Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/1.4.2.4.4
1.4.2.4.4 Het inzichtvereiste
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS296844:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hijink (2010), p. 390, met verwijzing naar: P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 16e druk, Deventer 2013, en Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht, Deventer, 2006, p. 539.
Camfferman (2008), p. 57, met verwijzing naar Kamerstukken 2004/2005, 29 737, nr. 7, p. 7-8. Indien sprake is van een ander stelsel, kan het inzichtvereiste wel van toepassing zijn. Artikel 2:362 lid 1 BW tweede volzin luidt: ‘Indien de internationale vertakking van zijn groep dit rechtvaardigt kan de rechtspersoon de jaarrekening opstellen naar de normen die in het maatschappelijk verkeer in een van de andere lidstaten van de Europese Gemeenschappen als aanvaardbaar worden beschouwd en het in de eerste volzin bedoelde inzicht geven’.
Reimers (2006), p. 471.
Beckman & Krens, 4.1.2 uitgangspunten en beginselen.
De Haan (2009), p. 87.
Van Onzenoort (2010), nr. 12. Zie paragraaf 4.4.3.4 voor een nadere uitwerking van dit begrip.
De externe accountant dient te onderzoeken of de jaarrekening het in artikel 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht geeft1 (zie paragraaf 1.4.2.3 voor de definitie van het inzichtvereiste). Het inzichtvereiste wordt ook wel de ‘hoofdregel’ van het jaarrekeningenrecht genoemd.2
Tevens moet worden voldaan aan de leden 2 en 3 van artikel 2:362 BW, inhoudende dat de balans respectievelijk winst- en verliesrekening met toelichting getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte en samenstelling van het vermogen (activa en passiva) en van het resultaat (baten en lasten) moet weergeven.
Artikel 2:362 lid 1 BW is niet van toepassing indien EU IFRS worden toegepast.3
Het gaat bij het inzichtvereiste dus om aanvaardbare normen en niet om aanvaarde normen. Het is niet vereist dat de normen reeds worden toegepast, of reeds zijn getoetst op aanvaardbaarheid. De normen moeten leiden tot een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd. Het vereiste van het inzicht leidt er toe dat de jaarrekening als geheel aan de normen moet voldoen.4 Tot de aanvaardbare normen behoren wettelijke normen, jurisprudentiële normen en buitenwettelijke normen. Er is dus sprake van een zekere ‘plus’ boven de wettelijke normen. Wettelijke normen bestaan onder meer uit de in titel 9 Boek 2 BW weergegeven algemene uitgangspunten en beginselen. Voor de toepassing ervan is de uitleg in de jurisprudentie van belang, alsmede hetgeen in het maatschappelijk verkeer is aanvaard.5 De RJ vormen de belangrijkste buitenwettelijke normen. Zoals eerder opgemerkt, worden uitspraken van de Hoge Raad in de richtlijnen verwerkt, voor zover deze een algemeen karakter hebben.
Uit het voorgaande volgt dat er veel ruimte is voor interpretatie bij het inzichtvereiste. Dit betekent dat er flexibiliteit bestaat met betrekking tot de op te maken jaarrekening. Denkbaar is dat één onderneming zijn jaarrekening op verschillende manieren kan inrichten, die allen een voldoende inzicht opleveren.6 Dit betekent dat er een belangrijke toetsende rol is weggelegd voor de accountant bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het inzichtvereiste. De toets van het inzichtvereiste betreft geen exacte werkelijkheid. Er is sprake van professionele oordeelsvorming.7