Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/3.3.1
3.3.1 Het Belgische recht
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90805:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Dirix & De Corte 2006, nr. 220, 233, 280; François & Cuypers 2013, Commentaar bij art. 20, 5° Hyp.W., nr. 10, 60, 99.
Dirix & De Corte 2006, nr. 281; François & Cuypers 2013, Commentaar bij art. 20, 5° Hyp.W., nr. 20.
Er geldt geen uitzondering voor derdenbescherming. Zie hoofdstuk 6, paragraaf 6.3.3.
Amendement nr. 25 bij het wetsontwerp van 24 oktober 2012 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zeker heden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake, Parl. St. Kamer 2012-13, nr. 53-2463/004, 2.
Hoofdstuk 2, paragraaf 2.4.2.
Voorontwerp van wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft. Verslag van de Expertengroep op de zekerheden opgericht door de Minister van Justitie, S. de Clerck, en voorgezeten door Professor E. Dirix, 2011, p. 4-5, 12-21.
De Belgische wetgever acht het billijk om de leverancier die zaken op krediet levert aan de koper een voorrangspositie toe te kennen met betrekking tot (de opbrengst van) de geleverde zaken. De wetgever geeft dit vorm door de leverancier de mogelijkheid te geven een eigendomsvoorbehoud te bedingen, maar ook door de leverancier van rechtswege zekerheid te geven. De wet verbindt het voorrecht van de onbetaalde verkoper aan de koopprijsvordering van de leverancier in art. 20, 5° Hyp.W. jo art 58 Pandwet.
Op grond van dit voorrecht heeft de leverancier voorrang bij de verdeling van de opbrengst van de door hem geleverde zaak buiten en tijdens het faillissement van de koper voor zijn koopprijsvordering, inclusief de accessoria op de koper, zo volgt uit art. 20, 5° 1e zin Hyp.W.1 Accessoria is volgens art. 1593 BBW ‘al wat de koper noodzakelijk dient te betalen om het goed te verwerven’. Hieronder vallen onder meer de kosten van de koop, kosten van vervoer en verpakking en de door de koper verschuldigde BTW.2
Aan het voorrecht kent art. 58 Pandwet superprioriteit toe. De leverancier wordt voldaan uit de opbrengst van de geleverde zaken in rang voor andere schuldeisers van de koper, inclusief de schuldeisers met een zekerheidsrecht.3 Aan deze toekenning van superprioriteit ligt, evenals aan het functioneel vergelijkbare eigendomsvoorbehoud, de nauwe band tussen de vordering van de leverancier en (de opbrengst van) de geleverde zaken ten grondslag. Deze rechtvaardigt ten eerste de voorrangspositie voor de leverancier.4 Daarnaast acht de wetgever het niet billijk dat andere schuldeisers zich in rang boven de leverancier kunnen verhalen en op deze wijze profiteren van de prestatie van de leverancier ten koste van de leverancier die onbetaald blijft.5
Opvallend is dat het voorrecht bijna geen plaats had gekregen in de Pandwet. Het voorrecht was namelijk geschrapt in het Voorontwerp van de Pandwet. Omdat het Belgische recht zeer veel voorrechten kende en de ontwerpcommissie het recht wilde vereenvoudigen, werd voorgesteld om een aantal voorrechten, waaronder het voorrecht van de onbetaalde verkoper, te schrappen. Schrapping van dit voorrecht werd niet problematisch geacht door de ontwerpers van de Pandwet, omdat de zekerheidsbehoefte van de leverancier vervuld kon worden door het eigendomsvoorbehoud en het vuistloze pandrecht.6 De ontwerpers beoogden dus niet om de zekerhedenpositie van de leverancier te verzwakken. Uiteindelijk is het voorrecht toch behouden. In de parlementaire geschiedenis van de Pandwet is hiervoor geen argument te vinden. Het voorrecht verscheen ineens in art. 58 lid 2 Pandwet. Een mogelijke reden kan zijn dat de wetgever het wenselijk achtte om de leverancier van rechtswege zekerheid toe te kennen voor zijn koopprijsvordering, naast de mogelijkheid om een eigendomsvoorbehoud te bedingen.