Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/8.4.3
8.4.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590671:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
In het O.M. was alleen de pandhouder hiertoe bevoegd. Dit is later, naar aanleiding van vragen in het V.V. II, gewijzigd overeenkomstig de regeling bij vruchtgebruik. Zie V.V. II en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 769-770.
Zie ook hierna nr. 651 en 715. De bevoegdheid om in rechte nakoming te vorderen van de schuldenaar is geregeld in art. 3:210 BW respectievelijk art. 3:246 BW.
De 'afgifte van een onrechtmatig in bezit genomen zaak'. Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 671; vgl. ook T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 769 en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 770, en, in het kader van art. 3:86 lid 3 BW (revindicatie na diefstal), N.v.W. 3 Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1223.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 672; zie daarover ook N.v.W., Parl. Gesch. Boek 3, p. 768.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 672 voor details over het oproepen van de ander in een verzoekschriftprocedure. De gene die het goed in zijn macht heeft (of laatstelijk had) zal meestal een dergelijke procedure beginnen. Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 770. Zie over de bevoegdheid van de hoofdgerechtigde tot het instellen van een dergelijke rechtsvordering, HR 9 januari 1998, NJ 1999, 285, m.nt. WMK.
Zie voor pand M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 770; en voor vruchtgebruik M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 672. Blijkens de parlementaire geschiedenis volgt dit bij vruchtgebruik ten aanzien van schikken reeds uit art. 3:207 lid 2 BW. Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 672. Het schikken met de schuldenaar en het schikken met een derde wordt derhalve op dezelfde wijze behandeld. Bij pand is dat anders. Blijkens de parlementaire geschiedenis is in beginsel alleen de pandgever tot schikken met de schuldenaar bevoegd, niet de pandhouder. Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 772-773. Zie hiervoor.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 657, waar art. 3:218 BW in het bijzonder wordt genoemd voor het vernietigen van een overeenkomst in rechte. Op het vernietigen van een overeenkomst buiten rechte is art. 3:207 lid 2 BW van toepassing.
Anders, maar naar mijn mening niet overtuigend: Ten Voorde 2006, p. 118-119, die onderschrijft dat door bijvoorbeeld een kapitaalvermindering of splitsing van de rechtspersoon ook de pandhouder en de vruchtgebruiker in een slechtere positie komen te verkeren, maar van mening is dat aan hen de bevoegdheid tot verzet niet toekomt, omdat 'in de parlementaire geschiedenis en de literatuur over die vijf deponeringsprocedures niet aan de orde [is] geweest dat het verzetrecht voor schuldeisers van een vordering een verzetrecht voor pandhouders en vruchtgebruikers van die vordering zou impliceren.'
Vgl. voor de bevoegdheid tot vernietiging van overeenkomsten, hierna nr. 519.
In die zin ook S.M. Bartman in zijn noot (sub 8) onder Hof Amsterdam (OK) 31 juli 2001, JOR 2001/170 (Akzo Nobel/ING). De Kluiver wijst de bevoegdheid tot verzet bij de pandhouder af, omdat de pandhouder niet zou behoren tot de kring van te beschermen personen. Zie De Kluiver 2002, p. 100. Zie ook S.M. Bartman in zijn noot (sub 7) onder Hof Amsterdam (OK) 31 juli 2001, JOR 2001/170 (Akzo Nobel/ING).
Zie r.o. 3.5.4., HR 28 juni 2002, NJ 2002, 447 (Akzo Nobel/IN G), m.nt. Ma. Anders: Hof Amsterdam (OK) 31 juli 2003, ]OR 2001/170 (Akzo Nobel/ING), m.nt. S.M. Bartman. Onduidelijk is of de pandhouder en de vruchtgebruiker die alleen een beperkt recht op de vordering jegens de moedermaatschappij hebben, hiertoe ook bevoegd zijn.
Zie De Neve 2002, p. 240; Ten Voorde 2006, p. 121. Vgl. voorts Wibier 2008b, p. 180- 185; S.M. Bartman, sub 3 in zijn noot, JOR 2002/136; Maeijer in zijn noot (sub 3 en 4) onder HR 28 juni 2002, NJ 2002, 447 (Akzo Nobel/ING); en hiervóór o.a. nr. 310.
Zie o.a. Wibier 2006; vgl. Ten Voorde 2006, p. 118.
Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 181. Vgl. voorts o.a. Broekveldt 2003a, nr. 129.
Zie hiervóór nr. 136.
Zie ten aanzien van de revindicatie van goederen onder de erfgenamen ten behoeve van de nalatenschap door een executeur, Asser/Perrick 4* 2009, nr. 516; vgl. Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 351. Vgl. voorts art. 1:441 lid5 BW (bewind), dat bepaalt dat tot het aanvaarden van een nalatenschap de bewindvoerder met uitsluiting van de rechthebbende bevoegd is.
