Rechtbank Gelderland 6 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6861.
HR, 06-06-2025, nr. 24/00546
ECLI:NL:HR:2025:851
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-06-2025
- Zaaknummer
24/00546
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid ziektekosten (V)
Civiel recht algemeen (V)
Gezondheidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:851, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑06‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1281
ECLI:NL:PHR:2024:1281, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 29‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:851
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑04‑2024
- Vindplaatsen
GZR-Updates.nl 2025-0148
GJ 2025/79
NJ 2025/237 met annotatie van J. Legemaate
Uitspraak 06‑06‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/00546
Datum 6 juni 2025
ARREST
In de zaak van
1. COÖPERATIE VGZ U.A.,
2. VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
3. IZZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
4. IZA ZORGVERZEKERAAR N.V.,
5. N.V. ZORGVERZEKERAAR UMC,
6. N.V. VGZ CARES,
7. N.V. UNIVÉ ZORG,
allen gevestigd te Arnhem,
EISERESSEN tot cassatie,
hierna gezamenlijk: VGZ c.s.,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas,
tegen
MEDIREVA B.V.,
gevestigd te Maastricht,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: MediReva,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/05/315178 / HA ZA 17-46 van de rechtbank Gelderland van 6 december 2017 en 31 oktober 2018;
b. de arresten in de zaak 200.252.255 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 november 2021, 2 augustus 2022, 15 augustus 2023 en 28 november 2023.
VGZ c.s. hebben tegen de arresten van het hof van 16 november 2021, 2 augustus 2022 en 15 augustus 2023 beroep in cassatie ingesteld.
Tegen MediReva is verstek verleend.
De zaak is voor VGZ c.s. toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van VGZ c.s. hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) MediReva is een groothandel in onder meer farmaceutische producten, medische zorgartikelen en verpleegartikelen.
(ii) MediReva levert onder meer lijmrestverwijderaars, die verkrijgbaar zijn in de vorm van removerdoekjes en in de vorm van een removerspray.
(iii) VGZ c.s. zijn zorgverzekeraars.
(iv) Tussen MediReva en VGZ c.s. is een overeenkomst van kracht betreffende de levering van stomamateriaal.
(v) MediReva heeft in de periode van 2013 tot en met 2015 aan ongeveer een vierde deel van de bij VGZ c.s. verzekerde stomapatiënten die MediReva in haar bestand heeft, lijmrestverwijderaars verstrekt. Zij heeft hiervoor een bedrag van in totaal € 201.354,32 bij VGZ c.s. gedeclareerd. In 2013 heeft MediReva hiervoor een bedrag van ongeveer € 70.000,-- gedeclareerd, in 2014 ongeveer € 72.000,-- en in 2015 ongeveer € 60.000,--. VGZ c.s. hebben deze bedragen aan MediReva betaald.
(vi) Na de hiervoor onder (v) bedoelde betalingen en daarop gevolgde controles door VGZ c.s. is tussen partijen discussie ontstaan over de vraag of de lijmrestverwijderaars voor vergoeding in aanmerking komen onder de Zorgverzekeringswet. VGZ c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is en hebben het volgens hen ten onrechte betaalde bedrag van € 201.354,32 verrekend met latere declaraties van MediReva.
2.2
MediReva vordert in dit geding, samengevat en voor zover in cassatie van belang, te verklaren voor recht dat op grond van de huidige wet- en regelgeving een zorgverzekeraar lijmrestverwijderaars dient te vergoeden voor verzekerden met een stoma die een medische indicatie hebben voor lijmrestverwijderaars, VGZ c.s. te gebieden om lijmrestverwijderaars voor zodanige verzekerden te vergoeden en VGZ c.s. te veroordelen tot terugbetaling van het door hen ingehouden bedrag van € 201.354,32 (zie hiervoor in 2.1 onder (v) en (vi)).
2.3
De rechtbank heeft in twee tussenvonnissen achtereenvolgens geoordeeld dat lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van de stomaplak bij stomapatiënten met een gevoelige huid vallen binnen de reikwijdte van de wettelijke omschrijving van de hulpmiddelenzorg (art. 2.1 lid 1 Besluit zorgverzekering (hierna: Bzv) in samenhang met art. 2.9 Bzv, art. 2.6, aanhef en onder d, Regeling zorgverzekering (hierna: Rzv) en art. 2.11 lid 1Rzv)1.en voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk2.. De rechtbank heeft tussentijds hoger beroep opengesteld.
2.4
Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.
Nadat het hof bij zijn arrest van 2 augustus 2022 een deskundigenbericht door het Zorginstituut Nederland had gelast, heeft het in zijn tussenarrest van 15 augustus 20233., voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
Uitgangspunt is dat er in de groep stomapatiënten patiënten zijn bij wie de huid zo gevoelig is dat deze geheel of gedeeltelijk loslaat als de stomaplak wordt verwijderd (stripeffect) en patiënten die ernstige pijn hebben als de plak wordt verwijderd. Niet in geschil is dat de door MediReva geleverde lijmrestverwijderaars effectief zijn in het voorkomen van huidloslating en te heftige pijnsensaties bij verwijdering van de stomaplak. De stomaplak wordt dan in een voorzichtige beweging verwijderd, terwijl de lijm oplost door te deppen met een doekje met lijmrestverwijderaar. Zo wordt een te grote mechanische belasting van de huid voorkomen. (rov. 2.4)
Onderscheiden moet worden tussen het gebruik van een lijmrestverwijderaar om na het verwijderen van de stomaplak de gezonde huid schoon te maken (een schoonmaakmiddel) en het gebruik van een lijmrestverwijderaar om de stomaplak te verwijderen zonder daarbij de huid te beschadigen of om te veel pijn bij het verwijderen van de stomaplak te voorkomen (een huidbeschermend middel). In de laatste functie wordt de lijmrestverwijderaar functioneringsgericht ingezet en valt deze op grond van art. 2.11 lid 3 sub b Rzv als hulpmiddel onder de te verzekeren prestatie. Uit de toelichting (Staatscourant 2010/11513, p. 8) blijkt dat de daar opgenomen opsomming van huidbeschermende middelen (beschermfilm, -poeder, -pasta, crèmes en tissues) door het gebruik van het woord “zoals” niet limitatief is. Het hof volgt VGZ c.s. dan ook niet in hun betoog dat huidbeschermende middelen beperkt zouden zijn tot middelen die de huid soepel en waterafstotend houden en het pH-niveau op peil houden of een beschermfilm over de huid creëren. In de toelichting is opgemerkt dat noodzakelijke toebehoren tot het verzekerd pakket behoren. Omdat het gebruik van de lijmrestverwijderaar noodzakelijk is ter bescherming van de gevoelige huid, valt de lijmrestverwijderaar onder de categorie huidbeschermende middelen voor stomapatiënten die behoren tot de te verzekeren prestatie. (rov. 2.5)
Het hof volgt daarom niet de te beperkte uitleg van artikel 2.11 lid 3 sub b Rzv die het Zorginstituut voorstaat. De beantwoording door het Zorginstituut van de eerste vraag is beperkt door de kennelijk toegepaste herformulering, te weten dat lijmrestverwijderaars zijn bedoeld om kleefstoffen te verwijderen. Daarbij is niet kenbaar aandacht geschonken aan de toevoeging in de vraagstelling van het hof dat het gaat om lijmrestverwijderaars die worden ingezet tijdens het verwijderen van de stomaplak om beschadigingen van de huid of pijnsensaties bij de patiënt te voorkomen. De opmerking van het Zorginstituut dat er geen ruimte is voor een tussencategorie, miskent dat het hier niet gaat om een tussencategorie maar om een categorie die rechtstreeks onder de regeling valt. (rov. 2.6)
Het gebruik van lijmrestverwijderaars bij stomapatiënten met een gevoelige huid voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk (art. 2.1 lid 2 Bzv). (rov. 2.7)
Het gaat hier om een eenvoudig, praktisch aspect van het geheel van behandelingsfacetten van patiënten met een stoma, dat vaak niet beschreven staat in richtlijnen en protocollen. Het bewijs van de effectiviteit van de inzet van lijmrestverwijderaars kan dan ook worden aangetoond aan de hand van ervaringen uit de dagelijkse praktijk die bij voorkeur worden verzameld en besproken in artikelen of, zoals in deze procedure, worden toegelicht aan de hand van schriftelijke en getuigenverklaringen van personen die met dit behandelingsonderdeel ervaring hebben. Het hof neemt over al hetgeen de rechtbank daarover heeft beslist. (rov. 2.8-2.11)
2.5
Het hof heeft tussentijds cassatieberoep opengesteld.
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat lijmrestverwijderaars voor vergoeding in aanmerking komen indien het gebruik ervan bij stomapatiënten noodzakelijk is om de stomaplak te verwijderen zonder de gevoelige huid te beschadigen of om veel pijn bij deze patiënten te voorkomen. Het onderdeel klaagt onder meer dat dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof miskent dat een genees- of hulpmiddel niet, afhankelijk van de concrete toepassing daarvan in een specifieke situatie, in een andere (in de Rzv onderscheiden) categorie genees- of hulpmiddelen kan vallen, om zodoende, afhankelijk van de desbetreffende situatie, nu eens wel en dan weer niet voor vergoeding in aanmerking te komen. Een lijmrestverwijderaar moet worden gekwalificeerd als schoonmaakmiddel in de zin van art. 2.11 lid 3, onder a, Rzv en kan daarom niet – afhankelijk van de concrete toepassing daarvan – (tegelijkertijd) worden gekwalificeerd als huidbeschermend middel in de zin van art. 2.11 lid 3, onder b, Rzv, aldus het onderdeel.
3.2
Ingevolge art. 11 lid 1 Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) heeft de zorgverzekeraar jegens zijn verzekerden een zorgplicht die zodanig wordt vormgegeven dat de verzekerde bij wie het verzekerde risico zich voordoet, krachtens de zorgverzekering recht heeft op prestaties bestaande uit:
“ a. de zorg of de overige diensten waaraan hij behoefte heeft, of
b. vergoeding van de kosten van deze zorg of overige diensten alsmede, desgevraagd, activiteiten gericht op het verkrijgen van deze zorg of diensten.”
Art. 11 lid 3 Zvw bepaalt dat de inhoud en omvang van deze prestaties bij algemene maatregel van bestuur nader worden geregeld. Deze algemene maatregel van bestuur is het Bzv4.. Ingevolge art. 11 lid 4 Zvw kan in de algemene maatregel van bestuur voorts worden bepaald dat bij ministeriële regeling vormen van zorg of overige diensten kunnen worden uitgezonderd van de te verzekeren prestaties en dat bij ministeriële regeling de inhoud en omvang van de prestaties, bestaande uit zorg als bedoeld in onder meer art. 10, onder d, Zvw (hulpmiddelenzorg), nader wordt geregeld. De in art. 11 lid 4 Zvw bedoelde ministeriële regeling is de Rzv5..
3.3
Art. 2.9 lid 1, aanhef en onder a, Bzv bepaalt dat de in art. 10, aanhef en onder d, Zvw genoemde hulpmiddelenzorg het volgende omvat:
“(…) bij ministeriële regeling aangewezen, functionerende hulpmiddelen en verbandmiddelen, waarbij kan worden geregeld:
a. in welke gevallen de verzekerde recht heeft op die zorg;
(…).”
Art. 2.6, aanhef en onder d, Rzv bepaalt dat tot de aangewezen hulpmiddelen en verbandmiddelen behoren: uitwendige hulpmiddelen te gebruiken bij urinelozing en defecatie als omschreven in art. 2.11 Rzv. Art. 2.11 Rzv luidt, voor zover in deze zaak van belang, als volgt:
“1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel d, omvatten uitwendige hulpmiddelen met al dan niet inwendige onderdelen te gebruiken bij stoornissen in de functies gerelateerd aan urinelozing en defecatie.
2. (…)
3. De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat niet:
a. schoonmaakmiddelen en geurmiddelen;
b. huidbeschermende middelen anders dan bij stomapatiënten, voor zover deze niet vallen onder de te verzekeren prestatie farmaceutische zorg;
c. (…)
d. (…)
e. (…).”
3.4
In de toelichting op de op 1 januari 2011 in werking getreden wijziging van art. 2.6 Rzv en art. 2.11 Rzv, waarbij deze bepalingen hun huidige redactie kregen, wordt opgemerkt dat de wijziging samenhangt met zogeheten functiegericht omschrijven van uitwendige hulpmiddelen te gebruiken bij urinelozing en defecatie.6.In een brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) aan de Tweede Kamer van 10 juni 20147.heeft de minister over het functiegericht omschrijven van hulpmiddelen het volgende opgemerkt:
“Op verzoek van de Kamer (Motie Schippers, Kamerstuk 28 439, nr. 21) is VWS vanaf 2008 begonnen met het stapsgewijs functiegericht omschrijven van de aanspraak op hulpmiddelenzorg in het basispakket. Hiermee verandert de aanspraak van een «gesloten systeem» op basis van een limitatieve lijst van hulpmiddelen naar een meer «open systeem». Het uitgangspunt van dit meer «open systeem» is dat hulpmiddelen die voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk en die een beperking kunnen opheffen of verminderen, in het basispakket zitten; uiteraard geldt ook hiervoor dat bepaalde hulpmiddelen expliciet kunnen worden uitgesloten op basis van de andere pakketcriteria. Zo ontstaat er in de regelgeving een meer toekomstbestendige aanspraak met meer ruimte voor maatwerk, innovatieve hulpmiddelen en betere hulpmiddelenzorg.
Het veld moet er verder voor zorgen dat er goede protocollen komen om aan dit maatwerk invulling te geven.”
De toelichting op art. 2.11 lid 1 Rzv vermeldt dat onder de functiegerichte omschrijving in die bepaling een breed scala aan hulpmiddelen valt die noodzakelijk zijn in verband met het ontbreken/wegvallen van normale lichaamsfuncties in verband met urinelozing en defecatie. Het gaat volgens de toelichting onder meer om voorzieningen voor stomapatiënten en voor mensen met incontinentie- of ontlastingsproblemen. Uitgangspunt is, aldus de toelichting, dat er sprake moet zijn van functionerende hulpmiddelen, wat betekent dat de noodzakelijke toebehoren deel uitmaken van deze te verzekeren prestatie. De toelichting vervolgt met de opmerking dat er een groot assortiment stomavoorzieningen op de markt is dat onder deze te verzekeren prestatie valt. Het betreft, aldus de toelichting, onder meer systemen voor de opvang van feces of urine, zowel eendelige als tweedelige systemen, benodigdheden voor verzorging van fistels zoals opvangzakjes en specifieke wondzakken, gordels ter bevestiging van stomazakjes op het lichaam, steunbandages bij parastomale hernia, indikmiddelen, reinigingsgaasjes en huidbeschermingsmiddelen. Andere voorzieningen die onder de te verzekeren prestatie vallen zijn volgens de toelichting onder meer katheters, katheterzakken, irrigatiesets voor het spoelen van de dikke darm en hulpmiddelen voor het afsluiten van de stoma, zoals stomapluggen en afdekpleisters.8.
In de toelichting op art. 2.11 lid 3 Rzv wordt opgemerkt:
“Reinigingsgaasjes vallen onder de te verzekeren prestatie, maar een verzekerde dient zelf te voorzien in de middelen voor het schoonmaken van de huid rond het stoma. Er is een ruim assortiment anti-allergische en al dan niet desinfecterende schoonmaakmiddelen bij drogist of supermarkt verkrijgbaar. Deze middelen zijn niet kostbaar en kunnen gerekend worden tot de persoonlijke hygiëne. Ook geurmiddelen komen voor eigen rekening.
Alleen voor stomapatiënten omvat de te verzekeren prestatie ook huidbeschermende middelen. Het gaat daarbij om middelen zoals een beschermfilm, -poeder of -pasta, crèmes en tissues. Deze middelen zijn bijvoorbeeld geïndiceerd bij mensen met een gevoelige huid of een hoge stoma, waarbij de huid als gevolg van dunne, agressieve uitscheiding een grotere kans heeft op ontsteking.”9.
3.5
Uit hetgeen hiervoor in 3.2-3.4 is vermeld, volgt dat onder de te verzekeren prestaties bij een zorgverzekering ook hulpmiddelenzorg valt, zoals stomavoorzieningen, en dat de Rzv niet uitputtend de specifieke hulpmiddelen noemt die onder deze te verzekeren prestatie vallen, maar daarvan een functiegerichte omschrijving geeft, waarbij de functie van een hulpmiddel bepalend is voor de vergoedbaarheid ervan. Tegen de achtergrond van een en ander brengt een redelijke uitleg van de betrokken regeling mee dat voor het antwoord op de vraag of een hulpmiddel voor stomapatiënten behoort tot de te verzekeren prestaties, van belang is in welke functie het middel in het concrete geval wordt gebruikt en dat hetzelfde middel, afhankelijk van de functie ervan in een concreet geval, wel of niet onder de omschrijving van de te verzekeren prestaties kan vallen.
3.6
Verder blijkt uit de hiervoor in 3.4 weergegeven toelichting op art. 2.11 Rzv dat de regelgever heeft beoogd ook de noodzakelijke toebehoren voor het functioneren van hulpmiddelen voor stomapatiënten onder de in die bepaling gegeven omschrijving te laten vallen, dat volgens de regelgever een breed scala aan hulpmiddelen onder de functiegerichte omschrijving valt en dat een groot assortiment stomavoorzieningen op de markt is dat onder deze te verzekeren prestatie valt, waarbij in de vervolgens gegeven opsomming van stomavoorzieningen die daar ‘onder meer’ onder vallen, ook voorzieningen vallen als reinigingsgaasjes. Dat laatste illustreert tevens dat niet de algemene functie of de benaming van een hulpmiddel, zoals reinigingsgaasjes, maar de functie waarin dit in een concreet geval wordt toegepast, beslissend is voor het antwoord op de vraag of het onder de te verzekeren prestaties valt.
3.7
Het hof heeft geoordeeld, in zoverre in cassatie niet bestreden, dat de lijmrestverwijderaars in de in dit geding aan de orde zijnde gevallen worden gebruikt bij het verwijderen (losweken) van de stomaplak om beschadigingen van de huid of pijnsensaties bij de patiënt te voorkomen, dan wel bij het aanbrengen van een nieuwe stomaplak ten behoeve van een goede hechting daarvan aan de huid. Indien de lijmrestverwijderaars in die functie(s) worden gebruikt, zijn deze, mede gelet op hetgeen hiervoor in 3.5 en 3.6 is overwogen, aan te merken als ‘uitwendige hulpmiddelen met al dan niet inwendige onderdelen te gebruiken bij stoornissen in de functies gerelateerd aan urinelozing en defecatie’ in de zin van art. 2.11 lid 1 Rzv. Daaraan staat niet in de weg dat lijmrestverwijderaars in voorkomend geval ook met een andere functie of een ander doel kunnen worden gebruikt (bijvoorbeeld de reiniging van de huid) en in dat geval mogelijk vallen onder de uitzondering voor schoonmaakmiddelen van art. 2.11 lid 3, onder a, Rzv. De functie waarin het middel in een concreet geval wordt toegepast, is immers beslissend voor het antwoord op de vraag of het onder de te verzekeren prestaties valt (zie hiervoor in 3.6). De klacht faalt derhalve.
3.8
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt VGZ c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van MediReva begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 juni 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑06‑2025
Rechtbank Gelderland 31 oktober 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5605.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6858.
Besluit van 28 juni 2005, Stb. 2005, 389.
Regeling van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2005, Stcrt. 5 september 2005, nr. 171.
Regeling van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 juli 2010, Stcrt. 22 juli 2010, nr. 11513, p. 6.
Stcrt. 2010, nr. 11513, p. 7.
Stcrt. 2010, nr. 11513, p. 8.
Conclusie 29‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Gezondheidsrecht. Zorgverzekeringsrecht. Lijmrestverwijderaar stomapatiënten door basisverzekering gedekt hulpmiddel? Art. 2.11 Regeling zorgverzekeringen.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00546
Zitting 29 november 2024
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
1. Coöperatie VGZ U.A.
2. VGZ Zorgverzekeraar N.V.
3. IZZ Zorgverzekeraar N.V.
4. IZA Zorgverzekeraar N.V.
5. N.V. Zorgverzekeraar UMC
6. N.V. VGZ Cares
7. N.V. Univé Zorg
eiseressen tot cassatie,
advocaat: mr. P.A. Fruytier
tegen
MediReva B.V.
verweerster in cassatie,
niet verschenen
Partijen worden hierna aangeduid als VGZ c.s. respectievelijk MediReva.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak gaat over de vraag of materiaal voor het verwijderen van stomaplak onder de basisverzekering valt. MediReva levert lijmrestverwijderaars voor stomapatiënten. Deze middelen worden op medische indicatie van een arts of een (stoma)verpleegkundige verstrekt om bij patiënten met een kwetsbare huid stomamateriaal te kunnen verwijderen zonder de huid te beschadigen. VGZ c.s. hebben de lijmrestverwijderaars lange tijd vergoed, maar zijn daarmee gestopt. Het zou om een schoonmaakmiddel voor persoonlijke hygiëne gaan dat niet onder het basispakket valt. Eerder vergoede bedragen hebben VGZ c.s. verrekend met nieuwe declaraties van MediReva. Andere grote zorgverzekeraars vergoeden de lijmrestverwijderaars van MediReva nog wel.
1.2
MediReva vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat lijmrestverwijderaars voor stomapatiënten die daarvoor een medische indicatie hebben dienen te worden vergoed. Zij vordert voorts (terug)betaling van het door VGZ c.s. verrekende bedrag. De rechtbank oordeelde dat lijmrestverwijderaars niet in alle gevallen als schoonmaakmiddel kunnen worden gekwalificeerd en in bepaalde gevallen voor vergoeding in aanmerking komen. Zij heeft MediReva de gelegenheid gegeven te bewijzen dat bij de stomapatiënten met de door MediReva opgesomde indicaties het gebruik van lijmrestverwijderaars overeenkomstig de stand van de wetenschap en praktijk is. MediReva heeft daartoe getuigen laten horen. De rechtbank concludeerde dat MediReva is geslaagd in haar bewijsopdracht en dat de lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk.
1.3
In het door VGZ c.s. instelde hoger beroep overwoog het hof in een eerste tussenarrest dat de beantwoording van de vraag of de lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk medisch-deskundige beoordeling vergt. In een tweede tussenarrest werd Zorginstituut Nederland als deskundige benoemd. Na het deskundigenbericht oordeelde het hof in een derde tussenarrest dat het gebruik van de lijmrestverwijderaar noodzakelijk is ter bescherming van de gevoelige huid en dat de lijmrestverwijderaar van MediReva valt onder de categorie huidbeschermende middelen voor stomapatiënten die behoren tot de te verzekeren prestatie. Verder overweegt het hof dat de behandeling met de lijmrestverwijderaar effectief is en dat Zorginstituut Nederland niet kan zeggen of er een gouden standaard (standaardbehandeling of gebruikelijke behandeling) is. In de omstandigheden van het geval is het niet aanvaardbaar dat VGZ c.s. de lijmrestverwijderaar niet meer zien als onderdeel van de verzekerde prestatie. Er is geen medisch-wetenschappelijk bewijs over de effectiviteit van de door VGZ c.s. voorgestelde alternatieve behandeling (te weten: een lauwwarm washandje gebruiken).
1.4
Na een verzoek daartoe van VGZ c.s. heeft het hof tussentijds cassatieberoep opengesteld.
1.5
VGZ c.s. komen met een groot aantal, sterk feitelijke, klachten op tegen beslissingen uit het derde tussenarrest. Naar ik meen tevergeefs.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Feiten1.
2.2
MediReva is een leverancier van farmaceutische producten, medische hulpmiddelen en verzorgingsmaterialen. Zij levert onder meer zogenoemde lijmrestverwijderaars voor stomapatiënten in twee vormen: removerdoekjes en removerspray.
2.3
Coöperatie VGZ U.A. is bestuurder en enig aandeelhouder van eiseressen sub 2 tot en met 7, alle zorgverzekeraars.
2.4
VGZ c.s. hebben met MediReva op 28 oktober 2010 een (zorg)overeenkomst gesloten betreffende de levering van stomamateriaal. In die overeenkomst is onder meer bepaald:
“Artikel 2 Deskundigheid/kwaliteit
1. De zorgaanbieder verplicht zich ertoe goede zorg te verlenen aan de verzekerden van de Zorgverzekeraar. Bij het verlenen van zorg voldoet de Zorgaanbieder aan de eisen die wet- en regelgeving aan de uitoefening van zijn beroep stellen. Hij laat zich voorts leiden door de stand van de wetenschap en praktijk en, bij ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in de betrokken beroepsgroep geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten. […]”
In bijlage 2 (Specifieke bepalingen Stomamateriaal) is onder meer het volgende opgenomen (mijn onderstreping, ook in de citaten hierna, A-G):
“Vergoeding in de thuissituatie
Voor verbruiksartikelen is vergoeding mogelijk in de thuissituatie. Mits het verbruiksartikel behoort tot de aanspraak vanuit de basisverzekering en de verzekerde voldoet aan de gestelde voorwaarden.
[…]
Stomamateriaal
Conform de wettelijke voorwaarde (Regeling zorgverzekering, paragraaf 1,4, artikel 2.15) kan er aanspraak bestaan op stomamateriaal.
De volgende materialen behoren tot deze categorie:
• systemen ter bevestiging op een stoma voor de opvang van faeces of urine, bestaande uit opvangzakjes en kleefplaten, de daarbij benodigde hulp- en verbindingsstukken, opvulmaterialen, reinigingsgaasjes (niet steriel, non woven), wegwerpzakjes (goedkoopst adequaat), spoelapparatuur met toebehoren, stomapluggen en stomapleisters;
• noodzakelijke huidbeschermende middelen, conform artikel 2.8 van de Regeling zorgverzekering;
[…]
Niet vergoedbaar zijn producten zoals opvangdoeken, bandages voor stoma en steriele gazen en schoonmaakmiddelen.”
2.5
Voornoemde overeenkomst was gesloten voor het jaar 2011 en is daarna is steeds met een jaar verlengd. Eind 2014 is deze overeenkomst vervangen door de Zorgovereenkomst stomamateriaal 2015-2016. Daarin is onder meer het volgende bepaald:
“Artikel 1 Prestatie
De zorgaanbieder levert Stomamateriaal aan de verzekerden van de Zorgverzekeraar in de thuissituatie voor zover zij redelijkerwijs op deze zorg zijn aangewezen en zich tot de Zorgaanbieder hebben gewend. Stomamateriaal omvat uitwendige hulpmiddelen, al dan niet met inwendige onderdelen, te gebruiken bij stoornissen in de functies gerelateerd aan urinelozing en defecatie, zoals genoemd in hoofdstuk 2, § 1.4, artikel 2.6, onderdeel d en artikel 2.11 lid 1 van de Regeling zorgverzekering en de bepalingen van het Reglement hulpmiddelen van de Zorgverzekeraar. Verder te noemen: “Stomamateriaal”.
Conform de wettelijke voorwaarde kan er aanspraak bestaan op de volgende materialen:
• systemen ter bevestiging op een stoma voor de opvang van faeces of urine, bestaande uit opvangzakjes en kleefplaten, de daarbij benodigde hulp- en verbindingsstukken, opvulmaterialen, reinigingsgaasjes (niet steriel, non woven), wegwerpzakjes, stomapluggen en stomapleisters;
• noodzakelijke huidbeschermende middelen voor stomapatiënten, voor zover deze niet vallen onder de te verzekeren prestatie farmaceutische zorg;
[…]
Artikel 2 Prestaties die geen onderdeel uitmaken van deze overeenkomst
[…]
3. Verder maken geen deel uit van deze Zorgovereenkomst:
[…]
• opvangdoeken, bandages voor stoma, speciale kleding, steriele gazen en geur- en schoonmaakmiddelen;
[…]
Artikel 3 Voorschrift
1. De Zorgaanbieder levert uitsluitend Stomamateriaal op basis van een voorschrift van de behandelend arts of de stomaverpleegkundige van het ziekenhuis, uit welk voorschrift blijkt dat de verzekerde is aangewezen op het Stomamateriaal.
[…]
3. De zorgaanbieder levert Stomamateriaal dat voldoet aan de functionele eisen die worden vermeld in het voorschrift. Als het voorschrift geen functionele eisen maar alleen een specifiek product vermeldt, voldoet het door de Zorgaanbieder te leveren Stomamateriaal in elk geval aan de functionele eisen waaraan het in het voorschrift vermelde product voldoet. Zonodig overlegt de Zorgaanbieder met de voorschrijver.
[…]
Artikel 4 Doelmatigheid
1. In de Regeling Zorgverzekering zijn de aanspraken op hulpmiddelen functiegericht omschreven. […]
2. De Zorgaanbieder levert de meest adequate en doelmatige voorziening, rekening houdend met de klantbeleving, kwaliteit en prijs. Er worden geen onnodige of onnodig dure voorzieningen geleverd.
[…]
4. De Zorgaanbieder conformeert zich aan het “Protocol Hulpmiddelenzorg voor mensen met een stoma” van het NPi en de Nederlandse Stomavereniging.
[…]”
In bijlage 1 Tarieven bij de overeenkomst is in tabel 2 (maximumtarieven) de maximale vergoeding (ten bedrage van € 1,22) opgenomen voor “geïmpregneerde tissues”.
2.6
MediReva heeft in de periode van 2013 t/m 2015 aan ongeveer een vierde deel van de bij VGZ c.s. verzekerde stomapatiënten die zij in haar bestand heeft staan lijmrestverwijderaars verstrekt. Zij heeft hiervoor een bedrag van in totaal € 201.354,32 bij VGZ gedeclareerd. In 2013 heeft MediReva hiervoor een bedrag van ongeveer € 70.000,00 gedeclareerd, in 2014 ongeveer € 72.000,00 en in 2015 ongeveer € 60.000,00. Deze bedragen zijn door VGZ aan MediReva betaald.
2.7
Op 22 januari 2016 heeft VGZ c.s. MediReva per e-mail onder meer het volgende bericht:
“Aanleiding
Conform controleplan hebben wij onlangs een analyse gedaan op de door ons verwerkte declaraties van schoonmaakmiddelen met behandeljaar 2013, 2014 en 2015. Conform artikel 2.11, lid 3.a van de Zorgverzekeringswet maken schoonmaakmiddelen geen deel uit van de verzekerde prestaties. Het doel van de controle is om rechtmatigheid van de ingediende declaraties vast te stellen.
