Rechtsgevolgen van stille cessie
Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/8.4.1.5:8.4.1.5 Beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid uit een 403-verklaring
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/8.4.1.5
8.4.1.5 Beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid uit een 403-verklaring
Documentgegevens:
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590672:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervóór nr. 308.
Zie nader Losbladige Rechtspersonen 1992 (Th.S. IJsselmijden), art. 2:404, aant. 6. Vgl. Kamerstukken II 1983-1984, 16 551, nr. 11, p. 15-17.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
492. Een dochtermaatschappij hoeft de jaarrekening niet overeenkomstig de voorschriften van titel 2.9 BW in te richten, als onder meer de moedermaatschappij schriftelijk heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de rechtspersoon voortvloeiende schulden (art. 2:403 lid 1 sub f BW).1 Deze aansprakelijkheidsstelling kan worden ingetrokken door nederlegging van een daartoe strekkende verklaring ten kantore van het handelsregister (art. 2:404 lid 1 BW). De aansprakelijkheid blijft echter bestaan voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die zijn verricht voordat jegens de schuldeiser een beroep op de intrekking kan worden gedaan (art. 2:404 lid 2 BW). Ook deze 'overblijvende aansprakelijkheid' kan worden beëindigd. Daardoor gaat de vordering van de schuldeiser van de dochtermaatschappij jegens de moedermaatschappij teniet. Daarvoor is vereist dat de (voormalige) dochtermaatschappij niet meer tot de groep behoort; een mededeling van het voornemen tot beëindiging ten minste twee maanden lang ter inzage heeft gelegen ten kantore van het handelsregister waar de rechtspersoon is ingeschreven; ten minste twee maanden zijn verlopen na de aankondiging in een landelijk verspreid dagblad daten waar de mededeling ter inzage ligt; en tegen het voornemen de schuldeiser niet tijdig verzet heeft gedaan of zijn verzet is ingetrokken dan wei bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak ongegrond is verklaard (art. 2:404 lid 3 BW). Indien de schuldeiser dit verlangt, dient op straffe van gegrondverklaring van het verzet als bedoeld in lid 5, voor hem zekerheid worden gesteld of hem een andere waarborg worden gegeven voor de voldoening van zijn vorderingen waarvoor nog aansprakelijkheid loopt. Dit geldt niet, indien de schuldeiser na het beëindigen van de aansprakelijkheid, gezien de vermogenstoestand van de rechtspersoon (de dochtermaatschappij) of uit anderen hoofde, voldoende waarborgen heeft dat deze vorderingen zullen worden voldaan (art. 2:404 lid 4 BW). Tot twee maanden na de aankondiging kan de schuldeiser voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt, tegen het voornemen tot beëindiging verzet doen door een verzoekschrift aan de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is (art. 2:404 lid 5 BW). De rechter verklaart het verzet slechts gegrond nadat een door hem omschreven termijn om een door hem omschreven waarborg te geven is verlopen, zonder dat deze is gegeven (art. 2:404 lid 6 BW).2