HR, 12-05-1944
ECLI:NL:HR:1944:79
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-05-1944
- Zaaknummer
[12051944/NJ_1944-392]
- Roepnaam
Cordes/Griffier
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1944:79, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑05‑1944; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1944:1
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑05‑1944
Inhoudsindicatie
Verplichte vertegenwoordiging voor den Griffier? Verzet tegen een ten onrechte op tegenspraak gewezen vonnis?
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
in de zaak nº 7926 van:
den Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden, eischer tot cassatie in het belang der wet van een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage, den 13den Augustus 1943 gewezen
tusschen [eischeres], weduwe van [de echtgenoot] wonende te [woonplaats], eischeres ,
en
den Griffier van de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage Mr. A. van de Koppel, wonende te 's-Gravenhage, gedaagde,
Gehoord den waarnemend Procureur-Generaal Wijnveldt, in zijne conclusie, strekkende tot vernietiging van het bestreden vonnis "in het belang der wet" zonder dat daardoor nadeel worde toegebracht aan de rechten door partijen verkregen;
Gezien de stukken ;
Overwegende dat uit het bestreden vonnis blijkt :
dat [eischeres] den Griffier der Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage voor deze Rechtbank heeft gedagvaard onder meer stellende:
"dat haar ontstolen is een Perzisch kleed, een zoogenaamde Daghestonkleed, dat door de politie te 's-Gravenhage is opgespoord en zich thans bevindt in handen van den griffier van de Arrondissements-Rechtbank aldaar, voorzien van een label onder meer behelzende de vermelding dat het aan eischeres in eigendom toebehoort, alsmede het Romeinsche cijfer XV ;
"dat dit tapijt inmiddels reeds in de derde hand was gekomen, doch de kooper dit niet had gekocht op een jaar- of andere markt, of in openbare veiling ; "dat derhalve ingevolge het bepaalde bij artikel 2014 j# 637 , revindicatie van het tapijt kan geschieden, zonder restitutie van den besteden koopprijs aan wie het heeft gekocht ;
"dat zij als eigenaresse van voormeld kleed gerechtigd, is deze revindicatie in te stellen;"
dat [eischeres] op deze gronden heeft gevorderd gedaagde te veroordeelen het kleed aan haar af te geven met van waardeverklaring van het door haar gelegde revindicatoir beslag;
dat gedaagde is verschenen in persoon, de door [eischeres]; gestelde feiten gaaf en onvoorwaardelijk heeft erkend en verder zich heeft gerefereerd aan het oordeel der Rechtbank;
dat de Rechtbank de vordering heeft toegewezen na onder meer te hebben overwogen: --
dat bij de dagvaarding en bij het leggen van voormeld beslag de wettelijke termijnen en vormen zijn in acht genomen en dat, waar de gedaagde te kennen heeft gegeven de vordering niet tegen te spreken, deze als op de wet gegrond moet worden toegewezen met dien verstande dat, waar gedaagde bij dit vonnis niet in het ongelijk wordt gesteld, hij niet in de kosten van het geding behoort te worden veroordeeld;
Overwegende dat tegen deze uitspraak als middel van cassatie is voorgedragen:
Overwegende dat daarbij de Procureur-Generaal in zijn voordracht en conclusie tot cassatie dit middel doet steunen op het navolgende betoog: -
"het komt mij voor, dat de omstandigheid, dat de Rechtbank een der procespartijen heeft toegelaten in persoon te verschijnen tot vernietiging van het vonnis zal moeten leiden;
dat toch het beginsel van verplichte vertegenwoordiging van partijen algemeen geldt, en de wet voor den Griffier der Rechtbank daarop geen uitzondering heeft gemaakt ;
dat diens verschijing in rechte dan ook een geheel ander karakter draagt, dan dat van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 323 en 324 van genoemd Wetboek, hetwelk optreedt als hoofdpartij (cfr. H.R. 31 October 1929, w. 12084; N.J.1929, blz. 1693) , en voor hetwelk vertegenwoordiging door een procureur niet noodzakelijk geacht moet worden, terwijl toch in een geval als het thans behandelde de Staat door zijn orgaan den Griffier als normale procespartij gedagvaard wordt en de Griffier ten deze niet optreedt ter handhaving van wetten;
dat het wenschelijk is omtrent dit punt een beslissing van den Hoogen Raad uit te lokken, nu blijkt, dat de door de Arrondissements-Rechtbanken gevolgde praktijk niet dezelfde is, ten bewijze waarvan ik hierbij overleg een beslissing der Rechtbank te Rotterdam van 17 September 1943, welke een verzoek van zijn Griffier om zonder procureur te worden toegelaten tot zuivering van een tegen hem verleend verstek van de hand wees, op grond, dat de verweerder in een burgerlijk geding voor de Rechtbank slechts bij procureur kan verschijnen;"
Overwegende wat betreft de ontvankelijkheid van den Procureur-Generaal in zijn eisch tot cassatie "in het belang der wet";