Analyse van uw praktijk
U heeft in de genoemde periode schoonmaakmiddelen gedeclareerd. U ontvangt in de bijlagen de resultaten van de controle op declaratieregelniveau. Dit betreft een selectie van uw declaratieregels welke bekend waren ten tijde van de analyse. Wij zouden hier graag meer inzicht verkrijgen in de aanleiding voor uw declaraties. Hieronder een overzicht van de door u gedeclareerde schoonmaakmiddelen. In de bijlage vind u de declaraties waarop onderstaande bedragen zijn gebaseerd.
[…]
Uw reactie
Wij stellen u in de gelegenheid te reageren op onze bevindingen. Een inhoudelijke algemene reactie kan volstaan, een reactie op regelniveau is in dit stadium van de controle niet vereist.
[…]”
2.8
Bij e-mailbericht van 22 februari 2016 heeft MediReva VGZ c.s. bericht dat zij van mening is dat de vergoede lijmrestverwijderaars niet werden gebruikt als schoonmaakmiddelen, maar dat zij op medische indicatie van een arts of een verpleegkundige werden verstrekt teneinde het stomamateriaal te kunnen verwijderen zonder daarbij de huid te beschadigen. MediReva verwijst in haar brief naar het door haar bij de verstrekking van lijmrestverwijderaars gehanteerde zorgprotocol, dat als bijlage is bijgevoegd en waarin wordt weergegeven en toegelicht voor welke indicaties (tijdelijke) inzet van deze middelen noodzakelijk is.2.
2.9
VGZ c.s. hebben bij e-mailbericht van 22 maart 2016 aan MediReva onder meer gesteld:
“Schoonmaakmiddelen worden gebruikt ten behoeve van het schoonmaken van de huid rondom de stoma. Het ZiN stelt dat een verzekerde zelf dient te voorzien in de middelen voor het schoonmaken van de huid rond de stoma. Er is een ruim assortiment antiallergische en al dan niet desinfecterende schoonmaakmiddelen bij drogist of supermarkt verkrijgbaar. Deze middelen zijn niet kostbaar en kunnen gerekend worden tot de persoonlijke hygiëne.
[…]
In de overeenkomst Stomamateriaal 2015-2016 is een tarief opgenomen voor geïmpregneerde tissues. Deze categorie is opgenomen voor huidbeschermende middelen. Schoonmaakmiddelen vallen niet in deze categorie, omdat deze conform Regeling Zorgverzekering niet vergoedbaar zijn.”
VGZ c.s. verwezen naar de Evidence-based Richtlijn Stomazorg Nederland en naar het bepaalde in artikel 1 van de Zorgovereenkomst stomamateriaal 2015-2016, waarin wordt verwezen naar de artikelen 2.6 onder d en 2.11 van de Regeling zorgverzekering op grond waarvan schoonmaakmiddelen niet worden vergoed.
2.10
Bij brief aan VGZ c.s. van 8 april 2016 heeft de advocaat van MediReva uitvoerig uiteengezet dat lijmrestverwijderaars in complexe situaties als (medisch) hulpmiddel dienen te worden gekwalificeerd en heeft hij VGZ c.s. verzocht om hun standpunt betreffende de vergoeding van de gedeclareerde producten te herzien.
2.11
VGZ c.s. hebben MediReva op 12 mei 2016 medegedeeld dat de betreffende wet- en regelgeving VGZ c.s. geen ruimte laat om afhankelijk van de medische situatie onderscheid te maken tussen het gebruik van een zelfde product als schoonmaakmiddel of als huidbeschermend middel. Lijmrestverwijderaars zijn steeds schoonmaakmiddelen.
2.12
Bij e-mailbericht van 10 juni 2016 aan VGZ c.s. heeft de advocaat van MediReva nogmaals toegelicht waarom VGZ c.s. tot vergoeding van de geleverde lijmrestverwijderaars zouden moeten overgaan.
2.13
VGZ c.s. hebben de advocaat van MediReva bij brief van 8 juli 2016 medegedeeld dat het standpunt van VGZ c.s. ongewijzigd blijft en dat een bedrag van € 201.354,32 zal worden verrekend met de toekomstige declaraties van MediReva, tenzij het bedrag binnen dertig dagen zal worden voldaan. VGZ c.s. hebben MediReva op 1 augustus 2016 aan voornoemd bericht herinnerd.
2.14
Het volledige bedrag van € 201.354,32 is inmiddels door VGZ c.s. verrekend.
Procesverloop
2.15
Op 31 januari 2017 heeft MediReva VGZ c.s. gedagvaard. Zakelijk weergegeven vordert MediReva (i) een verklaring voor recht dat lijmrestverwijderaars voor stomapatiënten die daarvoor een medische indicatie hebben dienen te worden vergoed; (ii) een gebod tot vergoeding; (iii) een verbod tot verrekening; (iv) terugbetaling van het verrekende bedrag.
2.16
Op 3 mei 2017 hebben VGZ c.s. in reconventie, samengevat, een verklaring voor recht gevorderd dat (a) de door MediReva gedeclareerde producten niet onder het verzekerde pakket vallen en (b) MediReva onrechtmatig heeft gehandeld en/of wanprestatie heeft gepleegd door declaraties voor de lijmrestverwijderaars in te dienen.
2.17
Bij eerste tussenvonnis van 6 december 2017 heeft de rechtbank Gelderland – beknopt weergegeven – het volgende overwogen:3.
- Lijmrestverwijderaars behoren tot de hulpmiddelenzorg. Er is dus sprake van een te verzekeren risico. (rov. 4.3)
- Een verzekerde heeft recht op uitwendige hulpmiddelen te gebruiken bij stoornissen in de functies gerelateerd aan urinelozing. Partijen verschillen van mening over de vraag of lijmrestverwijderaars in alle gevallen onder de uitgezonderde schoonmaakmiddelen vallen. (rov. 4.4)
- In de regelgeving is sprake van een functiegerichte omschrijving van uitwendige hulpmiddelen te gebruiken bij onder meer urinelozing en defecatie. Daarom kan onderscheid worden gemaakt naar het doel waarvoor de lijmrestverwijderaars kunnen worden gebruikt. Dat maakt dat deze verwijderaars niet in alle gevallen als schoonmaakmiddelen kunnen worden gekwalificeerd. (rov. 4.9)
- Lijmrestverwijderaars die (mede) worden gebruikt met het specifieke doel om stomaplak op een verantwoorde manier te verwijderen/plaatsen, kunnen worden gekwalificeerd als hulpmiddelen (art. 2.11 lid 1 Rzv). In beginsel kunnen deze worden vergoed. (rov. 4.11)
- Er dient te worden beoordeeld of een lijmrestverwijderaar met het hiervóór bedoelde doel, bij de in het zorgprotocol nader omschreven groep patiënten, voldoet aan de eisen van de bedoelde stand van de wetenschap en praktijk. (rov. 4.12-4.13)
- De werkzaamheid van lijmrestverwijderaars is niet in geschil. De vraag is of het gebruik van lijmrestverwijderaars ook overigens effectief is bij de in het zorgprotocol bedoelde patiënten. Met andere woorden: heeft het gebruik bij deze specifieke groep een meerwaarde? (rov. 4.16)
- MediReva heeft te weinig gegevens overgelegd om deze effectiviteit te kunnen beoordelen. Er zijn wel aanknopingspunten. (rov. 4.17)
- Het Zorginstituut Nederland (hierna: ZiN) kan geen rol vervullen in deze zaak. De rechtbank zal MediReva in de gelegenheid stellen bewijs te leveren van haar stelling dat bij de groep stomapatiënten met de opgesomde indicaties in het zorgprotocol het gebruik van lijmrestverwijderaars overeenkomstig de stand van de wetenschap en praktijk is. De vraag is of de zorg bij een bepaald indicatiegebied (dus niet een individuele patiënt) effectief is (rov. 4.18-4.20).
- Indien MediReva in haar bewijsopdracht slaagt, hetgeen per indicatie van het zorgprotocol afzonderlijk zal worden beoordeeld, staat nog niet vast dat sprake is van een te verzekeren prestatie. Alsdan moet nog de laatste vraag worden beantwoord: zijn de betreffende verzekerden redelijkerwijze aangewezen op de lijmrestverwijderaars. (rov. 4.21)
- De tweede reconventionele vordering zal worden afgewezen. Niet weersproken is dat alle andere grote verzekeraars het gebruik van lijmrestverwijderaars in de onderhavige situatie vergoeden. VGZ heeft dat zelf ook jarenlang gedaan. Van een toerekenbare tekortkoming of een onrechtmatige daad van de zijde van MediReva is dan ook geen sprake. (rov. 4.24)
2.18
Aan het slot van het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank in conventie bewijs opgedragen aan MediReva en verder iedere beslissing aangehouden. Vervolgens zijn door MediReva getuigen gehoord en producties overgelegd. Beide partijen hebben een conclusie na enquête genomen.
2.19
Bij tweede tussenvonnis van 31 oktober 2018 heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:4.
- De rechtbank hanteert het rapport “Beoordeling van de stand van de wetenschap en praktijk” van het ZiN (hierna: het rapport) als leidraad voor de verdere beoordeling (rov. 2.9). Dat rapport stemt overeen met hetgeen de wetgever bij het criterium ‘de stand van de wetenschap en praktijk’ voor ogen heeft gestaan (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469).
- Bij de beoordeling van een interventie op effectiviteit gaat het niet om de vraag of zorg van een individuele patiënt effectief is, maar of de zorg bij een bepaald indicatiegebied effectief is (rov. 2.10).
- Om te kunnen beoordelen of het gebruik van lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van de stomaplak bij patiënten met een gevoelige huid overeenkomstig de stand van de wetenschap en praktijk is, dient allereerst een vergelijking te worden gemaakt met de standaard of gebruikelijke behandeling (rov. 2.12).
- Anders dan VGZ c.s. aanvoeren, hebben vier getuigen verklaard dat een poeder, pasta of film geen alternatief is voor het gebruik van een lijmrestverwijderaar/lijmoplosmiddel als hulpmiddel om de stomaplak van de huid te verwijderen (rov. 2.13-2.14).
- Niet in geschil is dat een gaasje of washandje met (lauw) water als standaardbehandeling kan worden aangemerkt voor het verbreken van de cohesie. Hierbij moet voor verwijdering trekkracht worden gebruikt. Bij gebruik van lijmrestverwijderaars hoeft dit niet of minder. Voor een bepaalde groep patiënten lijkt het gebruik van lijmrestverwijderaars dus een meerwaarde te hebben. (rov. 2.16)
- De vraag is nu of er voldoende bewijs is uit de wetenschap en praktijk dat het gebruik van lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van de stomaplak bij stomapatiënten met een gevoelige huid in de praktijk werkzaam is én een klinisch relevant effect heeft op de gezondheid en/of het welbevinden van de patiënt. Om deze vraag te beantwoorden dient de kwaliteit van het door MediReva aangeboden bewijs te worden beoordeeld en gegradeerd. (rov. 2.16, slot)
- Op basis van de door MediReva overgelegde Evidence-based Richtlijn Stomazorg Nederland (van 6 november 2012) en getuigenverklaringen, oordeelt de rechtbank dat breed aanvaard is dat een stomaverpleegkundige lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van de stomaplak bij stomapatiënten met (kort gezegd) een gevoelige huid kan voorschrijven, indien dat geïndiceerd is (rov. 2.22).
- Niet in geschil is dat het gebruik van lijmrestverwijderaars om de stomaplak te verwijderen gezondheidswinst oplevert. Daarnaast hebben alle getuigen – onweersproken – verklaard dat, én waarom, zij het gebruik van lijmrestverwijderaars bij wijze van remover als een werkzame en effectieve behandelmethode beschouwen bij stomapatiënten met een gevoelige huid en daarmee dat lijmrestverwijderaars een relevante (meer)waarde hebben voor de betreffende patiënten. (rov. 2.23) Voorts hebben de getuigen allen ten aanzien van nagenoeg iedere indicatie op de door MediReva gehanteerde lijst verklaard dat het gebruik van lijmrestverwijderaars geïndiceerd is. Dit wordt ondersteund door patiënten/de patiëntenvereniging. (rov. 2.24) De verklaringen van getuigen worden ondersteund door de door MediReva overgelegde artikelen.
- Hoewel wetenschappelijk bewijs van hoge kwaliteit ontbreekt, stoelt het gebruik van lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van stomaplak bij stomapatiënten met een gevoelige huid op een brede consensus zowel binnen als tussen de relevante beroepsgroepen. Bovendien is dat gebruik ook internationaal beproefd en deugdelijk bevonden. Op grond van het bepaalde in de Evidence-based Richtlijn Stomazorg Nederland, die kan worden aangemerkt als wetenschappelijk bewijs van middelmatige/lage kwaliteit, in combinatie met de door de getuigen afgelegde verklaringen en de door MediReva overgelegde artikelen, die alle consistent zijn en kunnen worden beschouwd als een voldoende onderbouwing van de werkzaamheid en effectiviteit van het gebruik van lijmrestverwijderaars bij stomapatiënten met een gevoelige huid, kan worden vastgesteld dat het gebruik van lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van de stomaplak bij stomapatiënten met een gevoelige huid voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. MediReva is geslaagd in haar bewijsopdracht. De lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk. (rov. 2.26-2.27)
- Tussentijds hoger beroep van het tweede tussenvonnis wordt toegestaan (rov. 2.29).
2.20
Bij dagvaarding van 11 december 2018 zijn VGZ c.s. in hoger beroep gekomen van het eerste en tweede tussenvonnis.
2.21
Bij eerste tussenarrest van 16 november 20215.heeft het hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) als volgt overwogen:
a) Het geschil is in volle omvang ter beoordeling aan het hof voorgelegd (rov. 5.2). De beantwoording van de vraag of de lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk vergt bij voorkeur deskundige beoordeling en daarmee pas in tweede instantie, zo nodig, bewijs door middel van getuigen en bescheiden (rov. 5.9).
b) Het is niet aan het hof om ingewikkelde medisch-wetenschappelijke beoordelingen uit te voeren aan de hand van het beoordelingskader en de methodiek die het ZiN hanteert en die als uitgangspunt geldt voor het toetsen aan de stand van de wetenschap en praktijk (rov. 5.10). Voor verdere beoordeling zal plaatsvinden, wil het hof een medewerk(st)er van het ZiN tot deskundige benoemen (rov. 5.11 op p. 116.).
c) Nu het hof het ZiN vraagt of lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk, ziet het hof ook aanleiding de volgende vraag aan de deskundige voor te leggen: vallen lijmrestverwijderaars die worden ingezet tijdens het verwijderen van de stomaplak om beschadigingen van de huid of pijnsensaties bij de patiënt te voorkomen, naar uw opvatting binnen de vergoeding van het basispakket? (rov. 5.13).
d) Het hof zal een deskundigenbericht gelasten en partijen in de gelegenheid stellen om bij akte (onder meer) vragen te formuleren en zich uit te laten over de door het hof voorgestelde vragen (zie de formulering in rov. 5.11 op p. 12-13 en rov. 5.13).
2.22
Bij tweede tussenarrest van 2 augustus 20227.heeft het hof het ZiN als deskundige benoemd en de volgende vragen voorgelegd:
“1. Vallen lijmrestverwijderaars die worden ingezet tijdens het verwijderen van de stomaplak om beschadigingen van de huid of pijnsensaties bij de patiënt te voorkomen, naar uw opvatting binnen de vergoeding van het basispakket (vallen lijmrestverwijderaars daarmee binnen de reikwijdte van de wettelijke omschrijving van de hulpmiddelenzorg (artikel 2.11 lid 1 Rzv), en wilt u uw antwoord motiveren?
2. Is toepassing van lijmrestverwijderaars bij de verwijdering van stomaplakken in de casussen zoals omschreven in par. 6 van de inleidende dagvaarding, in de periode 2013-2015, respectievelijk heden in overeenstemming met de stand van de wetenschap en praktijk, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 2 Bzv? Als het antwoord voor beide momenten anders zou zijn, graag dit verschil toelichten. Wilt u daarbij ingaan op de eisen die volgen uit het functioneringsgericht voorschrijven van hulpmiddelen? Wilt u ook ingaan op de complicaties die in de praktijk worden ondervonden bij het uitvoeren van evidence-based onderzoek naar de inzet van hulpmiddelen en de mogelijkheden van andere onderzoekdesigns die behulpzaam kunnen zijn bij het vaststellen of en zo ja in welke omstandigheden het voorschrijven van lijmoplossende middelen tot het verzekerde pakket van stomapatiënten behoren? Hoe beoordeelt u de stelling van VGZ dat de lijmrestverwijderaar een schoonmaakmiddel is?
3. Kunt u dit per groep toelichten:
(a) Kwetsbare huid bij COPD patiënt met prednison gebruik;
(b) Frequente plakwisselingen bij bijvoorbeeld lekkages;
(c) Hyperkeratosis;
(d) Huidlaesies;
(e) Exantheem;
(f) Pyoderma Gangrenosum;
(g) Granulomen;
(h) Chemotherapie behandeling;
(i) Bloeding huid onder huidplak ten gevolge van letsel met gebruik van antistolling;
(j) Folliculitis;
(k) Schimmelinfectie huid;
(l) Baby’s / kleine kinderen met teer huidje;
(m) Oude mensen met dunne droge huid.
4. Toepassing van lijmrestverwijderaars in de door MediReva aan de orde gestelde casussen is gedurende vele jaren door VGZ als verzekerde zorg vergoed. Het hof begrijpt dat andere zorgverzekeraars de hier bedoelde zorg wel vergoeden. VGZ heeft echter besloten deze zorg vanaf 2013 niet meer te vergoeden, zonder dat er evenwel sprake is van een (materiële) wetswijziging die daartoe noopt. Kunt u in uw antwoord betrekken, waarom deze vorm van zorg tot voor kort probleemloos als verzekerde zorg werd aangemerkt en dat daarover thans kennelijk debat mogelijk is?
5. MediReva heeft verdedigd dat voor de door haar bedoelde groep stomapatiënten een lijmrestverwijderaar noodzakelijk is bij het verwijderen van de stomaplak, omdat anders de huid van de patiënt te zeer beschadigt of de patiënt te veel pijn heeft. VGZ heeft die stelling aldus betwist dat in zo’n geval een washandje met lauw water voldoende effectief is. Bestaat er een aanvaardbaar alternatief en/of een goudenstandaardbehandeling, zoals het washandje met lauw water? Wilt u uw antwoord motiveren?
6. Geeft uw onderzoek aanleiding voor het maken van andere opmerkingen?”
2.23
Het ZiN heeft op 20 december 2022 zijn deskundigenrapport ingediend. Partijen hebben daarop bij memorie gereageerd.
2.24
Bij derde tussenarrest van 15 augustus 20238.heeft het hof de beide tussenvonnissen bekrachtigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank. Daartoe heeft het hof – samengevat – als volgt overwogen:
e) Aan het deskundigenbericht komt, zeker voor wat betreft de beantwoording van de eerste vraag, beperkte betekenis toe voor de te nemen beslissingen. Dit is mede veroorzaakt door de beperkte wijze waarop het ZiN heeft aangegeven de vragen te kunnen beantwoorden, waarbij het zich beroept op zijn wettelijke taak. (rov. 2.3)
f) Uitgangspunt voor de verdere beoordeling van dit geschil is dat er onder de groep stomapatiënten patiënten zijn bij wie de huid zo gevoelig is dat zij geheel of gedeeltelijk loslaat als de stomaplak wordt verwijderd (stripeffect) of dat de patiënten ernstige pijn hebben als de plak wordt verwijderd. Niet in geschil is dat de door MediReva geleverde lijmrestverwijderaars effectief zijn in het voorkomen van huidloslating en te heftige pijnsensaties bij verwijdering van de stomaplak. VGZ c.s. stellen dat de huidloslating en pijnsensaties ook kunnen worden voorkomen door het gebruik van een washandje (of gaasje) dat met lauwwarm water vochtig is gemaakt, dus met een methode die zonder hulpmiddel in de zin van de Zorgverzekeringswet kan worden uitgevoerd. (rov. 2.4)
g) Onderscheiden moet worden tussen het gebruik van een lijmrestverwijderaar om na het verwijderen van de plak de gezonde huid schoon te maken (een schoonmaakmiddel) en een lijmrestverwijderaar die noodzakelijk is om de plak te verwijderen zonder de gevoelige huid te beschadigen of om te veel pijn bij de patiënt te voorkomen. In de laatste functie wordt de lijmrestverwijderaar functioneringsgericht ingezet als een huidbeschermend middel ten behoeve van stomapatiënten: het voorkomt dat de huid van stomapatiënten loslaat en dat de huid te veel pijn doet. Op deze manier gebruikt, valt de lijmrestverwijderaar op grond van art. 2.11 lid 3 sub b Rzv als hulpmiddel onder de te verzekeren prestatie. Omdat het gebruik van de lijmrestverwijderaar noodzakelijk is ter bescherming van de gevoelige huid, valt de lijmrestverwijderaar onder de categorie huidbeschermende middelen voor stomapatiënten die behoren tot de te verzekeren prestatie. (rov. 2.5) Het hof volgt daarom niet de te beperkte uitleg van art. 2.11 lid 3 sub b Rzv die het ZiN voorstaat (rov. 2.6, eerste zin).
h) Bij de beantwoording van de eerste vraag door het ZiN is niet kenbaar aandacht geschonken aan de toevoeging in de vraagstelling van het hof dat het betrof: ‘lijmrestverwijderaars die worden ingezet tijdens het verwijderen van de stoma-plak om beschadigingen van de huid of pijnsensaties bij de patiënt te voorkomen.’ De opmerking dat er geen ruimte is voor “een tussencategorie” miskent dat dit niet de voorgelegde vraag betrof en dat het hier niet gaat om een ‘tussencategorie’ maar een categorie die naar het oordeel van het hof rechtstreeks onder de regeling valt. Het ZiN heeft in dit verband aangegeven terug te komen van een advies uit 2012 van zijn rechtsvoorganger, het College voor zorgverzekeringen (hierna: het CvZ). Dat staat het ZiN vrij, maar dan had wel een (adequate en overtuigende) motivering voor de hand gelegen. Het hof gaat ook daarom aan de beantwoording door het Zorginstituut van de eerste vraag voorbij. Het hof is het voorts eens met rov. 4.9, 4.10 en 4.11 van het eerste tussenvonnis. (rov. 2.6, vanaf de tweede zin)
i) Het hof neemt over wat de rechtbank heeft opgemerkt (in rov. 4.13-4.16 en 4.20 van het eerste tussenvonnis) in het kader van het onderzoek naar de vraag of het gebruik van lijmrestverwijderaars bij stomapatiënten met een gevoelige huid voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk (rov. 2.7).
j) Het ZiN kan geen antwoord geven op de vraag of er een gouden standaard (standaardbehandeling of gebruikelijke behandeling) is bij het verwijderen van de stomaplak bij een gevoelige huid. Het Zorginstituut deelt deze kwestie in bij de groep praktische zaken, die vaak niet staan beschreven in richtlijnen en protocollen. Ook tijdens de mondelinge behandeling konden VGZ c.s. niet aangeven op welk medisch gezag zij verdedigde dat een lauwwarm washandje even effectief was als de lijmrestverwijderaar of tenminste effectief genoeg om als standaardbehandeling te kunnen worden beschouwd. Verder kan het gebruik van poeders, pasta’s en films voor het verwijderen van de stomaplak van de gevoelige huid niet gelden als de standaardbehandeling. (rov. 2.8)
k) Onder deze omstandigheden is het niet aanvaardbaar dat VGZ de lijmrestverwijderaar als huidbeschermend middel bij de verwijdering van de stomaplak van de gevoelige huid niet meer ziet als onderdeel van de te verzekeren prestatie op basis van het argument dat het bewijs voor de effectiviteit van deze behandeling van onvoldoende niveau zou zijn. Ook al is het op de medische wetenschap en praktijk gebaseerde bewijs mogelijk niet van hoog niveau, het is in ieder geval bepaald overtuigender dan de in feite niet uitgewerkte stelling dat een lauwwarm washandje ook wel voldoet. (rov. 2.9)
l) VGZ c.s. en het ZiN laten er onduidelijkheid over bestaan wat de standaardbehandeling is en er is geen medisch-wetenschappelijk bewijs voorhanden over de effectiviteit van de door VGZ c.s. voorgestelde behandeling (het lauwwarme washandje). Dan brengt een logische uitleg van het wettelijk stelsel mee dat de bestaande, effectief gebleken behandeling (de lijmrestverwijderaar) niet van de te verzekeren prestatie mag worden uitgesloten op basis van de stelling dat het bewijs van onvoldoende hoog niveau zou zijn. Integendeel, er is alle aanleiding te concluderen dat de behandeling met een lijmrestverwijderaar de standaardbehandeling is voor verwijdering van de stomaplak van een gevoelige huid. (rov. 2.10)
m) Bovendien gaat het hier, zoals het ZiN stelt, om een eenvoudig en praktisch aspect van het geheel aan behandelingsfaciliteiten van patiënten met een stoma. Het bewijs van de effectiviteit van de inzet van lijmrestverwijderaar kan dan ook worden aangetoond aan de hand van ervaringen uit de dagelijkse praktijk. Het hof neemt alles over wat in rov. 2.22 t/m 2.27 van het tweede tussenvonnis is beslist. Er is geen bewijsmateriaal dat de stellingen van MediReva weerspreekt. (rov. 2.11)
n) VGZ heeft onvoldoende uitgewerkt het argument dat door de lijmrestverwijderaar toe te laten tot de verzekerde prestatie in alle gevallen waarin de patiënt een gevoelige huid heeft, meer patiënten(groepen) aanspraak kunnen maken op vergoeding van de lijmrestverwijderaar dan op de MediReva-lijst voorkomen. De rechtbank heeft zich bij de waardering van het bewijs beperkt tot die lijst. (rov. 2.12)
o) Al het voorgaande geldt voor de jaren 2013, 2014 en 2015, maar ook voor de jaren daarna (rov. 2.13).
p) VGZ c.s. hebben onvoldoende weersproken dat patiënten in geldnood zijn gekomen doordat zij de lijmrestverwijderaar zelf moesten betalen (rov. 2.14).
q) Uit al het voorgaande volgt dat er geen noodzaak bestaat tot het laten uitvoeren van vervolgonderzoek en het hof een eindoordeel kan geven over het geschil (rov. 2.15).
r) VGZ c.s. worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep (rov. 2.16).
2.25
De advocaat van VGZ c.s. heeft het hof bij brief van 8 november 2023 verzocht om (alsnog) verlof te verlenen voor het instellen van cassatieberoep tegen de tussenarresten. MediReva heeft gelegenheid gehad op het verzoek te reageren, maar heeft dit niet gedaan. Het hof heeft bij ‘beslissing van 28 november 2023 op verzoek ex artikel 401a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering’ het verzoek van VGZ c.s. ingewilligd. Deze beslissing luidt als volgt:
“Het hof is van oordeel dat er gronden zijn het verzoek, dat is gedaan voor het verstrijken van de cassatietermijn, in te willigen en alsnog te bepalen dat tegen de tussenarresten beroep in cassatie kan worden ingesteld voordat het eindarrest wordt gewezen.
Het hof bepaalt dat van de tussenarresten terstond beroep in cassatie kan worden ingesteld.
(…).”
2.26
Op basis van de geciteerde beslissing van 28 november 2023 hebben VGZ c.s. op 19 februari 2024 cassatieberoep ingesteld tegen de drie tussenarresten van het hof. Tegen MediReva is verstek verleend. VGZ c.s. hebben hun zaak schriftelijk laten toelichten door hun advocaat en door mr. J.P. Jas.
3. Ontvankelijkheid cassatieberoep
3.1
Ik sta volledigheidshalve stil bij de vraag of het cassatieberoep tijdig is ingediend.
3.2
De Hoge Raad heeft eind 2021 het volgende overwogen over het verkrijgen van de gelegenheid om tussentijds hoger beroep in te stellen (voetnoten niet geciteerd, A-G):9.
“[…]
3.2.4 […]
De rechter kan na een tussenvonnis te allen tijde, zolang geen eindvonnis is gewezen, desverzocht of ambtshalve – en na partijen te hebben gehoord – alsnog bepalen dat van het tussenvonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld. Bij de beoordeling dient te worden betrokken of het openstellen van hoger beroep leidt tot onredelijke vertraging van de procedure (vgl. art. 20 Rv).
Het openstellen van tussentijds hoger beroep, op verzoek of ambtshalve, geschiedt bij vonnis, met het oog op de daaraan verbonden termijn voor het instellen van tussentijds hoger beroep, zoals hierna vermeld. Afwijzing van een daartoe strekkend verzoek kan ook op andere wijze, mits schriftelijk. De rechter hoeft zijn beslissing niet te motiveren.
De beslissing tot het openstellen van tussentijds hoger beroep brengt mee dat tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld van alle tot dan toe in de procedure gewezen tussenvonnissen, met inbegrip van het laatste tussenvonnis voor zover dit nog andere beslissingen inhoudt dan die tot het openstellen van tussentijds hoger beroep. Het tussentijds hoger beroep kan evenwel geen betrekking hebben op vonnissen voor zover deze niet vatbaar zijn voor hoger beroep, en evenmin op vonnissen die in een door de appellant eerder ingesteld hoger beroep hadden kunnen worden betrokken (de zogenoemde ‘een-keer-schieten regel’).
Met het instellen van het hoger beroep hoeft niet te worden gewacht totdat op een daartoe gedaan verzoek is beslist. Zolang de rechter het verzoek niet heeft toegewezen, schorst het hoger beroep de tenuitvoerlegging van het tussenvonnis niet (art. 350 lid 2 Rv).
Het hoger beroep dient te worden ingesteld voordat de appeltermijn is verstreken, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis waarbij tussentijds hoger beroep is opengesteld.
3.2.6
Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing […] op tussentijds beroep in cassatie op de voet van art. 401a lid 2 Rv […].”
3.3
Ten eerste zou betoogd kunnen worden dat het hof met zijn als ‘beslissing’ aangemerkte verlofverlening van 28 november 2023 geen ‘arrest’ heeft gewezen, zoals de Hoge Raad vereist met het oog op de daaraan verbonden termijn voor het instellen van tussentijds hoger beroep. Dat mogelijke argument gaat evenwel niet op, omdat het gebruik van de term ‘beslissing’ niet uitsluit dat sprake is van een arrest dat voldoet aan alle daarvoor geldende vormvereisten uit art. 230 lid 1 en lid 3 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv. Dat is hier het geval.
3.4
Ten tweede kan worden gewezen op rov. 2.17 van het derde tussenarrest (van 15 augustus 2023) waarin staat:
“De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).”
