439. Zie ook HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3482.
Opgemerkt zij dat in het concept van het Wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering in Boek 4 (Berechting) de mogelijkheid tot alternatieve kwalificatie – en daarmee logischerwijs ook alternatieve bewezenverklaring – expliciet wordt opengesteld. Daarbij wordt direct aangeknoopt bij dat feitbegrip uit art. 68 Sr. Naar de huidige stand komt het tweede lid van art. 4.3.4 te luiden: “De rechtbank kan bewezen verklaren dat de verdachte één uit meer strafbare feiten heeft begaan en het bewezenverklaarde alternatief kwalificeren tenzij dat niet te verenigen is met een goede procesorde. Bij een alternatieve kwalificatie kunnen de straffen en maatregelen worden opgelegd die op elk van deze feiten zijn gesteld. Een alternatieve kwalificatie blijft achterwege in het geval beide strafbare feiten niet hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht betreffen.” Zie Kamerstukken 2022/23, 36 327, nr. 2, p. 166.
J. Boksem, Op den grondslag der telastlegging: beschouwingen naar aanleiding van het Nederlandse grondslagstelsel, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1996, p. 281.
HR 22 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8315, NJ 2004/349 (rov. 3.4.2).
HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691, NJ 2011/316, m.nt. Mevis (rov. 2.6).
A.J.A. Van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 315-316.
HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:227, NJ 2017/137, m.nt. Kooijmans (rov. 2.3). Mijn ambtgenoot Harteveld heeft in zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest betoogd dat indien de betrokken delicten qua strafmaximum niet wezenlijk uiteenlopen terwijl er verder wat betreft het beschermde rechtsgoed evenmin een relevant verschil bestaat, aangenomen kan worden dat zich geen wezenlijk verschil in strafrechtelijke betekenis voordoet. De Hoge Raad ging daar niet in mee.
HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:569 (rov. 2.4.2).
Beroepschrift 12‑12‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 24/02206
Betekening aanzegging: 1 november 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20240196
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het namens [verdachte] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag d.d. 6 juni 2024, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 58 dagen.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder art. 47 Sr alsmede artt. 350, 359 jo. 415 Sv, en wel omdat:
Deelklacht I) het hof niet heeft beraadslaagd op de grondslag van de tenlastelegging door bewezen te verklaren dat (beknopt weergegeven) door het medeplegen van brandstichting gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was en
(Deelklacht II) het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen van (beknopt weergegeven) poging brandstichting onjuist is, dan wel onvoldoende met redenen omkleed, nu uit de bewijsmiddelen/bewijsvoering geen door verdachte aan het strafbare feit geleverde bijdrage van voldoende (lees: wezenlijk) gewicht kan worden afgeleid. Het voorgaande klemt temeer nu verdachte door de rechtbank in eerste aanleg integraal is vrijgesproken.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is primair tenlastegelegd dat:
‘hij op of omstreeks 27 april 2023 te Rotterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten in/aan een woning en/of portiek gelegen aan de [a-straat 01–04], terwijl daarvan
- —
gemeen gevaar voor goederen, te weten de (naastgelegen) woning(en) en/of de in die woning (en) bevindende goederen en/of
- —
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning en/of de/een naastgelegen woning (en) bevindende personen te duchten was, met dat opzet
- —
een brandbare vloeistof tegen een houtenplaat heeft gegooid/gespoten/gegoten/ gesprenkeld en/of
- —
(vervolgens) twee, althans een of meer, cobra('s) 20, in elk geval vuurwerk- en/of een brandbom heeft vastgeplakt aan een fles terpentine, althans een brandbare vloeistof en die fles bij voornoemde woningen heeft geplaatst
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 27 april 2023 te Rotterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten in/aan een woning en/of portiek gelegen aan de [a-straat 01–04], terwijl daarvan
- —
gemeen gevaar voor goederen, te weten de (naastgelegen) woning(en) en/of de in die woning(en) bevindende goederen en/of
- —
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning en/of de/een naastgelegen woning(en) bevindende personen te duchten was, met dat opzet
- —
een brandbare vloeistof tegen een houtenplaat heeft gegooid/gespoten/gegoten/ gesprenkeld en/of
- —
(vervolgens) twee, althans een of meer cobra('s) 20, in elk geval vuurwerk- en/of een brandbom heeft vastgeplakt aan een fles terpentine, althans een brandbare vloeistof en die fles bij voornoemde woningen heeft geplaatst
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid bij en of tot welk feit hij — verdachte — op of omstreeks 27 april 2023 te Rotterdam opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan,
- —
via Snapchat contact te hebben met [gebruikersnaam 3] over de locatie en/of het tijdstip en/of de beloning.’
