Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.2.3
11.2.3 Mensenrechten en kleine rechtshulp of overdracht van strafvervolging
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS459446:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 oktober 2010, NJ 2011, 169 m.nt. Schalken.
Zie ook J.M. Sjöcrona & A.M.M. Orie, Internationaal strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Kluwer 2002, p. 211. Het toepasselijke verdrag kan van dat uitgangspunt afwijken. In een dergelijk geval dient toetsing volledig plaats te vinden aan het recht van bijv. de forumstaat. In zo’n geval ligt het echter ook voor de hand dat de vreemde autoriteiten daar bij de uitvoering van het verzoek reeds rekening mee houden.
Zie HR 8 februari 2000, LJN AA4741, r.o. 3.3 en HR 15 oktober 2002, NJ 2003, 85, r.o. 3.3.1.
Zie HR 29 september 1987, NJ 1988, 302 en HR 25 juni 1996, NJ 1996, 715, r.o. 6.1-6.5.
HR 5 oktober 2010, NJ 2011, 169 m.nt. Schalken, r.o. 4.4.1.
HR 5 oktober 2010, NJ 2011, 169 m.nt. Schalken, r.o. 4.4.2.
Met name de standaardarresten HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376 m.nt. Buruma en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013, 308 m.nt. Keulen.
HR 5 oktober 2010, NJ 2011, 169 m.nt. Schalken, r.o. 4.6.
EHRM 27 oktober 2011, 25303/08 (Stojkovic/Frankrijk en België; EHRC 2012, 23 m.nt. Ölçer).
Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013, 308 m.nt. Keulen.
HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013, 308 m.nt. Keulen, r.o. 2.4.5.
HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013, 308 m.nt. Keulen, r.o. 2.4.6.
R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (diss. Nijmegen), serie Staat en Recht, deel 19, Deventer: Kluwer 2014.
Zie over startinformatie in het strafproces: S. Brinkhoff, Startinformatie in het strafproces (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014.
HR 16 november 1999, NJ 2000, 214 m.nt. Reijntjes, r.o. 6.4.
Zie bijv. HR 16 november 1999, NJ 2000, 214, r.o. 6.3. Zie ook het oordeel van het Hof zoals weergegeven in HR 31 januari 2006, NJ 2006, 365 en HR 31 januari 2006, LJN AU3426, zaaknr. 00135/05.
HR 31 januari 2006, NJ 2006, 365 m.nt. Reijntjes, r.o. 4.4 en de samenhangende zaak HR 31 januari 2006, LJN AU3426, zaaknr. 00135/05, r.o. 4.4.
EHRM 27 juni 2000, 43286/98 (Echeverri Rodriguez/Nederland; NJ 2002, 102 m.nt. Schalken).
HR 5 oktober 2010, NJ 2011, 169 m.nt. Schalken.
Voorvraag naar verantwoordelijkheid voor opsporing
De benadering door de Hoge Raad van gestelde mensenrechtelijke problemen die aan opsporingshandelingen in de vreemde staat kleven, verschilt al naar gelang de vraag welke autoriteiten de verantwoordelijkheid ervoor dragen. Vinden de opsporingshandelingen plaats onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van een tot het EVRM toegetreden vreemde staat dan toetst de Nederlandse rechter slechts aan het in artikel 6 lid 1 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces. Toetsing aan andere mensenrechten en de strafvorderlijke voorschriften van de vreemde staat, wordt overgelaten aan de rechter van die vreemde staat.1
Opsporing onder verantwoordelijkheid autoriteiten vreemde staat
Uitgangspunt hierbij is dat in dit geval, opsporingshandelingen onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de vreemde staat, het recht van de staat waar de opsporingshandelingen worden verricht die handelingen beheerst: locus regit actum.2 Dat principe is ook terug te zien in oudere jurisprudentie van de Hoge Raad waarin hij oordeelt dat niet kan worden vereist dat op alle onderdelen aan Nederlandse procedurevoorschriften is voldaan.3 Dit moet niet worden verward met de eis dat alvorens via een rechtshulpverzoek om een bepaalde opsporingshandeling wordt gevraagd, voldaan moet zijn aan de voorwaarden voor die bevoegdheid naar Nederlands recht.4 Indien een opsporingshandeling wordt verricht zonder dat daarom is gevraagd, dan geldt dit laatste niet.
