Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.3.3
3.3.3 Andere wettelijke rechten
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948129:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie M.J.A. van Mourik, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 430. Vgl. Asser/Perrick 4 2021/363.
Zie M.J.A van Mourik, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 431-432. Zie over de ‘andere wettelijke rechten’ uitvoerig M.J.A van Mourik, Handboek Erfrecht 2020, hoofdstuk XI en Asser/Perrick 4 2021, hoofdstuk 9.
Deze opsomming is overgenomen van M.J.A. van Mourik, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 431.
Zie hierover ook paragraaf 3.4 van hoofdstuk 7, met onder meer verwijzingen naar S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/24; S. Perrick, ‘Het wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort’, WPNR 2015/7069 onder punt 7, alsmede de punten 12 en 13 van het naschrift van Perrick onder B. Breederveld e.a., ‘Reactie op “Het wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort” van prof. dr. S. Perrick in WPNR (2015) 7069’, WPNR 2015/7070.
298. Naast de legitieme zondert artikel 1:94 lid 2 sub c BW ook nog van de beperkte huwelijksgemeenschap uit ‘de rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 4:29 en 4:30 BW, het vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge de artikelen 34, 35, 36, 38 van Boek 4’. Deze rechten worden in de aanhef van Afdeling 2 van Titel 3 van Boek 4 BW aangeduid als de ‘andere wettelijke rechten’. Het woord ‘andere’ is slechts begrijpelijk naast het recht op de legitieme portie van artikel 4:63 BW e.v.1 Uit artikel 4:41 BW volgt dat de andere wettelijke rechten een dwingendrechtelijk karakter hebben. Zij spelen wat de langstlevende echtgenoot betreft een rol, indien bij uiterste wilsbeschikking is afgeweken van de wettelijke verdeling. Voor het overige staan zij los van de wettelijke verdeling.2
299. De ‘andere wettelijke rechten’ betreffen op hoofdlijnen de volgende rechten:3 a) op grond van artikel 4:29 BW heeft de langstlevende echtgenoot jegens de erfgenamen een aanspraak op vestiging van een vruchtgebruik op woning en inboedel; b) op grond van artikel 4:30 BW heeft de langstlevende echtgenoot jegens de erfgenamen een aanspraak op vestiging van een recht van vruchtgebruik op andere goederen dan de woning en inboedel, voor zover die echtgenoot daar voor zijn verzorging behoefte aan heeft; c) als de nalatenschap niet toereikend is om te voldoen aan de aanspraken die de echtgenoot op grond van artikel 4:29 en 4:30 BW toekomen, heeft de echtgenoot op grond van artikel 4:34 BW de bevoegdheid om over te gaan tot ‘inkorting’, op grond waarvan de echtgenoot een recht van vruchtgebruik verkrijgt van de geldsom waarvoor de inkorting is geschied (artikel 4:34 lid 2 BW); d) een minderjarig kind van erflater heeft op grond van artikel 4:35 lid 1 letter a BW een aanspraak op een som ineens, voor zover nodig voor zijn verzorging en opvoeding; e) een meerderjarig kind van erflater dat de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt, heeft op grond van artikel 4:35 lid 1 letter b BW een aanspraak op een som ineens, voor zover nodig voor zijn levensonderhoud en studie; f) een kind, stiefkind, pleegkind, behuwdkind of kleinkind van de erflater heeft op grond van artikel 4:36 BW een aanspraak op een som ineens strekkend tot een billijke vergoeding voor het zonder passende beloning gedurende de meerderjarigheid verrichten van arbeid in de huishouding van erflater of in het door hem uitgeoefende bedrijf of beroep; g) een kind of stiefkind van de erflater heeft, in bepaalde omstandigheden, op grond van artikel 4:38 lid 1 BW een aanspraak op overdracht tegen een redelijke prijs aan dat kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot, van goederen die dienstbaar waren aan een door de erflater uitgeoefend bedrijf of beroep dat door het kind of stiefkind dan wel diens echtgenoot wordt voortgezet; h) een kind of stiefkind heeft op grond van artikel 4:38 lid 2 BW een soortgelijke aanspraak als hiervoor onder g bedoeld ten aanzien van aandelen in een NV of BV; i) een echtgenoot heeft, in bepaalde omstandigheden, op grond van artikel 4:38 lid 5 BW de aanspraken als onder g en h bedoeld.
300. Op grond van artikel 1:94 lid 2 sub c BW vallen al deze rechten buiten de beperkte wettelijke gemeenschap waarin de rechthebbende mocht zijn gehuwd. Daarbij is relevant dat het ook hier in eerste instantie om wilsrechten gaat. Als deze wilsrechten worden uitgeoefend, worden zij vervangen door een vordering tot vestiging van een vruchtgebruik, betaling van een geldsom of levering van één of meerdere goederen. Vervolgens treden door inning van die vordering het recht van vruchtgebruik, de geïnde geldsom of het geleverde goed/goederen voor de vordering in de plaats. Wederom treft men hier dus de trits wilsrecht-vordering-geïnde goed aan. Ook hier stemt het weer met de bedoeling van de wetgever overeen dat de gehele trits wilsrecht-vordering-geïnde goed op grond van artikel 1:94 lid 2 sub c BW rechtstreeks buiten de beperkte huwelijksgemeenschap valt. Wederom is er dus géén regeling van zaaksvervanging nodig om dat resultaat te bereiken (vgl. paragraaf 3.2.2, 3.2.3 en 3.3.2 hiervóór). Zou daar anders over worden gedacht, dan mag ook hier worden aangenomen dat de vervanging van het wilsrecht door de vordering, en de vervanging van de vordering door het geïnde, beide worden beheerst door (analoge toepassing van) artikel 1:94 lid 6 BW. Alsdan vallen de vordering en het daarop geïnde op die grond buiten de beperkte huwelijksgemeenschap, ook al kwalificeert de uitoefening van een wilsrecht (de eerste stap in de ‘trits’) strikt genomen niet als ‘de inning van een vordering’ als bedoeld in artikel 1:94 lid 6 BW (vgl. met name paragraaf 3.2.2 hiervóór, onder randnummer 290).4