3.5
De enkele beslissing omtrent de proceskosten in (het dictum van) een uitspraak maakt deze niet tot een einduitspraak.10.De zojuist geciteerde overweging gaat weliswaar over de proceskosten, maar kan zo worden gelezen dat het hof ervan is uitgegaan dat de beslissing van het hof voorgelegd kan worden aan de Hoge Raad, gelet op het zinsdeel: “als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad”. De uitdrukkelijk gegeven uitvoerbaar bij voorraadverklaring (art. 233 Rv in verbinding met art. 353 lid 1 Rv) zorgt ervoor dat de executie door MediReva ook kan worden aangevangen of voortgezet wanneer tegen het derde tussenarrest cassatieberoep wordt ingesteld. Dit schept onduidelijkheid. Heeft het hof bedoeld aanstonds cassatieberoep open te stellen?
3.6
Ik vermoed van niet. Het hof heeft de hiervoor bedoelde onduidelijkheid echter in stand gelaten door in de beslissing om alsnog cassatieberoep open te stellen, te vermelden dat het verzoek van VGZ c.s. is gedaan “voor het verstrijken van de cassatietermijn” (zie het citaat in 2.25 van deze conclusie). Er kan in het geval van een tussenarrest alleen een cassatietermijn lopen indien door het hof al is beslist dat cassatieberoep kan worden ingesteld. Het nogmaals en op een later moment openstellen van cassatieberoep kan strijd met de rechtszekerheid kunnen opleveren.11.Toch meen ik dat het hof heeft bedoeld pas met de ‘beslissing’ van 28 november 2023 cassatieberoep open te stellen. Nu openstelling van cassatieberoep een afwijking vormt van de regel dat tegen een tussentijdse uitspraak in hoger beroep geen cassatieberoep openstaat, meen ik dat dit expliciet dient te gebeuren. Het cassatieberoep van VGZ c.s. is op 19 februari 2024 binnen drie maanden te rekenen vanaf 28 november 2023, en daarmee tijdig, ingesteld.
4. Juridisch kader
4.1
De Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), het Besluit zorgverzekeringen (hierna: Bzv) en de Regeling zorgverzekeringen (hierna: Rzv) schrijven voor welke prestaties onder de zorgverzekering verzekerd dienen te zijn. De polisvoorwaarden van een zorgverzekeraar dienen met deze publiekrechtelijke regelgeving in overeenstemming te zijn. De bepalingen van het Bzv en de Rzv zijn dus maatgevend voor de verzekeringsdekking. Daar niet onder vallende zorg hoort geen onderdeel van een zorgverzekering te zijn.12.
4.2
Art. 10 Zvw luidt, voor zover hier van belang:
“Het krachtens de zorgverzekering te verzekeren risico is de behoefte aan:
[…]
d. hulpmiddelenzorg
[…].”
4.3
Art. 11 Zvw luidt, voor zover hier van belang:
“1. De zorgverzekeraar heeft jegens zijn verzekerden een zorgplicht die zodanig wordt vormgegeven, dat de verzekerde bij wie het verzekerde risico zich voordoet, krachtens de zorgverzekering recht heeft op prestaties bestaande uit:
a. de zorg of de overige diensten waaraan hij behoefte heeft, of
b. vergoeding van de kosten van deze zorg of overige diensten alsmede, desgevraagd, activiteiten gericht op het verkrijgen van deze zorg of diensten.
2. […]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden de inhoud en omvang van de in het eerste lid bedoelde prestaties nader geregeld en kan voor bij die maatregel aan te wijzen vormen van zorg of overige diensten worden bepaald dat een deel van de kosten voor rekening van de verzekerde komt.
4. In de algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bij ministeriële regeling:
a. vormen van zorg of overige diensten kunnen worden uitgezonderd van de in het eerste lid bedoelde of in de maatregel nader omschreven prestaties;
b. de inhoud en omvang van de prestaties bestaande uit zorg als bedoeld in artikel 10, onderdelen a, c en d nader wordt geregeld;
[…].”
4.4
4.5
Het Bzv is op grond van art. 11 lid 3 Zvw vastgesteld.
4.6
In art. 2.1 lid 2 Bzv is vastgelegd dat de inhoud en omvang van de vormen van zorg of diensten bedoeld in art. 11 lid 1 onder a Zvw, mede worden bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk en, bij ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten. De wetgever biedt hiermee een maatstaf aan de hand waarvan bepaalbaar is welke zorg wel en niet onder de verzekeringsdekking valt.13.De wettelijke omschrijvingen van de verzekerde zorgvormen in art. 2.4 tot en met 2.15 Bzv moeten steeds worden beschouwd in samenhang met de maatstaf van art. 2.1 lid 2 Bzv.
4.7
Ingevolge art. 2.9 lid 1, aanhef en onder a, Bzv omvat de in art. 10, aanhef en onder d, Zvw genoemde hulpmiddelenzorg het volgende:
“[…] bij ministeriële regeling aangewezen, functionerende hulpmiddelen en verbandmiddelen, waarbij kan worden geregeld:
in welke gevallen de verzekerde recht heeft op die zorg.
[…].”
4.8
In art. 2.6, aanhef en onder d, Rzv zijn aangewezen: uitwendige hulpmiddelen te gebruiken bij urinelozing en defecatie.
4.9
Deze categorie hulpmiddelen is uitgewerkt in art. 2.11 Rzv. Dit artikel luidt – voor zover hier relevant – als volgt:
1 Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel d, omvatten uitwendige hulpmiddelen met al dan niet inwendige onderdelen te gebruiken bij stoornissen in de functies gerelateerd aan urinelozing en defecatie.
2 […]
3 De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat niet:
a. schoonmaakmiddelen en geurmiddelen;
b. huidbeschermende middelen anders dan bij stomapatiënten, voor zover deze niet vallen onder de te verzekeren prestatie farmaceutische zorg;
[…].”
4.10
De mate van detaillering van de wettelijke omschrijvingen van de verzekeringsprestaties varieert. Tussen de zeer globale en zeer gedetailleerde wettelijke omschrijving bevinden zich varianten, zoals de hulpmiddelen. Zoals we zojuist zagen, worden deze in de wettelijke regeling per categorie omschreven zonder dat het hulpmiddel wordt gespecificeerd aan de hand van de eisen waaraan het moet voldoen.14.
5. Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
5.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen met negen respectievelijk vijftien subonderdelen. Heel kort samengevat komen die onderdelen op het volgende neer.
5.2
Het eerste middelonderdeel stelt het oordeel van het hof over de kwalificatie van lijmrestverwijderaars aan de orde. Het wettelijk stelsel is binair: een geneesmiddel valt in een in de Rzv opgenomen vergoedbare categorie, of doet dat niet. Een genees- of hulpmiddel kan niet, afhankelijk van de concrete toepassing ervan, in twee of meer categorieën vallen.
5.3
Het tweede middelonderdeel is gericht op het oordeel dat het gebruik van lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van stomamateriaal bij patiënten met een gevoelige huid voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. Het hof heeft zelf tot uitgangspunt genomen dat het niet zonder deskundige voorlichting over deze vraag kan oordelen en het ZiN de door het hof gestelde vragen hierover niet heeft beantwoord. Verder richten VGZ c.s. klachten tegen de door het hof gestelde eisen aan het bewijsniveau en tegen de concrete bewijswaardering.
Onderdeel 1 (kwalificatie lijmrestverwijderaars)
5.4
Subonderdeel 1.1 bevat een eigen weergave van rov. 2.5 en 2.6 van het derde tussenarrest, én de door het hof overgenomen overwegingen uit het eerste tussenvonnis (rov. 4.9-4.11). De bedoelde overwegingen uit het derde tussenarrest, en de voorafgaande rov. 2.4, luiden als volgt:
“Huidbeschermend middel
2.4.
Uitgangspunt voor de verdere beoordeling van dit geschil is dat er onder de groep stomapatiënten patiënten zijn bij wie de huid zo gevoelig is dat zij geheel of gedeeltelijk loslaat als de stomaplak wordt verwijderd (stripeffect) of dat de patiënten ernstige pijn hebben als de plak wordt verwijderd. MediReva heeft daarover gesteld dat de lijmrestverwijderaar daardoor een trauma bij de stomapatiënt voorkomt. Zou bij deze patiënten geen maatregel worden getroffen om de huidloslating te voorkomen, dan zouden zij in een vicieuze cirkel terecht komen, waarin de huid steeds verder beschadigt, met alle extra kosten van dien. Volgens MediReva hebben 575 patiënten van haar ongeveer 2.300 patiënten last van een gevoelige huid, zoals hier bedoeld. Niet in geschil is dat de door MediReva geleverde lijmrestverwijderaars effectief zijn in het voorkomen van huidloslating en te heftige pijnsensaties bij verwijdering van de stomaplak. De stomaplak wordt dan in een voorzichtige beweging verwijderd terwijl de lijm door met een doekje met lijmrestverwijderaar te deppen oplost. Zo wordt een te grote mechanische belasting van de huid voorkomen. VGZ stelt dat de huidloslating en pijnsensaties ook kunnen worden voorkomen door het gebruik van een washandje (of gaasje) dat met lauwwarm water vochtig is gemaakt, dus met een methode die zonder hulpmiddel in de zin van de Zorgverzekeringswet kan worden uitgevoerd.
2.5.
Onderscheiden moet worden tussen het gebruik van een lijmrestverwijderaar om na het verwijderen van de plak de gezonde huid schoon te maken (een schoonmaakmiddel) en een lijmrestverwijderaar die noodzakelijk is om de plak te verwijderen zonder de gevoelige huid te beschadigen of om te veel pijn bij de patiënt te voorkomen. In de laatste functie wordt de lijmrestverwijderaar functioneringsgericht ingezet als een huidbeschermend middel ten behoeve van stomapatiënten: het voorkomt dat de huid van stomapatiënten loslaat en dat de huid te veel pijn doet. Op deze manier gebruikt valt de lijmrestverwijderaar op grond van art. 2.11 lid 3 sub b Rzv als hulpmiddel onder de te verzekeren prestatie. Uit de toelichting (Staatscourant 2010/11513, p. 8) blijkt dat de daar opgenomen opsomming van huidbeschermende middelen (beschermfilm, -poeder, -pasta, crèmes en tissues) door het gebruik van het woord “zoals” niet limitatief is. Een huidbeschermende lijmrestverwijderaar kan daarom niet uit het verzekerd pakket worden geweerd met het argument dat zij niet als zodanig is genoemd in de toelichting op artikel 2.11 lid 3 sub b Rzv. Het hof volgt VGZ dan ook niet dat huidbeschermende middelen beperkt zouden zijn tot middelen die de huid soepel en waterafstotend houden en het pH-niveau op peil houden of een beschermfilm over de huid creëren. Een dergelijke beperking blijkt niet uit tekst en toelichting van artikel 2.11 lid 3 sub b Rzv en verdraagt zich niet met het systeem van functioneringsgericht voorschrijven. Op pagina 7 van de toelichting is opgemerkt dat noodzakelijke toebehoren tot het verzekerd pakket behoren. Omdat het gebruik van de lijmrestverwijderaar noodzakelijk is ter bescherming van de gevoelige huid, valt de lijmrestverwijderaar onder de categorie huidbeschermende middelen voor stomapatiënten die behoren tot de te verzekeren prestatie.
2.6
Het hof volgt daarom niet de te beperkte uitleg van artikel 2.11 lid 3 sub b Rzv die het Zorginstituut voorstaat. Het hof stelt daarbij vast dat de beantwoording door het Zorginstituut van de door het hof gestelde eerste vraag beperkt is door de kennelijk toegepaste herformulering, te weten dat lijmrestverwijderaars zijn bedoeld om kleefstoffen te verwijderen en naar het oordeel van het Zorginstituut zijn aan te merken als schoonmaakmiddelen. Daarbij is niet kenbaar aandacht geschonken aan de toevoeging in de vraagstelling van het hof dat het betrof: ‘lijmrestverwijderaars die worden ingezet tijdens het verwijderen van de stoma-plak om beschadigingen van de huid of pijnsensaties bij de patiënt te voorkomen.’ De opmerking dat er geen ruimte is voor “een tussencategorie” als hiervoor onder 2.2 is weergegeven, miskent dat dit niet de voorgelegde vraag betrof en dat het hier niet gaat om een ‘tussencategorie’ maar een categorie die naar het oordeel van het hof rechtstreeks onder de regeling valt. Daarbij tekent het hof aan dat het Zorginstituut in dit verband heeft aangegeven dat het bij nader inzien terugkomt van een in 2012 gegeven advies van zijn rechtsvoorganger, het CVZ, waarbij removerdoekjes die ook tot doel hadden de buikplak (van stomapatiënten) te verwijderen zonder de huid te beschadigen, destijds zijn aangemerkt als reinigingsgaasjes en daarmee kennelijk wel voor vergoeding in aanmerking konden komen (zie rechtsoverweging 4.10 van het tussenvonnis van 6 december 2017). Tegen deze rechtsoverweging heeft VGZ geen voldoende concrete grief gericht. Grief 2 (gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.6 – 4.11) beperkt zich blijkens de toelichting waarnaar VGZ verwijst (paragraaf II van de memorie van grieven) tot andere onderwerpen dan hier aan de orde. Ook MediReva heeft de grief kennelijk als zodanig beperkt opgevat (memorie van antwoord randnummers 40 – 42). Het staat het Zorginstituut op zichzelf vrij van een eerder ingenomen standpunt terug te komen, maar dan had wel een (adequate en overtuigende) motivering voor de hand gelegen die hier ontbreekt. Het hof gaat ook daarom aan de beantwoording door het Zorginstituut van de eerste vraag voorbij. Het hof is het voorts eens met hetgeen de rechtbank heeft overwogen in de rechtsoverwegingen 4.9, 4.10 en 4.11 van het tussenvonnis van 6 december 2017.”
5.5
In subonderdeel 1.2 klagen VGZ c.s. ten eerste dat het hof miskent dat een genees- of hulpmiddel niet, afhankelijk van de concrete toepassing ervan in een specifieke situatie, nu eens in de ene en dan weer in de andere categorie genees- of hulpmiddelen kan vallen. Afhankelijk van de situatie zou een genees- of hulpmiddel dan nu eens wel en dan weer niet vergoed worden. Ten tweede miskent het hof in ieder geval dat een lijmrestverwijderaar als schoonmaakmiddel kwalificeert. Om die reden kan zo’n verwijderaar niet als huidbeschermend middel worden aangemerkt en niet voor vergoeding in aanmerking komen.
5.6
VGZ c.s. voegen daar met subonderdeel 1.3 aan toe dat het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd omdat het ZiN op begrijpelijke gronden tot de conclusie is gekomen dat een lijmrestverwijderaar een schoonmaakmiddel vormt en niet voor vergoeding in aanmerking komt, en om die reden niet ook als huidbeschermend middel kan worden gekwalificeerd of voor vergoeding bij stomapatiënten in aanmerking kan komen. Het hof is niet op de argumenten van het ZiN ingegaan waarmee VGZ c.s. zich hebben verenigd, zodat zonder nadere motivering niet valt in te zien om welke redenen een lijmrestverwijderaar, afhankelijk van de toepassing daarvan in een specifieke situatie, ook als huidbeschermend middel voor vergoeding in aanmerking kan komen.
5.7
Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
5.8
Ik stel voorop dat ik de logica waar VGZ c.s. vanuit gaan op zichzelf kan volgen. De regelgeving onderscheidt huidbeschermende middelen en schoonmaakmiddelen. Een huidbeschermend middel heeft een beschermende functie, bijvoorbeeld voor een beschermende laag op de huid zorgen. Schoonmaakmiddelen komen in beeld als de stoma wordt verwijderd. Lijmrestverwijderaars maken de plek waar de stoma was aangebracht schoon (zodat in de meeste gevallen daar een nieuwe stoma kan worden geplaatst). Bescherming van de huid waar de stoma aan zit vastgeplakt, kan echter ook noodzakelijk zijn wanneer een aangebrachte stoma verwijderd wordt. Ik benadruk het woord kan, want alleen in door een arts of (stoma)verpleegkundige geïndiceerde gevallen worden de lijmrestverwijderaars gebruikt. In die situatie moet het binaire uitgangspunt dat een middel ofwel een huidbeschermend middel ofwel een schoonmaakmiddel is, wijken voor de meer hybride werkelijkheid dat bij het schoonmaken ook bescherming van de huid is vereist om beschadigingen van de huid en pijn voor de patiënt te voorkomen (preventieve functie). Óf het gebruik in een concreet geval geïndiceerd is, is overgelaten aan het medisch oordeel van de arts of de (stoma)verpleegkundige.
5.9
Het standpunt van VGZ c.s. komt erop neer dat een product dat (kennelijk) de huid schoonmaakt, om die (enkele) reden steeds in het vakje schoonmaakmiddel thuishoort en daarom per definitie niet vergoedbaar is, ook als dat product tevens de huid beschermt bij het verwijderen van een stoma waardoor verwonding of pijn voorkomen. Dit standpunt getuigt van een onjuiste opvatting van art. 2.11 lid 3 Rzv. Dat het qua uitvoeringspraktijk makkelijker is om de vergoedbaarheid van een hulpmiddel te laten afhangen van het middel als zodanig en de functie ervan, en niet van de toepassing van het middel in een concreet geval, zoals VGZ c.s. betogen,15.kan niet doorslaggevend zijn. Dit klemt temeer omdat het hier alleen gaat om gebruik op indicatie, wat in het patiëntendossier kan worden vastgelegd en dus traceerbaar is. Het door VGZ c.s. gemaakte onderscheid tussen ‘functie’ en ‘toepassing’ lijkt mij in deze context bovendien niet goed bruikbaar omdat een middel vanwege zijn functie (of werking) wordt toegepast. De werkzaamheid van de lijmrestverwijderaars in kwestie staat bovendien feitelijk vast.
5.10
In de toelichting bij de per 1 januari 2011 in werking getreden wijziging van art. 2.6 en art. 2.11 Rzv, waarop zowel de rechtbank (rov. 4.7 eerste tussenvonnis, waarop rov. 4.9 voortbouwt) als het hof zich baseren, staat het volgende:16.
“Onderdeel C
Artikel 2.6 is gewijzigd vanwege het functiegericht omschrijven van uitwendige hulpmiddelen te gebruiken bij urinelozing en defecatie (onderdeel d) […]
De in het nieuwe onderdeel d geregelde uitwendige hulpmiddelen te gebruiken bij urinelozing en defecatie worden verder geregeld in een nieuw artikel 2.11 van de Regeling zorgverzekering (Rvz).
Daarop wordt hierna in de toelichting op dat artikel ingegaan.
Onderdeel D
Artikel 2.11, eerste lid
Onder deze functiegerichte omschrijving valt een breed scala aan hulpmiddelen die noodzakelijk zijn in verband met het ontbreken/wegvallen van normale lichaamsfuncties in verband met urinelozing en defecatie. Het gaat onder meer om voorzieningen voor stomapatiënten en voor mensen met incontinentie- of ontlastingsproblemen.
[…]
Uitgangspunt is dat er sprake moet zijn van functionerende hulpmiddelen. Dit betekent dat de noodzakelijke toebehoren deel uitmaken van deze te verzekeren prestatie. […]
Er is een groot assortiment stomavoorzieningen op de markt dat onder deze te verzekeren prestatie valt. Het betreft onder meer systemen voor de opvang van feces of urine, zowel eendelige als tweedelige systemen, benodigdheden voor verzorging van fistels zoals opvangzakjes en specifieke wondzakken, gordels ter bevestiging van stomazakjes op het lichaam, steunbandages bij parastomale hernia, indikmiddelen, reinigingsgaasjes en huidbeschermingsmiddelen.
[…]
Artikel 2.11, derde lid
“Reinigingsgaasjes vallen onder de te verzekeren prestatie, maar een verzekerde dient zelf te voorzien in de middelen voor het schoonmaken van de huid rond het stoma. Er is een ruim assortiment anti-allergische en al dan niet desinfecterende schoonmaakmiddelen bij drogist of supermarkt verkrijgbaar. Deze middelen zijn niet kostbaar en kunnen gerekend worden tot de persoonlijke hygiëne. Ook geurmiddelen komen voor eigen rekening.”
Alleen voor stomapatiënten omvat de te verzekeren prestatie ook huidbeschermende middelen. Het gaat daarbij om middelen zoals een beschermfilm, -poeder of -pasta, crèmes en tissues. Deze middelen zijn bijvoorbeeld geïndiceerd bij mensen met een gevoelige huid of een hoge stoma, waarbij de huid als gevolg van dunne, agressieve uitscheiding een grotere kans heeft op ontsteking.”
5.11
Uit deze toelichting volgt dat sprake moet zijn van een functionerend hulpmiddel. Voor een bepaalde groep stomapatiënten met een gevoelige huid betekent dit dat stomamateriaal alleen kan functioneren indien een lijmrestverwijderaar wordt gebruikt bij de verwijdering van stomaplak. Daarbij moet worden bedacht dat het plakken en verwijderen veelal op zeer regelmatige basis en telkens op dezelfde plek gebeurt.17.Bij patiënten met een dunne, tere of anderszins gevoelige huid is de kans op het ontstaan van (pijnlijke) wonden aanwezig.
5.12
De lijmrestverwijderaar is volgens het hof bij de indicatie gevoelige huid een noodzakelijk toebehoren om de huid te beschermen bij stomapatiënten. Volgens de toelichting bij art. 2.11 en art. 2.11 lid 3 Rzv valt dit onder de verzekerde prestatie. Daarom volgt het hof niet de (beperkende) uitleg van het ZiN van art. 2.11 lid 3 sub b Rzv (rov. 2.6, eerste zin). Deze uitleg is met name gebaseerd op de passage uit de toelichting waarin wordt vermeld dat een verzekerde zelf dient te voorzien in de middelen voor het schoonmaken van de huid rond het stoma. Aldus wordt eraan voorbij gegaan dat juist voor stomapatiënten met een gevoelige huid, in de volgende alinea in de toelichting staat opgetekend dat huidbeschermende middelen wél onder de verzekerde prestatie vallen. De lijmrestverwijderaar wordt weliswaar niet genoemd in de opsomming, maar deze is duidelijk enuntiatief (en niet limitatief) bedoeld, getuige het woordje ‘zoals’. De hiervoor bedoelde passage uit de toelichting bij art. 2.11 lid 3 Rzv waaraan door VGZ c.s. veel waarde wordt gehecht om te beargumenteren dat een lijmrestverwijderaar een schoonmaakmiddel is (zie bijvoorbeeld de schriftelijke toelichting onder 10 en 13), ziet op stomapatiënten waarbij een huidbeschermend middel niet is geïndiceerd. Het hof heeft zich dus aangesloten bij een onderscheid tussen stomapatiëntgroepen dat de regelgever heeft gemaakt. Bij sommigen is een lijmrestverwijderaars geïndiceerd, bij anderen niet.
5.13
Het oordeel van het hof is in het licht van het voorgaande niet rechtens onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd te noemen.
5.14
Ook de navolgende klachten van het middelonderdeel slagen niet. Ik zal dat toelichten.
5.15
In subonderdeel 1.4 betogen VGZ c.s. dat de afwijking van het deskundigenbericht van het ZiN onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Volgens VGZ c.s. heeft het hof zijn oordeel als volgt gemotiveerd:
(i) het ZiN heeft niet kenbaar aandacht geschonken aan de toevoeging in de vraagstelling van het hof dat het betrof ‘lijmrestverwijderaars die worden ingezet tijdens het verwijderen van de stomaplak om beschadigingen van de huid of pijnsensaties bij de patiënt te voorkomen’; en
(ii) het ZiN heeft opgemerkt dat geen ruimte bestaat voor een ‘tussencategorie’, terwijl dit niet de voorgelegde vraag betrof en dat het niet gaat om een tussencategorie, maar een categorie die naar het oordeel van het hof rechtstreeks onder de regeling valt.
5.16
Volgens VGZ c.s. heeft het ZiN wel degelijk de door het hof gestelde vraag volledig beantwoord, zodat het hof de beantwoording daarvan door het ZiN niet met de gegeven motivering, zonder daarop inhoudelijk in te gaan, terzijde kon schuiven.
5.17
Ik wijs op het volgende.
5.18
Ten eerste wordt het oordeel van het hof dat het deskundigenbericht niet kan worden gevolgd, zelfstandig gedragen door het oordeel in rov. 2.5. De klachten tegen dit oordeel falen om de zojuist toegelichte reden. VGZ c.s. hebben daarom geen belang bij het slagen van deze klacht. Het hof legt in rov. 2.6 (vanaf de tweede zin) alleen uit waarom de beantwoording en uitleg het ZiN (te) beperkt zijn uitgevallen, zoals wordt overwogen in rov. 2.6, eerste zin. Vervolgens geeft het hof (vanaf de vierde zin) een tweede zelfstandig dragende reden waarom aan het deskundigenbericht voorbij wordt gegaan. Omdat in de procedure vaststaat dat de rechtsvoorganger van het ZiN anders heeft geadviseerd over vergoeding van removerdoekjes die tot doel hadden stomaplak te verwijderen zonder de huid te beschadigen, acht het hof de motivering in het deskundigenbericht te mager. Het hof gaat “ook daarom” aan de beantwoording door het Zorginstituut van de eerste vraag voorbij (rov. 2.6, achtste zin).
5.19
Ten tweede mist de klacht feitelijke grondslag. Anders dan VGZ c.s. stellen, heeft het ZiN de eerste vraag van het hof niet werkelijk beantwoord. De respons van het ZiN komt erop neer dat lijmrestverwijderaars zijn bedoeld om kleefresten te verwijderen en zijn aan te merken als schoonmaakmiddelen die door de regelgever expliciet zijn uitgesloten van vergoeding. De vraagstelling van het hof ziet echter niet op het weghalen van kleefresten, maar op het verwijderen van genoeg van de initieel aanwezige stomaplak om de stomazak los te kunnen halen zonder daarbij de huid te beschadigen of om pijnsensaties te voorkomen.
5.20
Subonderdeel 1.5 klaagt, ten eerste, dat het oordeel van het hof onjuist is, omdat het eraan voorbij ziet dat enkel sprake is van een huidbeschermend middel zoals bedoeld in art. 2.11 lid 3 onder b Rzv, wanneer het betreffende geneesmiddel is geproduceerd met het doel om als zodanig te dienen. De tweede klacht houdt in dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat de lijmrestverwijderaars zijn geproduceerd met het doel om te dienen als huidbeschermend middel, zijn oordeel onvoldoende is gemotiveerd.
5.21
De eerste klacht gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. De door VGZ c.s. gestelde beperkte interpretatie van art. 2.11 lid 3 onder b Rzv, dat enkel het oogmerk bij de productie van een middel doorslaggevend is voor de kwalificatie als huidbeschermend middel, vindt geen steun in de tekst van die bepaling of de toelichting daarbij. Het hof knoopt terecht aan bij de opmerking in de toelichting dat een hulpmiddel moet functioneren en dat daarom noodzakelijk toebehoren – zoals in dit geval de lijmrestverwijderaar die functioneel wordt voorgeschreven bij bepaalde groepen stomapatiënten – deel uitmaken van de verzekerde prestatie.
5.22
De tweede klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft dit eenvoudigweg niet geoordeeld.
5.23
Subonderdeel 1.6 klaagt ten eerste dat het hof heeft miskend dat art. 2.11 lid 3 onder b Rzv voor de kwalificatie als huidbeschermend middel vereist dat het middel een fysieke barrière op de huid aanbrengt en de huid beschermt tijdens het aftrekken van de kleeflaag. Ten tweede zou het oordeel van het hof onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat het hof niet (kenbaar) toetst of de lijmrestverwijderaar een fysieke barrière op de huid aanbrengt en de huid beschermt tijdens het aftrekken van de kleeflaag. Ten derde is het hof niet kenbaar ingegaan op het argument van het ZiN dat huidbeschermende middelen een fysieke barrière op de huid aanbrengen en de huid beschermen tijdens het aftrekken van de kleeflaag, waardoor het huidvriendelijk schoonmaken van de huid rondom de stoma niet hetzelfde is als een huidbeschermend middel in de zin van de Rzv. Ten vierde is ‘dan ook’ onbegrijpelijk om welke redenen een lijmrestverwijderaar bij gebruik bij stomapatiënten om de stomaplak te verwijderen zonder de gevoelige huid te beschadigen of om veel pijn bij deze patiënten te voorkomen desondanks wél als huidbeschermend middel voor vergoeding in aanmerking kan komen.
5.24
De eerste klacht van dit subonderdeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. De door VGZ c.s. gestelde beperkte interpretatie van art. 2.11 lid 3 onder b Rzv volgt nergens uit. Zoals het hof in rov. 2.5 overweegt, blijkt de beperking dat het middel een fysieke barrière moet vormen (het hof gebruikt de term ‘beschermfilm’) niet uit tekst of toelichting van art. 2.11 lid 3 sub b Rzv en staat een dergelijke voorwaarde ook haaks op het systeem van functioneringsgericht voorschrijven. Eén en ander geldt ook voor de gestelde beperking dat de bescherming bij het aftrekken van de kleeflaag de enige relevante bescherming is.
5.25
De tweede én derde klacht gaan niet op omdat het hof niet hoefde te toetsen of er een fysieke barrière is, nu het in rov. 2.5 – terecht – overweegt dat dit geen vereiste is. Verder gaat het hof bij zijn oordeel er wél (kenbaar) vanuit dat door de hier aan de orde zijnde functie van de lijmrestverwijderaar de huid wordt beschermd bij het aftrekken van de kleeflaag (zie het onderscheid dat wordt gemaakt in de eerste zin van rov. 2.5).
5.26
De vierde klacht bouwt voort op de overige klachten in dit subonderdeel (‘is dan ook onbegrijpelijk’) en faalt in het kielzog daarvan.
5.27
In subonderdeel 1.7 vervolgen VGZ c.s. hun betoog: als het hof met de overweging dat art. 2.11 lid 3 onder b Rzv gelet op het gebruik van het woord ‘zoals’ in de toelichting een niet-limitatief karakter heeft, tevens heeft willen responderen op het argument van het ZiN dat huidbeschermende middelen een fysieke barrière op de huid aanbrengen en de huid beschermen tijdens het aftrekken van de kleeflaag, dan heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De (enkele) omstandigheid dat de wetgever geen limitatieve opsomming van huidbeschermende middelen heeft gegeven, neemt immers niet weg dat een lijmrestverwijderaar geen fysieke barrière op de huid aanbrengt en/of de huid beschermt tijdens het aftrekken van de kleeflaag.
