Hof Den Haag 21 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1176.
HR, 14-01-2025, nr. 23/02585
ECLI:NL:HR:2025:28, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-01-2025
- Zaaknummer
23/02585
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:28, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑01‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1176, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1121
ECLI:NL:PHR:2024:1121, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:28
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑09‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑05‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0007
Uitspraak 14‑01‑2025
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. deelneming aan voortzetting van werkzaamheid van verboden organisatie, art. 140.2 (oud) Sr. Kan op motor op openbare weg dragen van kleding van lokale, op zichzelf niet verboden, chapters van (verboden) motorclub worden aangemerkt als “voortzetting van werkzaamheid” van verboden organisatie a.b.i. art. 140.2 (oud) Sr? Art. 2:20.1 BW. Aan delictsbestanddeel “voortzetting van werkzaamheid” a.b.i. art. 140.2 (oud) Sr komt ruime uitleg toe, waarbij het gaat om “iedere gedraging die ten dienste staat aan voortbestaan van verboden organisatie” (vgl. HR:2023:1612). Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat voor oordeel of sprake is van “voortzetting van werkzaamheid” a.b.i. art. 140.2 (oud) Sr is vereist dat gedraging van verdachte ten dienste staat aan voortbestaan van verboden organisatie. Hof heeft echter met zijn oordeel dat enkele gedraging van het op openbare weg dragen van kleding van lokale, op zichzelf niet verboden, chapters van (verboden) motorclub, onvoldoende is om aangemerkt te kunnen worden als gedraging die ten dienste staat aan voortzetting van werkzaamheid van verboden organisatie, blijk gegeven van te beperkte uitleg van dat bestanddeel. Mede gelet op gronden waarop verbodenverklaring en ontbinding berusten, kan ook zo’n gedraging worden aangemerkt als gedraging die ten dienste staat aan voortbestaan van deze verboden organisatie. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/03552.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02585
Datum 14 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 juni 2023, nummer 22-002874-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsman van de verdachte, O.J. Much, advocaat in Rotterdam, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de enkele gedraging van het op de motor op de openbare weg dragen van kleding van lokale, op zichzelf niet verboden, Bandidos chapters onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als (het deelnemen aan de) ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie als bedoeld in artikel 140 lid 2 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
2.2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 11 augustus 2021 te ’s-Gravenhage en/of Delft, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing van 24 april 2020 verboden is verklaard, te weten motorclub Bandidos MC Holland, immers heeft hij, verdachte, op 11 augustus 2021 op de snelweg A4 links ter hoogte van Delft en/of op de Ypenburgse Stationsweg te ’s-Gravenhage een jas en/of een trui en/of een t-shirt gedragen met hierop de uiterlijke kenmerken en/of de naam van motorclub Bandidos MC Holland en/of Bandidos Amsterdam en/of Bandidos Rotterdam en/of het zogeheten “1% logo”.”
2.2.2
Het hof heeft de verdachte vrijgesproken. Het heeft daartoe onder meer overwogen:
“Wettelijk kader en jurisprudentie
Het Openbaar Ministerie kan op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de rechter verzoeken een rechtspersoon, zoals een (informele) vereniging of stichting, te verbieden en te ontbinden, als de werkzaamheid daarvan in strijd is met de openbare orde. Na een dergelijk verbod is de deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een dergelijke rechtspersoon (organisatie) strafbaar (artikel 140, tweede lid, Sr (oud)).
Het Openbaar Ministerie heeft in een civielrechtelijke procedure bij de rechtbank Midden-Nederland verzocht BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd zou zijn met de openbare orde. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 december 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:6241) BMC Holland verboden verklaard vanwege – kortweg – de binnen BMC Holland bestaande cultuur waarin het plegen van (ernstig) geweld wordt gestimuleerd.
In het hoger beroep is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 18 december 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:10865) – evenals de rechtbank – tot het oordeel gekomen dat het verzoek van het Openbaar Ministerie om BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, moet worden toegewezen.
Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt verder dat de lokale Nederlandse Bandidos-chapters en hun leden lid zijn van BMC Holland. Met het verbod en de ontbinding van BMC Holland is het deze (rechts)personen niet langer toegestaan van BMC Holland lid te zijn en is het hun verboden om de werkzaamheid van BMC Holland in welke vorm dan ook voort te zetten. Daarmee is niet gezegd dat het de leden van BMC Holland, waaronder de lokale chapters, verboden is om te bestaan en om hum eigen werkzaamheid – voor zover die niet (ook) als een werkzaamheid van BMC Holland kan worden aangemerkt – voort te zetten. De lokale chapters zijn geen onzelfstandig onderdeel van BMC Holland, maar vormen in zichzelf een bestendige organisatie met leden. Zij zijn daarom zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid.
Bij beschikking van 24 april 2020 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:797) het beroep van het Openbaar Ministerie tegen de hiervoor vermelde beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2018 verworpen. Het oordeel van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 18 december 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:10865) is daarmee bevestigd, waardoor is komen vast te staan dat het verbod en de ontbinding van BMC Holland zich niet uitstrekt over de lokale chapters.
Het oordeel van het hof
Aan de verdachte is (samengevat) ten laste gelegd deelname aan voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard, zoals omschreven in artikel 140, tweede lid, Sr (oud).
Het enkele feit dat het verbod en de ontbinding van BMC Holland zich niet uitstrekken over de lokale chapters, zoals hiervoor vermeld, betekent nog niet dat (de leden van) deze chapters zich niet schuldig kunnen maken aan het voortzetten van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland.
In lijn met de overwegingen in het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 12 oktober 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:3486), is het hof van oordeel dat voor de vaststelling of in een concreet geval sprake is van de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie, zoals bedoeld in artikel 140, tweede lid, Sr (oud), is vereist dat wordt gekeken of de gedraging van de verdachte ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie, in dit geval BMC Holland. Daarbij dient de tenlastegelegde gedraging een aandeel te hebben in, dan wel ondersteunend te zijn aan de voortzetting van de werkzaamheid van BMC Holland, met als gevolg dat BMC Holland wordt voortgezet op een wijze die strijdig is met de openbare orde.
Blijkens het proces-verbaal van aanhouding heeft de verdachte op de snelweg op een motor gereden, waarbij hij kleding droeg waarop de logo’s en kleuren (full colors) van Bandidos zichtbaar waren. Het ging om een jas/trui van Bandidos Rotterdam, tevens voorzien van het logo 1%, met daaronder een jas/trui van Bandidos Amsterdam en een t-shirt van Bandidos Rotterdam, en daarmee om kleding met logo’s van verschillende lokale chapters.
Naar het oordeel van het hof is de enkele gedraging van het – individueel – op de openbare weg dragen van kleding van (een) lokale, op zichzelf niet verboden, Bandidos chapter(s), hoewel dit wellicht als maatschappelijk onwenselijk en/of aanstootgevend kan worden gezien, onvoldoende om aangemerkt te kunnen worden als een gedraging die ten dienste staat aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat de verdachte ooit lid is geweest van, of enige activiteit heeft verricht voor BMC Holland dan wel een van de chapters.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat naar het oordeel van het hof noch uit de door de advocaat-generaal aangehaalde wetgeschiedenis bij de Wet van 23 juni 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheid tot het verbieden van rechtspersonen, waarbij artikel 140, tweede lid, Sr is gewijzigd, noch uit de wetsgeschiedenis bij het Wetsvoorstel bestuurlijk verbod ondermijnende organisatie valt af te leiden dat de wetgever het enkele in het openbaar dragen van bepaalde organisatie gerelateerde kleding en symbolen zonder meer aanmerkt als het voortzetten van een verboden organisatie.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.”
2.3.1
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 2:20 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW):
“Een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.”