1.2
De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg integraal vrijgesproken. Hiertoe heeft de rechtbank het navolgende overwogen:
‘Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat er in de nacht van 27 april 2023 een poging is geweest tot het teweegbrengen van een ontploffing aan een portiek gelegen aan de [a-straat 01–04]. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben eerder die avond via Snapchat contact gehad met het account van [gebruikersnaam 3]. In dit groepsgesprek wordt gesproken over de locatie en de betaling voor het teweegbrengen van het explosief. Vervolgens zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen met een Go scooter vanaf Rotterdam Centraal naar de [a-straat] gereden. Toen de medeverdachte [medeverdachte] nog bezig was met de voorbereidingen om het explosief tot ontploffing te brengen — door het gieten van terpentine over de houten plaat die aan de toegangsdeur zat vastgemaakt — werden op datzelfde moment door de politie de camerabeelden van de [a-straat] bekeken. Kort hierna zijn de verdachte en medeverdachte, voordat het tot een ontploffing was gekomen, aangehouden in de [a-straat]. In het portiek werd tevens een fles terpentine aangetroffen waar een tweetal cobra's aan vast getaped zaten. In het geval van medeplegen geldt als vereiste vooral dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander ofanderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde — intellectuele en/of materiële — bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen — bijvoorbeeld in de vorm van ‘in vereniging’ — een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van het medeplegen van een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing. De verdachte heeft op 26 april 2023 contact gehad met medeverdachte [medeverdachte], in welk gesprek een eerdere explosie aan de orde komt. Op 27 april 2023 neemt de verdachte deel aan een gezamenlijk gesprek met [medeverdachte] en het snapaccount van [gebruikersnaam 3]. [gebruikersnaam 3] en [medeverdachte] spreken in dit laatste gesprek over een opdracht die [gebruikersnaam 3] uitgevoerd wil zien. De verdachte stelt weliswaar vragen in het gesprek, maar zijn rol in het geheel is niet van wezenlijke betekenis. De verdachte reageert immers op een vraag van [gebruikersnaam 3] dat hij moet wachten op de reactie van [medeverdachte], waarna [gebruikersnaam 3] bij het uitblijven hiervan zelfs overweegt om anderen te benaderen voor het uitvoeren van de opdracht. Dat de verdachte mogelijk (deels) wetenschap had over wat er die nacht op de [a-straat] zou gaan gebeuren jen dat hij bij die gebeurtenis in persoon aanwezig is geweest, maakt niet dat hij aan de poging tot het teweegbrengen van het explosief een intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte daar was om op de uitkijk te staan en in die zin behulpzaam is geweest (subsidiair tenlastegelegde). Wat in dat verband op de camerabeelden wordt gezien en is beschreven door de politie, is daarvoor onvoldoende duidelijk en concreet.’
1.3
Tegen het vonnis heeft het O.M. hoger beroep ingesteld. Mr. M.E. Pennings, advocaat te Rotterdam, heeft in hoger beroep (beknopt weergegeven) aangevoerd dat er tussen de verdachten niks besproken is over een rolverdeling; dat medeverdachte [medeverdachte] de initiatiefnemer van zowel het voornemen als het gesprek met ‘[gebruikersnaam 3]’ was; dat de bijdrage van verdachte aan het gesprek enkel stoerdoenerij was; dat medeverdachte [medeverdachte] het strafbare feit uitgevoerd heeft en dat verdachte zich uiteindelijk van het strafbare feit heeft gedistantieerd door halverwege de straat te blijven staan en dat hij derhalve gezien het voorgaande geen bijdrage van voldoende gewicht geleverd heeft.
