Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.6.3
4.4.6.3 Conclusies
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581918:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie in gelijke zin Alkema 2000, p. 1058; Martens & Ten Kate 2000, p. 1623, Brenninkmeijer 2001a, p. 60-61; Terlouw 2003, p. 343-344.
Vgl. in dezelfde zin Van der Meulen 1997, p. 298.
Zie hierover uitgebreider § 4.5.4 en § 4.5.5.
Tenzij de burger er een beroep op doet dat in casu sprake is van een 'bijzonder geval' dat tot afwijking van de beleidsregel dient te leiden. Alsdan zal het bestuur onder omstandigheden moeten motiveren waarom niet van de beleidsregel wordt afgeweken (vgl. Konijnenbelt & Van Male 2002, p. 230).
Vgl. Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 40 en HR 4 juni 1993 (Vredo/Veenhuis), Nj 1993, 659 m.nt. DWFV.
Het voorgaande overziend meen ik dat de in deze paragraaf besproken verschillen tussen rechter en bestuur niet van dien aard zijn, dat de eerder aangenomen parallel tussen beleidsregels en (bepaalde) rechtersregelingen in algemene zin onmogelijk zou zijn. Rechtersregelingen kunnen, zoals een eerste analyse van het rolrichtlijnen-arrest al deed vermoeden, in beginsel inderdaad naar analogie met bestuurlijke beleidsregels behandeld worden.1 In eerdere paragrafen is dit op een aantal punten reeds gebeurd; daarnaast kan bijvoorbeeld bij de invulling van de voorwaarden waaronder een rechtersregeling als recht in de zin van art. 79ro beschouwd kan worden, gekeken worden naar de wijze waarop deze voorwaarden bij beleidsregels worden ingevuld.2 Wel dient hierbij uiteraard steeds rekening gehouden te worden met de eigen aard van de rechterlijke functie.3 Met name is het de vraag of de binding die aan beleidsregels wordt toegekend, zich altijd even goed verdraagt met het speciale karakter van rechtspraak en rechtsvorming door de rechter.4
Een analoge behandeling van beleidsregels en rechtersregelingen is, kortom, slechts mogelijk voorzover de eigen aard van rechtersregelingen zich daartegen niet verzet. Dit laatste zal zich, naast het reeds genoemde punt van binding, bijvoorbeeld kunnen voordoen op het punt van de motivering van beslissingen. Een bestuursorgaan kan namelijk, bij toepassing van een beleidsregel, ter motivering van zijn besluit in beginsel volstaan met verwijzing naar die beleidsregel (zie art. 4:82 Awb).5 Overeenkomstige toepassing van déze regel op rechterlijke uitspraken ligt mijns inziens niet direct voor de hand. Een behoorlijke motivering is immers onder meer van belang voor de aanvaardbaarheid van de uitspraak voor partijen - ook voor de verliezende partij.6 Hiermee strookt niet zonder meer dat de rechter zijn beslissing door de enkele verwijzing naar een rechtersregeling zou kunnen motiveren.