- Artikel 140 lid 2 Sr is geplaatst in Titel V van Boek 2 (“Misdrijven tegen de openbare orde”) en luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit (voorafgaand aan de inwerkingtreding van de onder 2.3.2 te noemen wet):
“Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
2.3.2
Het nader rapport bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 23 juni 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 310) houdt onder meer in:
“De Afdeling constateert dat de strafbaarheid wegens voortzetting van de activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon, als bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr, in feite een dode letter is, mede omdat onduidelijkheid bestaat over de betekenis en reikwijdte daarvan. Duidelijker zou moeten worden wat wordt verstaan onder «de werkzaamheid» van een verboden organisatie in de zin van artikel 140 lid 2 Sr. Tevens stelt de Afdeling dat de effectiviteit van artikel 140 lid 2 Sr zou kunnen worden vergroot door het verwarrende bestanddeel «deelneming» te schrappen en door opname in de wet van een niet-limitatieve opsomming van concrete voortzettingsgedragingen. De kern van artikel 140 lid 2 Sr is dat de voortzetting van activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon strafbaar is. Die strafbaarheid staat los van de vraag welke activiteiten of welke doelen aanleiding zijn geweest voor de verbodenverklaring zelf. Dit uitgangspunt geldt ongeacht de vorm waarin de voortzetting plaatsvindt, of het directe dan wel indirecte karakter van de voortzetting. In die zin past een ruime uitleg bij het begrip «voortzetting van de werkzaamheid», bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr. Over de vraag op welke concrete wijzen de voortzetting zoal z’n beslag kan krijgen, zwijgt artikel 140 lid 2 Sr.Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het «in de lucht» houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon.De casuïstiek is hier dermate groot, dat iedere wettelijke opsomming, zelfs een indicatieve, bij voorbaat te kort zou schieten, en voor de rechtsontwikkeling misschien zelfs een onnodig verstarrend effect zou kunnen hebben. Daarom is volstaan met de genoemde verduidelijking in de toelichting. Wel is, overeenkomstig het advies van de Afdeling, het verwarrende bestanddeel «deelneming aan» geschrapt. Daarmee wordt verduidelijkt dat het voor de strafbaarheid ex artikel 140 lid 2 Sr moet gaan om de daadwerkelijke «voortzetting» van de activiteiten van een verboden rechtspersoon. Een aparte bewezenverklaring van «deelneming», zoals de huidige tekst van artikel 140 lid 2 Sr zou kunnen suggereren, is daarbij niet van belang.”(Kamerstukken II 2019/20, 35366, nr. 4, p. 8-9.)
2.4
Mede in het licht van de onder 2.3.2 weergegeven wetsgeschiedenis – waarmee de wetgever een verduidelijking heeft willen geven van wat onder het delictsbestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ in de zin van artikel 140 lid 2 (oud) Sr moet worden verstaan – komt aan dat bestanddeel een ruime uitleg toe, waarbij het gaat om “iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie” (vgl. HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1612).
2.5.1
Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:6241 (in zoverre bekrachtigd bij beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10865) is Bandidos Motorcycle Club Holland (hierna: BMC Holland) op grond van artikel 2:20 BW verboden verklaard en ontbonden, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde. De verbodenverklaring houdt in dat de aanwezigheid van de Bandidos in Nederland, in welke verschijningsvorm ook, wordt beëindigd.De aanleiding van die, met de beschikking van de Hoge Raad van 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797 onherroepelijk geworden verbodenverklaring is – kort gezegd – de binnen BMC Holland bestaande cultuur waarin het plegen van (ernstig) geweld wordt gestimuleerd, in welk verband in die procedure is vastgesteld dat de leden van BMC Holland de naam “Bandidos” en hun “colors” (kleding met naar BMC Holland verwijzende uiterlijke kenmerken) gebruiken om hun daden en woorden kracht bij te zetten. In die procedure is verder vastgesteld dat alleen personen die lid zijn van een bij BMC Verenigde Staten, BMC Europe of BMC Australasia aangesloten chapter de (wereldwijd dezelfde) clubkleding van Bandidos mogen dragen – veelal mouwloze leren vesten in de clubkleuren (colors), met daarop de naam “Bandidos MC” en met daarop dezelfde soort symbolen – en dat deze symbolen binnen BMC een zelfde betekenis hebben. Voorts is vastgesteld dat de Bandidos zichzelf typeren als een motorclub (MC) met een cultuur van wetteloosheid, een “outlaw-cultuur” omdat zij zichzelf zien als een “1%”-MC en dat ook expliciet uitdragen: de Bandidos tonen het “1%”-teken – een teken waarmee MC’s en hun leden aan de buitenwereld laten zien dat zij buiten de wet (willen) opereren, dat zij “outlaws” zijn – in het openbaar, bijvoorbeeld op de colors (door middel van de “1%”-patch).De verbodenverklaring en ontbinding van BMC Holland strekken zich niet uit over de lokale Nederlandse afdelingen (chapters) van de Bandidos motorclub.