1.4
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘hij op 27 april 2023 te Rotterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten in/aan een woning en/of portiek gelegen aan de [a-straat 01–04], terwijl daarvan
- —
gemeen gevaar voor goederen, te weten de (naastgelegen) woning(en) en/of de in die woning (en) bevindende goederen en/of
- —
levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning en/of de/een naastgelegen woning (en) bevindende personen te duchten was, met dat opzet
- —
een brandbare vloeistof tegen een houtenplaat heeft gegoten en
- —
twee cobra('s) 20, heeft vastgeplakt aan een fles terpentine, en die fles bij voornoemde woningen heeft geplaatst
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,’
1.5
Het bewezenverklaarde is door het of gekwalificeerd als:
‘medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is.’
Deelklacht I Grondslagverlating
1.6
Art. 157 Sr bepaalt:
‘Hij die opzettelijk brand sticht, een ontploffing teweegbrengt of een overstroming veroorzaakt, wordt gestraft:
- 1°.
met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
- 2°.
met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
- 3°.
met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.’
1.7
Brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is wordt derhalve met aanzienlijk minder straf bedreigd dan brandstichting waarbij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
1.8
Uit de bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing blijkt dat het hof geen keuze heeft gemaakt tussen brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten of brandstichting waarbij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. In het algemeen geldt dat een zogenoemde alternatieve bewezenverklaring toelaatbaar is voor zover een keuze uit de in de tenlastelegging alternatief vermelde kwalificaties voor de strafrechtelijke betekenis van het feit van geen belang is. Een dergelijk belang is in ieder geval aanwezig indien aan de alternatieven ongelijke strafmaxima zijn verbonden. Nu in deze zaak het hof geen keuze heeft gemaakt terwijl die keuze niet achterwege had mogen blijven omdat brandstichting waarbij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is hoger is dan brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is, heeft het hof niet beraadslaagd op de grondslag van de tenlastelegging zodat het arrest niet in stand kan blijven.1.
1.9
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat uit de overwegingen van het hof ten aanzien van de strafoplegging ook niet althans niet zonder meer valt af te leiden dat daadwerkelijk levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest, nu het hof onder meer heeft overwogen ‘Als deze brandbom tot ontploffing was gebracht, waren de gevolgen niet te overzien geweest: van ernstige schade aan de omliggende woningen, tot zwaar lichamelijk letsel of mogelijk zelfs de dood van bewoners.’
Deelklacht II Bewijs
1.10
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een ander of anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde — intellectuele en/of materiële — bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan deze vereisten is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen.2. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering — dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging — dat medeplegen nauwkeurig te motiveren.3.
1.11
Het hof heeft het primair tenlastegelegde medeplegen van (beknopt weergegeven) brandstichting bewezenverklaard en daartoe het navolgende overwogen. Er was een plan om een brandbom te plaatsen die nacht. Verdachte was hiervan door onderling contact met een medeverdachte op de hoogte. Beiden namen zij deel aan het Snapchatgesprek met ‘[gebruikersnaam 3]’ (opdrachtgever/tussenpersoon). Verdachte heeft zelf naar het geld gevraagd en op vraag van ‘[gebruikersnaam 3]’ geantwoord dat ze zich niet terugtrekken. Daarna zijn beide verdachten gezamenlijk op een scooter richting de plaats delict gegaan. Terwijl medeverdachte de brandbom maakte, liep verdachte verder de straat in waar ze nog telefonisch contact met elkaar hadden voor ze werden opgepakt door de politie. Het hof is van oordeel dat Junior bij de plannen voor het plaatsen van de bom betrokken is geweest en dat hij er op rekende een (deel van) de opbrengst te krijgen. Hij nam als volwaardig partner deel aan het gesprek met [gebruikersnaam 3], wist wat er ging gebeuren en is — nadat [medeverdachte] had gezegd dat hij niet alleen wilde gaan — mee gegaan naar de plaats delict. Daar heeft hij zich evenmin gedistantieerd. Hij is weliswaar een eindje verderop gaan staan, maar had ook daar nog contact met [medeverdachte] en is vervolgens ook weer teruggelopen. Naar het oordeel van het hof is gezien het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien dan ook sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.