In dit verband werkt het vertrouwensbeginsel in abstracte zin: door de binding aan het EVRM (en het aangaan van een rechtshulpverdrag) is te kennen gegeven dat het strafvorderlijk systeem van die vreemde staat voldoet. De Hoge Raad wijst expliciet op het vertrouwen dat uit het EVRM voortvloeit en betrekt daarbij de jurisprudentie van het EHRM over schendingen van artikel 8 EVRM:
‘Het vertrouwen dat de tot het EVRM toegetreden staat de bepalingen van dat verdrag eerbiedigt en dat de verdachte in geval van schending van enig ander recht dan zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat hem in dat verdrag is toegekend, het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van die staat brengt voorts mee dat niet ten toets staat van de Nederlandse strafrechter of in het recht van het desbetreffende buitenland al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de verrichte onderzoekshandelingen eventueel gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, zoals bedoeld in art. 8, eerste lid, EVRM, en of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van die bepaling. Daarbij neemt de Hoge Raad tevens in aanmerking dat (i) gelet op de rechtspraak van het EHRM aan een niet gerechtvaardigde inbreuk op het door het eerste lid van art. 8 EVRM gewaarborgde recht in de strafprocedure tegen de verdachte geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM wordt gewaarborgd (vgl. EHRM 12 mei 2000, nr. 35394/ 97, NJ 2002/180 (Khan tegen Verenigd Koninkrijk) en EHRM 25 september 2001, nr. 44787/98, NJ 2003/670 (P.G. en J.H. tegen Verenigd Koninkrijk) en (ii) het in de Nederlandse strafzaak niet ten toets staande buitenlandse recht van doorslaggevende betekenis is voor de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van een dergelijke inbreuk.’5
Opsporing onder verantwoordelijkheid Nederlandse autoriteiten
De situatie is geheel anders wanneer de opsporingshandelingen in het buitenland plaatsvinden onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. In dat geval dient de rechter te toetsen aan het Nederlandse recht en aan het EVRM. Cruciaal is dan artikel 539a Sv, op grond waarvan Nederlandse opsporingsambtenaren ook in het buitenland kunnen opereren. De Hoge Raad past daarbij de Schutznorm in elk geval toe op de plicht ex artikel 539a, derde lid, Sv het volkenrecht na te leven, wanneer die plicht betrekking heeft op het respecteren van de soevereiniteit van de vreemde staat. Dat respecteren beoogt niet het belang van de verdachte te beschermen en die kan er daarom in beginsel niet van profiteren.6 Indien de rechter toch een door hem te redresseren onrechtmatigheid constateert, een schending van het recht op een eerlijk proces in de eerder besproken situatie van onderzoek onder verantwoordelijkheid van de vreemde staat of een vormverzuim in ruimere zin in de zojuist besproken situatie van onderzoek onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten, dan dient het bekende kader van artikel 359a Sv en de jurisprudentie van de Hoge Raad daarover7 te worden toegepast.8
Gedeelde verantwoordelijkheid
In het licht van het eerder besproken arrest in de zaak-Stojkovic van het EHRM9 moet het voorgaande zo worden gelezen dat de Hoge Raad (mede) doelt op de verantwoordelijkheid in de zin van artikel 1 EVRM en dat ook sprake kan zijn van een gedeelde verantwoordelijkheid. Onder omstandigheden zijn immers beide staten, zowel de verzoekende als de aangezochte, verantwoordelijk voor het garanderen van de in het EVRM opgenomen mensenrechten, het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM in het bijzonder, maar daarnaast ook voor bijvoorbeeld schendingen van artikel 8 EVRM. In een dergelijk geval – er is sprake geweest van rechtshulpverlening door een andere staat, maar onder zulke omstandigheden dat ook Nederland verantwoordelijkheid draagt voor dat deel van het onderzoek – zal de Nederlandse rechter nadrukkelijker in moeten gaan op verweren over de wijze waarop het bewijsmateriaal is vergaard. Dat betekent uiteraard niet dat het steeds tot bewijsuitsluiting zal komen. Gelet op de strenge koers die de Hoge Raad aangaande bewijsuitsluiting vaart, zal daarvoor doorgaans toch een schending van het recht op een eerlijk proces moeten worden aangevoerd.10 In een internationale context zullen de twee andere categorieën gevallen waarin bewijsuitsluiting aan de orde is, zich nog minder snel voordoen dan in een strikt Nederlandse context. Het moet dan immers gaan om een geval waarin ‘het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar sprake is van een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat in aanzienlijke mate is geschonden’ en ‘toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm’11 of om het – zeer uitzonderlijke – geval ‘waarin het desbetreffende vormverzuim naar uit objectieve gegevens blijkt zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen’.12 In de doelmiddelbenadering, die ook Kuiper voorstaat13 en waarvan de grondtrekken in dit arrest zijn te vinden, zal nog minder snel sprake zijn van dergelijke gevallen, waarin bewijsuitsluiting het aangewezen middel is om normconform handelen in de toekomst krachtig te stimuleren dan wel om structurele misstanden tegen te gaan.