Zie ook art. 23 en 68 Fw. Merk op dat de curator tot het vernietigen van onverplichte rechtshandelingen bevoegd is op grond van art. 68 Fw jo art. 3:45 BW, en niet op grond van art. 42-47 Fw. Vgl. hiervóór nr. 489-490.
Zie hiervóór nr. 338.
Art. 477a lid 4 Rv ondervangt derhalve slechts tot op zekere hoogte het ontbreken van de substitutiebepaling. Zie hiervóór nr. 338.
Zie HR 10 oktober 1980, NJ 1981,2 (Langeveld q.q./AMRO), m.nt. GJS. Vgl. ook HR 18 december 1987, NJ 1988,439 (AMRO/Bromet), m.nt. G. Zie ook hiervóór nr. 358 en 363.
Zie HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96 (Hamm q.q./ABN Amro ), m.nt. F.M.J. Verstijlen.
496. Uit het voorgaande volgt dat de stille cessionaris in beginsel bevoegd is om de genoemde beschermende maatregelen te nemen. Het is de vraag in hoeverre de stille cedent hiertoe bevoegd zou moeten zijn. Voor de beantwoording van deze vraag wordt te rade gegaan bij de andere rechtsfiguren waarbij een derde andermans vordering uitoefent. Daartoe wordt een onderscheid gemaakt tussen (a) de regelingen van pand, vruchtgebruik en derdenbeslag; (b) de regeling van gemeenschap; en (c) de overige regelingen.
497. Ad a. Tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak die zowel het recht van de vruchtgebruiker als dat van de hoofdgerechtigde betreft, is ieder van hen bevoegd, mits hij zorg draagt dat de ander tijdig in het geding wordt geroepen (art. 3:218 BW). Tot het instellen van rechtsvorderingen tegen derden ter bescherming van het verpande goed is zowel de pandhouder als de pandgever bevoegd, mits hij zorg draagt dat de ander tijdig in het geding wordt geroepen (art. 3:245 BW).1 Deze bijzondere bepalingen in de regelingen van vruchtgebruik en pand hebben alleen betrekking op procedures jegens derden.2 Blijkens de parlementaire geschiedenis kan hierbij worden gedacht aan 'zakelijke' rechtsvorderingen, zoals een vordering tot grensbepaling of afpaling (art. 5:47, 5:46 BW), een vordering tot opeising van de zaak van een derde die haar zonder recht houdt (art. 5:2 BW)3 een vordering uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), zoals een verbodsactie bij een inbreuk op een recht, en een vordering op grond van art. 3:168 lid 2 en lid 3 BW indien het een vruchtgebruik op een onverdeeld aandeel in een gemeenschappelijk goed betreft.4 De beperkt gerechtigde en de rechthebbende zijn beide zelfstandig bevoegd om dergelijke procedures te voeren, maar zij dienen zorg te dragen dat de ander tijdig in het geding wordt opgeroepen.5 Tijdig oproepen betekent dat de ander nog de voile gelegenheid heeft om zijn standpunt uiteen te zetten, zonder dat de gedaagde of verweerder in zijn verdediging wordt geschaad.6 Indien de ander niet in het rechtsgeding wordt opgeroepen of in het kader van een dergelijke procedure een schikking plaatsvindt zonder dat de ander daaraan zijn toestemming geeft, blijkt uit de parlementaire geschiedenis bij beide bepalingen dat de ander door de uitkomst van de procedure of de schikking niet gebonden is.7Art. 3:245 BW en art. 3:218 BW hebben geen betrekking op procedures die zien op het eisen van nakoming van de schuldenaar. Op deze procedures zijn art. 3:246 lid 1 BW en art. 3:210 lid 1 BW van toepassing, die een afwijkende regeling geven: de openbaar pandhouder en de vruchtgebruiker zijn exclusief procesbevoegd. Art. 3:218 BW geeft bovendien een bijzondere regeling ten opzichte van de regeling van de beheers- en beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van het in vruchtgebruik gegeven goed. De bepaling is blijkens de parlementaire geschiedenis alleen geschreven voor rechtshandelingen in rechte, en leent zich derhalve niet voor overeenkomstige toepassing op rechtshandelingen buiten rechte.8