1.12
Uit de bewijsvoering kan slechts worden afgeleid dat verdachte met medeverdachte overleg gehad heeft, aan het Snapchatgesprek met ‘[gebruikersnaam 3]’ heeft deelgenomen en dat hij in de straat verderop in contact met medeverdachte gestaan heeft. Nu er derhalve geen sprake was van een gezamenlijke uitvoering, alle voor het plegen van het strafbare feit benodigde inlichtingen (ook) door de medeverdachte en op zijn initiatief ingewonnen zijn en de gedragingen van de verdachte (zoals het mogelijk op de uitkijk staan) op zijn hoogst als klassieke medeplichtigheidsgedragingen gezien kunnen worden is de bewezenverklaring door het hof/de verwerping van het verweer onjuist althans onvoldoende met redenen omkleed.
1.13
Het voorgaande klemt temeer nu verdachte weliswaar heeft gesproken over het regelen van een step, maar uit het feit dat hij uiteindelijk achterop de scooter bij medeverdachte is meegegaan blijkt dat hij (uiteindelijk) ook geen daadwerkelijke bijdrage aan het regelen of besturen van het vervoermiddel geleverd heeft.4. Nu verdachte noch qua inlichtingen noch qua vuurwerk of voertuig aan het plegen van het strafbare feit heeft bijgedragen, kan niet ,of in ieder geval niet zonder meer, gezegd worden dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht (lees: wezenlijke bijdrage) geleverd heeft om van een nauwe en bewuste samenwerking te kunnen plegen.
1.14
Het voorgaande klemt ook nu de verdachte in eerste aanleg van het tenlastegelegde is vrijgesproken en de Hoge Raad de bewijsvraag slechts marginaal pleegt te toetsen en de cassatieprocedure dan ook niet kan gelden als een in art. 14, vijfde lid, IVBPR bedoelde mogelijkheid de bewijsvraag na een in eerste aanleg gegeven vrijspraak in volle omvang te laten toetsen.5.
1.15
De bewezenverklaring/het arrest van het hof kan dan ook niet in stand blijven.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder art. 157 Sr alsmede de artt. 359 jo. 415 Sv, en wel omdat het oordeel van het hof dat het brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen terwijl daarvan levensgevaar of gevaar zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning en/of de/een naastgelegen woning(en) bevindende personen te duchten was onjuist, althans onvoldoende met redenen omkleed is, nu dit niet, of in ieder geval niet zonder meer, uit de bewijsmiddelen/de bewijsvoering kan worden afgeleid. Het voorgaande klemt temeer nu verdachte door de rechtbank in eerste aanleg integraal is vrijgesproken.
Toelichting
2.1
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘hij op 27 april 2023 te Rotterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten in/aan een woning en/of portiek gelegen aan de [a-straat 01–04], terwijl daarvan
- —
gemeen gevaar voor goederen, te weten de (naastgelegen) woning(en) en/of de in die woning (en) bevindende goederen en/of
- —
levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning en/of de/een naastgelegen woning (en) bevindende personen te duchten was, met dat opzet
- —
een brandbare vloeistof tegen een houtenplaat heeft gegoten en
- —
twee cobra('s) 20, heeft vastgeplakt aan een fles terpentine, en die fles bij voornoemde woningen heeft geplaatst
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.’