5.28
Ik stel vast dat het hof de niet-limitatieve opsomming in de toelichting mede ten grondslag legt aan zijn oordeel dat huidbeschermende middelen niet beperkt zijn tot middelen die een beschermfilm over de huid creëren (zie de woorden ‘dan ook’ die terugverwijzen naar het oordeel dat de opsomming niet limitatief is). Het is echter niet het enige argument, want het hof wijst in rov. 2.5 vervolgens op de tekst, (overige) toelichting en het systeem van functioneringsgericht voorschrijven.
5.29
VGZ c.s. betogen verder in subonderdeel 1.8 dat het hof ‘in dit verband’ ten eerste heeft miskend dat de rechter – gelet op de wettelijke taak van het ZiN – in beginsel dient uit te gaan van een door het ZiN ingenomen standpunt en de afwijking van een dergelijk standpunt deugdelijk dient te motiveren.18.Ten tweede is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van wat in 1.3 t/m 1.7 naar voren is gebracht.
5.30
Het betoog onder ‘ten eerste’ gaat niet op. Om te beginnen heeft het hof – voor zover nodig – deugdelijk gemotiveerd waarom het deskundigenbericht (dat aansluit bij wat VGZ c.s. betogen) niet wordt gevolgd. In zoverre is de bedoelde rechtspraak van de Hoge Raad niet miskend, omdat ook daarin is overwogen dat de rechter – deugdelijk gemotiveerd – mag afwijken van de opinie van het ZiN. In de tweede plaats heeft het ZiN in deze zaak niet gehandeld in het kader van de uitoefening van zijn wettelijke taak als bedoeld in art. 64 Zvw, maar als deskundige die op verzoek van de rechter een deskundigenbericht heeft uitgebracht op basis van voorgelegde vragen.19.In dit geval gaat het om een deskundigenbericht op grond van het burgerlijk procesrecht in een privaatrechtelijk geschil tussen een zorgverzekeraar en een leverancier van hulpmiddelen. De bewijswaardering van informatie van een deskundige die is verkregen met toepassing van de artikelen 194-200 Rv is overgelaten aan de rechter (art. 152 lid 2 Rv).20.De rechter is niet gebonden aan een deskundigenbericht.21.De uitleg van een deskundigenbericht is voorbehouden aan de rechter in feitelijke instantie en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst.22.In cassatie kan met een motiveringsklacht worden opgekomen tegen de begrijpelijkheid van het oordeel van de rechter in feitelijke instantie over de betekenis van een deskundigenbericht voor de (bewijs)beslissing.23.
5.31
Het betoog onder ‘ten tweede’ bouwt voort op de klachten in de vorige subonderdelen. Nu die alle falen, faalt deze klacht evenzeer.
5.32
Volgens subonderdeel 1.9 is onbegrijpelijk de overweging van het hof dat ZiN weliswaar kan terugkomen van het in 2012 door het CVZ ingenomen standpunt dat removerdoekjes als reinigingsgaasjes kunnen worden aangemerkt en daarmee voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, maar dat daarvoor dan wel een (adequate en overtuigende) motivering is vereist die in het deskundigenbericht van het ZiN ontbreekt. Die overweging kan niet op begrijpelijke wijze bijdragen aan het oordeel dat een lijmrestverwijderaar op grond van art. 2.11 lid 3 onder b Rzv als huidbeschermend middel voor vergoeding in aanmerking kan komen. Daar zegt het eerdere advies namelijk niets over. Dit is temeer onbegrijpelijk nu het CVZ (de rechtsvoorganger van het ZiN) reeds in haar standpunt in 2012 heeft toegelicht dat removerdoekjes niet vallen onder huidbeschermende middelen. Het ZiN is van dát standpunt niet teruggekomen.
5.33
De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof wijst erop (rov. 2.6, vijfde t/m zevende volzin) dat in rov. 4.10 van het eerste tussenvonnis van de rechtbank het advies van het CVZ uit 2012 is uitgelicht en dat tegen die overweging geen grieven zijn gericht door VGZ c.s. Met dat advies adstrueert de rechtbank haar oordeel in rov. 4.9 van het eerste tussenvonnis dat lijmrestverwijderaars niet in alle gevallen kunnen worden gekwalificeerd als schoonmaakmiddelen (zie eerste zin rov. 4.10: “In dit verband wordt ook nog verwezen naar […]”). Het ZiN kwalificeert de verwijderaar in de vorm van een removerdoekje in het advies immers als reinigingsdoekjes (die onder de verzekerde prestatie vallen) als die werden gebruikt bij een stomapatiënt met een gevoelige huid. Omdat het ZiN in deze procedure als deskundige stelt dat lijmrestverwijderaars alleen schoonmaakmiddelen kunnen zijn (en dus steeds zijn), werd in die zin wel teruggekomen van het advies uit 2012.
Tussenconclusie
5.34
Geen van de klachten in het eerste onderdeel slagen.
Onderdeel 2 (stand van de wetenschap en praktijk)
Inleiding
5.35
De vijftien subonderdelen van onderdeel 2 stellen voornamelijk de uitleg van het ‘stand van de wetenschap en praktijk’-criterium in art. 2.1 lid 2 Bzv (hierna: SWP-criterium) aan de orde. De Hoge Raad heeft in 2018 over het SWP-criterium onder meer het volgende overwogen:24.
“Het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’
4.2.4
Het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ van art. 2.1 lid 2 Bzv is in de plaats gekomen van het voorheen geldende ‘gebruikelijkheidscriterium’ van de Ziekenfondswet (‘de gebruikelijke zorg’) […]. Met het nieuwe criterium is blijkens de daarop bij het Besluit zorgverzekering gegeven toelichting bedoeld een “geactualiseerde vertaling” van het gebruikelijkheidscriterium te geven. Beoogd is om met het nieuwe criterium die zorg tot onderdeel van het verzekerde pakket te maken, die de betrokken beroepsgroep rekent tot het aanvaarde arsenaal van medische onderzoeks- en behandelingsmogelijkheden. Daarbij zijn volgens de toelichting zowel de stand van de medische wetenschap als de mate van acceptatie in de medische praktijk belangrijke graadmeters. Met het nieuwe criterium is tevens bedoeld te voldoen aan het (in verband met de vrijheid van diensten gegeven) oordeel van het HvJEU in zijn uitspraak van 12 juli 2001, ECLI:EU:C:2001:404, NJ 2002/3 (Smits en Peerbooms) dat ‘gebruikelijkheid’ alleen aanvaardbaar is als maatstaf indien daarmee wordt verwezen naar hetgeen door de internationale medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden. Volgens de toelichting bij het Besluit zorgverzekering kan het begrip ‘stand der wetenschap’ “slechts internationaal worden uitgelegd”. (Zie voor een en ander de Nota van toelichting bij het Besluit zorgverzekering, Stb. 2005, 389, p. 35/36)
Het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ dient overeenkomstig het vorenstaande te worden verstaan.”
De taak en de standpunten van het CVZ
4.2.5
Het CVZ, thans het Zorginstituut genaamd, is een (op grond van de art. 58-60 Zvw) onafhankelijke en uit deskundigen samengestelde instantie. Het is ingevolge art. 64 lid 1 Zvw onder meer belast met de bevordering van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van de prestaties, bedoeld in art. 11 Zvw. Blijkens de op de Zorgverzekeringswet gegeven toelichting dient het voortdurend het hiervoor in 4.2.2 genoemde verzekerde pakket te toetsen (Kamerstukken II 2003-2004, 29 763, nr. 3, p. 40). In dat kader dient het onder meer te beoordelen of een bepaalde vorm van zorg voldoet aan het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’. Het kan in dat verband standpunten publiceren zoals in deze zaak aan de orde. Eventueel kan het ter bevordering van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van de zorg richtlijnen geven aan zorgverzekeraars (art. 64 lid 2 Zvw).
4.2.6
De richtlijnen en standpunten van het CVZ zijn niet bindend. Of op grond van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat op (vergoeding van) een bepaalde prestatie, dient (rechtstreeks) te worden bepaald aan de hand van de hiervoor in 4.2.2-4.2.4 bedoelde maatstaven. Gelet op de hiervoor in 4.2.5 genoemde wettelijke taak van het CVZ ligt het echter voor de hand om daarbij in beginsel uit te gaan van door deze gegeven standpunten of richtlijnen, in die zin dat een zorgverzekeraar die daarvan afwijkt, die afwijking van een deugdelijke motivering dient te voorzien. Dit volgt ook uit de op art. 64 Zvw gegeven toelichting (Kamerstukken II 2003-2004, 29 763, nr. 3, p. 161). Evenzeer dient de rechter die tot een ander oordeel komt dan is vervat in een dergelijk standpunt of in een dergelijke richtlijn, dit deugdelijk te motiveren.
Beoordeling door het CVZ
4.3.1
De wijze waarop het CVZ beoordeelt of een behandeling behoort tot de stand van de wetenschap en praktijk […] houdt […] in hoofdlijnen het volgende in.
4.3.2
Het CVZ neemt alle relevante gegevens in aanmerking, waaronder literatuur, wetenschappelijke onderzoeken en gezaghebbende meningen van specialisten. Om deze gegevens te beoordelen is zogeheten ‘evidence based medicine’ het leidende principe. Bij voorkeur berust het oordeel op ‘best evidence’. Om de waarde van een nieuwe behandeling te toetsen dient die vergeleken te worden met de bestaande ‘goudenstandaardbehandeling’ of met ‘usual care’ (de klassieke behandeling). Hierbij wordt gebruik gemaakt van de zogeheten EBRO-richtlijnen (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling). Als uit ten minste twee kwalitatief verantwoorde studies (gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit en voldoende omvang; ook aangeduid als RCT) blijkt dat de behandeling in kwestie een (meer)waarde heeft ten opzichte van de behandeling die tot nog toe de voorkeur had in de internationale kring van de beroepsgenoten (de ‘goudenstandaardbehandeling’), dan wordt de nieuwe behandeling als effectief beschouwd.
4.3.3
Als geen studies van voldoende niveau zijn gepubliceerd, kan het CVZ zijn oordeel baseren op ‘evidence’ van lagere orde, zoals publicaties van gezaghebbende meningen van medisch specialisten of richtlijnen die door wetenschappelijke verenigingen namens de beroepsgroep zijn opgesteld. Dan bepaalt de mate van consistentie van de onderzoeken dan wel publicaties of ze worden beschouwd als een voldoende onderbouwing van de effectiviteit.
4.3.4
De hiervoor in 4.3.2-4.3.3 kort weergegeven beoordelingswijze van het CVZ stemt overeen met hetgeen de wetgever blijkens het hiervoor in 4.2.4 overwogene bij het criterium ‘de stand van de wetenschap en praktijk’ voor ogen heeft gestaan. Dit is derhalve aan te merken als een deugdelijke wijze om aan dat criterium te toetsen.
[…]
5.2.2 […]
De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vraag of een behandeling tot de stand van de wetenschap en praktijk behoort en daarom door de zorgverzekeraar moet worden vergoed, berusten in beginsel bij de verzekerde, zoals het hof met juistheid tot uitgangspunt heeft genomen in rov. 4.6 van zijn eerste tussenarrest. Weliswaar mag van de zorgverzekeraar worden verwacht dat hij zijn betwisting van de stelling van de verzekerde naar behoren met relevante feiten en gegevens onderbouwt – en, indien aan de orde, aan zijn hiervoor in 4.2.6 genoemde motiveringsplicht voldoet –, maar op hem rust niet de verzwaarde stelplicht die het middel op het oog heeft. De zorgverzekeraar beschikt immers in de regel niet over bijzondere, niet voor anderen toegankelijke gegevens aan de hand waarvan beoordeeld kan worden of een behandeling tot de stand van de wetenschap en praktijk behoort, wat grond kan zijn voor het aannemen van een dergelijke plicht.”
5.36
Het SWP-criterium uit art. 2.1 lid 2 Bzv wordt onder meer gebruikt voor het invullen van criteria om te bepalen of sprake is van verzekerde zorg, zoals bijvoorbeeld het begrip ‘plegen te bieden’ (art. 2.4 Bzv)25.of het indicatievereiste op grond waarvan de verzekerde op een vorm van zorg of een dienst slechts recht heeft voor zover hij daarop naar inhoud en omvang redelijkerwijs is aangewezen (art. 2.1 lid 3 Bzv).26.Het ZiN heeft zijn beoordelingsmaatstaven met betrekking tot het SWP-criterium in 2023 geactualiseerd.27.Er bestaan geen voor deze zaak wezenlijke verschillen tussen de laatste versie uit 2023 en de in het hiervóór geciteerde arrest omschreven maatstaven uit 2015.28.
Bespreking van de klachten
5.37
In subonderdeel 2.1 staat een eigen weergave van VGZ c.s. van rov. 2.7 t/m 2.11 en 2.15 van het derde tussenarrest van het hof. Verder worden rov. 4.13 t/m 4.16 en 4.20 van het eerste tussenvonnis en rov. 2.14-2.15 en 2.22 t/m 2.27 van het tweede tussenvonnis van de rechtbank geparafraseerd. Het subonderdeel bevat geen klacht.
5.38
Op deze plaats volsta ik met het citeren van de overwegingen van het hof:
“2.7. De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of het gebruik van lijmrestverwijderaars bij stomapatiënten met een gevoelige huid voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk (artikel 2.1 lid 2 Besluit zorgverzekering, hierna: Bzv). Het hof neemt over en maakt tot het zijne wat de rechtbank hierover heeft opgemerkt in rechtsoverwegingen 4.13-4.16 en 4.20 van het tussenvonnis van 6 december 2017.
2.8.
Het Zorginstituut kan geen antwoord geven op de vraag of er een gouden standaard (standaardbehandeling of gebruikelijke behandeling) is bij het verwijderen van de stomaplak bij een gevoelige huid. Het Zorginstituut ziet dat het gebruik van een washandje/gaasje met lauw water om de stomaplak te verwijderen wel wordt genoemd in informatie over patiëntenzorg. Het Zorginstituut deelt deze kwestie in bij de groep praktische zaken, die vaak niet staan beschreven in richtlijnen en protocollen (antwoord op vraag 5). Dit betekent dat als het standpunt van VGZ en het Zorginstituut wordt gevolgd stomapatiënten met een gevoelige huid die tot 2013 gebruik maakten van een lijmrestverwijderaar waarvan in de praktijk is gebleken dat zij effectief is en gezondheidswinst oplevert en waarvan de effectiviteit wordt ondersteund door publicaties en door schriftelijke en getuigenverklaringen in deze procedure, vanaf 2013 moeten terugvallen op een methode (het lauwwarme washandje), waarover in het geheel niet bekend is of zij effectief is, terwijl evenmin bekend is of het lauwwarme washandje de standaard- of gebruikelijke behandeling is en zo nee, welke behandeling dat dan wel is. Dat zou volgens het Zorginstituut immers een praktische zaak zijn die niet in protocollen en richtlijnen is opgenomen. Dit onderwerp is tijdens de mondelinge behandeling op 20 november 2020 aan de orde geweest (p. 9 van het proces-verbaal). Ook VGZ kon toen niet aangeven op welk medisch gezag zij verdedigde dat een lauwwarm washandje even effectief was als de lijmrestverwijderaar of tenminste effectief genoeg om als standaardbehandeling te kunnen worden beschouwd. De rechtbank heeft op overtuigende manier gemotiveerd dat gebruik van poeders, pasta’s en films voor het verwijderen van de stomaplak van de gevoelige huid niet kan gelden als de standaardbehandeling (rechtsoverwegingen 2.14-2.15 van het eindvonnis, waartegen niet is gegriefd).
2.9.
Onder deze omstandigheden is het niet aanvaardbaar dat VGZ de lijmrestverwijderaar als huidbeschermend middel bij de verwijdering van de stomaplak van de gevoelige huid niet meer ziet als onderdeel van de te verzekeren prestatie op basis van het argument dat het bewijs voor de effectiviteit van deze behandeling van onvoldoende niveau zou zijn. Ook al is het op de medische wetenschap en praktijk gebaseerde bewijs mogelijk niet van hoog niveau, het is in ieder geval bepaald overtuigender dan de in feite niet uitgewerkte stelling dat een lauwwarm washandje ook wel voldoet. Al hetgeen VGZ heeft aangevoerd in hoofdstuk IV van haar memorie van grieven loopt daarop vast.
2.10.
Hiermee onderscheidt deze zaak zich van de geschillen over de omvang van het verzekerd pakket die doorgaans aan de rechter worden voorgelegd. Die gaan immers veelal over de vraag of er zodanig overtuigend medisch-wetenschappelijk bewijs is voor de effectiviteit van een innovatieve of experimentele behandeling naast de standaardbehandeling om deze ook tot de te verzekeren prestatie toe te laten. Wil de rechter in dergelijke zaken afwijken van het advies van het Zorginstituut, dan heeft hij een verhoogde motiveringsplicht. In dit geval laten VGZ en het Zorginstituut er onduidelijkheid over bestaan wat de standaardbehandeling is en is er geen medisch-wetenschappelijk bewijs voorhanden over de effectiviteit van de door VGZ voorgestelde behandeling (het lauwwarme washandje). Dan brengt een logische uitleg van het wettelijk stelsel mee dat de bestaande, effectief gebleken behandeling (de lijmrestverwijderaar) niet van de te verzekeren prestatie mag worden uitgesloten op basis van de stelling dat het bewijs van onvoldoende hoog niveau zou zijn. Integendeel, er is alle aanleiding te concluderen dat de behandeling met een lijmrestverwijderaar de standaardbehandeling voor verwijdering van de stomaplak van een gevoelige huid is. Al hetgeen VGZ heeft opgemerkt in hoofdstuk V van haar memorie van grieven slaagt daarom niet.
2.11.
Bovendien deelt het hof niet de argumenten van VGZ dat het door MediReva gepresenteerde bewijsmateriaal van onvoldoende niveau is om de effectiviteit van het gebruik van de lijmrestverwijderaar bij het verwijderen van de stomaplak van de gevoelige huid aan te tonen. Daarbij zoekt het hof aansluiting bij de opmerking van het Zorginstituut dat het hier gaat om praktische zaken die vaak niet beschreven staan in richtlijnen en protocollen. Het gaat om een eenvoudig, praktisch aspect van het geheel van behandelingsfacetten van patiënten met een stoma. Het bewijs van de effectiviteit van de inzet van lijmrestverwijderaar kan dan ook worden aangetoond aan de hand van ervaringen uit de dagelijkse praktijk die bij voorkeur worden verzameld en besproken in artikelen of, zoals in deze procedure, worden toegelicht aan de hand van schriftelijke en getuigenverklaringen van personen die met dit behandelingsonderdeel ervaring hebben. Het hof neemt al hetgeen de rechtbank daarover heeft beslist in de rechtsoverwegingen 2.22 tot en met 2.27 van het eindvonnis over en maakt het tot het zijne, ook ten aanzien van de indicatiegebieden uit de lijst van MediReva (rechtsoverweging 2.24). VGZ heeft de kans gehad om in contra-enquête getuigen te laten horen die de visie van MediReva niet delen. Zij heeft daarvan afgezien. Er is daarom geen bewijsmateriaal dat de stellingen van MediReva tegenspreekt.
[…]
2.15.
Uit al het voorgaande volgt dat er geen noodzaak bestaat tot het laten uitvoeren van vervolgonderzoek en dat het hof een eindoordeel kan geven over het geschil. Het voorgaande brengt verder mee dat alle grieven van VGZ falen en dat de aangevallen vonnissen moeten worden bekrachtigd. Het hof zal overeenkomstig artikel 355 Rv de zaak terugverwijzen naar de rechtbank in de stand waarin het geding zich bevond.”
5.39
In subonderdeel 2.2 wijzen VGZ c.s. op rov. 5.9 en 5.10 van het eerste tussenarrest, waar het hof het volgende heeft overwogen:
“5.9 Het hof constateert daarmee dat de beoordeling van de tweede door de rechtbank geformuleerde vraag (voldoen lijmrestverwijderaars aan de stand van de wetenschap en praktijk, dan wel gelden zij in het betrokken vakgebied als verantwoorde en adequate zorg en diensten (artikel 2.1 lid 2 Bzv) aldus bij voorkeur deskundige beoordeling vergt en daarmee pas in tweede instantie, zo nodig, van bewijs door middel van getuigen en bescheiden.
5.10
Het is niet aan het hof om ingewikkelde medisch-wetenschappelijke beoordelingen uit te voeren aan de hand van het beoordelingskader en de methodiek die het Zorginstituut hanteert en die als uitgangspunt geldt voor het toetsen aan de stand van de wetenschap en praktijk.
[…]”
5.40
Met het door mij onderstreepte woord ‘daarmee’ wijst het hof terug naar rov. 5.8, waar onder het kopje ‘Maatstaf’ een citaat van rov. 4.2.4 van de hiervóór in 5.35 genoemde uitspraak van de Hoge Raad is opgenomen.
5.41
Volgens VGZ c.s. verhoudt zich hiermee niet (op begrijpelijke wijze) dat het hof, nadat het ZiN ‘de betreffende vragen’ in zijn deskundigenbericht onbeantwoord heeft gelaten, alsnog zelfstandig heeft beoordeeld of lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk (derde tussenarrest, rov. 2.8 t/m 2.11). Het hof heeft zelf onderkend deskundigenbewijs nodig te hebben. Voorts dient het in dit verband vereiste bewijs op het principe van evidence based medicine te zijn gebaseerd. Dit vergt een deskundige beoordeling (door het ZiN). Op de rechter rust bovendien een verzwaarde motiveringsplicht indien hij van het standpunt van het ZiN wenst af te wijken, wat impliceert dat als uitgangspunt het deskundigenbericht van het ZiN moet worden ingewonnen. Het hof kon dan ook niet op begrijpelijke wijze beslissen over de vraag of lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk zonder (nader) deskundigenbewijs (bij het ZiN) in te winnen.
5.42
Ik begrijp de gedachte achter de klacht. De rechter die van oordeel is dat hij een technisch geschilpunt niet zelf inhoudelijk kan beslissen maar daar een advies van een extern deskundige voor nodig heeft, kan niet – als hij van oordeel is dat een ingewonnen advies hem niet verder helpt – dan toch maar zelf de knoop doorhakken in plaats van bij dezelfde deskundige een nader advies te vragen of van een andere deskundige een advies te vragen. Toch ga ik hier niet in mee.
5.43
Volgens het hof in rov. 2.8 kan het ZiN geen antwoord gegeven op de vijfde vraag van het hof over de lijmrestverwijderaar versus het lauwe washandje als de behandeling van patiënten met, kort gezegd, een gevoelige huid. Het ZiN heeft namelijk het volgende antwoord gegeven (voetnoot weggelaten, A-G):
“Het Zorginstituut ziet dat het gebruik van een washandje/gaasje met lauw water om de stomaplak te verwijderen wel wordt genoemd in bijvoorbeeld informatie over patiëntenzorg. Wij kunnen echter geen sluitend antwoord geven op de vraag wat de Gouden standaard is bij het verwijderen van de stomaplak. Deze praktische zaken staan vaak niet beschreven in richtlijnen en protocollen. Het Zorginstituut is daarnaast ook niet inhoudelijk betrokken bij het opstellen van deze documenten door het veld.”
5.44
Nu het ZiN als deskundige verklaart de vraag in kwestie niet te kunnen antwoorden, met als motivering dat het gaat om praktische zaken, is het zeker niet onbegrijpelijk dat het hof geen nader deskundigenbewijs (al dan niet bij het ZiN) heeft ingewonnen. Daarbij moet worden bedacht dat de rechter gehouden is in een hem voorgelegde zaak een beslissing te nemen (art. 26 Rv). Dat heeft het hof – voldoende gemotiveerd – in het derde tussenarrest gedaan. Een verzwaarde motiveringsplicht had het hof in dit geval niet, omdat er geen (inhoudelijk) advies was (of ging zijn) om van af te wijken.
5.45
In die omstandigheden volstaat een voldoende motivering in het licht van het partijdebat. Ik baseer deze opvatting onder meer op een arrest van de Hoge Raad uit 2006:29.
“3.8 […] De omstandigheid dat het deskundigenrapport […] naar 's hofs oordeel geen steun bood bij de beantwoording van de vraag of het ontwerp van […] een eigen oorspronkelijk karakter bezit en het persoonlijk stempel van de maker draagt, ontsloeg het hof er niet van die vraag, tot beantwoording waarvan het hof zich in het eerste tussenarrest zonder de hulp van een deskundigenbericht niet in staat achtte, alsnog te beantwoorden en zijn beslissing dienaangaande voldoende te motiveren in het licht van de door partijen in dat verband gevoerde debat […]. […].”
5.46
Op het vorenstaande lopen ook de klachten stuk die VGZ c.s. in subonderdeel 2.3 formuleren. Ten eerste is dat het betoog dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd zijn oordeel (rov. 2.15 van het derde tussenarrest) dat geen noodzaak tot vervolgonderzoek bestaat omdat (i) het hof in het eerste tussenarrest zelf heeft onderkend deskundigenbewijs nodig te hebben, (ii) deskundigenbewijs (nog) niet is aangeleverd, en (iii) zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan met betrekking tot het gebruik van lijmrestverwijderaars als huidbeschermend middel. Ten tweede vinden VGZ c.s. het oordeel onbegrijpelijk omdat niet duidelijk zou zijn om welke reden(en) het hof de voorkeur voor een deskundige heeft laten varen.
5.47
Subonderdeel 2.4 betoogt dat het hof heeft miskend dat een genees- of hulpmiddel slechts dan op grond van art. 2.1 lid 2 Bzv kan voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk, dan wel in overeenstemming kan zijn met het principe van evidence based medicine, als tenminste enige vorm van (wetenschappelijk) bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat het betreffende genees- of hulpmiddel effectief en werkzaam is en/of door de (internationale) wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden.
5.48
Ik meen dat het hof dit niet heeft miskend. Het hof heeft in rov. 2.7 van het derde tussenarrest overgenomen en tot het zijne gemaakt wat de rechtbank in rov. 4.20 van het eerste tussenvonnis heeft overwogen. De laatstbedoelde overweging luidt als volgt:
“4.20 […] Het ZiN geeft in haar rapport Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk aan dat haar vaste werkwijze – ter beantwoording van de vraag of een interventie als effectief is te beschouwen – is, de principes van evidence-based medicine (EBM) te volgen. Daarbij gaat het niet om de vraag of de zorg bij een individuele patiënt effectief is, maar of de zorg bij een bepaald indicatiegebied effectief is. Deze vraag moet, gezien de formulering in het Bzv, beantwoord worden aan de hand van de stand van de wetenschap en praktijk. EBM combineert en verenigt beide elementen, wetenschap en praktijk, en daarmee dus de inzichten die voortkomen uit wetenschappelijk onderzoek met in de praktijk gevormde expertise en ervaring van zorgverleners en zorggebruikers. Het ZiN maakt hierbij gebruik van – indien voorhanden – bestaande (internationale) EBM-richtlijnen en sluit zich, indien mogelijk, hierbij aan. Voorts worden in het rapport op pagina 25 diverse elementen van integrale beoordeling (zoals in de praktijk gevormde expertise en ervaringen van zorgverleners en zorggebruikers) vermeld die bij de beoordeling of een interventie als effectief is te beschouwen een rol (kunnen) spelen. In sommige situaties kan een positieve beslissing tot stand komen op grond van lagere evidence. Als uitgangspunt geldt dat er voor een positieve beslissing medisch-wetenschappelijk gegevens met een zo hoog mogelijk bewijskracht voorhanden moeten zijn, maar dat van dit vereiste beargumenteerd kan worden afgeweken. Het is dus aan MediReva om, indachtig het voorgaande, ter staving van haar standpunt nadere stukken aan te leveren (dan wel getuigen te doen horen) die voor de beoordeling van haar stelling relevant kunnen zijn.”
Ik voeg daar aan toe dat bewijslevering van de effectiviteit van een medisch hulpmiddel als in deze zaak aan de orde mogelijk verschilt van het te leveren bewijs van bijvoorbeeld de effectieve werking van een werkzaam bestanddeel in een geneesmiddel.
5.49
Subonderdeel 2.5 klaagt ten eerste dat het hof heeft miskend dat bewijs over de effectiviteit en de werkzaamheid van een genees- of hulpmiddel dat niet van hoge kwaliteit is (in beginsel) niet tot het oordeel kan leiden dat het betreffende middel voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk, terwijl bewijs van een zeer lage kwaliteit zelfs (in beginsel) tot het oordeel leidt dat het middel niet voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. Bij bewijs van middelmatige of lage kwaliteit moet in beginsel aan nadere eisen zijn voldaan. Het subonderdeel klaagt ten tweede dat het oordeel van het hof onjuist dan wel onvoldoende is gemotiveerd omdat niet wordt gemotiveerd dat en waarom van vorenbedoeld uitgangspunt wordt afgeweken, dan wel waarom in deze situatie genoegen kan worden genomen met bewijs van middelmatige of lage kwaliteit.
5.50
De eerste klacht strandt op de hiervoor geciteerde en door het hof overgenomen rov. 4.20 van het eerste tussenvonnis. Voor de tweede klacht geldt dat het hof in rov. 2.9 en 2.11 van het derde tussenarrest – op een niet onjuiste of onbegrijpelijk wijze – motiveert waarom in dit geval genoegen kan worden genomen met het bewijs dat door MediReva is aangevoerd. Het komt erop neer dat VGZ c.s. hun stelling over de standaard of gebruikelijke behandeling niet (voldoende) hebben onderbouwd (rov. 2.9) en dat zij de onderbouwde stellingen van MediReva in deze procedure niet of onvoldoende hebben weersproken (rov. 2.11). Deze overwegingen moeten worden gelezen in samenhang met rov. 4.15 van het eerste tussenvonnis. Deze overweging, die het hof heeft overgenomen in rov. 2.7 van het derde tussenarrest, luidt als volgt:
“4.15. Uit het hiervoor genoemde rapport van het ZiN volgt dat het bij de stand van de wetenschap en praktijk gaat om de effectiviteit van de zorg, anders gezegd om de vraag of het behandelbeleid (diagnostiek, behandeling), gelet op de gunstige en de ongunstige gevolgen (bijwerkingen, veiligheid) ervan, tot relevante (meer)waarde voor de patiënt leidt. Meer concreet gaat het om de relatieve effectiviteit van een interventie: in welke mate draagt de (nieuwe) interventie bij aan het met de interventie beoogde doel in vergelijking met datgene wat in de praktijk al aan zorg voor de betreffende aandoening wordt geboden. Ook moet in voldoende mate zijn aangetoond dat de interventie in de praktijk een klinisch relevant effect heeft op de gezondheid en/of het welbevinden van de patiënt. Effectiviteit omvat volgens het rapport (dus) meer dan werkzaamheid.”