De pandhouder en de pandgever, alsmede de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde zijn op grond van het voorgaande zelfstandig bevoegd om een verbodsactie in te stellen tegen een derde die inbreuk maakt op de vordering (art. 6:162 BW); een verbodsactie in te stellen tegen een derde die de wanprestatie door de schuldenaar veroorzaakt (art. 6:162 BW); en van een derde die de vordering zonder rechtsgrond onder zich heeft, in rechte de vordering op te eisen (art. 6:162 BW, vgl. art. 5:2 BW en art. 3:15j BW). Zij zijn naar mijn mening om dezelfde reden ook bevoegd om de rechtbank te verzoeken een vereffenaar te benoemen, als de belangen van de schuldeiser door een gedraging van de erfgenamen of van de testamentair executeur ernstig worden geschaad (art. 4:204 lid 1 sub c BW); de rechtbank te verzoeken dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van een erfgenaam zal worden vereffend, als deze de nalatenschap verworpen heeft (art. 4:205 BW); en in verzet te komen tegen een voorgenomen ontbinding en vereffening, omzetting, kapitaalvermindering, fusie of splitsing van een rechtspersoon (zie respectievelijk art. 2:23b lid 5 BW; art. 2:71 lid 2 jo 2:100 lid 3 en art. 2:181 lid 1 jo 2:209 lid 3 BW; art. 2:100 lid 3 en 2:209 lid 3 BW; art. 2:316 lid 2 BW; en art. 2:334l lid 1 BW).9 De pandhouder en de pandgever, en de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde zijn naar mijn mening om dezelfde reden ook zelfstandig bevoegd om in rechte een beroep te doen op art. 3:45 lid 1 BW. Zij dienen in alle gevallen even wei steeds de ander tijdig in het geding op te roepen. Gebeurt dat niet, dan is de ander door de uitkomst van de procedure niet gebonden.
Art. 3:245 BW en art. 3:218 BW zijn niet van (overeenkomstige) toepassing op rechtshandelingen ter bescherming van het bezwaarde goed die buiten rechte worden verricht. De pandgever is derhalve exclusief bevoegd om een rechtshandeling buiten rechte te vernietigen op grond van art. 3:45 BW; en de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde zijn daartoe buiten rechte alleen gezamenlijk bevoegd als de rechtshandeling niet tevens als een beheershandeling kan worden aangemerkt (art. 3:207 lid 2 BW).10 Kan de rechtshandeling als een beheershandeling worden aangemerkt, dan is de vruchtgebruiker daartoe exclusief bevoegd.
Tot het doen van verzet bij beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid uit een 403-verklaring zijn (naast de pandgever en de hoofdgerechtigde) de pandhouder en de vruchtgebruiker met een beperkt recht op de vordering jegens de dochtermaatschappij alléén zelfstandig bevoegd, als zij ook een beperkt recht hebben op de vordering jegens de moedermaatschappij (de 403-vordering).11 Zolang de pandhouder of de vruchtgebruiker geen beperkt recht op die vordering hebben, wordt door de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid het beperkte recht van de pandhouder of vruchtgebruiker niet aangetast.12 Zou de 403-vordering als een nevenrecht worden beschouwd, dan zouden deze vragen zich minder snel voordoen.13 De bevoegdheid van de (openbaar) pandhouder en de vruchtgebruik vloeit niet voort uit hun inningsbevoegdheid, zoals in de literatuur wei is verdedigd.14 De pandhouder en de vruchtgebruiker zouden op grond van art. 3:246 lid 1 BW respectievelijk art. 3:210 lid 1 BW met uitsluiting van de pandgever respectievelijk de hoofdgerechtigde bevoegd zijn. Uit art. 3:245 BW en art. 3:218 BW volgt echter dat ieder van hen daartoe zelfstandig bevoegd is.
