Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/290
290 Redenen om te kiezen voor de laatste proceshandeling in de hoofdzaak
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS453453:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
In de zaak Udo/Renault bleek bij navraag door A-G Huydecoper dat de hoofdzaak langdurig was aangehouden. Huydecoper merkt terecht op dat het merkwaardig is dat in de hoofdzaak geen hoger beroep van tussenvonnissen kan worden ingesteld ter voorkoming van vertragingen, terwijl “de aanwending van rechtsmiddelen in een ‘parallelle’ procedure over voorlopige bewijsverrichtingen, een vertraging van de zaak ten gronde kan bewerkstelligen die materieel overeenkomt met wat de wetgever met de invoering van de twee genoemde artikelen [art. 337 lid 2 en 401a lid 2 Rv, EG] nu juist heeft willen uitsluiten”. A-G Huydecoper in zijn conclusie voor HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3938, NJ 2008, 608 en JBPr 2009, 12, m.nt. E.F. Groot (Udo/Renault). Zie ook Hof ’s-Gravenhage 30 juni 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009: BJ1594, waarin het hof overwoog dat uitstel van het pleidooi in de hoofdzaak (in afwachting van de afronding van het voorlopig getuigenverhoor) in strijd was met de goede procesorde in de hoofdzaak. In Hof ’s-Gravenhage 9 september 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BF1785 liet het hof ten onrechte meewegen dat het houden van een voorlopig getuigenverhoor zou leiden tot een vertraging van de hoofdzaak. Niet de hoofdzaak moet geparkeerd worden, maar het voorlopig getuigenverhoor moet worden afgewezen als het verzoek daartoe zó laat wordt ingediend, dat de verklaringen – bij voortvarend procederen – niet meer in de hoofdzaak kunnen worden gebruikt.
Bij de herziening van het procesrecht in 2002 was de efficiency van civiele procedures één van de uitgangspunten. PG Herziening Rv 2002, p. 6-8. Zie hierover par. 1.1.
De eerste reden om voor de laatste proceshandeling en niet het (tussen)vonnis in de hoofdzaak te kiezen, is het minimaal benodigde tijdsverschil tussen de afronding van de voorlopige getuigenverhoren en van de getuigenverhoren in de hoofdzaak. Voor een wezenlijk, serieus gebruik van de voorlopige getuigenverklaringen moet voldoende tijdsverschil bestaan tussen de afronding van de voorlopige getuigenverhoren en de (latere) afronding van de getuigenverhoren in de hoofdzaak. Het gebruik van de verklaringen houdt immers in het inschatten van proceskansen en het op basis daarvan nemen van beslissingen over het verdere verloop van de procedure, zoals bijvoorbeeld het proberen te komen tot een schikking en royement van de procedure, het wijzigen van de eis of het inperken van het aantal geschilpunten.
De hoeveelheid tijd die nodig is om de voorlopige getuigenverklaringen daadwerkelijk te kunnen gebruiken ten behoeve van de beoordeling van de vordering in de hoofdzaak verschilt per zaak en is van veel verschillende factoren afhankelijk, bijvoorbeeld de complexiteit van de zaak, het aantal eisers/gedaagden en de schikkingsbereidheid van partijen en hun advocaten. De rechter die moet oordelen over het voorlopig getuigenverhoor dient bij de beoordeling van het belang van de verzoeker geen rekening te houden met een aanhouding van de hoofdzaak, die ertoe dient de uitspraak over het voorlopig getuigenverhoor af te wachten.1 Het procederen over een voorlopig getuigenverhoor (in meerdere instanties), terwijl de hoofdzaak stilligt in afwachting van de afronding van de getuigenverhoren in het voorlopig getuigenverhoor, past absoluut niet in de gedachte van voortvarend procederen.2
Ten tweede is de verrichting van de laatste proceshandeling een duidelijk, vast moment. Dat komt de rechtszekerheid ten goede. Bovendien kan van een duidelijk omslagpunt ook een preventieve werking uitgaan. De doorsnee verzoeker, die uitrekent dat de beslissing op zijn verzoek ongeveer zal samenvallen met de laatste proceshandeling in de hoofdzaak (het omslagpunt), zal het risico van de afwijzing van zijn verzoek en de daarmee gepaard gaande kosten niet nemen óf goed motiveren waarom hij wél belang heeft bij zijn verzoek. Hoewel de verzoeker na het omslagpunt in beginsel onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek, kan hij altijd het tegendeel bepleiten, bijvoorbeeld als gevaar voor verlies van de getuige aanwezig is (zie par. 6.7).
In de meeste gevallen zullen de laatste proceshandeling in de hoofdzaak en de beslissing op het verzoek niet precies samenvallen, maar zullen daartussen meerdere dagen of weken liggen. Hoe meer dagen geteld kunnen worden tussen de twee momenten, des te meer de overige omstandigheden van het geval bepalen of een voorlopig getuigenverhoor al dan niet zin heeft.