Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.2.2
4.2.2 Vaststelling van de hoogte van het voorschot (onderzoeksbudget)
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS456675:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 195 Rv. Vgl. De Groot 2012, p. 81-91.
Artikel 199 lid 2 Rv. Vgl. ook Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 134: “Zo mogelijk geeft u [bij het voorschot] al het bedrag op dat naar verwachting ook op de eindnota zal staan.”
HR 13 september 2002, NJ 2004/18, m.nt. H.J. Snijders (Uiterlinden/Van Zijp c.s.). Vgl. ook Rb. Den Haag 3 juni 2009, NJF 2009/377 (Unicom Den Haag/A. Holding c.s.).
Met dien verstande dat de rechter uiteindelijk beslist of het deskundigenbericht wordt gelast en de rechter niet gebonden is aan een eventuele intrekking van het verzoek van een partij om een deskundigenbericht te gelasten, omdat hij daartoe ook ambtshalve kan besluiten. Zo ook Rutgers in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 195 Rv, aant. 3.
Artikel 195, tweede volzin Rv; zie De Groot 2012, p. 86-88.
Vgl. Leidraad deskundigen in civiele zaken nrs. 138-139.
Vgl. hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in de beschikking HR 13 september 2002, NJ 2004/18, m.nt. H.J. Snijders (Uiterlinden/Van Zijp c.s.).
De rechter die een (voorlopig) deskundigenbericht gelast, bepaalt de omvang van het voorschot voor de kosten van het deskundigenonderzoek. De rechter kan de deskundige daartoe ambtshalve of op verzoek van een of meer partijen vragen de kosten te begroten.1 De wet bepaalt niet dat dit het bedrag is dat het deskundigenbericht in beginsel maximaal mag kosten. Dit is echter wel de strekking van de bepaling, zij het dat de wet niet uitsluit dat de rechter de schadeloosstelling en het loon van de deskundigen op een hoger bedrag vaststelt dan het voorschot.2 Het bedrag van het voorschot kan dus, net als het bedrag dat het onderzoek in de enquêteprocedure ten hoogste mag kosten, worden beschouwd als het onderzoeksbudget. Steun voor deze uitleg kan worden gevonden in de beschikking van de Hoge Raad in de zaak- Uiterlinden/Van Zijp.3 Pieter Uiterlinden had verzocht een forensisch accountant te benoemen, teneinde klaarheid te brengen in de financiële voorgeschiedenis en actuele verhoudingen tussen hem en zijn moeder, Van Zijp, en zijn broer Hans. In het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor had hij gevraagd de hoogte van de kosten van het onderzoek te bepalen en daartoe een maximering tot ƒ 10.000 in de beschikking op te nemen. De Hoge Raad besliste dat: (a) een verzoeker tot een voorlopig deskundigenbericht moet kunnen aangeven dat aan een deskundigenonderzoek voor hem het belang komt te ontvallen, indien de kosten daarvan uitgaan boven het financieel belang van het geschil of boven zijn draagkracht; (b) het ontbreken van een wettelijke regeling daaromtrent niet meebrengt dat een verzoek tot het bepalen van een bovengrens van de kosten ontoelaatbaar is; (c) de rechter van de kostenbegroting van artikel 195 Rv gebruik kan maken om te beoordelen of aan het verzoek tot maximering kan worden voldaan, waarbij een afwijzende beslissing toereikend zal moeten worden gemotiveerd; en (d) indien de deskundige het onderzoek niet voor het maximale bedrag kan uitvoeren, de rechter in beginsel, tenzij de verzoeker zijn maximeringsverzoek alsnog intrekt, het verzoek tot het houden van een onderzoek op deze grond zal moeten afwijzen. De Hoge Raad voegde daaraan toe dat indien de deskundige niet in staat is vooraf met de nodige duidelijkheid te bepalen welke kosten aan zijn onderzoek verbonden zijn, de rechter zal kunnen bepalen dat de kosten van het onderzoek niet méér mogen bedragen dan het bedrag van het voorschot dat door hem wordt vastgesteld. Hij zal de deskundige dan moeten instrueren tijdig aan te geven dat de gestelde grens van de kosten wordt bereikt. Verder kan, aldus de Hoge Raad, de rechter op grond van andere feiten en omstandigheden van het geval oordelen dat toewijzing van het verzoek tot het bepalen van het bedrag dat het te bevelen onderzoek ten hoogste mag kosten, niet mogelijk of, in verband met de daaraan verbonden complicaties of nadelige gevolgen, niet wenselijk is. In een dergelijk geval zal de verzoeker in de gelegenheid gesteld moeten worden zijn verzoek tot maximering van de kosten of zijn verzoek tot het bevelen van een deskundigenonderzoek in te trekken. Ofschoon deze beslissing is gegeven op een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht, is deze beslissing van overeenkomstige toepassing indien een partij in een procedure de rechter verzoekt de kosten van het deskundigenbericht te maximeren.4
De rechter bepaalt welke partij het voorschot moet betalen. In beginsel is dat de eisende (bij een voorlopig deskundigenbericht: verzoekende) partij, tenzij bij het vonnis respectievelijk de beschikking waarbij het deskundigenbericht wordt bevolen in verband met de omstandigheden van het geding de wederpartij of beide partijen tezamen daartoe is of zijn aangewezen.5 De partij die is aangewezen om het voorschot te betalen, is daartoe niet verplicht in die zin dat betaling van het voorschot door de wederpartij kan worden afgedwongen. Dat wil echter niet zeggen dat het niet- betalen van het voorschot zonder consequenties is. De deskundigen zullen, als zij verstandig zijn, niet aan het werk gaan voordat het voorschot is betaald.6 De rechter kan, zo nodig ambtshalve, bij de bepaling van het voorschot of nadien een termijn vaststellen voor de voldoening van het voorschot. Deze termijn kan een of meermalen worden verlengd.7 Wanneer een partij het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde termijn voldoet, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.8 Bedacht moet worden dat een partij valide redenen kan hebben om het voorschot niet te voldoen, bijvoorbeeld als zij meent dat de kosten van het deskundigenbericht niet opwegen tegen het processuele nadeel dat zij door het niet-doorgaan van het deskundigenbericht kan lijden.9