2.5.2
Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat voor het oordeel of sprake is van de ‘voortzetting van de werkzaamheid’ als bedoeld in artikel 140 lid 2 (oud) Sr is vereist dat de gedraging van de verdachte ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. In het licht van wat onder 2.4 is vooropgesteld, heeft het hof echter met zijn oordeel dat de enkele gedraging van het op de openbare weg dragen van kleding van lokale, op zichzelf niet verboden, Bandidos chapters, onvoldoende is om aangemerkt te kunnen worden als een gedraging die ten dienste staat aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland, blijk gegeven van een te beperkte uitleg van dat bestanddeel. Mede gelet op de in 2.5.1 weergegeven gronden waarop de verbodenverklaring en ontbinding berusten, kan ook zo’n gedraging worden aangemerkt als een gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van deze verboden organisatie.
2.6
De klacht is gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2025.
Conclusie 05‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-cassatie. Art. 140.2 (oud) Sr. Klachten over oordeel hof dat dragen kleding met logo dat lijkt op dat van verboden organisatie niet valt onder 'voortzetting van de werkzaamheid' van die verboden organisatie. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02585
Zitting 5 november 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 21 juni 2023 vrijgesproken van deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie.1.
1.2
Namens het openbaar ministerie heeft H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft O.J. Much, advocaat in Rotterdam, het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
2. De zaak
2.1
De verdachte heeft op de openbare weg op een motor gereden, terwijl hij een jas of trui van Bandidos Rotterdam droeg, met daaronder een jas of trui van Bandidos Amsterdam en een T-shirt van Bandidos Rotterdam. Het ging dus om kleding van lokale afdelingen van de Bandidos. De landelijke organisatie van de Bandidos, BMC Holland, is door de rechter verboden verklaard en deze verbodenverklaring geldt niet voor lokale afdelingen die zelf rechtspersoon zijn.2.
2.2
Het gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat de gedraging van de verdachte niet kan worden aangemerkt als deelneming aan de ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie zoals bedoeld in art. 140 lid 2 (oud) Sr. Tot eenzelfde beslissing kwam het gerechtshof Amsterdam in een vergelijkbare zaak waarin ik vandaag ook concludeer.3.
2.3
De Hoge Raad heeft op 5 december 2023 uitspraak gedaan in een enigszins vergelijkbare zaak. Die zaak ging over een verdachte die met kleding van de Bandidos en Bandidos Sittard naar de ingang van een gerechtsgebouw liep waar een strafzaak tegen leden van Bandidos Sittard werd gehouden. Volgens het gerechtshof ’s-Hertogenbosch viel deze gedraging niet binnen het bereik van art. 140 lid 2 (oud) Sr.4.Conform de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van het hof, omdat het hof gelet op de omstandigheden in die zaak de strafbepaling te beperkt had uitgelegd.5.Uiteindelijk is de verdachte na terugwijzing alsnog door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld.6.Dat geldt ook voor twee andere verdachten in uitspraken van dat hof van diezelfde dag in zaken die wat de feiten betreft vergelijkbaar zijn met de zaken die nu in cassatie voorliggen.7.