5.51
In subonderdeel 2.6 klagen VGZ c.s. ten eerste dat het hof eraan voorbij ziet dat de omstandigheid dat geen standaardbehandeling kan worden vastgesteld niet van invloed is op de eisen die aan het bewijs moeten worden gesteld in het kader van de vraag of een genees- of hulpmiddel voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. Het ontbreken van een standaardbehandeling heeft dus niet tot gevolg dat een (andere) behandeling sneller zal kunnen voldoen aan de eisen van de wetenschap en praktijk. Ten tweede, indien het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. Het hof baseert zijn oordeel dat genoegen kan worden genomen met het bewijs van MediReva op de constateringen dat: (i) bij gebreke van een standaardbehandeling geen vergelijking kan worden gemaakt met een standaardbehandeling, terwijl het vereiste van de stand van de wetenschap en praktijk dat wel vereist; (ii) geen medisch-wetenschappelijk bewijs voor handen is voor de effectiviteit van het gebruik van een lauwwarm washandje; en (iii) de effectiviteit van het gebruik van lijmrestverwijderaars in ieder geval méér vaststaat dan de effectiviteit van het washandje. Die constateringen relateren (ieder voor zich) aan het bestaan en/of effectiviteit van een andere behandeling dan de behandeling waarvan de effectiviteit en werkzaamheid in deze procedure dient te worden onderzocht.
5.52
Ook deze klachten treffen geen doel. In het rapport Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk van het ZiN (versie 2023) staat onder meer het volgende:30.
“In de beoordelingsfase worden bevindingen en argumenten gewogen om te komen tot een conclusie SWP [de stand van de wetenschap en praktijk, A-G]. Het criterium SWP betreft alleen de overwegingen die te maken hebben met de relatieve effectiviteit, waarbij de te beoordelen interventie wordt vergeleken met de huidige standaardbehandeling of gebruikelijke behandeling. Dit kan ook ‘best ondersteunende zorg’ zijn. […]
Voor het beoordelen of een interventie (diagnostiek of behandeling) voldoet aan SWP wordt uitgegaan van relatieve effectiviteit (‘comparative effectiveness’). Relatieve effectiviteit van een interventie betref het geheel aan effecten op gunstige en ongunstige uitkomsten van de interventie bij de doelgroep in vergelijking met de standaardbehandeling of gebruikelijke behandeling. Dit kan ook ‘best ondersteunende zorg’ zijn.
[…]
Een vergelijking met de gebruikelijke behandeling is aan de orde als er geen standaardbehandeling is. Het gaat dan om de behandeling die het vaakst wordt toegepast bij de gedefinieerde doelgroep, en waar op dat moment in de dagelijkse praktijk de meeste ervaring mee is. Ook kan de vergelijkende behandeling bestaan uit ‘best ondersteunende zorg’.
Voor het kiezen van de juiste vergelijkende behandeling worden de richtlijnen, standaarden of standpunten van de beroepsgroepen geraadpleegd. Indien deze niet beschikbaar zijn, worden de relevante beroepsgroepen geraadpleegd.”
5.53
Bij de beoordeling van de stand van de wetenschap en praktijk gaat het dus primair om het vergelijken met een behandeling die de standaard is of, bij gebrek aan een standaard, de behandeling die gebruikelijk is. De lezing waarvan VGZ c.s. uitgaan is dat het hof enkel zou hebben vastgesteld dat geen antwoord kan worden gegeven op de vraag wat de standaardbehandeling is. Dat is een te beperkte lezing, aangezien het hof in rov. 2.8 van het derde tussenarrest óók vaststelt dat de gebruikelijke behandeling niet kan worden bepaald. Het hof gaat in dat licht ervan uit dat goed vergelijkingsmateriaal ontbreekt en oordeelt (mede) daarom dat het door MediReva aangedragen bewijs voldoet (rov. 2.9). Dit ontbreken van vergelijkingsmateriaal onderscheidt deze zaak van de geschillen over de omvang van het verzekerde pakket die doorgaans aan de rechter worden voorgelegd; MediReva kan in deze situatie niet worden tegengeworpen dat het bewijs van onvoldoende hoog niveau zou zijn (rov. 2.10). Gelet op het vorenstaande missen de klachten feitelijke grondslag. Bovendien is het oordeel van het hof in deze (juiste) lezing niet onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
5.54
In subonderdeel 2.7 betogen VGZ c.s. dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Bij de beantwoording van de vraag of lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk, neemt het hof in rov. 2.8 en 2.10 van het derde tussenarrest tot uitgangspunt dat het gebruik van lijmrestverwijderaars effectief is, gezondheidswinst oplevert en (zelfs) alle aanleiding bestaat om aan te nemen dat het gebruik van lijmrestverwijderaars kwalificeert als standaardbehandeling. Kennelijk rechtvaardigt dit (mede) dat genoegen mag worden genomen met bewijs van middelmatige of lage kwaliteit. Het voormelde uitgangspunt kan echter niet aan die conclusie bijdragen. Er dient juist te worden aangetoond dát lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk en (aldus) bewezen effectief zijn en gezondheidswinst opleveren. De constatering dát het gebruik van lijmrestverwijderaars effectief is en gezondheidswinst oplevert, kan niet een verlaging van de te stellen eisen aan het bewijs rechtvaardigen of onderbouwen.
5.55
Ik wijs op het volgende. De punten die VGZ c.s. noemen heeft het hof niet als rechtvaardiging van het accepteren van bewijs van een bepaalde kwaliteit gebruikt. In rov. 2.8 beschrijft het hof enkel het bewijs dat voorligt. Het hof overweegt dat in de praktijk is gebleken dat de lijmrestverwijderaar effectief is en gezondheidswinst oplevert, en dat de effectiviteit wordt ondersteund door publicaties en verklaringen in deze procedure. In rov. 2.10 overweegt het hof dat in dit geval een logische uitleg van het wettelijk stelsel met zich brengt dat de bestaande, effectief gebleken behandeling (lijmrestverwijderaar) niet van de te verzekeren prestatie mag worden uitgesloten met als argument dat het bewijs van onvoldoende hoog niveau zou zijn. Het voegt daaraan toe: “Integendeel, er is alle aanleiding te concluderen dat de behandeling met een lijmrestverwijderaar de standaardbehandeling voor verwijdering van de stomaplak van een gevoelige huid is.” Deze laatste zin slaat niet terug op het (vereiste) niveau van bewijs, maar op de (meer algemene) stelling van VGZ c.s. dat de behandeling van een lijmrestverwijderaar zou moeten worden uitgesloten van de te verzekeren prestatie. Dát zou hoe dan ook niet logisch zijn, aldus het hof, omdat in deze procedure is komen vast te staan dat er maar één behandeling is die überhaupt werkt (de lijmrestverwijderaar).
5.56
De klacht in subonderdeel 2.8 is gericht op rov. 2.8 van het derde tussenarrest. Het is onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd dat het hof van belang acht dat stomapatiënten (bij het volgen van het standpunt van VGZ c.s.) zouden moeten terugvallen op het gebruik van een lauwwarm washandje. Dat is ten eerste geen relevant gezichtspunt ter rechtvaardiging van het stellen van lagere eisen aan het vereiste wetenschappelijk bewijs, in het bijzonder omdat het ontbreken van een standaardbehandeling niet tot gevolg heeft dat een (andere) behandeling sneller zou kunnen voldoen aan de eisen van de wetenschap en praktijk. Ten tweede zijn stomapatiënten niet gedwongen terug te vallen op het gebruik van een lauwwarm washandje, want ze kunnen de lijmrestverwijderaar blijven gebruiken als niet vergoed schoonmaakmiddel.
5.57
Ik lees het bestreden arrest op dit punt anders. Het hof gebruikt het moeten terugvallen op het lauwwarm washandje niet als rechtvaardiging voor het stellen van lagere eisen aan het bewijs. Het punt dat het hof maakt is dat de stelling van VGZ c.s. dat het lauwwarm washandje ook huidloslating en pijnsensaties kan voorkomen (rov. 2.4, slot) niet kan worden aangetoond, terwijl volgens VGZ c.s. deze methode zou overblijven als het voor de stomapatiënten met huidproblemen (zo goed als) kosteloze alternatief wanneer de lijmrestverwijderaar niet langer zou worden vergoed. Er zijn nu eenmaal patiënten die dit niet kunnen betalen (zie ook rov. 2.14).
5.58
In dit verband verwijs ik naar het verhandelde op de comparitie van partijen van 20 november 2020, waar het hof in (het hier aangevallen deel van) rov. 2.8 expliciet naar verwijst en welk debat staat weergegeven in het proces-verbaal van die comparitie, p. 9:
“Lid van het hof:
[…] Wat moet iemand doen die het niet kan betalen?
[Advocaat VGZ c.s.]:
Terug naar de stomaverpleegkundige en vragen waarom zij zoveel van dat spul nodig heeft. In principe moet zij dat uit eigen zak betalen.
Lid van het hof:
Ze kan het niet betalen. Moet ze dan maar naar een andere verzekeraar overstappen?
[Bedrijfsjurist VGZ c.s.]
Dat kan altijd. Ik snap het dilemma, maar ik ben bang dat als u van mening bent dat het niet conform de stand van de wetenschap en de praktijk is, dit wel nodig is. De verzekeraar kan haar dan niet helpen.
Lid van het hof:
U zei net dat de bewezen aanpak in deze situatie een lauw washandje is. Voor welke gevallen geldt dat? In de gevallen die in de procedure zijn beschreven door MediReva?
[Advocaat VGZ c.s.]
Een lauw washandje wordt ook niet vergoed onder het verzekerde pakket, dus daarom is dit ook niet getoetst aan de stand van de wetenschap en de praktijk. We weten dat het werkt en het wordt ook door alle stomapatiënten en verenigingen gezegd.
Lid van het hof:
Getuigenverklaringen zeggen dat je een lijmoplossing moet hebben. Het kan zijn dat ze het aan het verkeerde einde hebben, maar uit het dossier blijkt niet dat die lijmpoging [bedoeld zal zijn ‘lijmoplossing’, A-G] niet nodig was. Bent u daar nog naar op zoek geweest?
[Bedrijfsjurist VGZ c.s.]
Nee.”
5.59
Volgens VGZ c.s. (in subonderdeel 2.9) is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd.
5.60
Ten eerste onderzoekt het hof niet (kenbaar) of is voldaan aan het vereiste voor het gebruik van bewijs van middelmatige of lage kwaliteit, namelijk dat er overtuigende redenen zijn om aan te nemen dat verder onderzoek (dat de kwaliteit kan verhogen) zeer waarschijnlijk niet kan plaatsvinden. Het hof neemt enkel in rov. 2.11 van het derde tussenarrest (onder meer) rov. 2.26 van het tweede tussenvonnis over waarin de rechtbank zonder motivering concludeert dat er overtuigende redenen bestaan om aan te nemen dat verder onderzoek zeer waarschijnlijk niet zal plaatsvinden.
5.61
Ten tweede heeft het hof geen kenbaar gewicht toegekend aan verschillende essentiële stellingen ter onderbouwing van het betoog dat er géén overtuigende redenen zijn om aan te nemen dat verder onderzoek zeer waarschijnlijk niet zal kunnen plaatsvinden. Het gaat om de volgende stellingen:
i) Een getuige ([getuige 1]) heeft expliciet verklaard dat zij verwacht dat het doen van onderzoek naar de werkzaamheid van lijmrestverwijderaars wél mogelijk is.
ii) Het argument van [getuige 2] dat het de vraag is of het medisch-ethisch verantwoord is om onderzoek uit te voeren, omdat daarvoor een nulmeting zou moeten plaatsvinden, miskent dat in ieder wetenschappelijk onderzoek naar de potentiële meerwaarde van een genees- of hulpmiddel een vergelijking met een standaardbehandeling (de nulmeting) wordt gemaakt en situaties waarin het uitvoeren van onderzoek medisch-ethisch onverantwoord is geheel andersoortig zijn.
iii) Er bestaat interesse vanuit de markt om onderzoek te laten uitvoeren naar het onderwerp stomaplak en huidproblemen. Daartoe is [getuige 2] door een leverancier van genees- en hulpmiddelen zelf ook benaderd.
iv) Het is onaannemelijk, mede gelet op de financiële belangen voor fabrikanten, dat onvoldoende bereidheid bestaat tot financiering van onderzoek naar het onderwerp stomaplak en huidproblemen. Bovendien is het doen van onderzoek ook zonder financiering feitelijk mogelijk.
5.62
Deze klachten berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft de argumenten van VGZ c.s. over verder onderzoek allemaal afgewezen met de zelfstandig dragende motivering van rov. 2.8 t/m 2.10. De stellingen die VGZ c.s. opsommen en zonder dit te onderbouwen31.aanduiden als ‘essentieel’, komen – op één uitzondering na32.– uit hoofdstuk V van de memorie van grieven, ten aanzien waarvan het hof in rov. 2.10 (laatste zin) overweegt: “Al hetgeen VGZ heeft opgemerkt in hoofdstuk V van haar memorie van grieven slaagt daarom niet.” De basis van dit oordeel is dat een hogere kwaliteit bewijs in dit geval niet nodig is omdat een standaard- of gebruikelijke behandeling niet voldoende aannemelijk kan worden gemaakt. Daarover laten VGZ c.s. onduidelijkheid bestaan. Het ZiN stelt niet te kunnen antwoorden op – kort gezegd – de vraag wat de standaardbehandeling is met als motivering dat het gaat om ‘praktische zaken’. In één en ander ligt al besloten dat verder onderzoek zeer waarschijnlijk niet zal kunnen plaatsvinden, terwijl het hof ook in rov. 2.15 expliciet overweegt dat “Uit al het voorgaande volgt dat er geen noodzaak bestaat tot het laten uitvoeren van vervolgonderzoek […].” en in rov. 2.11 – in zoverre ten overvloede – rov. 2.26 van het tweede tussenvonnis overneemt. Die overweging van de rechtbank is – anders dan VGZ c.s. stellen – niet ongemotiveerd, aangezien zij moet worden gelezen in de context van rov. 2.20 van het tweede tussenvonnis waarin argumenten staan ter adstructie van het oordeel dat verder onderzoek zeer waarschijnlijk niet zal (kunnen) plaatsvinden.
5.63
Het relaas van VGZ c.s. in subonderdeel 2.10 vormt in essentie een herhaling van subonderdeel 2.9 en loopt dan ook stuk op grond van vorenstaande.33.De eerste klacht luidt dat het oordeel van het hof onjuist althans onbegrijpelijk gemotiveerd is voor zover het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat voormelde feiten en omstandigheden (ik begrijp: in subonderdeel 2.9) niet relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het vereiste voor het gebruik van bewijs van middelmatige of lage kwaliteit dat er overtuigende redenen bestaan om aan te nemen dat verder onderzoek (dat de kwaliteit kan verhogen) zeer waarschijnlijk niet kan plaatsvinden. Het hof had deze stellingen (kenbaar) in zijn oordeel moeten betrekken, aldus VGZ c.s. De tweede klacht behelst dat zonder nadere motivering niet valt in te zien om welke reden er wél een overtuigende ratio is om aan de nemen dat verder onderzoek zeer waarschijnlijk niet zal kunnen plaatsvinden.
5.64
In subonderdeel 2.11 voeren VGZ c.s. aan dat, voor zover het hof in rov. 2.11 van het derde tussenarrest heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat het gaat om een eenvoudig, praktisch aspect van het geheel van de behandelingsfacetten van stomapatiënten rechtvaardigt dat het bewijs van de effectiviteit en het gebruik van lijmrestverwijderaars kan worden aangetoond aan de hand van ervaringen uit de dagelijkse praktijk, het hof eraan voorbij ziet dat die omstandigheid niet afdoet aan de geldende vereisten voor het voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk. Het door het hof in die sleutel gewaardeerde bewijs is om die reden onvoldoende. Voorts is niet gemotiveerd dat en waarom uit de door het hof benoemde ervaringen uit de dagelijkse praktijk wél (wetenschappelijk) volgt of eraan bijdraagt dat een lijmrestverwijderaar effectief en werkzaam is en/of door de (internationale) medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden.
5.65
Deze klachten falen alleen al omdat zij uitsluitend zijn gericht tegen rov. 2.11 terwijl de beslissing van het hof over het voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk al (zelfstandig) wordt gedragen door het oordeel in rov. 2.8 t/m 2.10. Bij de klachten bestaat dus geen belang.
5.66
Subonderdeel 2.12 klaagt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden voor zover het in rov. 2.9 van het derde tussenarrest heeft geoordeeld dat het niet vergoeden van lijmrestverwijderaar als huidbeschermend middel door VGZ c.s. (op basis van het argument dat het bewijs voor de effectiviteit van deze behandeling van onvoldoende niveau zou zijn) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof heeft dit niet geoordeeld, zodat de klacht feitelijke grondslag mist.
5.67
Volgens subonderdeel 2.13 zou het oordeel in rov. 2.9 van het derde tussenarrest zou onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn omdat het hof niet verduidelijkt welke omstandigheden het op het oog heeft. De in rov. 2.8 vermelde omstandigheden kunnen dat oordeel niet dragen. De door het hof vermelde feiten en omstandigheden zijn immers enkel een consequentie van de (toepassing van de) wettelijke regeling met betrekking tot de vergoedbaarheid van genees- en hulpmiddelen (art. 2.1 Bzv), terwijl stomapatiënten niet gedwongen terugvallen op het gebruik van een lauwwarm washandje, maar steeds gebruik kunnen blijven maken van lijmrestverwijderaars als niet vergoedbaar schoonmaakmiddel.
5.68
Deze klachten vormen een herhaling van zetten. Het argument dat stomapatiënten de lijmrestverwijderaars altijd nog zelf kunnen betalen, kwam reeds aan bod bij de bespreking van subonderdeel 2.8. Verder draagt hetgeen in rov. 2.8 is overwogen, tezamen met rov. 2.10, het oordeel in rov. 2.9 dat in deze zaak niet aanvaardbaar is dat VGZ c.s. de lijmrestverwijderaar als huidbeschermend middel bij de verwijdering van de stomaplak van de gevoelige huid niet meer ziet als onderdeel van de te verzekeren prestatie op basis van het argument dat het bewijs voor de effectiviteit van deze behandeling van onvoldoende niveau zou zijn. Ik verwijs kortheidshalve naar de bespreking van de voorgaande subonderdelen. De kern van het oordeel is – samengevat – gelegen in het feit dat geen standaard of gebruikelijke behandeling kan worden vastgesteld (daarover laten VGZ c.s. en het ZiN onduidelijkheid bestaan), terwijl van de zijde van MediReva bewijs van voldoende niveau voor handen is dat de bestaande behandeling met de lijmrestverwijderaar effectief is én hier weinig tot niets tegenover is gesteld door VGZ c.s.
5.69
In het proces-verbaal van de comparitie van 20 november 2020 komt de achtergrond van de beslissing in rov. 2.8-2.10 tot uiting (p. 9 onderaan, overlopend in p. 10):
“Lid van het hof:
In de normale situatie maken patiënten gebruik van een lauw washandje. De vraag is wat er geldt voor de kwetsbare groep. Daar zeggen richtlijnen niets over en jullie [bedoeld is VGZ c.s., A-G] ook niet. In de memorie van antwoord gaat het over relatieve effectiviteit. Het moet een meerwaarde hebben. Al 42 jaar is sprake van een bepaalde aanpak. […]
[…]
Lid van het hof:
[…] Er is een bepaalde groep stomapatiënten met een kwetsbare huid. Ik heb in het dossier geen alternatief gezien. U zegt opeens na tientallen jaren te hebben vergoed dat het niet conform de stand van de wetenschap en de praktijk is en u vergoedt niet meer. Dan moet er toch iets anders zijn? Anders laat je patiënten in de kou zitten. Vandaar de vraag naar relatieve effectiviteit. Er moet wel iets zijn om terug te vallen als je een bepaalde behandeling wil vergoeden.”
5.70
Subonderdeel 2.14 bevat de klacht dat het bewijswaarderingsoordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd. Het hof neemt in rov. 2.11 van het derde tussenarrest de beoordeling van de rechtbank in rov. 2.22 t/m 2.27 van het tweede tussenvonnis over. Het gaat in dat verband niet (kenbaar) in op de in hoger beroep door VGZ c.s. aangevoerde essentiële stellingen ter onderbouwing van hun betoog dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het gebruik van lijmrestverwijderaars conform de stand van de wetenschap en praktijk is, omdat die conclusie niet uit het door de rechtbank gebezigde bewijs kan worden getrokken. De negentien stellingen waarop volgens VGZ c.s. niet op is gerespondeerd, zijn vervolgens opgesomd. VGZ c.s. stelt dan dat hiermee niet inzichtelijk is om welke redenen de bewijswaardering van de rechtbank wél tot het oordeel kon leiden dat gebruik van lijmrestverwijderaars conform de stand van de wetenschap en praktijk is.
5.71
In subonderdeel 2.15 voegen VGZ c.s. hieraan toe dat voor zover het hof op de in subonderdeel 2.14 bedoelde stellingen heeft willen reageren met de overige overwegingen in rov. 2.11 van het derde tussenarrest (dus niet de verwijzing naar het oordeel van de rechtbank), dat evenzeer onvoldoende gemotiveerd is geschied. Het vormt geen voldoende respons op het betoog van VGZ c.s. dat de rechtbank, aan de hand van de door haar gebezigde bewijsmiddelen, ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het gebruik van lijmrestverwijderaars conform de stand van de wetenschap en praktijk is, omdat die conclusie daaruit niet kan worden getrokken.
5.72
Ook deze klachten kunnen niet slagen.
5.73
Ten eerste herhaal ik dat geen belang bij klachten tegen rov. 2.11 bestaat zolang rov. 2.8 t/m 2.10 overeind blijven.
5.74
Ten tweede komen de klachten erop neer dat VGZ c.s. het niet eens is met het oordeel van het hof. Met de enumeratie van stellingen proberen VGZ c.s. het debat te heropenen, maar daarmee miskennen VGZ c.s. dat cassatieberoep geen feitelijke instantie is. Een klacht in de vorm van: ‘het oordeel van het hof dat …. , is onvoldoende gemotiveerd gezien de stellingen van eiser dat …’ voldoet niet.34.De enkele ongemotiveerde toevoeging dat de stellingen essentieel zouden zijn, verhelpt dit probleem niet. Als dat niet vanzelf spreekt, zoals in dit geval, moet worden uitgelegd waarom een stelling essentieel is. Ik herinner in dit verband eraan dat de rechter niet op alle stellingen en argumenten hoeft in te gaan. Verwerping (of honorering) van stellingen kan groepsgewijs en impliciet plaatsvinden, mits die beoordeling voldoende begrijpelijk is.35.
5.75
Ten derde heeft het hof wel degelijk, en voldoende gemotiveerd, gerespondeerd op de door VGZ c.s. opgesomde stellingen. Het overweegt in rov. 2.11 dat het niet deelt de argumenten van VGZ c.s. dat het door MediReva gepresenteerde bewijsmateriaal van onvoldoende niveau is om de effectiviteit van het gebruik van de lijmrestverwijderaar bij het verwijderen van de stomaplak van de gevoelige huid aan te tonen. De in samenhang te lezen redenen daarvoor zijn als volgt:
- het hof zoekt aansluiting bij de opmerking van het ZiN dat het hier gaat om praktische zaken die vaak niet beschreven staan in richtlijnen en protocollen;
- daarom kan het bewijs van de effectiviteit van de inzet van lijmrestverwijderaar worden aangetoond aan de hand van ervaringen uit de dagelijkse praktijk die bij voorkeur worden verzameld en besproken in artikelen of, zoals in deze procedure, worden toegelicht aan de hand van verklaringen van personen die met dit behandelingsonderdeel ervaring hebben.
- VGZ c.s. heeft de kans gehad om in contra-enquête getuigen te laten horen die de visie van MediReva niet delen. Zij heeft daarvan afgezien. Er is daarom geen bewijsmateriaal dat de stellingen van MediReva tegenspreekt.
Hieruit volgt dat het verweer van VGZ c.s. onder ogen is gezien en ook zijn de gronden voor verwerping opgenomen in het arrest. Dat is voldoende.
5.76
Ten slotte wijs ik op de laatste zin van rov. 2.11. Het hof oordeelt dat VGZ c.s. te weinig hebben aangevoerd tegen hetgeen MediReva te berde heeft gebracht. Dát oordeel wordt niet kenbaar bestreden door VGZ c.s.
Tussenconclusie
5.77
De klachten in het tweede onderdeel slagen niet.
Slotsom
5.78
Nu alle klachten falen dient het beroep te worden verworpen.
6. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑11‑2024
De feiten zijn gebaseerd op rov. 3.2 t/m 3.14 van het eerste tussenarrest: Hof Arnhem-Leeuwarden 16 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10593. Uit rov. 3.1 van dit arrest volgt dat het feitenrelaas door het hof is overgenomen van rov. 2.1 t/m 2.13 van het eerste tussenvonnis: Rb. Gelderland 6 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6861.
Zie het eerste tussenvonnis van de rechtbank, rov. 2.7. Rb. Gelderland 6 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6861, GJ 2019/50, m.nt. M.F. van der Mersch (onder GJ 2019/51).
Zie de vindplaats in de vorige voetnoot.
Rb. Gelderland 31 oktober 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5605, GJ 2019/51, m.nt. M.F. van der Mersch.
Hof Arnhem-Leeuwarden 16 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10593.
In de randnummering is een foutje geslopen. Rechtsoverwegingen 5.11 en 5.12 komen twee keer voor.
Hof Arnhem-Leeuwarden 2 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6787.
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6858, GJ 2023/118.
HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, NJ 2023/63, m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2022/22, m.nt. P.A. Fruytier, JIN 2022/9, m.nt. M.A.J.G. Janssen.
HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:57, NJ 2024/42, JBPr 2024/23, m.nt. P.A. Fruytier (onder JBPr 2024/24), JIN 2024/31, m.nt. M.A.J.G. Janssen (Sonos/Google), rov. 3.1 (vierde alinea).
Vgl. HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83, NJ 2022/51, JBPr 2022/34, m.nt. P.A. Fruytier (Capgemini/X), rov. 3.1: “[…] Het hof heeft aan partijen een afschrift van een op 22 december 2020 gedateerd arrest verstrekt, inhoudend dat verlof wordt verleend, terwijl op de rol van die datum is aangetekend dat geen arrest is uitgesproken […]. Aldus heeft onduidelijkheid kunnen ontstaan over de vraag of het verlof is verleend. De rechtszekerheid eist dan dat ervan moet worden uitgegaan dat het verlof is verleend. Om dezelfde redenen kon het hof niet later een beslissing nemen die anders luidde dan in dat afschrift was vermeld.”
M.F. van der Mersch, in: J. Legemaate (red.), Handboek gezondheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2024, par. 10.6.2 (p. 754).
M.F. van der Mersch, in: J. Legemaate (red.), Handboek gezondheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2024, par. 10.6.3 (p. 757).
M.F. van der Mersch, in: J. Legemaate (red.), Handboek gezondheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2024, par. 10.6.2 (p. 756).
Zie schriftelijke toelichting, nr. 17 e.v.
Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 juli 2010, nr. Z/VU-3013503, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met wijzigingen met betrekking tot de zorgverzekering en houdende wijziging van de Regeling subsidies AWBZ, Stcrt. 2010, 11513, p. 6-8.
Illustratief is de uitleg die de directeur van MediReva bij de comparitie van partijen van 20 november 2020 heeft gegeven. Zie het proces-verbaal, p. 5-6. De advocaat van VGZ heeft daarop gereageerd.
HR 27 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:95, NJ 2023/122, m.nt. J. Legemaate, GJ 2023/29, m.nt. T.A.M. van den Ende & J.I. Eijpe (Van Brink q.q.(Ciran/DWS c.s.) en HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, NJ 2019/80, m.nt. J. Legemaate, GJ 2018/100, m.nt. M.F. van der Mersch (Menzis c.s./X);
Zie de arresten genoemd in de vorige voetnoot en HR 11 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1416 (Zilveren Kruis/Gezamenlijke erfgenamen), rov. 3.1.3.
G. de Groot, Civiel deskundigenbewijs, Den Haag: Sdu Uitgevers 2019, p. 95 onder verwijzing naar HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC7956, NJ 1983, 666 (X/Dassen q.q. en Troost q.q.).
HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1611, NJ 1997/175, m.nt. C.J.H. Brunner (patiënt onder narcose valt uit bed), rov. 2.3.4.
G. de Groot, Civiel deskundigenbewijs, Den Haag: Sdu Uitgevers 2019, p. 97 onder verwijzing naar HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478, NJ 2004/74, JBPr 2004/29, m.nt. R. Schellaars.
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, NJ 2019/80, m.nt. J. Legemaate, GJ 2018/100, m.nt. M.F. van der Mersch (Menzis c.s./X).
Zie HR 11 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1416 (Zilveren Kruis/Gezamenlijke erfgenamen), rov. 3.1.2.
Zie bijv. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 18 mei 2021 ECLI:NL:GHSHE:2021:1448. Naar die uitspraak wordt verwezen in Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9382 (Regenboog Apotheek/Zilveren Kruis). In het tegen die uitspraak ingestelde cassatieberoep van Zilveren Kruis werd recent arrest gewezen (HR 22 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1720). De Hoge Raad gaat bij de bespreking van het middel niet in op het SWP-criterium. Die zaak ging over farmaceutische zorg en over de vraag of het geneesmiddel in kwestie (een apotheekbereiding voor de behandeling van ADHD) kon worden aangemerkt als ‘rationele farmacotherapie’. In zijn conclusie vóór dit arrest merkt A-G Snijders op dat het SWP-criterium erop neerkomt dat de betrokken zorg door de medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk moet zijn bevonden (ECLI:NL:PHR:2024:37, nr. 3.15).
Zie laatstelijk Zorginstituut Nederland, ‘Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk’, april 2023, te vinden op: https://www.zorginstituutnederland.nl/publicaties/publicatie/2023/04/11/beoordeling-swp-2023
Zie ook de in voetnoot 26 genoemde conclusie van A-G Snijders, voetnoot 17, waarnaar VGZ c.s. verwijzen in voetnoot 60 van hun schriftelijke toelichting.
HR 8 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX3171, NJ 2006/493 (vakantiehuizen).
Zorginstituut Nederland, ‘Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk’ (april 2023), p. 16, 18 en 19.
In beginsel is een partij gehouden toe te lichten waarom een stelling essentieel zou zijn: A.E.B. ter Heide, ‘Middelmaat: aan een cassatiemiddel te stellen eisen’, TCR 2001/4, p. 79 (onder 6).