2.2
De tenlastelegging/bewezenverklaring is/zijn toegesneden op art. 157 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
2.3
Voor het te duchten levensgevaar voor een ander, zoals bedoeld in art. 157 Sr is vereist dat dit gevaar ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dit gevaar kan dus ook voorzienbaar zijn als het ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen weliswaar nog niet, maar als gevolg van die gedragingen wel op een later moment te duchten is.6. Van zulk levensgevaar is niet reeds sprake indien de brand is gesticht in een woning (of een andere behuizing die tot menselijke bewoning dient).7. Om in een dergelijk geval in rechte het levensgevaar voor in het bijzonder de bewoner(s) als vaststaand te kunnen aannemen is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband dus niet van belang. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien de bewoner(s) zich ten tijde van de brandstichting niet in de woning bevond(en).8. In een ander arrest was de HR van oordeel dat de gebezigde bewijsmiddelen, waaruit kan worden afgeleid dat brand is gesticht in een woning in een complex van naast en boven elkaar gelegen woningen, op een tijdstip waarop, naar algemeen bekend is, de kans zeer groot is dat minstens een deel van de bewoners van de omliggende woningen thuis is, de bewoners van 2 ondergelegen woningen inderdaad thuis waren — het was in dit geval 5.58 uur — en verdachte door het openen van kranen van een gasfornuis had bewerkstelligd dat in de woning gas uitstroomde, 's hofs oordeel dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor anderen voorzienbaar was konden dragen.9.
2.4
Het kennelijke oordeel van het hof/de bewezenverklaring dat naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat de brandstichting en/of ontploffing vergezeld zou gaan van te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is onjuist, dan wel onvoldoende met redenen omkleed, nu het hof noch in diens bewijsoverwegingen noch in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld in hoeverre daadwerkelijk inwoners in de (naastgelegen) woning(en) aanwezig waren. Hiertoe volstaat niet hetgeen het hof in de strafmaatoverwegingen heeft overwogen waarin slechts in algemene zin over de potentiële gevaren van vuurwerkbommen aan (voordeuren van) woningen gesproken wordt. Het voorgaande klemt temeer nu het feit dat er kennelijk eerder een explosie bij dezelfde woning heeft plaatsgevonden10. hetgeen eerder een contra-indicatie voor de aanwezigheid van bewoners van het appartement dan wel van de omringende woningen en/of het appartementencomplex zelf vormt aangezien deze (hoogst)waarschijnlijk (tijdelijk) uit de woningen zijn vertrokken.11.
2.5
Voorts is van belang in een zaak als deze waarin verdachte in eerste aanleg van het tenlastegelegde is vrijgesproken de Hoge Raad de bewijsvraag slechts marginaal pleegt te toetsen en de cassatieprocedure dan ook niet kan gelden als een in art. 14, vijfde lid, IVBPR bedoelde mogelijkheid de bewijsvraag na een in eerste aanleg gegeven vrijspraak in volle omvang te laten toetsen zodat hogere eisen aan de bewijsvoering van het hof moeten worden gesteld.12.
2.6
De bewezenverklaring/het arrest van het hof kan dan ook niet in stand blijven.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 12 december 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 12‑12‑2024
Vgl. o.m. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:227, NJ 2017/137, m.nt. T. Kooijmans en HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:569.
HR 26 maart 2024, NJ 2024/191, m.nt. A.J. Machielse, r.o. 2.3 onder verwijzing naar HR 2 december 2014, NJ 2015/290, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1314, r.o. 2.3 onder verwijzing naar HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316.
Hierin verschilt de zaak van bijv. HR 30 april 2018, NJ 2018/254, m.nt. N. Rozemond onder NJ 2018/256.
VN-mensenrechtencomité 2 september 2022, CCPR/C/135/D/3256/2018, [naam 1] vs Nederland.
HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:230, r.o. 2.4.
Vgl. H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, 1881, blz. 115–132, alsmede Notulen der Staatscommissie voor de zamenstelling van een Wetboek van Strafregt, 1870–1876, deel I blz. 244–248, deel III blz. 224–225, en deel III blz. 230–231.
Zie A. de Lange, commentaar op art. 157 Sr, T&C Strafrecht (actueel t/m 01-10-2024), aant. 10.3 alsmede HR 17 februari 2009, NJ 2009/120.
HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7170.
Hetgeen uit zowel bewijsmiddel 3 als bewijsmiddel 6 naar voren komt.
Het voorgaande vindt verdere bevestiging in het feit dat — zoals het hof ook bewezenverklaard heeft — de vuurwerkbom was vastgemaakt aan een houten plaat/schot welke in verband met een eerdere explosie aan de geven was geschroefd: zie bewijsmiddel 3.
VN-mensenrechtencomité 2 september 2022, CCPR/C/135/D/3256/2018, [naam 1] vs Nederland.