2.4
In de nu voorliggende zaak wordt de vraag aan de Hoge Raad voorgelegd of het op de openbare weg dragen van kleding met een logo dat sterke gelijkenis vertoont met dat van een verboden motorclub zonder meer niet als deelname aan de ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie kan worden aangemerkt. In deze zaak is immers geen sprake van een verdere context – bijvoorbeeld een bezoek met anderen aan een gerechtsgebouw – die de gedraging een intimiderend karakter geeft, zoals in de zaak waarin de Hoge Raad in 2023 heeft geoordeeld. Daarmee wordt de vraag of het dragen van kleding binnen het bereik van art. 140 lid 2 (oud) Sr valt scherper gesteld.
2.5
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de gedraging van de verdachte niet kan worden aangemerkt als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie. De schriftuur bevat daarover twee klachten. Hieronder geef ik eerst de relevante processtukken weer (onder 3). Daarna behandel ik de klachten (onder 4 en 5). Ik sluit af met een slotsom (onder 6).
3. De relevante processtukken
3.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 11 augustus 2021 te 's-Gravenhage en/of Delft, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing van 24 april 2020 verboden is verklaard, te weten motorclub Bandidos MC Holland, immers heeft hij, verdachte, op 11 augustus 2021 op de snelweg A4 links ter hoogte van Delft en/of op de Ypenburgse Stationsweg te 's-Gravenhage een jas en/of een trui en/of een t-shirt gedragen met hierop de uiterlijke kenmerken en/of de naam van motorclub Bandidos MC Holland en/of Bandidos Amsterdam en/of Bandidos Rotterdam en/of het zogeheten
"1% logo".”
3.2
Het hof heeft de verdachte vrijgesproken. Het heeft daartoe overwogen:
“Wettelijk kader en jurisprudentie
Het Openbaar Ministerie kan op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de rechter verzoeken een rechtspersoon, zoals een (informele) vereniging of stichting, te verbieden en te ontbinden, als de werkzaamheid daarvan in strijd is met de openbare orde. Na een dergelijk verbod is de deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een dergelijke rechtspersoon (organisatie) strafbaar (artikel 140, tweede lid, Sr (oud)).
Het Openbaar Ministerie heeft in een civielrechtelijke procedure bij de rechtbank Midden-Nederland verzocht BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd zou zijn met de openbare orde. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 december 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:6241) BMC Holland verboden verklaard vanwege – kortweg – de binnen BMC Holland bestaande cultuur waarin het plegen van (ernstig) geweld wordt gestimuleerd.
In het hoger beroep is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 18 december 2018 (ECLI:NL:GHARL: 2018:10865) – evenals de rechtbank – tot het oordeel gekomen dat het verzoek van het Openbaar Ministerie om BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, moet worden toegewezen.
Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt verder dat de lokale Nederlandse Bandidos-chapters en hun leden lid zijn van BMC Holland. Met het verbod en de ontbinding van BMC Holland is het deze (rechts) personen niet langer toegestaan van BMC Holland lid te zijn en is het hun verboden om de werkzaamheid van BMC Holland in welke vorm dan ook voort te zetten. Daarmee is niet gezegd dat het de leden van BMC Holland, waaronder de lokale chapters, verboden is om te bestaan en om hun eigen werkzaamheid – voor zover die niet (ook) als een werkzaamheid van BMC Holland kan worden aangemerkt – voort te zetten. De lokale chapters zijn geen onzelfstandig onderdeel van BMC Holland, maar vormen in zichzelf een bestendige organisatie met leden. Zij zijn daarom zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid.
Bij beschikking van 24 april 2020 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:797) het beroep van het Openbaar Ministerie tegen de hiervoor vermelde beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2018 verworpen. Het oordeel van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 18 december 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:10865) is daarmee bevestigd, waardoor is komen vast te staan dat het verbod en de ontbinding van BMC Holland zich niet uitstrekt over de lokale chapters.
Het oordeel van het hof
Aan de verdachte is (samengevat) ten laste gelegd deelname aan voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard, zoals omschreven in artikel 140, tweede lid, Sr (oud).
Het enkele feit dat het verbod en de ontbinding van BMC Holland zich niet uitstrekt over de lokale chapters, zoals hiervoor vermeld, betekent nog niet dat (de leden van) deze chapters zich niet schuldig kunnen maken aan het voortzetten van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland.
