Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/3.4.3
3.4.3 Medeplegen
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS343682:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Knigge 2003, p.297.
Smidt I, p. 434-442. Zie hieromtrent verder de bespreking van recente rechtspraak van de Hoge Raad hierna.
HR 15 mei 2007, NJ 2007/298. Dat er niet een inhoudelijk verschil is beoogd, blijkt uit de rechtspraak die wordt genoemd in Keulen e.a. 2010, p. 36-37. Het feit dat de Hoge Raad nu spreekt van een ‘bewuste en nauwe samenwerking’ en niet meer van een ‘volledige en nauwe’ samenwerking zou in die zin een wijziging behelzen dat de medepleger bij de uitvoering buiten beeld kan blijven, zoals ook nadrukkelijk bepaald werd in het Containerdiefstal-arrest.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 (Overzichtsarrest medeplegen).
R.o. 3.2.2. De Hoge Raad plaatst zijn overwegingen met betrekking tot het medeplegen voor een deel in de sleutel van het onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid. Zie hierna in paragraaf 3.4.6 over medeplichtigheid.
Zie bijvoorbeeld De Hullu 2012, p. 435 jo. 444; Postma 2014, p. 262-266; Rozemond 2011, p. 157.
Postma 2015, p. 129.
De Hullu 2012, p. 437.
R.o. 3.2.2.
R.o. 3.2.3.
De Hullu 2018, p. 470. Zie in gelijke zin Rozemond 2015, p. 895.
Kelk/De Jong 2013, p. 471.
Postma 2014, p. 95-103.
Knigge 2003, p. 297. In het oorspronkelijke regeringstonwerp gold voor ‘medeplegen’ een opzetvereiste, maar op aandrang van de Kamercommissie werd dit geschrapt o.a. omdat niet wenselijk werd geacht dat door een opzetvereiste medeplegen van culpoze delicten en overtredingen niet mogelijk zou zijn. Smidt I, p. 434-442. Zie ook de Hullu 2018, p. 471-472.
HR 21 juni 1926,NJ 1926, p. 955 e.v. (Magazijnbediende).
Medeplegen is zoals gezegd een directe deelnemingsvorm die dicht in de buurt van het plegen komt. De medepleger staat als directe deelnemer niet naast de pleger, maar treedt tezamen met de andere medepleger in de plaats van de pleger. Zij vervullen in gezamenlijkheid de bestanddelen van de delictsomschrijving.1 In het oorspronkelijk regeringsontwerp werd ter aanduiding van wat thans medeplegen wordt genoemd de formulering ‘opzettelijk tot het plegen van een strafbaar feit medewerken’ gebezigd. Na kritiek van de Tweede Kamercommissie werd deze vervangen door de term ‘medeplegen’ waarmee uitvoering werd gegeven aan de wens van de Kamer om een duidelijker afbakening met de deelnemingsvorm medeplichtigheid (in het bijzonder de behulpzaamheid ex art. 48 onder 1 Sr) te bewerkstelligen.2 De figuur van het medeplegen heeft in de rechtspraak van de Hoge Raad nader invulling gekregen. In het Wormerveerse brandstichting-arrest besliste de Hoge Raad dat de samenwerking tussen de beide personen ‘zoo volledig en zoo nauw is geweest (…) dat de handelingen van de requirant (…) het karakter (…) dragen (…) van een tezamen en in vereeniging voltooide brandstichting’.3 Een volledige en nauwe samenwerking is hierna gaan dienen als criterium voor medeplegen. In latere arresten is dit criterium veranderd in ‘bewuste en nauwe samenwerking’, maar uit de rechtspraak kan niet worden afgeleid dat hiermee ook een inhoudelijke wijziging is beoogd.4
De Hoge Raad heeft in een overzichtsarrest uit 2014 de vereisten voor medeplegen gerecapituleerd.5 In dit arrest wordt benadrukt dat de medepleger een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.6 Dit is in overeenstemming met de heersende opvatting dat de verdachte een substantieel aandeel moet hebben gehad in de voltooiing van het strafbare feit.7 De Hoge Raad borduurt vervolgens voort op de gangbare tweedeling tussen gevallen waarin de nauwe samenwerking bestaat uit een gezamenlijke uitvoering en de gevallen waarin de medepleger niet betrokken is geweest bij de uitvoeringshandeling. Bij een gezamenlijke uitvoering wijst de aard van de bijdrage van de verdachte reeds op een wezenlijk aandeel in de totstandkoming van het strafbare feit.8 Daarmee is de gezamenlijke uitvoering bij uitstek een omstandigheid die de vereiste samenwerking kan staven.9 Indien de verdachte lijfelijk afwezig is bij de uitvoering van het delict, hangt het volgens het rechtscollege van de omstandigheden af of de bijdrage die de verdachte voor of na het delict heeft geleverd zoveel gewicht heeft dat van medeplegen kan worden gesproken. Als niet-limitatief opgesomde afwegingsfactoren worden genoemd de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip’.10 Aan het zich niet distantiëren van het strafbare feit komt in dit verband geen grote betekenis toe, zo vervolgt de Hoge Raad. Geheel in lijn met het uitgangspunt van de gezamenlijke uitvoering stelt het rechtscollege dat een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering gecompenseerd dient te worden door bijvoorbeeld een grotere rol in de voorbereiding.11 In alle gevallen is voor medeplegen noodzakelijk dat de gedragingen wezenlijk hebben bijgedragen aan het plaatsvinden van het delict.
Het bijvoeglijk naamwoord ‘bewust’ in het criterium ‘bewuste en nauwe samenwerking’ impliceert dat voor strafbaar medeplegen opzet op de samenwerking is vereist. De Hoge Raad wijdt hieraan in het hiervoor genoemde arrest geen overwegingen. De Hullu stelt dat ‘met het bewijs van die objectieve zijde van de samenwerking [wezenlijke bijdrage, AK] het bewijs van de bewuste samenwerking doorgaans ook wel is geleverd. De vereisten van de samenwerking kunnen sterk met elkaar samenhangen’.12 Een gemaakte afspraak is voldoende, maar niet noodzakelijk omdat ‘wederzijds begrip’ kan volstaan.13 De medepleger behoeft in elk geval geen opzet te hebben op de precieze gang van zaken bij de uitvoering.14 Gezien het feit dat medeplegen beschouwd wordt als een directe vorm van deelnemen, behoeft het opzet van de medepleger enkel gericht te zijn op bestanddelen waarop ook het opzet van de pleger volgens de delictsomschrijving gericht moet zijn.15 Bij kwaliteitsdelicten geldt dat medeplegen daarvan mogelijk is mits het opzet van de medepleger gericht was op de vereiste kwaliteit die een van de andere betrokkenen bezat.16