De uitzondering is de onder iv), laatste zin, vermelde stelling dat het doen van onderzoek ook zonder financiering feitelijk mogelijk is. Dat is echter een standpunt waarmee VGZ c.s. voortbouwen, althans aansluiten, op hetzelfde hoofdstuk V van de memorie van grieven waarin onder 134 ook wordt ingegaan op het argument dat bij gebrek aan funding niet in alle gevallen onderzoek kan plaatsvinden.
Ook in de schriftelijke toelichting nr. 49(c) worden deze subonderdelen tezamen in drie volzinnen toegelicht.
A.E.B. ter Heide, ‘Het cassatiemiddel in burgerlijke zaken’, in: WB der Nederlanden. 25 jaar wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 199.
B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/116.
Beroepschrift 25‑04‑2024
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
Eiseressen,
- 1.
de coöperatie COÖPERATIE VGZ U.A.;
- 2.
de naamloze vennootschap VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.;
- 3.
de naamloze vennootschap IZZ ZORGVERZEKERAAR N.V.;
- 4.
de naamloze vennootschap IZA ZORGVERZEKERAAR N.V.;
- 5.
de naamloze vennootschap N.V. ZORGVERZEKERAAR UMC;
- 6.
de naamloze vennootschap N.V. VGZ CARES; en
- 7.
de naamloze vennootschap N.V. UNIVÉ ZORG;
alle gevestigd te Arnhem, in deze cassatieprocedure vertegenwoordigd door en woonplaats kiezende ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr. P.A. Fruytier (BarentsKrans Coöperatief U.A.), kantoorhoudende te (2514 EA) Den Haag aan het Lange Voorhout 3, die door hen is aangewezen om hen in deze cassatieprocedure te vertegenwoordigen en als zodanig deze procesinleiding ondertekent en indient, hierna gezamenlijk (in enkelvoud): VGZ,
stelt — op basis van het daartoe op 28 november 2023 verleende verlof1. — (tussentijds) cassatieberoep in tegen de door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Afdeling civiel, onder zaaknummer 200.252.255 gewezen arresten van 16 november 2021 (Tussenarrest I), 2 augustus 2022 (Tussenarrest II) en 15 augustus 2023 (Tussenarrest III).
Verweerster is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MEDIREVA B.V., gevestigd te Maastricht, in deze zaak in de vorige instantie laatstelijk woonplaats gekozen hebbende ten kantore van haar advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer (Mevrouw mr I.M.C.A. Reinders Folmer B.V.), kantoorhoudende te (1071 CN) Amsterdam aan de Jan Luijkenstraat 20H, hierna: MediReva.
Verweerster kan in deze cassatieprocedure ten laatste verschijnen op donderdag 25 april 2024.
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10:00 uur. De behandeling vindt plaats in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
VGZ voert tegen de aangevallen arresten aan het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het hof heeft overwogen en beslist als is vervat in de ten deze bestreden arresten, zulks ten onrechte om één of meer van de navolgende, mede in onderlinge samenhang te lezen redenen:
I. Inleiding
1
MediReva is een groothandel in farmaceutische producten, medische zorgartikelen en verpleegartikelen.2. Op 28 oktober 2010 heeft zorgverzekeraar VGZ met MediReva een (zorg)overeenkomst gesloten (de Overeenkomst 2011–2014).3. Op 22 september 2014 is deze (zorg)overeenkomst vervangen door een nieuwe (zorg)overeenkomst (de Overeenkomst 2015–2016).4. Op basis van deze overeenkomsten zou MediReva stomamateriaal leveren aan verzekerden van VGZ die daarop aanspraak maken. Indien aan de voorwaarden van de tussen VGZ en MediReva gesloten overeenkomst, alsmede aan de wettelijke voorwaarden zou zijn voldaan, zou VGZ vervolgens overgaan tot vergoeding van dit stomamateriaal aan MediReva.5.
2
Tussen 2013 en 2015 heeft MediReva aan (ongeveer) 1/4e deel van de bij VGZ verzekerde stomapatiënten in haar bestand lijmrestverwijderaars verstrekt.6. Dat deed zij zowel in de vorm van removerdoekjes als in de vorm van een removerspray.7. In totaal heeft MediReva in dit verband een bedrag van EUR 201.354,32 bij VGZ gedeclareerd, welk bedrag VGZ ook aan MediReva heeft betaald.8.
3
Op grond van de Overeenkomst 2011–2014 en de Overeenkomst 2015–2016 komt door MediReva geleverd stomamateriaal enkel voor vergoeding in aanmerking indien aan de wettelijke voorwaarden daarvoor is voldaan.9. Het betreffende stomamateriaal dient daarmee in ieder geval op grond van de Regeling zorgverzekering (Rzv) vergoedbaar te zijn. Ten aanzien van de vergoeding van hulpmiddelen, zoals lijmrestverwijderaars, bepaalt artikel 2.11 Rzv het volgende:
- ‘1.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel d, omvatten uitwendige hulpmiddelen met al dan niet inwendige onderdelen te gebruiken bij stoornissen in de functies gerelateerd aan urinelozing en defecatie (…)
- 3.
De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat niet:
- a.
schoonmaakmiddelen en geurmiddelen;
- b.
huidbeschermende middelen anders dan bij stomapatiënten, voor zover deze niet vallen onder de te verzekeren prestatie farmaceutische zorg (…).’
4
Naar aanleiding van een door VGZ uitgevoerde analyse van verwerkte declaraties met betrekking tot schoonmaakmiddelen hebben VGZ en MediReva gecorrespondeerd over de door MediReva bij VGZ gedeclareerde lijmrestverwijderaars en de vraag of deze lijmrestverwijderaars onder de Rzv, de Overeenkomst 2011–2014 en de Overeenkomst 2015–2016 voor vergoeding in aanmerking komen.10.
5
In dit verband heeft MediReva aan VGZ uiteengezet dat de gedeclareerde lijmrestverwijderaars in deze concrete situatie niet als schoonmaakmiddel zijn gebruikt, maar op medische indicatie als huidbeschermend middel zijn verstrekt om stomamateriaal, in het bijzonder de stomaplak, te kunnen verwijderen zonder daarbij de huid te beschadigen.11. In reactie hierop heeft VGZ toegelicht dat lijmrestverwijderaars bedoeld zijn en worden gebruikt om de huid rondom de stoma schoon te maken. Schoonmaakmiddelen komen onder artikel 2.11 lid 3 onder a Rzv, de Overeenkomst 2011–2014 en de Overeenkomst 2015–2016 niet voor vergoeding in aanmerking. De wet-en regelgeving laten volgens VGZ ook geen ruimte om, afhankelijk van de medische situatie, onderscheid te maken tussen het gebruik van een product (in dit geval: een lijmrestverwijderaar) als schoonmaakmiddel of als huidbeschermend middel.12. Om die redenen komen de door MediReva gedeclareerde lijmrestverwijderaars volgens VGZ niet voor vergoeding in aanmerking. VGZ is vervolgens, na aankondiging daarvan, overgegaan tot verrekening van het aan MediReva uitbetaalde bedrag van EUR 201.354,32 met andere declaraties van MediReva.13.
6
In de onderhavige procedure vordert MediReva, onder meer, een verklaring voor recht dat lijmrestverwijderaars die als huidbeschermend middel worden gebruikt bij verzekerden met een stoma die daarvoor een medische indicatie hebben, op grond van de huidige wet- en regelgeving door een zorgverzekeraar vergoed dienen te worden. Ook wenst MediReva dat VGZ wordt veroordeeld om het in dit verband door MediReva gedeclareerde bedrag van EUR 201.354,32 aan MediReva terug te betalen.14. VGZ heeft in reconventie, onder meer, een (tegenovergestelde) verklaring voor recht gevorderd dat lijmrestverwijderaars, nu het schoonmaakmiddelen betreffen, niet onder het verzekerde pakket vallen, óók niet als deze worden ingezet ter bescherming van de huid.15.
7
Na bewijslevering heeft de rechtbank bij tussenvonnissen geoordeeld dat (i) lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van stomamateriaal bij stomapatiënten met een gevoelige huid binnen de reikwijdte van de wettelijke omschrijving van de hulpmiddelenzorg vallen (artikel 2.1 lid 1 van het Besluit zorgverzekering (Bzv)) en (ii) het gebruik van zodanige lijmrestverwijderaars met dit doel volgens de stand van de wetenschap en praktijk is (artikel 2.1 lid 2 Bzv). De rechtbank heeft nog niet geoordeeld over de vraag of (iii) de betreffende verzekerden redelijkerwijs op de lijmrestverwijderaars zijn aangewezen (artikel 2.1 lid 3 Bzv). Van haar tussenvonnissen heeft de rechtbank tussentijds hoger beroep opengesteld.16.
8
VGZ heeft tussentijds hoger beroep ingesteld.17. Het hof heeft allereerst geoordeeld dat het niet aan het hof is om ingewikkelde medisch-wetenschappelijke beoordelingen uit te voeren.18. Om die reden heeft het hof een deskundigenbericht gelast.19. Na uitlating door partijen heeft het hof het Zorginstituut Nederland (het ZiN) als deskundige benoemd en het ZiN verzocht een zestal vragen te beantwoorden die in het bijzonder verband houden met de vragen (i) of lijmrestverwijderaars als huidbeschermend middel in de zin van artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv kunnen kwalificeren en aldus voor vergoeding in aanmerking kunnen komen en (ii) of het gebruik van lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van stomamateriaal bij stomapatiënten met een gevoelige huid voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk.20. In zijn deskundigenbericht heeft het ZiN, anders dan de rechtbank, geconcludeerd dat lijmrestverwijderaars onder het regime van de Rzv enkel als schoonmaakmiddelen kunnen worden aangemerkt en aldus niet voor vergoeding in aanmerking komen, ook niet als de lijmrestverwijderaars in een concrete situatie voor andere doeleinden worden ingezet, zoals als huidbeschermend middel. De door het hof gestelde vragen die verband houden met de stand van de wetenschap en praktijk heeft het ZiN onbeantwoord gelaten.21. Aan die vervolgvragen wordt immers niet toegekomen indien lijmrestverwijderaars niet als huidbeschermend middel kunnen kwalificeren.
9
Het hof heeft de tussenvonnissen van de rechtbank desondanks bekrachtigd.22. In dit verband heeft het hof, in afwijking van het deskundigenbericht van het ZiN, (samengevat) geoordeeld dat (i) lijmrestverwijderaars weliswaar als schoonmaakmiddelen in de zin van artikel 2.11 lid 3 onder a Rzv kunnen kwalificeren, maar ook huidbeschermende middelen in de zin van artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv kunnen zijn, indien het gebruik van lijmrestverwijderaars bij stomapatiënten noodzakelijk is om de stomaplak te verwijderen zonder de gevoelige huid te beschadigen of om veel pijn bij deze patiënten te voorkomen (rov. 2.5 en 2.6 van Tussenarrest III) en (ii) het gebruik van lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van stomamateriaal bij stomapatiënten met een gevoelige huid voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk (rov. 2.7 t/m 2.15 van Tussenarrest III). Hierop heeft het hof de zaak ter verdere beoordeling terugverwezen naar de rechtbank.23. VGZ heeft op 28 november 2023 verlof verkregen voor het instellen van tussentijds cassatieberoep.24.
10
In deze cassatieprocedure stelt VGZ allereerst ‘s hofs oordeel omtrent de kwalificatie van lijmrestverwijderaars aan de orde. Het wettelijk stelsel ten aanzien van de vergoedbaarheid van genees- en hulpmiddelen is binair: een genees- of hulpmiddel valt ófwel in een door de Rzv aangewezen vergoedbare categorie, ófwel daarbuiten. Een genees- of hulpmiddel kan dus niet, afhankelijk van de concrete toepassing daarvan, in twee of meer categorieën vallen. Schoonmaakmiddelen, waartoe lijmrestverwijderaars behoren, komen op grond van artikel 2.11 lid 3 onder a Rzv als algemeen gebruikelijke middelen niet voor vergoeding in aanmerking. Ook het ZiN heeft dit geconcludeerd. Het oordeel van het hof dat lijmrestverwijderaars, hoewel deze in ieder geval als schoonmaakmiddelen kwalificeren, desondanks wél voor vergoeding in aanmerking kunnen komen indien deze onder omstandigheden kunnen helpen bij het beschermen van de huid, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. Middelonderdeel 1 is hieraan gewijd.
11
Ten tweede is het hof ten onrechte, dan wel op onbegrijpelijke wijze, tot het oordeel gekomen dat het gebruik van lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van stomamateriaal bij stomapatiënten met een gevoelige huid voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. Dat oordeel is in het bijzonder onbegrijpelijk, omdat het hof zelf tot uitgangspunt heeft genomen niet zonder deskundige voorlichting over deze vraag te kunnen oordelen en het ZiN de door het hof gestelde vragen hieromtrent niet heeft beantwoord. Daarmee verhoudt zich niet dat het hof die vragen vervolgens alsnog zonder enige deskundigenbijstand beantwoordt. Dat geldt temeer, omdat het hof het ZiN daaromtrent ook alsnog een deskundigenrapport had kunnen vragen. Hierop zien middelonderdelen 2.2 en 2.3.
12
In de derde plaats richt VGZ verschillende klachten tegen de door het hof gestelde eisen aan het bewijsniveau, en, in het verlengde daarvan, tegen de concrete bewijswaardering door het hof. In afwijking van de door het ZiN voorgeschreven — en door de Hoge Raad geaccordeerde — beoordelingsmethodiek van de vereiste stand van wetenschap en praktijk, heeft het hof namelijk ten onrechte genoegen genomen met een te lage kwaliteit van bewijs voor de effectiviteit en werkzaamheid van lijmrestverwijderaars in relatie tot de bescherming van gevoelige huid. Middelonderdelen 2.4 t/m 2.15 lichten deze aspecten nader uit.
II. Klachten
1. Kwalificatie van lijmrestverwijderaars: artikel 2.1 lid 1 Bzv en Artikel 2.11 Rzv
1.1
Het hof oordeelt in rov. 2.5 en 2.6 van Tussenarrest III (samengevat) dat lijmrestverwijderaars als voor vergoeding in aanmerking komend huidbeschermend middel in de zin van artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv kunnen kwalificeren indien het gebruik van lijmrestverwijderaars bij stomapatiënten noodzakelijk is om de stomaplak te verwijderen zonder de gevoelige huid te beschadigen of om veel pijn bij deze patiënten te voorkomen. Daaraan legt het hof — voor zover in cassatie relevant — de volgende overwegingen ten grondslag:
- (i)
Onderscheiden moet worden tussen het gebruik van een lijmrestverwijderaar om na het verwijderen van de plak de gezonde huid schoon te maken (een schoonmaakmiddel) en een lijmrestverwijderaar die noodzakelijk is om de plak te verwijderen zonder de gevoelige huid te beschadigen of om veel pijn bij de patiënt te voorkomen. In de laatste functie wordt de lijmrestverwijderaar functioneringsgericht ingezet als een huidbeschermend middel ten behoeve van stomapatiënten: het voorkomt dat de huid van stomapatiënten loslaat en dat de huid te veel pijn doet. Op deze manier gebruikt, valt de lijmrestverwijderaar op grond van artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv als hulpmiddel onder de te verzekeren prestatie (rov. 2.5 van Tussenarrest III);
- (ii)
Uit de toelichting (Staatscourant 2010/11513, p. 8) blijkt dat de daar opgenomen opsomming van huidbeschermende middelen (beschermfilm, -poeder, -pasta, crèmes en tissues) door het gebruik van het woord ‘zoals’ niet limitatief is. Een huidbeschermende lijmrestverwijderaar kan daarom niet uit het verzekerd pakket worden geweerd met het argument dat zij niet als zodanig is genoemd in de toelichting op artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv (rov. 2.5 van Tussenarrest III);
- (iii)
Het hof volgt VGZ dan ook niet dat huidbeschermende middelen beperkt zouden zijn tot middelen die de huid soepel en waterafstotend houden en het pH-niveau op peil houden of een beschermfilm over de huid creëren. Een dergelijke beperking blijkt niet uit de tekst en toelichting van artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv en verdraagt zich niet met het systeem van functioneringsgericht voorschrijven (rov. 2.5 van Tussenarrest III);
- (iv)
Op pagina 7 van de toelichting is opgemerkt dat noodzakelijke toebehoren tot het verzekerd pakket behoren. Omdat het gebruik van de lijmrestverwijderaar noodzakelijk is ter bescherming van de gevoelige huid, valt de lijmrestverwijderaar onder de categorie huidbeschermende middelen voor stomapatiënten die behoren tot de te verzekeren prestatie (rov. 2.5 van Tussenarrest III);
- (v)
Het hof volgt daarom niet de te beperkte uitleg van artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv die het ZiN voorstaat. Het hof stelt daarbij vast dat de beantwoording door het ZiN van de door het hof gestelde eerste vraag beperkt is door de kennelijk toegepaste herformulering, te weten dat lijmrestverwijderaars zijn bedoeld om kleefstoffen te verwijderen en naar het oordeel van het ZiN zijn aan te merken als schoonmaakmiddelen. Daarbij is niet kenbaar aandacht geschonken aan de toevoeging in de vraagstelling van het hof dat het betrof: ‘lijmrestverwijderaars die worden ingezet tijdens het verwijderen van de stomaplak om beschadigingen van de huid of pijnsensaties bij de patiënt te voorkomen’ (rov. 2.6 van Tussenarrest III);
- (vi)
De opmerking dat er geen ruimte is voor ‘een tussencategorie’, miskent dat dit niet de voorgelegde vraag betrof en dat het hier niet gaat om een ‘tussencategorie’, maar een categorie die naar het oordeel van het hof rechtstreeks onder de regeling valt (rov. 2.6 van Tussenarrest III);
- (vii)
Daarbij tekent het hof aan dat het ZiN in dit verband heeft aangegeven dat het bij nader inzien terugkomt van een in 2012 gegeven advies van zijn rechtsvoorganger, het CVZ, waarbij removerdoekjes die ook tot doel hadden de buikplak (van stomapatiënten) te verwijderen zonder de huid te beschadigen, destijds zijn aangemerkt als reinigingsgaasjes en daarmee kennelijk wel voor vergoeding in aanmerking konden komen (zie rov. 4.10 van het tussenvonnis van de rechtbank Gelderland van 6 december 2017 (Tussenvonnis I)). Tegen deze rechtsoverweging heeft VGZ geen voldoende concrete grief gericht. Grief 2 (gericht tegen rov. 4.6 t/m 4.11 van Tussenvonnis I) beperkt zich blijkens de toelichting waarnaar VGZ verwijst (paragraaf II van de memorie van grieven) tot andere onderwerpen dan hier aan de orde. Ook MediReva heeft de grief kennelijk als zodanig beperkt opgevat (memorie van antwoord, onder 40 t/m 42) (rov. 2.6 van Tussenarrest III);
- (viii)
Het staat het ZiN op zichzelf vrij van een eerder ingenomen standpunt terug te komen, maar dan had wel een (adequate en overtuigende) motivering voor de hand gelegen die hier ontbreekt. Het hof gaat ook daarom aan de beantwoording door het ZiN van de eerste vraag voorbij. Het hof is het voorts eens met hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rov. 4.9 t/m 4.11 van Tussenvonnis I (rov. 2.6 van Tussenarrest III). De rechtbank overwoog op die plaats:
- (a)
Nu het gaat om een functiegerichte omschrijving, is de rechtbank van oordeel dat onderscheid kan worden gemaakt naar het doel waarvoor de lijmrestverwijderaars worden gebruikt. Dat maakt dat de lijmrestverwijderaars, die veelal in de vorm van removerdoekjes (in bijlage 1 bij Overeenkomst 2015–2016, waarin de maximale vergoedingen voor stomamaterialen zijn vermeld, wordt ook wel gesproken over ‘geïmpregneerde tissues’) en reinigingsdoekjes (en ook in vorm van sprays) beschikbaar zijn, niet in alle gevallen kunnen worden gekwalificeerd als schoonmaakmiddelen (rov. 4.9 van Tussenvonnis I);
- (b)
Indien zij worden gebruikt in het kader van de persoonlijke hygiëne, is zonder meer sprake van schoonmaakmiddelen die niet worden vergoed. Indien zij daarentegen zijn voorgeschreven met een ander(e) functie/doel, namelijk als hulpmiddel om de stomaplak op een verantwoorde manier te kunnen verwijderen/plaatsen, kunnen lijmrestverwijderaars niet als schoonmaakmiddelen worden aangemerkt (rov. 4.9 van Tussenvonnis I);
- (c)
In dit verband wordt ook nog verwezen naar een advies van het CVZ van 11 juni 2012 betreffende de vergoeding van removerdoekjes, welk advies was gevraagd door de Geschillencommissie Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen.25. In dit advies is overwogen dat reinigingsdoekjes, zoals removerdoekjes, niet zijn uitgesloten van de te verzekeren prestatie, maar dat in het betreffende geval onderzocht moest worden of goedkopere adequate alternatieven voorhanden waren. In dit advies is ook expliciet aangegeven dat removerdoekjes die de verzekerde (stomapatiënt) gebruikt, omdat deze een gevoelige huid heeft en hiervan — in tegenstelling tot alternatieven — geen huidproblemen krijgt, kunnen worden beschouwd als reinigingsgaasjes en daarmee onder de verzekerde prestatie kunnen vallen (rov. 4.10 van Tussenvonnis I);
- (d)
Het CVZ kwalificeert de removerdoekjes aldus als toebehoren (hulpmiddelen) vergelijkbaar met reinigingsdoekjes. Dat vervolgens is geadviseerd om nader onderzoek te verrichten kan zo zijn, maar dat maakt het voorgaande niet anders. Voor zover aan de orde was of het gebruik van de removerdoekjes medisch noodzakelijk was, is dit een vraag die hierna (bij de beantwoording van de vraag of de verzekerde naar inhoud en omvang redelijkerwijs op het middel is aangewezen) nog aan de orde zal komen (rov. 4.10 van Tussenvonnis I); en
- (e)
Vastgesteld kan dus worden dat lijmrestverwijderaars die (mede) worden gebruikt met het specifieke doel om de stomaplak op een verantwoorde manier te kunnen verwijderen/plaatsen, gekwalificeerd kunnen worden als hulpmiddelen zoals genoemd in artikel 2.11 lid 1 Rzv, die in beginsel voor vergoeding in aanmerking kunnen komen (rov. 4.11 van Tussenvonnis I).
1.2.
Voornoemd oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent dat een genees- of hulpmiddel niet, afhankelijk van de concrete toepassing daarvan in een specifieke situatie, (steeds weer) als ander (in de Rzv onderscheiden) type genees- of hulpmiddel kan kwalificeren en, aldus, (steeds weer) in een andere (in de Rzv onderscheiden) categorie genees- of hulpmiddelen kan vallen, om zodoende, afhankelijk van de betreffende situatie, nu eens wél voor vergoeding in aanmerking te komen en dan weer niet voor vergoeding in aanmerking te komen. Een lijmrestverwijderaar die kwalificeert als schoonmaakmiddel in de zin van artikel 2.11 lid 3 onder a Rzv kan daarom niet — afhankelijk van de concrete toepassing daarvan — (tegelijkertijd) kwalificeren als huidbeschermend middel in de zin van artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv. In ieder geval miskent het hof dat een lijmrestverwijderaar op grond van artikel 2.11 lid 3 onder a Rzv als schoonmaakmiddel kwalificeert en op grond van artikel 2.11 lid 3 onder a Rzv niet voor vergoeding in aanmerking komt en (om die reden) niet (ook) als huidbeschermend middel in de zin van artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv kan kwalificeren en/of op grond van artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv bij stomapatiënten voor vergoeding in aanmerking kan komen.
1.3.
’s Hofs oordeel is daarnaast onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat het ZiN in zijn deskundigenbericht op begrijpelijke gronden evenzeer tot de conclusie is gekomen dat een lijmrestverwijderaar op grond van artikel 2.11 lid 3 onder a Rzv als schoonmaakmiddel kwalificeert en op grond van artikel 2.11 lid 3 onder a Rzv niet voor vergoeding in aanmerking komt en (om die reden) niet (ook) als huidbeschermend middel in de zin van artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv kan kwalificeren en/of op grond van artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv bij stomapatiënten voor vergoeding in aanmerking kan komen. Aan die conclusie heeft het ZiN ten grondslag gelegd dat (i) het CVZ in het rapport Hulpmiddelenzorg 2010 heeft geadviseerd schoonmaakmiddelen niet op te nemen als onderdeel van de aanspraak, omdat het om algemeen gebruikelijke middelen gaat, en (ii) de minister het voorstel om schoonmaakmiddelen uit te sluiten heeft overgenomen, omdat die middelen ruim en tegen lage prijzen verkrijgbaar zijn en kunnen worden gerekend tot de persoonlijke hygiëne, zodat ‘een verzekerde (…) zelf [dient] te voorzien in de middelen voor het schoonmaken van de huid rond de stoma’.26. VGZ heeft zich hiermee verenigd.27. Het hof is in zijn oordeel, waarin het expliciet afwijkt van de inhoud van het deskundigenbericht van het ZiN, niet op deze argumenten ingegaan, zodat zonder nadere (ontbrekende) motivering niet valt in te zien om welke redenen een lijmrestverwijderaar, afhankelijk van de concrete toepassing daarvan in een specifieke situatie, (ook) als huidbeschermend middel voor vergoeding in aanmerking kan komen.
1.4.
Bovendien is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat het hof afwijkt van het deskundigenbericht van het ZiN met de motivering dat (i) het ZiN geen kenbare aandacht zou hebben geschonken aan de toevoeging in de vraagstelling van het hof dat het betrof: ‘lijmrestverwijderaars die worden ingezet tijdens het verwijderen van de stomaplak om beschadigingen van de huid of pijnsensaties bij de patiënt te voorkomen’ en (ii) het ZiN opmerkt dat er geen ruimte is voor ‘een tussencategorie’, terwijl dit niet de voorgelegde vraag betrof en dat het niet gaat om een ‘tussencategorie’, maar een categorie die naar het oordeel van het hof rechtstreeks onder de regeling valt. In zijn beantwoording van de door het hof gestelde vragen heeft het ZiN de onder (i) bedoelde toevoeging niet relevant geacht, omdat de concrete toepassing van een genees- of hulpmiddel in een specifieke situatie de kwalificatie daarvan op grond van de Rzv volgens het ZiN niet kan beïnvloeden en lijmrestverwijderaars bedoeld zijn om kleefstoffen te verwijderen, zodat deze zijn aan te merken als schoonmaakmiddelen,28. terwijl het ZiN met de onder (ii) bedoelde passage dat er geen ruimte is voor ‘een tussencategorie’ juist heeft verduidelijkt dat een genees-of hulpmiddel steeds in slechts één (in de Rzv onderscheiden) categorie genees- of hulpmiddel kan worden ingedeeld en een lijmrestverwijderaar, onder de Rzv, niet nu eens als schoonmaakmiddel en dan weer als huidbeschermend middel kan kwalificeren, in het bijzonder nu het ZiN in deze context spreekt van de inzet van een schoonmaakmiddel ‘om beschadiging van de huid/pijnsensaties te voorkomen’.29. Op deze wijze heeft het ZiN dus wel degelijk de door het hof gestelde vraag volledig beantwoord, zodat het hof de beantwoording daarvan door het ZiN niet met de gegeven motivering, zonder daarop inhoudelijk in te gaan, terzijde kon schuiven.
1.5.
Althans is ’s hofs oordeel onjuist, omdat het eraan voorbijziet dat enkel sprake is van een huidbeschermend middel zoals bedoeld in artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv wanneer het betreffende genees- of hulpmiddel is geproduceerd met het doel om te dienen als huidbeschermend middel. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat lijmrestverwijderaars zijn geproduceerd met het doel om te dienen als huidbeschermend middel, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet (kenbaar) vaststelt dat lijmrestverwijderaars zijn geproduceerd met het doel om te dienen als huidbeschermend middel, het hof in rov. 2.4 zelf vaststelt dat lijmrestverwijderaars tot gevolg hebben dat lijm oplost, het ZiN juist tot uitgangspunt heeft genomen dat lijmrestverwijderaars zijn bedoeld om kleefstoffen te verwijderen30. en VGZ dit evenzeer heeft gesteld.31.
1.6.
Bovendien miskent het hof dat artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv voor de kwalificatie van een genees- of hulpmiddel als huidbeschermend middel vereist dat het genees- of hulpmiddel een fysieke barrière op de huid aanbrengt en de huid beschermt tijdens het aftrekken van de kleeflaag. In ieder geval is 's hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet (kenbaar) toetst of een lijmrestverwijderaar een fysieke barrière op de huid aanbrengt en de huid beschermt tijdens het aftrekken van de kleeflaag en/of in zijn oordeel, waarin het expliciet afwijkt van de inhoud van het deskundigenbericht van het ZiN, niet (kenbaar) ingaat op het door het ZiN gevoerde argument dat huidbeschermende middelen een fysieke barrière op de huid aanbrengen en de huid beschermen tijdens het aftrekken van de kleeflaag, waardoor het huidvriendelijk schoonmaken van de huid rondom de stoma niet hetzelfde is als een huidbeschermend middel in de zin van de Rzv.32. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dan ook onbegrijpelijk om welke redenen een lijmrestverwijderaar bij gebruik bij stomapatiënten om de stomaplak te verwijderen zonder de gevoelige huid te beschadigen of om veel pijn bij deze patiënten te voorkomen desondanks wél als huidbeschermend middel voor vergoeding in aanmerking kan komen.
1.7.
Voor zover het hof met de overweging dat artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv door gebruik van het woord ‘zoals’ een niet-limitatief karakter heeft, tevens heeft willen responderen op het argument van het ZiN dat huidbeschermende middelen een fysieke barrière op de huid aanbrengen en de huid beschermen tijdens het aftrekken van de kleeflaag, waardoor het huidvriendelijk schoonmaken van de huid rondom de stoma niet hetzelfde is als een huidbeschermend middel in de zin van de Rzv (vgl. middelonderdeel 1.6), is zijn oordeel eveneens onvoldoende gemotiveerd. De (enkele) omstandigheid dat de wetgever geen limitatieve opsomming van huidbeschermende middelen heeft gegeven, neemt immers nog niet weg dat een lijmrestverwijderaar geen fysieke barrière op de huid aanbrengt en/of de huid beschermt tijdens het aftrekken van de kleeflaag, zodat een lijmrestverwijderaar niet als huidbeschermend middel in de zin van de Rzv kan kwalificeren.
1.8.