In lijn met de overwegingen in het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 12 oktober 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:3486), is het hof van oordeel dat voor de vaststelling of in een concreet geval sprake is van de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie, zoals bedoeld in artikel 140, tweede lid, Sr (oud), is vereist dat wordt gekeken of de gedraging van de verdachte ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie, in dit geval BMC Holland. Daarbij dient de tenlastegelegde gedraging een aandeel te hebben in, dan wel ondersteunend te zijn aan de voortzetting van de werkzaamheid van BMC Holland, met als gevolg dat BMC Holland wordt voortgezet op een wijze die strijdig is met de openbare orde.
Blijkens het proces verbaal van aanhouding heeft de verdachte op de snelweg op een motor gereden, waarbij hij kleding droeg waarop de logo’s en kleuren (full colors) van Bandidos zichtbaar waren. Het ging om een jas/trui van Bandidos Rotterdam, tevens voorzien van het logo 1%, met daaronder een jas/trui van Bandidos Amsterdam en een t-shirt van Bandidos Rotterdam, en daarmee om kleding mot logo’s van verschillende lokale chapters.
Naar het oordeel van het hof is de enkele gedraging van het – individueel – op de openbare weg dragen van kleding van (een) lokale, op zichzelf niet verboden, Bandidos chapter(s), hoewel dit wellicht als maatschappelijk onwenselijk en/of aanstootgevend kan worden gezien, onvoldoende om aangemerkt te kunnen worden als een gedraging die ten dienste staat aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dan de verdachte ooit lid is geweest van, of enige activiteit heeft verricht voor BMC Holland dan wel een van de chapters.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat naar het oordeel van het hof noch uit de door de advocaat-generaal aangehaalde wetgeschiedenis bij de Wet van 23 juni 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheid tot het verbieden van rechtspersonen, waarbij artikel 140, tweede lid, Sr is gewijzigd, noch uit de wetsgeschiedenis bij het Wetsvoorstel bestuurlijk verbod ondermijnende organisatie valt af te leiden dat de wetgever het enkele in het openbaar dragen van bepaalde organisatie gerelateerde kleding en symbolen zonder meer aanmerkt als het voortzetten van een verboden organisatie.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen, hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.”
4. De eerste klacht: het op de openbare weg dragen van Bandidos-kleding
4.1
De eerste klacht houdt in dat het hof een te beperkte en daardoor onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 140 lid 2 (oud) Sr door te oordelen dat het door de verdachte individueel op de openbare weg dragen van kleding zoals tenlastegelegd niet onder deze bepaling valt. In de toelichting op de klacht geeft de steller van het middel aan dat hij het oordeel van het hof onderschrijft dat voor ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie is vereist dat de gedraging van de verdachte ten dienste staat van het voortbestaan van de verboden organisatie. Hij geeft daarnaast aan dat – omdat aan het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ een ruime uitleg toekomt – de verboden organisatie niet enkel kan worden voortgezet door het plegen van strafbare feiten, maar ook door andere op zichzelf onschuldige gedragingen wanneer redelijkerwijs kan worden gezegd dat met deze gedraging wordt bijgedragen aan het in stand houden van de verboden organisatie. Volgens de steller van het middel geldt specifiek met betrekking tot het op de openbare weg dragen van kleding, zogenoemde ‘colours’ in geval van OMG’s (Outlaw Motorcycle Gangs), dat deze gedraging naar haar uiterlijke verschijningsvorm bij uitstek het gedachtegoed en de cultuur van de verboden organisatie uitdraagt. Als ik het goed begrijp, gaat het bij deze klacht dus niet zozeer over welke Bandidos-logo’s precies zijn weergegeven, maar over de vraag of het dragen van kleding met een Bandidos-logo op een motor op de openbare weg als zodanig binnen het bereik van art. 140 lid 2 (oud) Sr kan vallen.
4.2
Art. 140 lid 2 Sr is geplaatst in Titel V van Boek 2 (“Misdrijven tegen de openbare orde”). De bepaling luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit:
“Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”8.
