Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.2:11.2 Schets van de invloed van mensenrechtelijke normen op interstatelijke samenwerking in strafzaken: de benadering door de Hoge Raad
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.2
11.2 Schets van de invloed van mensenrechtelijke normen op interstatelijke samenwerking in strafzaken: de benadering door de Hoge Raad
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS458210:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In het overgrote deel van de gevallen zal het gaan om een verweer. Waar in het navolgende van de beoordeling van mensenrechtenverweren wordt gesproken, wordt, tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven, evenwel ook op een eventuele ambtshalve toets gedoeld.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de loop der jaren heeft de Hoge Raad, vanzelfsprekend onder invloed van het EHRM, ook kaders ontwikkeld voor de beoordeling van vragen van mensenrechtelijke aard, doorgaans naar aanleiding van een verweer,1 in zaken betreffende interstatelijke samenwerking in strafzaken. Deze laten zich schetsen langs de lijnen van de hiervoor uiteengezette basismodellen. In het navolgende worden deze beoordelingskaders besproken, waarbij telkens het verband zal worden gelegd met de jurisprudentie van het EHRM.
11.2.1 De benadering door de Hoge Raad van mensenrechten en uitlevering11.2.2 Mensenrechten en overdracht van executie11.2.3 Mensenrechten en kleine rechtshulp of overdracht van strafvervolging