Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.3.5.1:8.3.5.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.3.5.1
8.3.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS579483:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Eerder bleek al dat de binding aan precedenten in ons rechtssysteem niet als een zeer strikte binding wordt gezien, maar eerder als een 'in beginsel' of 'voorwaardelijke' binding, hetgeen inhoudt dat de rechter in bepaalde (meer of minder strikt afgebakende) gevallen zal mogen afwijken van een precedent.1 Onder afwijking moet hier worden verstaan: het terugkomen op de in een eerdere uitspraak neergelegde rechtsregel (in Engeland aangeduid met de term 'overruling'), als gevolg waarvan de eerdere regel niet langer als geldend recht wordt aanvaard.2 De rechter kan ook nog op andere manieren afwijken van een precedent, namelijk door bijvoorbeeld een uitzondering of verfijning daarop aan te nemen. Om deze laatste vorm van afwijking (het zgn. 'distinguishing') gaat het hier echter niet.
In § 7.5.4 is in algemene zin de vraag behandeld wanneer afwijking van een precedent mogelijk dient te zijn. Aan de hand van de aldaar getrokken conclusies kan in deze paragraaf worden bezien wanneer - uitgaande van de situade waarin de rechter gebonden is aan een bepaalde rechtersregeling omdat deze in uitspraken van hogere rechters is aanvaard - hij van die regeling zal mogen afwijken.