4.3
Mijn ambtgenoot Harteveld heeft vorig jaar uitgebreid geconcludeerd over onder meer de totstandkomingsgeschiedenis van art. 140 lid 2 Sr en de opvattingen in de literatuur daarover.9.Kort samengevat is art. 140 lid 2 Sr voor het laatst wezenlijk gewijzigd in 1988 en heeft de bepaling een contempt-of-courtkarakter: het delict is vormgegeven als misdrijf tegen het openbaar gezag, namelijk het negeren van de rechterlijke beslissing tot verbodenverklaring. Ook bij de laatste wijziging van de bepaling in 2022 is dat karakter niet gewijzigd. De minister heeft, in de procedure die daartoe heeft geleid, een ruime uitleg van het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ voorgestaan. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is het volgende te vinden over de reikwijdte van het bestanddeel ‘voortzetting’:
“Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het «in de lucht» houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon.”10.
4.4
Omdat deze opvatting van de minister in het verdere wetgevingsproces niet werd weersproken, vatte mijn ambtgenoot Harteveld de stand van het recht met betrekking tot art. 140 lid 2 Sr als volgt samen:
“Kort samengevat kan op basis van de hiervoor behandelde wetsgeschiedenis worden vastgesteld dat de bedoeling van de wetgever is geweest het negeren van het rechterlijk verbod centraal te stellen bij strafbaarheid op grond van art. 140 lid 2 Sr. Voor wat betreft het type gedragingen waarmee het rechterlijke verbod wordt overtreden, heeft de wetgever in 2022 de reikwijdte van het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ vrij ruim opgevat. Daaronder vallen volgens de wetgever alle gedragingen die bij de normale werkzaamheid van de verboden organisatie hoorden. Dat kunnen dus ook gedragingen zijn die op zichzelf bezien niet strafbaar zijn, maar die wel bij het normale verenigingsverband horen.”11.
4.5
De zaak die hieraan ten grondslag lag, ging – zoals al gezegd – over een verdachte die gehuld in kleding van de Bandidos en Bandidos Sittard naar de ingang van een gerechtsgebouw liep waar een strafzaak tegen leden van de Bandidos Sittard werd gehouden. Volgens het hof was deze gedraging te ongericht en individueel om als voortzetting van de werkzaamheid van de organisatie te worden aangemerkt. De Hoge Raad vernietigde, in lijn met de conclusie, de uitspraak van het hof. De Hoge Raad overwoog daarbij het volgende over het toepassingsbereik van art. 140 lid 2 (oud) Sr, dat ook in de nu voorliggende zaak aan de orde is:
“Het hof heeft geoordeeld dat de tenlastegelegde gedraging, gezien haar aard en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, niet een gedraging oplevert “die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie” en slechts kan worden gezien als “een ongerichte, individuele gedraging van een voormalig lid van de inmiddels verboden verklaarde organisatie” en dat die gedraging daarom niet kan worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie.
Hierin ligt besloten dat het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ in artikel 140 lid 2 (oud) Sr betrekking heeft op iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Het hof heeft niettemin met zijn beslissing dat de tenlastegelegde gedraging niet kan worden aangemerkt als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ blijk gegeven van een te beperkte uitleg van dat bestanddeel. Daarvoor is allereerst van belang dat de in artikel 140 lid 2 (oud) Sr strafbaar gestelde gedraging een delict tegen de openbare orde is en dat – mede in het licht van wat onder 2.3.2 is weergegeven uit de totstandkomingsgeschiedenis van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot een verduidelijking van artikel 140 lid 2 Sr – aan het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ een ruime uitleg toekomt, waarbij de wetgever onder meer het oog heeft op het organiseren van een betoging, evenement of vergadering. Daarnaast neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof over de aard van de tenlastegelegde gedraging en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, heeft vastgesteld dat de verdachte op weg was naar de ingang van een publieke ruimte – een gerechtsgebouw –, dat hij kleding en accessoires droeg met aanduidingen en tekens die verwezen naar BMC Holland en dat in dat gerechtsgebouw een zitting zou plaatsvinden tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard. In dat verband is nog van belang dat uit de door het hof in zijn beslissing in aanmerking genomen omstandigheden die in de procedure over de verbodenverklaring zijn vastgesteld, naar voren komt dat “uit de uitingen en gedragingen die als een eigen werkzaamheid aan BMC Holland kunnen worden toegerekend, blijkt dat het toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd én gebagatelliseerd” en dat “de leden bewust de naam ‘Bandidos’ of hun ‘colors’ [gebruiken] om hun daden en woorden kracht bij te zetten”.”12.
