Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.2.2
11.2.2 Mensenrechten en overdracht van executie
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455782:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Iets anders is, dat wel regelmatig wordt opgekomen tegen de opgelegde straf na omzetting. Daarbij speelt een evt. overschrijding van de redelijke termijn na de veroordeling in de vreemde staat, doorgaans in verband met een terugleveringsgarantie na eerdere uitlevering, onder omstandigheden wel een rol, zie HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2064, r.o. 2.6. Een vermeende overschrijding van de redelijke termijn voorafgaand aan de veroordeling in het buitenland moet echter worden geacht al te zijn beoordeeld in het veroordelende vonnis van de rechter van de vreemde staat. Een flagrante schending van art. 6 EVRM zal de enkele overschrijding van de redelijke termijn in de vreemde staat ook niet opleveren, nu de Hoge Raad ook geen ruimte ziet voor een niet-ontvankelijkverklaring vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. Wel zal de exequaturrechter bij de omzetting van de straf de omstandigheid dat door de vreemde rechter een overschrijding van de redelijke termijn is vastgesteld wel weer mee kunnen wegen, bijv. wanneer hij als vertrekpunt een oriëntatiepunt voor de straftoemeting voor een bepaald feit neemt.
R.o. 3.3. De HR herhaalt deze maatstaf onder verwijzing naar zijn arrest uit 2008 in HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1875. Zie ook HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9056, al kan met Kuiper worden gezegd dat de Hoge Raad het in dit laatste arrest te ‘hermetisch’ formuleert (R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (diss. Nijmegen), serie Staat en Recht, deel 19, Deventer: Kluwer 2014, p. 187-188). Hoewel inderdaad het strenge criterium van een ‘flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging’ niet aansluit bij een op strafvermindering gericht verweer zoals gevoerd in het arrest van 17 februari 2009, is het in zijn algemeenheid weer niet zo dat ‘de exequaturrechter bij zijn beslissing dient uit te gaan van de veroordeling door de buitenlandse rechter’ en het ‘hem daarbij niet vrij [staat] te treden in de beoordeling van de vraag of zich onrechtmatigheden hebben voorgedaan in het voorbereidend onderzoek, omdat die beoordeling is voorbehouden aan de buitenlandse rechter’ (r.o. 2.3). Dit is uiteraard wel het uitgangspunt, maar als er onrechtmatigheden zouden zijn begaan die tot het oordeel moeten leiden dat sprake is van een flagrant denial of justice, heeft de Nederlandse (exequatur)rechter zich daarover wel te buigen.
In het algemeen wordt de erkenning van een buitenlands vonnis als zodanig slechts zeer sporadisch aangevochten.1 Dat heeft uiteraard te maken met de eerder besproken instemmingseis die in veel gevallen geldt en het belang dat de veroordeelde dan zelf heeft bij overname van het vonnis door Nederland.
In een arrest van de Hoge Raad van 1 juli 20082had de verdediging wel de stelling betrokken dat de veroordelende beslissing een flagrante inbreuk vormt op artikel 6 EVRM (althans dat de tenuitvoerlegging van deze beslissing in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde). De Hoge Raad stelt in zijn arrest voorop
‘dat de exequaturrechter bij zijn beslissing dient uit te gaan van de juistheid van de veroordeling door de buitenlandse rechter zowel wat betreft haar inhoud als haar wijze van totstandkoming’
en dat dit slechts anders kan zijn
‘indien komt vast te staan dat bij de totstandkoming van die veroordeling sprake is geweest van een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging’.3
Hoewel de Hoge Raad het vertaalt naar Nederlandse bewoordingen, waarbij een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging de plaats inneemt van de flagrant denial of justice die het EHRM vereist, is duidelijk dat deze maatstaf rechtstreeks is ontleend aan de jurisprudentie van het EHRM. In de aangehaalde zaak treffen het verweer en daarop gebaseerde middel geen doel. Voor zover bekend, heeft ook overigens de Hoge Raad nimmer geoordeeld dat overname van een uit het buitenland afkomstig vonnis op de hiervoor besproken grond in strijd zou komen met het EVRM.