Maar ook op verweren waarin aan een schending van bijvoorbeeld artikel 8 EVRM de conclusie wordt verbonden dat strafvermindering moet worden toegepast (gedacht kan worden aan een doorzoeking in het bijzijn van Nederlandse opsporingsambtenaren, die bijvoorbeeld ook aanwijzingen hebben kunnen geven) zal in een dergelijk geval moeten worden gerespondeerd.
Verhouding met artikel 359a Sv
Dat de Hoge Raad in gevallen waarin de Nederlandse autoriteiten geen verantwoordelijkheid dragen voor de normschending in het buitenland de beoordeling in het Nederlandse strafproces verengt tot een toets aan artikel 6 EVRM is in het licht van zijn jurisprudentie aangaande artikel 359a Sv zeer goed te begrijpen. Waar die normschending immers louter onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de vreemde staat heeft plaatsgevonden, valt niet in te zien waarom bewijsuitsluiting in dat Nederlandse strafproces het aangewezen middel is om het doel van toekomstig normconform handelen (door die buitenlandse autoriteiten) dan wel het tegengaan van structurele misstanden (in het buitenland) te bereiken.
Startinformatie
De beoordeling is nog iets anders wanneer uit het buitenland afkomstige informatie slechts als startinformatie wordt gebruikt.14 Startinformatie wordt niet gebruikt bij de uiteindelijke berechting van een verdachte maar dient slechts tot het opstarten van een onderzoek. Die startinformatie kan afkomstig zijn uit het buitenland. In de jurisprudentie kwam enkele malen het gebruik van mogelijk gebrekkige startinformatie aan de orde. Startinformatie uit een andere staat kan een verdenking opleveren op basis waarvan een opsporingsonderzoek in Nederland wordt gestart. Uit het voorgaande blijkt al dat opsporingshandelingen die hebben plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de vreemde autoriteiten slechts marginaal worden getoetst, in die zin dat de Nederlandse rechter zich alleen buigt over de vraag of is tegemoetgekomen aan het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces. Bij startinformatie zoals hier aan de orde, is – voordat de resultaten aan de Nederlandse autoriteiten bekend worden – in elk geval sprake van opsporing onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de vreemde staat. De Hoge Raad lijkt vervolgens belang te hechten aan de aanvankelijke beoordeling door – vooral – de verantwoordelijke officier van justitie. Indien die geen reden had te twijfelen aan de rechtmatige verkrijging van het materiaal dat de startinformatie oplevert, dan mogen de Nederlandse autoriteiten afgaan op die startinformatie
‘in die zin dat op grond van de daardoor gerezen verdenking een opsporingsonderzoek in Nederland mocht worden ingesteld en dat, ook al zou later blijken dat aan de verkrijging van die informatie in Engeland enig gebrek zou kleven, zulks op zichzelf niet tot niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in zijn strafvervolging kan leiden’.15
Omdat het om startinformatie gaat, wordt het materiaal ook niet tot het bewijs gebezigd. Voor het aanvankelijke oordeel dat de startinformatie rechtmatig is verkregen kan de verantwoordelijke officier van justitie bovendien afgaan op mededelingen omtrent de rechtmatigheid van het materiaal van autoriteiten van de vreemde staat.16
In latere jurisprudentie herhaalde de Hoge Raad deze overweging bijna woordelijk, zij het dat hij voor wat betreft niet-ontvankelijkheid een uitzondering mogelijk acht bij bijzondere omstandigheden.17 Deze uitzondering is met name gebaseerd op de benadering van het EHRM in de eerder besproken zaak-Echeverri Rodriguez tegen Nederland.18 Onduidelijk is hoe ver deze nuancering door de Hoge Raad reikt. De vraag zou moeten zijn welke onrechtmatigheden in de vreemde staat hun schaduw zo nadrukkelijk vooruitwerpen dat, ondanks een rechtmatig vervolgtraject in Nederland, de eerlijkheid van het proces blijvend in het geding is. Indien de Nederlandse autoriteiten te goeder trouw afgaan op uit het buitenland afkomstige informatie is daar niet snel sprake van. Al met al sluit dit stramien dus nauw aan bij de in zijn arrest van 5 oktober 2010 uiteengezette lijn,19 zij het dat van een nog iets marginalere toets sprake is. Zelfs als immers van een probleem met betrekking tot artikel 6, eerste lid, EVRM zou blijken, is nog maar de vraag of dat probleem groot genoeg is om een voor wat betreft het Nederlandse deel overigens rechtmatig verlopen opsporingsonderzoek toch te ‘besmetten’. Dat lijkt enkel het geval bij foltering in verband met de zaak waarover de rechter heeft te oordelen en bij onrechtmatige overheidsuitlokking.