In dit verband heeft het hof ook miskend dat de rechter, gelet op de wettelijke taak van het ZiN, in beginsel dient uit te gaan van een door het ZiN ingenomen standpunt en de afwijking van een dergelijk standpunt deugdelijk dient te motiveren.33. Althans is 's hofs oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van hetgeen in middelonderdelen 1.3 t/m 1.7 naar voren is gebracht, omdat het hof niet, dan wel onvoldoende inhoudelijk is ingegaan op de door het ZiN in zijn deskundigenbericht genoemde argumenten voor zijn conclusie dat lijmrestverwijderaars (enkel) zijn aan te merken als schoonmaakmiddelen die op grond van artikel 2.11 lid 3 onder a Rzv niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
1.9.
Ten slotte is onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat het ZiN weliswaar kan terugkomen van het in 2012 door het CVZ ingenomen standpunt dat removerdoekjes, die ook tot doel hadden de buikplak (van stomapatiënten) te verwijderen zonder de huid te beschadigen, als reinigingsgaasjes kunnen worden aangemerkt en daarmee voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, maar daarvoor dan wel een (adequate en overtuigende) motivering is vereist die in het deskundigenbericht van het ZiN ontbreekt. Die overweging kan niet op begrijpelijke wijze bijdragen aan het oordeel dat een lijmrestverwijderaar op grond van artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv als huidbeschermend middel voor vergoeding in aanmerking kan komen, omdat het in 2012 door het CVZ ingenomen standpunt (enkel) betrekking had op de vraag of een removerdoekje op één lijn kan worden gesteld met een reinigingsgaasje dat op grond van artikel 2.11 lid 1 Rzv voor vergoeding in aanmerking kan komen. Dat standpunt zegt dus niets over de vraag of een removerdoekje, dan wel een lijmrestverwijderaar in het algemeen, kan kwalificeren als huidbeschermend middel in de zin van artikel 2.11 lid 3 onder b Rzv, zodat het hof het — naar zijn oordeel: onvoldoende adequaat en overtuigend — terugkomen door het ZiN van het door het CVZ ingenomen standpunt niet op begrijpelijke wijze aan zijn oordeel ten grondslag kon leggen. Dat oordeel is temeer onbegrijpelijk, nu het CVZ reeds in haar standpunt in 2012 uitdrukkelijk heeft toegelicht dat ‘removerdoekjes niet vallen onder huidbeschermende middelen’,34. zodat het ZiN daarvan — te weten: de beantwoording van de centrale vraag in deze procedure — überhaupt niet is teruggekomen.
2. Stand van wetenschap en praktijk: artikel 2.1 lid 2 Bzv
2.1.
Het hof oordeelt in rov. 2.7 t/m 2.11 en 2.15 van Tussenarrest III — samengevat — dat het gebruik van lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van stomamateriaal bij stomapatiënten met een gevoelige huid voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. In dat verband overweegt het hof, voor zover in cassatie relevant, het volgende:
- (i)
De rechtbank heeft onderzocht of het gebruik van lijmrestverwijderaars bij stomapatiënten met een gevoelige huid voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk (artikel 2.1 lid 2 Bzv). Het hof neemt over en maakt tot het zijne wat de rechtbank hierover heeft opgemerkt in rov. 4.13 t/m 4.16 en 4.20 van Tussenvonnis I (rov. 2.7 van Tussenarrest III). De rechtbank heeft aldaar het volgende geoordeeld:
- (a)
Artikel 2.1 lid 2 Bzv bepaalt dat de inhoud en omvang van de vormen van zorg mede worden bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk en, bij het ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in het betrokken vakgebied als verantwoorde en adequate zorg geldt. Uit de nota van toelichting bij dat artikel volgt dat de tweede norm (‘verantwoorde en adequate zorg’) alleen geldt als de eerste norm (‘het voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk’) niet van toepassing is. Het is niet ter vrije keuze van MediReva aan welke norm wordt getoetst (rov. 4.13 van Tussenvonnis I);
- (b)
Uit de nota van toelichting blijkt verder dat de eerste norm toepassing vindt bij (onderdelen van) een geneeskundige behandeling. De tweede norm heeft, zo blijkt eveneens uit die nota van toelichting, enkel betrekking op zorgvormen (en diensten) die minder of geen wetenschappelijke status hebben of behoeven, waarbij als voorbeeld zittend ziekenvervoer en welzijnsgerelateerde hulpmiddelen (zijnde extramurale hulpmiddelen die de maatschappelijke participatie bevorderen, waaronder bijvoorbeeld hulpmiddelen voor de communicatie, zoals hoortoestellen) worden genoemd (rov. 4.13 van Tussenvonnis I);
- (c)
Deze hulpmiddelen worden niet ingezet als onderdeel van een geneeskundige behandeling, maar zijn bedoeld om gevolgen van de beperkingen of de participatieproblemen veroorzaakt door de stoornis te verminderen, zo volgt uit het rapport Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk van het ZiN van januari 2015, alsook uit het rapport Beoordelingskader hulpmiddelenzorg van het CVZ van 14 april 2008. Het hulpmiddel grijpt niet in op de stoornis, maar op de beperking of het participatieprobleem (rov. 4.13 van Tussenvonnis I);
- (d)
In het onderhavige geval gaat het evenwel om gezondheidsgerelateerde hulpmiddelen (waarover in laatstgenoemd rapport van het CVZ wordt gesproken), nu de lijmrestverwijderaars ingrijpen op stoornisniveau met als doel het verminderen van lichamelijke symptomen als gevolg van een stoornis. Daarom dient beoordeeld te worden of de lijmrestverwijderaars voldoen aan de eerste norm (rov. 4.13 van Tussenvonnis I);
- (e)
MediReva heeft daartoe de Evidence-based Richtlijn Stomazorg Nederland van november 2012 (met aanvullingen in 2015) overgelegd, alsook meerdere artikelen waaruit volgens haar de medische noodzaak en onderbouwing daarvan voor het gebruik van lijmrestverwijderaars in complexe situaties volgt. VGZ heeft aangevoerd dat haar geen publicaties bekend zijn waaruit blijkt dat wetenschappelijk onderzoek is gedaan naar de functie en meerwaarde van het gebruik van lijmrestverwijderaars als hulpmiddel of als huidbeschermend middel (rov. 4.14 van Tussenvonnis I);
- (f)
Uit het hiervoor genoemde rapport van het ZiN volgt dat het bij de stand van de wetenschap en praktijk gaat om de effectiviteit van de zorg, anders gezegd om de vraag of het behandelbeleid (diagnostiek, behandeling), gelet op de gunstige en de ongunstige gevolgen (bijwerkingen, veiligheid) ervan tot relevante (meer)waarde voor de patiënt leidt. Meer concreet gaat het om de relatieve effectiviteit van een interventie: in welke mate draagt de (nieuwe) interventie bij aan het met de interventie beoogde doel in vergelijking met datgene wat in de praktijk al aan zorg voor de betreffende aandoening wordt geboden. Ook moet in voldoende mate zijn aangetoond dat de interventie in de praktijk een klinisch relevant effect heeft op de gezondheid en/of het welbevinden van de patiënt. Effectiviteit omvat volgens het rapport (dus) meer dan werkzaamheid (rov. 4.15 van Tussenvonnis I);
- (g)
De werkzaamheid van lijmrestverwijderaars — het oplossen van lijm — is op zichzelf niet in geschil. De vraag is evenwel of het gebruik van lijmrestverwijderaars bij stomapatiënten die voldoen aan de indicaties als beschreven in het zorgprotocol van MediReva ook overigens effectief is. Anders gezegd of het gebruik van lijmrestverwijderaars bij deze specifieke groep stomapatiënten meerwaarde heeft. MediReva stelt zich op het standpunt dat dit zo is, terwijl deze groep patiënten volgens VGZ huidbeschermende crème kan gebruiken teneinde te voorkomen dat bij het verwijderen van de stomaplak de huid verder geïrriteerd raakt (rov. 4.16 van Tussenvonnis I);
- (h)
Het ZiN geeft in haar rapport Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk aan dat haar vaste werkwijze — ter beantwoording van de vraag of een interventie als effectief is te beschouwen — het volgen van de principes van evidence based medicine (EBM) is. Daarbij gaat het niet om de vraag of de zorg bij een individuele patiënt effectief is, maar of de zorg bij een bepaald indicatiegebied effectief is. Deze vraag moet, gezien de formulering in het Bzv, beantwoord worden aan de hand van de stand van de wetenschap en praktijk (rov. 4.20 van Tussenvonnis I);
- (i)
EBM combineert en verenigt beide elementen, wetenschap en praktijk, en daarmee dus de inzichten die voortkomen uit wetenschappelijk onderzoek met in de praktijk gevormde expertise en ervaring van zorgverleners en zorggebruikers. Het ZiN maakt hierbij gebruik van — indien voorhanden — bestaande (internationale) EBM-richtlijnen en sluit zich, indien mogelijk, hierbij aan (rov. 4.20 van Tussenvonnis I);
- (j)
Voorts worden in het rapport op pagina 25 diverse elementen van integrale beoordeling (zoals in de praktijk gevormde expertise en ervaringen van zorgverleners en zorggebruikers) vermeld die bij de beoordeling of een interventie als effectief is te beschouwen een rol (kunnen) spelen. In sommige situaties kan een positieve beslissing tot stand komen op grond van lagere evidence. Als uitgangspunt geldt dat er voor een positieve beslissing medisch-wetenschappelijke gegevens met een zo hoog mogelijke bewijskracht voorhanden moeten zijn, maar van dit vereiste kan beargumenteerd worden afgeweken. Het is dus aan MediReva om, indachtig het voorgaande, ter staving van haar standpunt nadere stukken aan te leveren (dan wel getuigen te doen horen) die voor de beoordeling van haar stelling relevant kunnen zijn (rov. 4.20 van Tussenvonnis I);
- (ii)
Het ZiN kan geen antwoord geven op de vraag of er een gouden standaard (standaardbehandeling of gebruikelijke behandeling) is bij het verwijderen van de stomaplak bij een gevoelige huid. Het ZiN ziet dat het gebruik van een washandje/gaasje met lauw water om de stomaplak te verwijderen wel wordt genoemd in informatie over patiëntenzorg. Het ZiN deelt deze kwestie in bij de groep praktische zaken, die vaak niet staan beschreven in richtlijnen en protocollen (antwoord op vraag 5) (rov. 2.8 van Tussenarrest III);
- (iii)
Dit betekent dat als het standpunt van VGZ en het ZiN wordt gevolgd, stomapatiënten met een gevoelige huid die tot 2013 gebruik maakten van een lijmrestverwijderaar waarvan in de praktijk is gebleken dat deze effectief is en gezondheidswinst oplevert en waarvan de effectiviteit wordt ondersteund door publicaties en door schriftelijke en getuigenverklaringen in deze procedure, vanaf 2013 moeten terugvallen op een methode (het lauwwarme washandje) waarover in het geheel niet bekend is of deze effectief is, terwijl evenmin bekend is of het lauwwarme washandje de standaard- of gebruikelijke behandeling is en, zo nee, welke behandeling dat dan wel is. Dat zou volgens het ZiN immers een praktische zaak zijn die niet in protocollen en richtlijnen is opgenomen (rov. 2.8 van Tussenarrest III);
- (iv)
Dit onderwerp is tijdens de mondelinge behandeling op 20 november 2020 aan de orde geweest (p. 9 van het proces-verbaal). Ook VGZ kon toen niet aangeven op welk medisch gezag zij verdedigde dat een lauwwarm washandje even effectief was als de lijmrestverwijderaar of tenminste effectief genoeg om als standaardbehandeling te kunnen worden beschouwd. De rechtbank heeft op overtuigende manier gemotiveerd dat gebruik van poeders, pasta's en films voor het verwijderen van de stomaplak van de gevoelige huid niet kan gelden als de standaardbehandeling (rov. 2.14 en 2.15 van het tussenvonnis van de rechtbank Gelderland van 31 oktober 2018 (Tussenvonnis II), waartegen niet is gegriefd) (rov. 2.8 van Tussenarrest III). In die overwegingen heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:
- (a)
De getuigen [getuige 1] (stomaverpleegkundige), [getuige 2] (gespecialiseerd verpleegkundige stomazorg), [getuige 3] (dermatoloog) en [getuige 4] (dermatoloog) hebben allen verklaard dat een poeder, pasta of film geen alternatief is voor het gebruik van een lijmrestverwijderaar/lijmoplosmiddel als hulpmiddel om de stomaplak van de huid te verwijderen (rov. 2.14 van Tussenvonnis II);
- (b)
Zo heeft [getuige 1] verklaard dat een pasta niet bedoeld is om onder de huidplaat te leggen en een poeder enkel wordt gebruikt als de huid open is en nooit als vervanger van een lijmrestverwijderaar kan worden gebruikt voor het gemakkelijker verwijderen van de huidplaat. Na het gebruik van een poeder plakt de huidplaat niet meer. Een film kan niet worden gebruikt als de huid kapot is. Een poeder, pasta of film lost het probleem dat ontstaat door het verwijderen van het materiaal van de huid niet op (rov. 2.14 van Tussenvonnis II);
- (c)
Volgens [getuige 3] zijn pasta's niet meer van deze tijd en zijn poeders potentieel gevaarlijk. [getuige 4] heeft in dat verband nog verklaard dat een pasta, poeder of film niet volstaat voor het verwijderen van de stomaplak, dat je deze middelen niet tussen de stomaplak en de huid krijgt, zodat de plakfunctie niet doorbroken kan worden en dat de middelen vetten bevatten waardoor een nieuwe stomaplak moeilijker zal blijven plakken (rov. 2.14 van Tussenvonnis II);
- (d)
Tot slot heeft [getuige 2] verklaard dat pasta een opvulmateriaal is wat je gebruikt om huidplooien op te vullen. Omdat er vaak alcohol in zit moet men daar voorzichtig mee zijn. Een poeder wordt gebruikt op de open huid en zorgt ervoor dat vocht wordt opgenomen van een vochtige huid waardoor de stomaplak beter plakt. Het wordt dus niet gebruikt voor het verwijderen van de plak. Een film gebruikt getuige [getuige 2] niet. Dat werkt volgens haar niet voor het verwijderen van de stomaplak. Daarnaast werken sommige films de plakkracht tegen waardoor de stomaplak juist minder goed geplakt kan worden (rov. 2.14 van Tussenvonnis II);
- (e)
Aangezien andersluidende verklaringen of inzichten ontbreken, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat huidbeschermende middelen (door getuige [getuige 3] aangeduid als moisturizers) zorgen voor bescherming van de huid in het algemeen. Zij zijn geen alternatief voor het verbreken van de cohesie tussen de stomaplak en de huid (rov. 2.15 van Tussenvonnis II);
- (v)
Onder deze omstandigheden is het niet aanvaardbaar dat VGZ de lijmrestverwijderaar als huidbeschermend middel bij de verwijdering van de stomaplak van de gevoelige huid niet meer ziet als onderdeel van de te verzekeren prestatie op basis van het argument dat het bewijs voor de effectiviteit van deze behandeling van onvoldoende niveau zou zijn. Ook al is het op de medische wetenschap en praktijk gebaseerde bewijs mogelijk niet van hoog niveau, het is in ieder geval bepaald overtuigender dan de in feite niet uitgewerkte stelling dat een lauwwarm washandje ook wel voldoet. Al hetgeen VGZ heeft aangevoerd in hoofdstuk IV van haar memorie van grieven loopt daarop vast (rov. 2.9 van Tussenarrest III);
- (vi)
Hiermee onderscheidt deze zaak zich van de geschillen over de omvang van het verzekerd pakket die doorgaans aan de rechter worden voorgelegd. Die gaan immers veelal over de vraag of er zodanig overtuigend medischwetenschappelijk bewijs is voor de effectiviteit van een innovatieve of experimentele behandeling naast de standaardbehandeling om deze ook tot de te verzekeren prestatie toe te laten. Wil de rechter in dergelijke zaken afwijken van het advies van het ZiN, dan heeft hij een verhoogde motiveringsplicht (rov. 2.10 van Tussenarrest III);
- (vii)
In dit geval laten VGZ en het ZiN er onduidelijkheid over bestaan wat de standaardbehandeling is en is er geen medisch-wetenschappelijk bewijs voorhanden over de effectiviteit van de door VGZ voorgestelde behandeling (het lauwwarme washandje). Dan brengt een logische uitleg van het wettelijk stelsel mee dat de bestaande, effectief gebleken behandeling (de lijmrestverwijderaar) niet van de te verzekeren prestatie mag worden uitgesloten op basis van de stelling dat het bewijs van onvoldoende hoog niveau zou zijn. Integendeel, er is alle aanleiding te concluderen dat de behandeling met een lijmrestverwijderaar de standaardbehandeling voor verwijdering van de stomaplak van een gevoelige huid is. Al hetgeen VGZ heeft opgemerkt in hoofdstuk V van haar memorie van grieven slaagt daarom niet (rov. 2.10 van Tussenarrest III);
- (viii)
Bovendien deelt het hof niet de argumenten van VGZ dat het door MediReva gepresenteerde bewijsmateriaal van onvoldoende niveau is om de effectiviteit van het gebruik van de lijmrestverwijderaar bij het verwijderen van de stomaplak van de gevoelige huid aan te tonen. Daarbij zoekt het hof aansluiting bij de opmerking van het ZiN dat het hier gaat om praktische zaken die vaak niet beschreven staan in richtlijnen en protocollen (rov. 2.11 van Tussenarrest III);
- (ix)
Het gaat om een eenvoudig, praktisch aspect van het geheel van behandelingsfacetten van patiënten met een stoma. Het bewijs van de effectiviteit van de inzet van lijmrestverwijderaar kan dan ook worden aangetoond aan de hand van ervaringen uit de dagelijkse praktijk die bij voorkeur worden verzameld en besproken in artikelen of, zoals in deze procedure, worden toegelicht aan de hand van schriftelijke en getuigenverklaringen van personen die met dit behandelingsonderdeel ervaring hebben. Het hof neemt al hetgeen de rechtbank daarover heeft beslist in rov. 2.22 t/m 2.27 van Tussenvonnis II over en maakt het tot het zijne, ook ten aanzien van de indicatiegebieden uit de lijst van MediReva (rov. 2.24). VGZ heeft de kans gehad om in contra-enquête getuigen te laten horen die de visie van MediReva niet delen. Zij heeft daarvan afgezien. Er is daarom geen bewijsmateriaal dat de stellingen van MediReva tegenspreekt (rov. 2.11 van Tussenarrest III). In rov. 2.22 t/m 2.27 van Tussenvonnis II heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:
- (a)
Hoewel in de Evidence-based Richtlijn Stomazorg Nederland van 6 november 2012 niet expliciet het gebruik van lijmrestverwijderaars bij stomapatiënten met een gevoelige huid is voorgeschreven, is daarin wel uitdrukkelijk opgenomen dat het aan de expertise van de stomaverpleegkundige is om samen met de stomadrager te beoordelen of met andere stomamaterialen, waaronder lijmoplossers (lees: lijmrestverwijderaars), of verzorgingswijze(n) minder frequente verzorging en daarmee lager materiaalgebruik bereikt kan worden (rov. 2.22 van Tussenvonnis II);
- (b)
Getuige [getuige 2] heeft in dat verband verklaard dat het van groot belang is de stomazorg zo simpel mogelijk te houden en om met zo min mogelijk hulpmiddelen het stoma te verzorgen. Zij geeft aan dat zij hiermee bedoelt dat er niets moet worden gebruikt wat geen noodzaak heeft. Anders gezegd: met zo min mogelijk hulpmiddelen dient goede zorg te worden verleend. Getuige [getuige 1] verklaart in dit verband nog dat zij en haar collega stomaverpleegkundige werkafspraken hebben over het voorschrijven van lijmrestverwijderaars (een zogenaamde practice-based werkmethode) (rov. 2.22 van Tussenvonnis II);
- (c)
Het voorgaande maakt dat het breed aanvaard is dat een stomaverpleegkundige lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van de stomaplak bij stomapatiënten met kort gezegd een gevoelige huid kan voorschrijven indien dat geïndiceerd is. Dit is ook in lijn met wat de andere getuigen hebben verklaard (rov. 2.22 van Tussenvonnis II);
- (d)
Niet in geschil is dat het gebruik van lijmrestverwijderaars om de stomaplak te verwijderen gezondheidswinst oplevert. Daarnaast hebben alle hiervoor genoemde getuigen, die verbonden zijn aan verschillende ziekenhuizen/instellingen, verklaard dat én waarom zij het gebruik van lijmrestverwijderaars bij wijze van remover als een werkzame en effectieve behandelmethode beschouwen bij stomapatiënten met een gevoelige huid en daarmee dat lijmrestverwijderaars een relevante (meer)waarde hebben voor de betreffende patiënten, hetgeen onweersproken is gebleven (rov. 2.23 van Tussenvonnis II);
- (e)
Ook hebben de getuigen [getuige 3] en [getuige 5] verklaard dat het hebben van een stoma invloed heeft op de kwaliteit van leven en dat deze kwaliteit verbetert indien een patiënt zo min mogelijk/geen problemen heeft met het verwisselen van de stomaplak. Getuige [getuige 1] heeft in dit verband opgemerkt dat het gebruik van lijmrestverwijderaars bij patiënten die pijnmedicatie innemen voordat zij hun stomaplak verwijderen absoluut geïndiceerd is (rov. 2.23 van Tussenvonnis II);
- (f)
Voorts hebben de getuigen allen ten aanzien van nagenoeg iedere indicatie op de door MediReva gehanteerde lijst verklaard dat het gebruik van lijmrestverwijderaars geïndiceerd is. Dat de verklaringen van de getuigen zouden zijn toegespitst op de toestand van de individuele patiënt in plaats van de indicatie, zoals VGZ betoogt, kan dan ook niet gevolgd worden. Dat het gebruik in sommige gevallen afhangt van de situatie en tijdelijk kan zijn, maakt het voorgaande niet anders (rov. 2.24 van Tussenvonnis II);
- (g)
Uit de verklaring van getuige [getuige 5] (directeur van de Nederlandse Stomavereniging) volgt bovendien dat de getuigen/professionals daarin worden gesteund door patiënten/de patiëntenvereniging. [getuige 5] geeft aan dat uit onderzoek onder stomapatiënten in 2017 is gebleken dat er behoefte bestaat aan het gebruik van lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van de stomaplak (rov. 2.24 van Tussenvonnis II);
- (h)
De verklaringen van de getuigen worden ondersteund door de reeds eerder door MediReva overgelegde artikelen, waaronder:
- —
een artikel van [stomatherapeut], stomatherapeut en (onder meer) oprichter van Stoma Stichting Nederland van 6 december 2016, waarin hij het belang van ‘adhesive removers’ (lijmrestverwijderaars) benadrukt voor het verwijderen van een huidplak bij patiënten met een geïrriteerde huid;
- —
een richtlijn kleefstofoplossers van de [A] (groep ziekenhuizen in de omgeving van [a-plaats]) waarin wordt beschreven in welke gevallen lijmrestverwijderaars worden voorgeschreven, kort gezegd in de gevallen die ook zijn opgenomen op de door MediReva overgelegde lijst;
- —
een artikel van J. Burch, werkzaam als enhanced recovery nurse in het Verenigd Koninkrijk, uit het British Journal of Nursing van 2011, waarin eveneens wordt bevestigd dat het gebruik van lijmrestverwijderaars effectief is ter voorkoming van diverse huidproblemen bij stomadragers die hun plak regelmatig moeten vervangen;
- —
een artikel van J. Burch uit het Gastrointestinal Nursing van april 2011, waarin is vermeld dat bij huidirritatie een lijmrestverwijderaar kan worden gebruikt om de stomaplak te verwijderen;
- —
een artikel van C. Mather en J. Denyer, werkzaam als clinical nurse specialists in Londen (Verenigd Koninkrijk) uit Nursing Times van april 2008, waarin zij de ontwikkeling van ‘advanced silicone medical adhesive remover spray’ (lijmrestverwijderaar) beschrijven als een revolutie op het gebied van het verwijderen van plakkende medische producten bij huidproblemen; en
- —
een ander artikel van C. Mather en J. Denyer, waarin wordt geconcludeerd dat uit een zogenaamde ‘case study’ is gebleken dat lijmrestverwijderaar niet alleen pijn en blaren verminderde, maar dat ook de onafhankelijkheid werd vergroot bij het verwisselen van de stomaplak, nu deze makkelijker te verwijderen was (rov. 2.25 van Tussenvonnis II);
- (i)
Uit het voorgaande volgt dat, hoewel een RCT en ander wetenschappelijk bewijs van hoge kwaliteit ontbreekt, het gebruik van lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van de stomaplak bij stomapatiënten met een gevoelige huid, stoelt op een brede consensus zowel binnen als tussen de relevante beroepsgroepen én dat het gebruik ook internationaal is beproefd en deugdelijk is bevonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op grond van het bepaalde in de Evidence-based Richtlijn Stomazorg Nederland, die kan worden aangemerkt als wetenschappelijk bewijs van middelmatige/lage kwaliteit, in combinatie met de door de getuigen afgelegde verklaringen en de door MediReva overgelegde artikelen, die alle consistent zijn en kunnen worden beschouwd als een voldoende onderbouwing van de werkzaamheid en effectiviteit van het gebruik van lijmrestverwijderaars bij stomapatiënten met een gevoelige huid, kan worden vastgesteld dat het gebruik van lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van de stomaplak bij stomapatiënten met een gevoelige huid voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk (rov. 2.26 van Tussenvonnis II);
- (j)
Daarbij laat de rechtbank meewegen dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat verder onderzoek dat de kwaliteit van het bewijs naar effectiviteit van lijmrestverwijderaars voor eerder genoemd doel zou kunnen verhogen zeer waarschijnlijk niet zal (kunnen) plaatsvinden, dat niet in geschil is dat het gebruik van lijmrestverwijderaars in voldoende mate gezondheidswinst oplevert en de kwaliteit van leven van stomapatiënten (sterk) verbetert, en dat de stomaverpleegkundigen in lijn met de richtlijn hebben verklaard dat het gebruik/voorschrijven van lijmrestverwijderaars door middel van kwaliteits-Zwerkafspraken wordt ingekaderd (rov. 2.26 van Tussenvonnis II);
- (k)
Zoals hiervoor reeds is overwogen, hebben de getuigen verklaard dat het gebruik van lijmrestverwijderaars bij alle indicaties vermeld op het door MediReva gehanteerde zorgprotocol noodzakelijk kan zijn. De stomaverpleegkundigen, die de lijmrestverwijderaars voorschrijven, hebben in dat verband toegelicht dat zij geen hulpmiddelen voorschrijven die geen noodzaak hebben. De rechtbank concludeert, mede gelet op het feit dat in de richtlijn evaluatiemomenten zijn opgenomen, dan ook dat MediReva is geslaagd in haar bewijsopdracht en vraag 2 bevestigend kan worden beantwoord (rov. 2.27 van Tussenvonnis II); en
- (x)
Uit het voorgaande volgt dat er geen noodzaak bestaat tot het laten uitvoeren van vervolgonderzoek en dat het hof een eindoordeel kan geven over het geschil (rov. 2.15 van Tussenarrest III).
A. Hof beoordeelt zelf medisch bewijs waartoe het zich eerder niet in staat achtte
2.2.
‘s Hofs oordeel is onbegrijpelijk. In Tussenarrest I overwoog het hof dat (i) de beoordeling van de vraag of lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk bij voorkeur deskundige beoordeling vergt en daarmee pas in tweede instantie, zo nodig, een beoordeling van bewijs door middel van getuigen en bescheiden vergt (rov. 5.9 van Tussenarrest I) en (ii) het niet aan het hof is om ingewikkelde medisch-wetenschappelijke beoordelingen uit te voeren aan de hand van het beoordelingskader en de methodiek die het ZiN hanteert en die als uitgangspunt geldt voor het toetsen van de stand van de wetenschap en praktijk (rov. 5.10 van Tussenarrest I). Daarmee verhoudt zich niet op begrijpelijke wijze dat het hof, nadat het ZiN de betreffende vragen in zijn deskundigenbericht onbeantwoord had gelaten, alsnog zelfstandig heeft beoordeeld of lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk (rov. 2.8 t/m 2.11 van Tussenarrest III). Dat oordeel is temeer onbegrijpelijk, omdat (i) het hof in Tussenarrest I (aldus) zelf heeft onderkend deskundigenbewijs nodig te hebben, (ii) het in dit verband vereiste bewijs op het principe van evidence based medicine dient te zijn gebaseerd, dat een deskundige beoordeling (door het ZiN) vergt en (iii) op de rechter een verzwaarde motiveringsplicht rust indien deze van het standpunt van het ZiN wenst af te wijken, hetgeen veronderstelt dat het deskundigenbericht van het ZiN (als uitgangspunt) moet worden ingewonnen.35. Het hof kon dan ook niet op begrijpelijke wijze beslissen over de vraag of lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk zonder (nader) deskundigenbewijs (bij het ZiN) in te winnen.
2.3.
Het oordeel van het hof in rov. 2.15 van Tussenarrest III dat geen noodzaak tot vervolgonderzoek bestaat is bovendien onvoldoende gemotiveerd, omdat (i) het hof in Tussenarrest I zelf heeft onderkend deskundigenbewijs nodig te hebben, (ii) dat deskundigenbewijs (nog) niet is aangeleverd en (iii) zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan met betrekking tot het gebruik van lijmrestverwijderaars als huidbeschermend middel, zodat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien om welke reden die noodzaak (thans) niet (meer) aanwezig is. In ieder geval is, om die redenen, zonder nadere motivering niet begrijpelijk om welke reden(en) het hof de voorkeur voor een deskundige heeft laten varen. Het ZiN heeft zich over de vraag of lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk niet uitgelaten, zodat het hof bij het ZiN — of bij een andere deskundige — daaromtrent alsnog een deskundigenbericht had kunnen inwinnen.
B. Bewijsniveau bij toetsing aan stand van de wetenschap en praktijk
2.4.
Het hof miskent in zijn in middelonderdeel 2.1 weergegeven oordeel, met name in rov. 2.8 t/m 2.11 van Tussenarrest III, dat een genees- of hulpmiddel slechts dan op grond van artikel 2.1 lid 2 Bzv kan voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk, dan wel in overeenstemming kan zijn met het (daarvan onderdeel uitmakende) principe van evidence based medicine, indien ten minste enige vorm van (wetenschappelijk) bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat het betreffende genees- of hulpmiddel effectief en werkzaam is en/of door de (internationale) medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden.36.
2.5.