De regels van art. 3:245 BW en art. 3:218 BW zijn naar mijn mening van overeenkomstige op het instellen van rechtsvorderingen tegen derden ter bescherming van een beslagen goed. Art. 477b lid 3 Rv geeft voor procedures jegens de schuldenaar van de beslagen vordering een regeling die grotendeels gelijk is aan, en geïnspireerd is op de regeling van art. 3:218 BW en art. 3:245 BW.15
498. Ad b. Bij gemeenschap zijn de deelgenoten op grond van art. 3:170 lid 1 BW zelfstandig bevoegd, als de genoemde beschermingshandelingen dienen tot het behoud van de gemeenschappelijk vordering, hetgeen in de regel het geval zal zijn. Daarnaast is iedere deelgenoot op grond van art. 3:171 eerste zin BW ook zelfstandig bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap, tenzij een regeling anders bepaalt. Een regeling die het beheer toekent aan een of meer der deelgenoten, sluit, tenzij zij anders bepaalt, deze bevoegdheid voor de anderen uit (art. 3:171 tweede zin BW). Art. 3:171 BW heeft zowel betrekking op procedures jegens derden als op procedures jegens de schuldenaar van de gemeenschappelijke vordering. De andere deelgenoten hoeven niet in het geding te worden geroepen om aan de uitkomst daarvan te worden gebonden. De procederende deelgenoot dient evenwel kenbaar te maken dat hij ten behoeve van de gemeenschap handelt, om de gemeenschap te kunnen binden.16
499. Ad c. In de overige gevallen is naar mijn mening de beheersbevoegde persoon, zoals de bewindvoerder, de vereffenaar, de executeur en de curator, tot het instellen van rechtsvorderingen jegens derden ter bescherming van de vordering exclusief bevoegd.17 In faillissement volgt de exclusieve bevoegdheid van de curator uit art. 25 lid 1 Fw, dat onder meer bepaalt dat rechtsvorderingen die rechten tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, door de curator worden ingesteld.18 Bij testamentair bewind is naast de bewindvoerder ook de rechthebbende bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen als deze geen uitstel kunnen lijden (art. 4:166 BW). De beheersbevoegde derde is eveneens bevoegd om de koop in de openbare registers te laten inschrijven. De handelingen ter bescherming van het goed zijn naar mijn mening steeds handelingen dienende tot het behoud van het goed, en om die reden ook steeds handelingen die dienstig zijn aan een goed beheer van het goed.
500. De inningsbevoegde derde die bevoegd was ten aanzien van de hoofdvordering, is op grond van bepalingen van zaaksvervanging in de meeste regelingen ook bevoegd ten aanzien een vervangende schadevergoedingsvordering uit onrechtrnatige daad jegens een derde.19 Bij derdenbeslag ontbreekt een substitutiebepaling. De beslaglegger dient afzonderlijk derdenbeslag te leggen onder de onrechtrnatig handelende derde.20 Maakt een derde inbreuk op een bezwaarde vordering, door deze onbevoegd te innen, dan handelt hij niet alleen onrechtrnatig jegens de schuldeiser (pandgever, hoofdgerechtigde ), maar ook jegens de pandhouder dan wel de vruchtgebruiker.21 Het is ook denkbaar dat een onbevoegde derde alleen onrechtrnatig handelt jegens de pandhouder, en niet jegens de pandgever, zoals bij de curator die na faillissement binnen de redelijke termijn waarbinnen hij zich van actieve inning dient te onthouden, toch tot inning overgaat.22 Hetzelfde is naar mijn mening verdedigbaar ten aanzien van de beslaglegger.
501. In beginsel dient aan de hand van de inhoud van de last aan de stille cedent te worden vastgesteld of hij op grond van deze lastgeving bevoegd is tot het verrichten van de hiervoor genoemde beschermingshandelingen. Is alleen een last tot inning gegeven, dan is goed verdedigbaar dat de stille cedent op grond hiervan ook bevoegd is tot bovengenoemde handelingen. De handelingen dienen immers tot het behoud van de vordering, en zijn om die reden dienstig aan de inning van de vordering (vgl. art. 3:62 lid 2 BW). Als de stille cedent het beheer van de stil gecedeerde vordering is toegekend, is hij tot het verrichten van deze handelingen zonder meer bevoegd, als zij dienstig kunnen zijn aan een goed beheer van de vordering, hetgeen in beginsel het geval zal zijn. Uit de lastgeving kan ook anders voortvloeien, bijvoorbeeld dat de stille cessionaris hiertoe exclusief bevoegd blijft, of dat de stille cedent alleen met toestemming van de stille cessionaris bevoegd is.
Géén aansluiting dient te worden gezocht bij de regeling van de verpanding. Uit art. 3:245 BW vloeit voort dat de pandhouder weliswaar zelfstandig bevoegd is tot het instellen van rechtsvordering ter bescherming van de verpande vordering, maar ook dat hij de pandgever tijdig in het geding dient op te roepen, wil de rechtsvordering de pandgever ook binden, en omgekeerd. Anders dan de pandhouder (of vruchtgebruiker) heeft de cedent echter geen beperkt recht op de vordering dat bescherming verdient, en evenmin zullen partijen behoefte hebben aan een regeling waarbij zij beiden in de procedure betrokken moeten worden. Ook hieruit blijkt dat aansluiting bij de regeling van verpanding zoals de wetgever voor ogen heeft gestaan, geen navolging verdient.
Ten aanzien van schadevergoedingsvorderingen die voor de stille cessie zijn ontstaan bij de stille cedent en die niet afzonderlijk aan de stille cessionaris zijn gecedeerd, dient, bij gebreke van een bepaling van zaaksvervanging, een afzonderlijke last tot inning aan de stille cedent te worden verleend om hem inningsbevoegd te maken.