dat de verplichte vertegenwoordiging van partijen in gedingen voor de Rechtbanken en de hoogere gerechten, volgens de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt voor een ieder, die
als partij in het geding optreedt;
dat alleen het Openbaar Ministerie, wanneer het als hoofdpartij werkzaam is, geen vertegenwoordiging door procureur of advocaat behoeft, eensdeels, omdat in dat geval het Openbaar Ministerie als zoodanig is belast met het voeren van een geding ter uitvoering van zijn taak de wet te handhaven en, anderdeels, omdat de reden, die voor de verplichte vertegenwoordiging bij den rechter voor de gewone partijen bestaat, zich niet doet gelden, waar het Openbaar Ministerie procedeert door rechtsgeleerde ambtenaren, welke het bij ieder gerecht vertegenwoordigen en die steeds ter terechtzitting namens het Openbaar Ministerie kunnen optreden;
dat de griffier, welke van een bepaald gerecht deel uitmaakt, niet in een dergelijke uitzonderingspositie verkeert als het Openbaar Ministerie, noch door de hem opgedragen taak noch door te beschikken over rechtsgeleerde vertegenwoordigers bij andere gerechten ;
dat daarom de griffier ten aanzien van de verplichte vertegenwoordiging bij den rechter met iedere andere partij op één lijn gesteld moet worden;
dat hieruit volgt, dat, nu zich voor den gedaagden griffier der Haagsche Rechtbank geen procureur heeft gesteld doch deze in persoon is verschenen, de Rechtbank tegen dezen verweerder, met toepassing van artikel 138 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verstek had behooren te verleenen en verder had behooren te handelen, zooals in de zesde afdeeling van den eersten titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald ; dat echter de Rechtbank, blijkens het bestreden vonnis, dit heeft nagelaten en kennelijk heeft bedoeld tusschen partij [eischeres] en den in eigen persoon verschenen griffier een vonnis op tegenspraak te wijzen ;
dat desniettemin de eisch tot cassatie "in het belang der wet" tegen dit vonnis ingesteld, niet kan slagen;
dat toch cassatie "in het belang der wet" niet kan worden ingesteld, indien voor partijen een gewoon rechtsmiddel openstaat;
dat voor de vraag welk rechtsmiddel tegen het bestreden vonnis is gegeven, het karakter van dit vonnis, als vonnis op tegenspraak en niet bij verstek gewezen, niet wordt bepaald door wat de rechter zelf , die het vonnis wees, daarbij heeft bedoeld;
dat, integendeel, indien de wettelijke vereischten voor het wijzen van een verstekvonnis aanwezig zijn, en de rechter daarom niet anders dan na verstekverleening vonnis had mogen wijzen, het gewezen vonnis - onverschillig of het door den rechter als een vonnis op tegenspraak gewezen is - met het oog op het recht om in verzet te gaan, als verstek- vonnis moet worden aangemerkt ;
dat toch de grond voor de toekenning van het recht van verzet aan den gedaagde, die bij verstek is veroordeeld , deze is, dat de gedaagde partij in den aanleg, welke tot een veroordeelend vonnis heeft geleid, niet is verschenen respectievelijk niet naar den eisch der wet is vertegenwoordigd geweest en daardoor was verstoken van de verweermiddelen respectievelijk de rechtshulp, welke hij anders in dezen aanleg had kunnen voordragen respectievelijk zou hebben gehad ;
dat aan deze in feite ingetreden gevolgen van verstek zoodra de voorwaarden aanwezig zijn waaronder de wet aan den rechter verstek-verleening voorschrijft, niets wordt veranderd doordat de rechter de wet verkeerd toepassende , ondanks de aanwezigheid dezer voorwaarden geen verstek heeft verleend en dus niet ten profijte van het verstek heeft veroordeeld;
dat daarom de rechter door in deze de wet verkeerd toe te passen niet aan de betrokken partij het rechtsmiddel vermag te ontnemen, hetwelk de wet hem tegen een onder de gegeven processueele omstandigheden gewezen vonnis toekent;
dat mitsdien het bestreden vonnis, nu de griffier als verweerder niet, gelijk behoorde, in het geding door een procureur was vertegenwoordigd, met het oog op het recht van verzet, als verstekvonnis moet worden aangemerkt, zoodat daartegen in ieder geval - daargelaten of niet ook appel tegen dit vonnis mogelijk is - het rechtsmiddel van verzet gegeven is ;
dat nu uit de stukken niet blijkt, dat dit rechtsmiddel niet meer openstaat, de Procureur-Generaal in zijn eisch tot cassatie "in het belang der wet" niet kan worden ontvangen;
Verklaart den Procureur-Generaal in zijn eisch tot cassatie "in het belang der wet" tegen het bestreden vonnis der Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage , niet ontvankelijk .-
Gedaan bij de Heeren van Loon, President, Nypels, van der Meulen, Losecaat Vermeer en Smits, Raden, en door den Raadsheer Nypels uitgesproken ter openbare terechtzitting van den twaalfden Mei 1900 Vier en Veertig, in tegenwoordigheid van den Procureur-Generaal Wijnveldt .-