Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.1:6.3.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.1
6.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS579463:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie met name § 4.4.5.
Zie HR 28 maart 1990, NJ 1991,118 m.nt. MS, r.o. 4.5. Zie over dit arrest ook § 4.2.3.
Dat verschillen in toepassing niet denkbeeldig zijn wordt gedemonstreerd door Van Triest 2004, p. 23-24, m.b.t. de (uiteenlopende) toepassing van de landelijke procesreglementen op het gebied van het familierecht door de rechtbanken binnen het ressort 's-Hertogenbosch.
HR 3 april 1998, Nf 1998, 571, Conclusie sub 2.13; zie over deze uitspraak ook § 5.2.3.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De theoretische grondslag waarop de binding aan de hier besproken rechtersregelingen berust is, zo bleek eerder, gelegen in de werking van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging, met name het gelijkheids- en het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel.1 Hoewel de juridische binding aan dergelijke rechtersregelingen dus niet afhankelijk is van de vraag of zij (tevens) recht in de zin van art. 79 RO vormen, biedt dit etiket niettemin een belangrijke toegevoegde waarde. Als gevolg hiervan wordt immers een bepaalde mate van controle in cassatie mogelijk, zowel op de uitleg als op de toepassing van de desbetreffende regeling. Het is ditzelfde argument dat de Hoge Raad al in het Leidraad-arrest hanteerde om de uitbreiding van zijn controle tot bestuurlijke beleidsregels te motiveren. Gelet op de steeds belangrijker rol die beleidsregels in de praktijk zijn gaan spelen bij het bepalen van de verhouding tussen overheid en burger, en gelet op de daarmee samenhangende behoefte aan eenvormige interpretatie van en zekerheid omtrent de inhoud en strekking van die regels, is het volgens de Hoge Raad immers wenselijk dat zijn taak zich mede tot de uitleg daarvan uitstrekt.2
Ten aanzien van rechtersregelingen geldt dit belang evenzeer. Met name bij rechtersregelingen die op landelijk niveau worden vastgesteld is het wenselijk dat de hoogste rechter controle kan uitoefenen op de wijze waarop deze door de lagere rechters worden uitgelegd en toegepast. Anders zouden immers alsnog de regionale verschillen ontstaan die men door vaststelling van een dergelijke rechtersregeling juist bedoelde te reduceren.3 De Hoge Raad vormt hierbij overigens een soort 'rechtseenheidsvoorziening in het kwadraat', die tot taak heeft de uniforme uitleg te controleren van regelingen die op zichzelf al bedoeld zijn om een uniforme toepassing van de wet te garanderen.
Het zal overigens duidelijk zijn, dat de extra controlemogelijkheden die ontstaan wanneer een rechtersregeling voldoet aan de criteria voor 'recht', ertoe kunnen leiden dat de werkdruk van de toch al zwaar belaste Hoge Raad nog verder toeneemt. Het is dus enigszins de vraag in hoeverre de Hoge Raad werkelijk bereid zou zijn om rechtersregelingen als de alimentatienormen of het liquidatietarief4 als recht in de zin van art. 79 RO te erkennen, ook indien deze wél zouden voldoen aan de voorwaarden die in de voorgaande twee hoofdstukken zijn geformuleerd. In deze richting wijst althans een opmerking uit de Conclusie van A-G Bakels voor het arrest Lindeboom/Beusmans.5 Bakels komt tot de slotsom dat het huidige liquidatietarief géén recht in de zin van art. 79 RO vormt en vermeldt dat daarbij heeft meegewogen dat de Hoge Raad niet moet worden overstroomd met "een vloedgolf van klachten over kostenberekeningen". In hoeverre de Hoge Raad deze mening deelt, zal de toekomst moeten uitwijzen.
Wat daarvan verder ook zij, van belang om vast te stellen is thans dat de kwalificatie van een rechtersregeling als recht in de zin van art. 79 RO, de cassatierechter in beginsel de mogelijkheid biedt tot controle op zowel de uitleg als de toepassing van een zodanige regeling. Denkbaar is bijvoorbeeld dat partijen met succes in cassatie kunnen klagen over het feit dat de lagere rechter een (hem bindende) rechtersregeling niet heeft toegepast, of omgekeerd over het feit dat hij een zodanige regeling wél heeft toegepast terwijl hij in de gegeven omstandigheden juist van zijn bevoegdheid tot afwijking gebruik had moeten maken. Aldus maakt de kwalificatie van een rechtersregeling als recht in de zin van art. 79 RO het mogelijk dat de binding van de rechter daaraan (die in theoretische zin reeds bestaat op grond van de werking van algemene rechtsbeginselen) voor partijen daadwerkelijk 'afdwingbaar' wordt. De mogelijkheden hiertoe worden in deze paragraaf verder uitgewerkt.