In ieder geval miskent het hof in zijn in middelonderdeel 2.1 weergegeven oordeel, met name in rov. 2.8 t/m 2.11 van Tussenarrest III, dat bewijs over de effectiviteit en werkzaamheid van een genees- of hulpmiddel dat niet van hoge kwaliteit is, waarvan in dit geval sprake is, naar het hof in rov. 2.11 van Tussenarrest III in samenhang met rov. 2.26 van Tussenvonnis II tot uitgangspunt heeft genomen,37. (in beginsel) niet tot het oordeel kan leiden dat het betreffende genees- of hulpmiddel voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk, terwijl bewijs van zeer lage kwaliteit zelfs (in beginsel) tot het oordeel leidt dat dit genees- of hulpmiddel niet voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk.38. Bij bewijs van middelmatige of lage kwaliteit moet in beginsel aan (in het ZiN Beoordelingsrapport 2015 en/of het ZiN Beoordelingsrapport 2023 opgenomen respectievelijk op grond daarvan geldende)39. nadere vereisten zijn voldaan, waaronder het vereiste dat er overtuigende redenen bestaan om aan te nemen dat verder onderzoek dat de kwaliteit van het bewijs naar de effectiviteit van het genees- of hulpmiddel zou kunnen verhogen zeer waarschijnlijk niet kan plaatsvinden. Dat geldt temeer, omdat het ZiN Beoordelingsrapport 2015 en/of het ZiN Beoordelingsrapport 2023 een aanvaarde en deugdelijke wijze is om aan dat criterium te toetsen en (aldus) bij wege van uitgangspunt wél is vereist, zoals het hof in rov. 5.10 van Tussenarrest I ook zelf onderkent.40. Althans is ‘s hofs oordeel onjuist, dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat het hof niet motiveert dat en om welke reden(en) in de onderhavige situatie van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, dan wel dat en om welke reden(en) in de onderhavige situatie wél, zonder dat aan de hiervoor bedoelde nadere vereisten is voldaan, genoegen kan worden genomen met bewijs van middelmatige of lage kwaliteit voor het oordeel dat het gebruik van lijmrestverwijderaars voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk.
2.6.
Het hof ziet er tevens aan voorbij, in het bijzonder in rov. 2.8 t/m 2.10 van Tussenarrest III, dat de omstandigheid dat geen standaardbehandeling kan worden vastgesteld niet van invloed is op de eisen die aan het bewijs moeten worden gesteld in het kader van de vraag of een genees- of hulpmiddel voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk, zodat het ontbreken van een (vast te stellen) standaardbehandeling niet tot gevolg heeft dat een (andere) behandeling sneller zal kunnen voldoen aan de eisen van de wetenschap en praktijk. Voor zover het hof dat niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof zijn (kennelijke) oordeel dat genoegen mag worden genomen met het door het hof genoemde bewijs (mede) baseert op de constateringen dat (i) er, bij gebreke van een (vast te stellen) standaardbehandeling, geen vergelijking kan worden gemaakt met deze standaardbehandeling, terwijl het vereiste van de stand van de wetenschap en praktijk dat wél vereist, (ii) geen medisch-wetenschappelijk bewijs voorhanden is voor de effectiviteit van het gebruik van een lauwwarm washandje en (iii) de effectiviteit van het gebruik van lijmrestverwijderaars in ieder geval méér vaststaat dan de effectiviteit van het gebruik van een lauwwarm washandje, terwijl die constateringen ieder voor zich relateren aan het bestaan en/of de effectiviteit van een andere behandeling dan de behandeling waarvan de effectiviteit en werkzaamheid in deze procedure dient te worden onderzocht.
2.7.
Ook anderszins is ’s hofs oordeel onbegrijpelijk. Bij de beantwoording van de vraag of lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk, neemt het hof in rov. 2.8 en 2.10 van Tussenarrest III tot uitgangspunt dat het gebruik van lijmrestverwijderaars effectief is, gezondheidswinst oplevert en (zelfs) alle aanleiding bestaat om aan te nemen dat het gebruik van lijmrestverwijderaars kwalificeert als standaardbehandeling, hetgeen volgens het hof (kennelijk) (mede) rechtvaardigt dat genoegen mag worden genomen met bewijs van middelmatige of lage kwaliteit. Dat uitgangspunt kan echter niet aan die conclusie bijdragen, omdat — door middel van het vereiste (wetenschappelijke) bewijs — juist dient te worden aangetoond dát lijmrestverwijderaars voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk en, aldus, bewezen effectief zijn en gezondheidswinst opleveren. De verlaging van de eisen die in dit verband aan het bewijs moeten worden gesteld, kan dan ook niet gerechtvaardigd worden c.q. op begrijpelijke wijze worden onderbouwd met de constatering dát het gebruik van lijmrestverwijderaars effectief is en gezondheidswinst oplevert.
2.8.
Voorts is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, dat het hof in rov. 2.8 van Tussenarrest III van belang acht dat stomapatiënten, bij het volgen van het standpunt van VGZ, zouden moeten terugvallen op het (niet bewezen effectief gebleken) gebruik van een lauwwarm washandje. In de eerste plaats vormt dat (op grond van het ZiN Beoordelingsrapport 2015 en/of het ZiN Beoordelingsrapport 2023) geen relevant gezichtspunt ter rechtvaardiging van het stellen van lagere eisen aan het vereiste (wetenschappelijke) bewijs, in het bijzonder omdat het ontbreken van een (vastgestelde) standaardbehandeling niet tot gevolg heeft dat een (andere) behandeling sneller zal kunnen voldoen aan de eisen van de wetenschap en praktijk (vgl. middelonderdeel 2.6). In de tweede plaats is die overweging onvoldoende gemotiveerd, omdat stomapatiënten niet gedwongen terugvallen op het gebruik van een lauwwarm washandje, maar steeds gebruik kunnen blijven maken van lijmrestverwijderaars als niet-vergoedbaar schoonmaakmiddel.41. De (onjuiste) overweging dat stomapatiënten, bij het volgen van het standpunt van VGZ, zouden moeten terugvallen op het (niet bewezen effectief gebleken) gebruik van een lauwwarm washandje, kan daarom niet op begrijpelijke wijze bijdragen aan ’s hofs oordeel dat het gebruik van lijmrestverwijderaars wél voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk, dan wel dat aan het daarvoor vereiste bewijs lagere eisen mogen worden gesteld.
2.9.
In ieder geval is het oordeel van het hof om de volgende reden onvoldoende gemotiveerd. Het hof onderzoekt niet (kenbaar) of is voldaan aan het (op grond van het ZiN Beoordelingsrapport 2015 en/of het ZiN Beoordelingsrapport 2023 geldende) vereiste voor het gebruik van bewijs van middelmatige of lage kwaliteit dat er overtuigende redenen bestaan om aan te nemen dat verder onderzoek dat de kwaliteit van het bewijs naar de effectiviteit van het genees- of hulpmiddel zou kunnen verhogen zeer waarschijnlijk niet kan plaatsvinden,42. maar neemt enkel in rov. 2.11 van Tussenarrest III (onder meer) rov. 2.26 van Tussenvonnis II over, waarin de rechtbank zonder motivering concludeert dat overtuigende redenen bestaan om aan te nemen dat verder onderzoek zeer waarschijnlijk niet zal kunnen plaatsvinden. Het hof heeft ook geen (kenbaar) gewicht toegekend aan verschillende door VGZ hiertegen aangevoerde essentiële stellingen ter onderbouwing van het betoog dat er géén overtuigende redenen zijn om aan te nemen dat verder onderzoek zeer waarschijnlijk niet zal kunnen plaatsvinden.42. In dit verband heeft VGZ het volgende aangevoerd:
- (i)
Getuige [getuige 1] heeft expliciet verklaard dat zij verwacht dat het doen van onderzoek naar de werkzaamheid van lijmrestverwijderaars wél mogelijk is.44.
- (ii)
Het argument van getuige [getuige 3] dat het de vraag is of het medisch-ethisch verantwoord is om onderzoek uit te voeren, omdat daarvoor een nulmeting zou moeten plaatsvinden, miskent dat in ieder wetenschappelijk onderzoek naar de potentiële meerwaarde van een genees- of hulpmiddel een vergelijking met een standaardbehandeling (de nulmeting) wordt gemaakt en situaties waarin het uitvoeren van onderzoek medisch-ethisch onverantwoord is geheel andersoortig zijn.45.
- (iii)
Er bestaat interesse vanuit de markt om onderzoek te laten uitvoeren naar het onderwerp stomaplak en huidproblemen.46. Daartoe is getuige [getuige 3] door een leverancier van genees- en hulpmiddelen zelf ook benaderd.47.
- (iv)
Het is onaannemelijk, mede gelet op de financiële belangen voor fabrikanten, dat onvoldoende bereidheid bestaat tot financiering van onderzoek naar het onderwerp stomaplak en huidproblemen.48. Bovendien is het doen van onderzoek ook zonder financiering feitelijk mogelijk.49.
2.10.
Voor zover het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat voornoemde feiten en omstandigheden niet relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het (op grond van het ZiN Beoordelingsrapport 2015 en/of het ZiN Beoordelingsrapport 2023 geldende) vereiste voor het gebruik van bewijs van middelmatige of lage kwaliteit dat er overtuigende redenen bestaan om aan te nemen dat verder onderzoek dat de kwaliteit van het bewijs naar de effectiviteit van het genees- of hulpmiddel zou kunnen verhogen zeer waarschijnlijk niet kan plaatsvinden, is dat oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk gemotiveerd. Zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang bezien dragen vorenbedoelde door VGZ ingenomen stellingen bij aan de conclusie dat er géén overtuigende redenen zijn om aan te nemen dat verder onderzoek zeer waarschijnlijk niet zal kunnen plaatsvinden, hetgeen tot de conclusie leidt, dan wel kan leiden dat lijmrestverwijderaars niet voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk (vgl. middelonderdelen 2.4 en 2.5). Deze stellingen had het hof (kenbaar) in zijn oordeel moeten betrekken. Althans valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, in het licht van deze stellingen niet in te zien om welke reden er wél overtuigende redenen zijn om aan te nemen dat verder onderzoek zeer waarschijnlijk niet zal kunnen plaatsvinden. Immers, dat getuigen verklaren dat onderzoek kan worden verricht en daarvoor ook interesse uit de markt bestaat, duidt erop dat er geen overtuigende redenen zijn om aan te nemen dat verder onderzoek zeer waarschijnlijk niet zal kunnen plaatsvinden. Het hof heeft niet kenbaar op dat betoog gerespondeerd, terwijl 's hofs oordeel zonder respons daarop niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
2.11.
Voor zover het hof in rov. 2.11 van Tussenarrest III heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat het gaat om een eenvoudig, praktisch aspect van het geheel van behandelingsfacetten van patiënten met een stoma rechtvaardigt dat het bewijs van de effectiviteit en het gebruik van lijmrestverwijderaars kan worden aangetoond aan de hand van ervaringen uit de dagelijkse praktijk, die bij voorkeur worden verzameld en besproken in artikelen of, zoals in deze procedure, worden toegelicht aan de hand van schriftelijke en getuigenverklaringen van personen die met dit behandelingsonderdeel ervaring hebben, ziet het hof eraan voorbij dat die omstandigheid niet afdoet aan de (op grond van het ZiN Beoordelingsrapport 2015 en/of het ZiN Beoordelingsrapport 2023) geldende vereisten voor het voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk. Om die reden is het door het hof in die sleutel gewaardeerde bewijs onvoldoende om aan te nemen dat een lijmrestverwijderaar effectief en werkzaam is en/of door de (internationale) medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden. Het hof motiveert bovendien niet dat en om welke reden(en) uit de door het hof benoemde ervaringen uit de dagelijkse praktijk wél (wetenschappelijk) volgt of eraan bijdraagt dat een lijmrestverwijderaar effectief en werkzaam is en/of door de (internationale) medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden.
2.12.
Voor zover het hof in rov. 2.9 van Tussenarrest III heeft geoordeeld dat het niet-vergoeden van lijmrestverwijderaar als huidbeschermend middel door VGZ op basis van het argument dat het bewijs voor de effectiviteit van deze behandeling van onvoldoende niveau zou zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. MediReva heeft in deze context50. immers geen beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, terwijl dit leerstuk door de rechter niet ambtshalve kan worden toegepast.
2.13.
Althans is dat oordeel onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat het hof niet verduidelijkt welke omstandigheden hij op het oog heeft. In ieder geval kunnen de door het hof in rov. 2.8 van Tussenarrest III genoemde feiten en omstandigheden — te weten dat (i) geen standaardbehandeling kan worden vastgesteld bij het verwijderen van de stomaplak bij een gevoelige huid, (ii) het gebruik van een washandje/gaasje met lauw water om de stomaplak te verwijderen wel wordt genoemd in informatie over patiëntenzorg, maar dit gebruik (als door het ZiN benoemde praktische zaak) vaak niet staat beschreven in richtlijnen en protocollen en (iii) het volgen van het standpunt van VGZ leidt tot de situatie waarin stomapatiënten met een gevoelige huid die tot 2013 gebruik maakten van een in de praktijk gebleken en door publicaties en getuigenverklaringen ondersteunde effectieve lijmrestverwijderaar die gezondheidswinst oplevert zouden moeten terugvallen op het gebruik van een lauwwarm washandje, waarvan niet bekend is of deze effectief is — dat oordeel niet kunnen dragen. Immers, die door het hof genoemde feiten en omstandigheden zijn enkel een consequentie van de (toepassing van de) wettelijke regeling met betrekking tot de vergoedbaarheid van genees- en hulpmiddelen, zoals volgt uit artikel 2.1 Bzv, terwijl stomapatiënten niet gedwongen terugvallen op het gebruik van een lauwwarm washandje, maar steeds gebruik kunnen blijven maken van lijmrestverwijderaars als niet-vergoedbaar schoonmaakmiddel (vgl. middelonderdeel 2.8).
C. Bewijswaardering bij toetsing aan stand van de wetenschap en praktijk
2.14.
Het bewijswaarderingsoordeel van het hof is verder onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof in rov. 2.11 van Tussenarrest III de beoordeling van de rechtbank in rov. 2.22 t/m 2.27 van Tussenvonnis II overneemt, maar in dit verband niet (kenbaar) ingaat op de in hoger beroep door VGZ aangevoerde essentiële stellingen ter onderbouwing van haar betoog dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het gebruik van lijmrestverwijderaars conform de stand van de wetenschap en praktijk is, omdat die conclusie niet uit het door de rechtbank gebezigde bewijs kan worden getrokken. Daartoe heeft VGZ uitgebreid en gedetailleerd aangevoerd dat de rechtbank, qua aard, gezag en inhoud:
- (i)
de verklaringen van getuigen [getuige 2], [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 5] onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk heeft gewogen en beoordeeld (rov. 2.11 van Tussenarrest III in samenhang met rov. 2.22 t/m 2.24, 2.26 en 2.27 van Tussenvonnis II).51. Dit betreffen, onder meer, de volgende stellingen:
- a.
De verklaringen bevatten slechts de mening van individuele behandelaars of wat zij, als individuele behandelaars, (gewoonlijk) feitelijk aan zorg leveren, maar geven geen blijk van een brede consensus binnen en tussen relevante beroepsgroepen.52.
- b.
De verklaringen kwalificeren niet als gepubliceerde expert opinions.53.
- c.
De getuigen zijn niet representatief voor de gehele beroepsgroep.54.
- d.
De verklaringen zijn niet steeds toegespitst op indicaties van de MediReva-patiëntengroep of op de tijdsperiode 2013 t/m 2015.55.
- e.
De verklaringen zijn, anders dan de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, niet alle consistent, maar bevatten juist diverse tegenstrijdigheden.56.
- (ii)
ten onrechte en op onbegrijpelijke wijze gewicht heeft toegekend aan de Richtlijn Stomazorg (rov. 2.11 van Tussenarrest III in samenhang met rov. 2.22, 2.26 en 2.27 van Tussenvonnis II).57. Dit betreffen, onder meer, de volgende stellingen:
- a.
In de Richtlijn Stomazorg is het gebruik van lijmrestverwijderaars bij stomapatiënten met een gevoelige huid niet (expliciet) voorgeschreven.58.
- b.
De Richtlijn Stomazorg geeft de stomaverpleegkundige slechts een bevoegdheid om andere stomamaterialen te gebruiken in de specifieke situatie dat de stoma frequenter moet worden verzorgd.59.
- c.
De Richtlijn Stomazorg is niet gespecificeerd naar de indicaties zoals gelden voor de MediReva-patiëntengroep.60.
- d.
Het in de Richtlijn Stomazorg geformuleerde uitgangspunt dat de individuele zorgverlener maatwerk moet kunnen leveren kan niet worden verbonden met de vraag of een behandeling behoort tot de stand van de wetenschap en praktijk.61.
- (iii)
de door MediReva overgelegde artikelen in dit verband evenmin op juiste en/of begrijpelijke wijze aan haar conclusie kunnen bijdragen (rov. 2.11 van Tussenarrest III in samenhang met rov. 2.25 en 2.26), in het bijzonder omdat deze niet verwijzen naar hetgeen door de internationale medische wetenschap als voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden.62. Dit betreffen, onder meer, de volgende stellingen:
- a.
Het artikel van [stomatherapeut] uit 2016 is geschreven door een verkoper van lijmrestverwijderaars met banden met MediReva, die er (persoonlijk) belang bij heeft om de toegevoegde waarde van lijmrestverwijderaars te promoten.63.
- b.
De Richtlijn Kleefstofoplossers is ongedateerd.64.
- c.
De Richtlijn Kleefstofoplossers is niet opgesteld door een wetenschappelijke vereniging namens de gehele beroepsgroep, maar door en voor (de zorgverleners van) de [A], een groep ziekenhuizen te [a-plaats].65.
- d.
De artikelen van J. Burch uit 2011 zien slechts op de mening van individuele behandelaars over de waarde van een interventie en houden geen verband met de indicaties zoals gelden voor de MediReva-patiëntengroep.66.
- e.
Uit de artikelen van J. Burch uit 2011 volgt slechts dat lijmrestverwijderaars eventueel gebruikt kunnen worden bij patiënten die meerdere malen per dag de stomaplak moeten vervangen en waarbij ‘skin stripping’ optreedt, terwijl een breed scala aan andere mogelijkheden bestaat om lijm te verwijderen, waaronder een nat washandje met zeep.67.
- f.
Het artikel van C. Mather en J. Denyer uit 2008 ziet slechts op de mening van individuele behandelaars over de waarde van een interventie en is niet toegespitst op het gebruik van lijmrestverwijderaars voor het verwijderen van de stomaplak bij stomapatiënten.68.
- g.
Het artikel van C. Mather en J. Denyer uit 2008 maakt slechts een vergelijking tussen het gebruik van lijmrestverwijderaars op alcoholbasis en lijmrestverwijderaars op siliconenbasis, en bevat dus geen vergelijking tussen methodes voor het verwijderen van de stomaplak.69.
- h.
Het ongedateerde artikel van C. Mather en J. Denyer bespreekt een in deze context irrelevant onderzoek, omdat geen vergelijking wordt gemaakt met een standaardbehandeling en het onderzoek slechts is uitgevoerd ten aanzien van patiënten die lijden aan blaarvorming.70.
- i.
Het ongedateerde artikel van C. Mather en J. Denyer bespreekt een onderzoek naar een lijmrestverwijderaar met unieke werking, dat niet vergelijkbaar is met reguliere lijmrestverwijderaars, zodat het onderzoek niet representatief is.71.
- j.
Het in het ongedateerde artikel van C. Mather en J. Denyer besproken onderzoek is niet objectief, omdat de producent én een internationale distributeur van genees- en hulpmiddelen bij het onderzoek betrokken zijn, die beide een (persoonlijk) belang hebben om de toegevoegde waarde van lijmrestverwijderaars te promoten.72.
Het hof heeft door de ongemotiveerde overneming van het oordeel van de rechtbank aldus in het geheel niet gerespondeerd op een (zeer) wezenlijk onderdeel van het partijdebat, ten gevolge waarvan voor VGZ niet inzichtelijk is om welke redenen de bewijswaardering van de rechtbank wél tot het oordeel kon leiden dat het gebruik van lijmrestverwijderaars conform de stand van de wetenschap en praktijk is.
2.15.
Voor zover het hof op de in middelonderdeel 2.14 bedoelde stellingen heeft willen responderen met de overwegingen in rov. 2.11 van Tussenarrest III dat (i) het, zoals het ZiN ook heeft overwogen, gaat om praktische zaken die vaak niet beschreven staan in richtlijnen en protocollen, (ii) het om een eenvoudig, praktisch aspect gaat van het geheel van behandelingsfacetten van patiënten met een stoma, (iii) het bewijs van de effectiviteit van de inzet van lijmrestverwijderaar kan worden aangetoond aan de hand van ervaringen uit de dagelijkse praktijk, die bij voorkeur worden verzameld en besproken in artikelen of, zoals in deze procedure, worden toegelicht aan de hand van schriftelijke en getuigenverklaringen van personen die met dit behandelingsonderdeel ervaring hebben en (iv) VGZ de kans heeft gehad om getuigen in contra-enquête te laten horen, maar daarvan heeft afgezien, zodat er geen bewijsmateriaal is dat de stellingen van MediReva tegenspreekt, is zijn oordeel evenzeer onvoldoende gemotiveerd. Die overwegingen vormen immers geen (voldoende gemotiveerde) respons op het betoog van VGZ dat de rechtbank, aan de hand van de door haar gebezigde bewijsmiddelen, ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het gebruik van lijmrestverwijderaars conform de stand van de wetenschap en praktijk is, omdat die conclusie daaruit niet kan worden getrokken.
Op grond van dit middel
vordert VGZ dat de Hoge Raad de aangevallen arresten zal vernietigen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad juist zal achten; kosten rechtens. VGZ vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Bijlagen:
- —
de beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 2023, waarbij verlof wordt verleend voor het instellen van tussentijds cassatieberoep;
- —
de tussenarresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 november 2021, 2 augustus 2022 en 15 augustus 2023 waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld;
- —
de vonnissen in eerste aanleg van de Rechtbank Gelderland van 6 december 2017 en 31 oktober 2018; en — de aanbiedingsbrief.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑04‑2024
De cassatietermijn is als gevolg daarvan aangevangen op 28 november 2023 en eindigt op 28 februari 2024: zie in dit verband HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, NJ 2023, 63(Gemeente Borger-Odoorn).
Tussenarrest I, rov. 3.2.
Tussenarrest I, rov. 3.3 en 3.4. Zie ook Productie 3 bij Dagvaarding MediReva d.d. 31 januari 2017.
Tussenarrest I, rov. 3.5. Zie ook Productie 5 bij Dagvaarding MediReva d.d. 31 januari 2017.
Tussenarrest I, rov. 3.4 en 3.5.
Tussenarrest I, rov. 3.6.
Tussenarrest I, rov. 3.2.
Tussenarrest I, rov. 3.6.
Tussenarrest I, rov. 3.4 en 3.5. Zie ook Productie 3 bij Dagvaarding MediReva d.d. 31 januari 2017 en Productie 5 bij Dagvaarding MediReva d.d. 31 januari 2017.
Tussenarrest I, rov. 3.7 t/m 3.13.
Tussenarrest I, rov. 3.8, 3.10 en 3.12.
Tussenarrest I, rov. 3.9 en 3.11.
Tussenarrest I, rov. 3.13 en 3.14.
Tussenarrest I, rov. 4.1.
Tussenarrest I, rov. 4.2.
Tussenarrest I, rov. 4.3 en 4.4.
Appeldagvaarding VGZ d.d. 11 december 2018.
Tussenarrest I, rov. 5.10.
Tussenarrest I, rov. 5.14.
Tussenarrest II, rov. 3.
Tussenarrest III, rov. 2.2. Zie ook Deskundigenbericht ZiN d.d. 20 december 2022.
Tussenarrest III, rov. 3.1 t/m 3.4.
Tussenarrest III, rov. 3.2.
Rechtbank noch hof heeft in het dictum een beslissing genomen over (een deel van) de door partijen ingestelde vorderingen. Daarom is sprake van tussenuitspraken waarvan — enkel met verlof daartoe — (tussentijds) cassatieberoep openstaat. Zie artikel 337 lid 2 Rv, artikel 401a lid 2 Rv en HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1639, NJ 2011, 269. De omstandigheid dat in hoger beroep een kostenveroordeling is uitgesproken, doet daar niet aan af: zie HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:57 (Sonos/Google).
Het betreft hier hetzelfde advies als bedoeld door het hof in rov. 2.6 van Tussenarrest III.
Deskundigenbericht ZiN d.d. 20 december 2022, p. 4, onder verwijzing naar Nota van toelichting bij artikel 2.15 Rzv (thans: artikel 2.11 Rzv), Stort. 2005, 171, p. 28.
Antwoordmemorie na deskundigenbericht zijdens VGZ d.d. 25 april 2023, onder 26, 36 en 37.
Deskundigenbericht ZiN d.d. 20 december 2022, p. 5.
Deskundigenbericht ZiN d.d. 20 december 2022, p. 6.
Deskundigenbericht ZiN d.d. 20 december 2022, p. 5.
Antwoordmemorie na deskundigenbericht zijdens VGZ d.d. 25 april 2023, onder 38; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 17 en 18.
Deskundigenbericht ZiN d.d. 20 december 2022, p. 4 en 5, onder verwijzing naar Nota van toelichting bij artikel 2.15 Rzv (thans: artikel 2.11 Rzv), Stcrt. 2005, 171, p. 28.
HR 27 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:95, NJ 2023, 122(Van Brink q.q./DWS); HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, NJ 2019, 80 (Menzis).
Advies CVZ d.d. 11 juni 2012, overgelegd als Productie 8 bij Conclusie van antwoord in conventie, conclusie van eis in reconventie zijdens VGZ d.d. 3 mei 2017.
HR 27 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:95, NJ 2023, 122 (Van Brink q.q./DWS); HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, NJ 2019, 80 (Menzis).
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, NJ 2019, 80(Menzis). Zie ook Nota van toelichting bij het Besluit zorgverzekering, Stb. 2005, 389, p. 35 en 36; HvJEU 12 juli 2001, C-157/99, NJ 2002, 3(Smits en Peerbooms).
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het voorhanden bewijs van hoge kwaliteit is, is dat oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat het hof niet (kenbaar) vaststelt dat en om welke reden(en) sprake is van bewijs van hoge kwaliteit, terwijl het hof zelf in rov. 2.11 van Tussenarrest III in samenhang met rov. 2.26 van Tussenvonnis II tot uitgangspunt heeft genomen dat bewijs van hoge kwaliteit ontbreekt en sprake is van bewijs van middelmatige of lage kwaliteit en het hof in rov. 2.9 van Tussenarrest III bovendien onderkent dat het voorhanden bewijs mogelijk niet van hoog niveau is.
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, NJ 2019, 80(Menzis), onder verwijzing naar ZiN, ‘Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk’, januari 2015 (ZiN Beoordelingsrapport 2015), p. 26 en 27. Zie ook ZiN, ‘Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk’, april 2023 (ZiN Beoordelingsrapport 2023), p. 5, 6 en 22 t/m 26; Concl. A-G Keus vóór HR 30 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2017:1609, NJ 2019, 80 (Menzis), onder 3.11 t/m 3.14.
Tussen de in het ZiN Beoordelingsrapport 2015 respectievelijk ZiN Beoordelingsrapport 2023 bestaan geen wezenlijke verschillen: zie Concl. A-G Snijders, ECLI:NL:PHR:2024:37, voetnoot 17.
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, NJ 2019, 80 (Menzis). Kamerstukken II 2007–2008, 31200-XVI, nr. 121, p. 2. Zie in bestendige lagere rechtspraak bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 1 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6854; Rechtbank Amsterdam 30 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1688; Rechtbank Gelderland 11 november 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:6962; Rechtbank Amsterdam 19 november 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7727; Rechtbank ‘s‑Gravenhage 13 april 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ6170; Rechtbank ’s‑Gravenhage 13 oktober 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:B00436; Rechtbank Leeuwarden 20 februari 2008, ECLI:NL:RBLEE:2008:BC4617; Rechtbank Leeuwarden 20 februari 2008, ECLI:NL:RBLEE:2008:BC4605; Geschillencommissie Zorgverzekeringen 9 november 2016, GJ 2017, 15; Geschillencommissie Zorgverzekeringen 28 augustus 2013, GJ 2013, 152.
Antwoordmemorie na deskundigenbericht zijdens VGZ d.d. 25 april 2023, onder 29.
ZiN Beoordelingsrapport 2015, p. 26 en 27. Vgl. ook ZiN Beoordelingsrapport 2023, p. 5, 6 en 22 t/m 26.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 9; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 127.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 9; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 128.
Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 129 t/m 131.
Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 134.
Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 133.
Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 132 en 134.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 9.
MediReva heeft enkel betoogd dat bepalingen uit de Overeenkomst 2011–2014 en de Overeenkomst 2015–2016 op grond van artikel 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zouden moeten worden gelaten, hetgeen niet, zoals het hof hier oordeelt, verband houdt met het bewijs voor de effectiviteit van het gebruik van lijmrestverwijderaar: Conclusie van antwoord in reconventie MediReva d.d. 5 oktober 2017, onder 3.4 t/m 3.8.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 3, 10 en 15 t/m 18; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 35 t/m 60.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 15 t/m 17; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 38 t/m 41.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 15 t/m 17; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 42.
Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 43.
Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 46.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 18; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 47 t/m 57. Zo verklaarde [getuige 3] ten aanzien van het gros van de indicaties dat hij het gebruik van lijmrestverwijderaars ‘onontbeerlijk’ acht, terwijl [getuige 2] en [getuige 1] verklaarden dat onder meer bij oudere mensen met een droge huid niet per definitie lijmrestverwijderaars worden voorgeschreven (Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 49, 52 en 54).
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 3 en 10 t/m 14; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 61 t/m 72.
Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 72.
Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 64 en 65.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 13; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 66 en 67.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 11 en 12; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 68 t/m 71.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 3, 10, 19 en 20; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 73 t/m 100, onder verwijzing naar HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, NJ 2019, 80 (Menzis). HvJEU 12 juli 2001, C-157/99, NJ 2002, 3(Smits en Peerbooms).
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 19; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 77 t/m 80.
Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 82.
Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 81 t/m 83.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 19 en 20; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 85 t/m 87.
Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 85 t/m 87.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 19; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 88 en 89.
Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 88 en 89.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 20; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 90 en 91.
Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 90 en 92.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens VGZ d.d. 20 november 2020, onder 19; Memorie van grieven zijdens VGZ d.d. 19 maart 2019, onder 90 t/m 95.