4.6
De vraag in de nu voorliggende zaak is wat deze rechtspraak betekent voor gevallen waarin kleding met een opdruk die sterk lijkt op die van een verboden motorclub op de openbare weg wordt gedragen zonder enige andere context. Kan ook zo’n ‘geïsoleerde’ gedraging ten dienste staan van het voortbestaan van de verboden organisatie, zodat de gedraging onder art. 140 lid 2 (oud) Sr valt?
4.7
Het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2023 biedt op zich een aanknopingspunt voor een ontkennend antwoord op deze vraag. De Hoge Raad neemt immers uitdrukkelijk in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op weg was naar de ingang van een publieke ruimte, namelijk een gerechtsgebouw, en dat in dat gerechtsgebouw een terechtzitting zou plaatsvinden tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard. Uit deze overwegingen van de Hoge Raad zou kunnen worden opgemaakt dat de Hoge Raad het intimiderende karakter van de kleding in deze context redengevend acht. De omstandigheden in de nu voorliggende zaak zijn anders: nu gaat het erom dat de verdachte op de openbare weg Bandidos-kleding heeft gedragen. Dat zou kunnen meebrengen dat de Hoge Raad niet onbegrijpelijk acht dat het hof het enkele in het openbaar dragen van kleding en symbolen van Bandidos niet als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie heeft aangemerkt. Daarbij teken ik nog aan dat de strafbepaling op dit punt ook zeker niet ondubbelzinnig is en dat de Hoge Raad het dus wenselijker zou kunnen vinden dat de wetgever zo’n gedraging uitdrukkelijk strafbaar stelt. Zo bestaat in Duitsland een aparte strafbaarstelling voor het gebruik van symbolen van ongrondwettelijke organisaties.13.Die route, waarmee de democratische legitimatie en de voorzienbaarheid van de strafbaarheid buiten kijf wordt gesteld, kan in het bijzonder van belang worden geacht omdat het dragen van kleding met symbolen binnen het bereik van art. 10 EVRM valt.
4.8
Ik meen echter dat het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2023 ruimte biedt voor een ander standpunt dat overtuigender is. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 december 2023 immers ook uitdrukkelijk de functie van het gebruik van de naam ‘Bandidos’ en de ‘colours’ in aanmerking genomen. Zoals in de nu voorliggende zaak door de advocaat-generaal ter terechtzitting is aangevoerd, speelt bij dit type organisaties (‘OMG’s’) kleding een belangrijke rol in de werkzaamheid ervan omdat met die kleding de kracht, onaantastbaarheid en waarden van de organisatie worden uitgedrukt. Juist daarom zal de gemiddelde burger bij het in de publieke ruimte zien van kleding die sterk lijkt op die van zo’n verboden organisatie – en zeker wanneer die kleding zoals in deze zaak op een motor wordt gedragen – de indruk hebben dat de verboden organisatie weer actief is. Daarom lijkt mij in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2023 niet zonder meer begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de gedraging van de verdachte in deze zaak geen ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie oplevert. Ik teken daarbij voor de volledigheid aan dat dit bij het dragen van kleding van andere organisaties anders kan zijn als de verenigingskleding daarbij een andere positie inneemt in de publieke ruimte.
4.9
De klacht is gegrond.
5. De tweede klacht: onderscheid tussen logo’s van niet-verboden lokale afdeling en verboden landelijke organisatie
5.1
De tweede klacht gaat over het oordeel van het hof dat het op de openbare weg dragen van kleding van lokale op zichzelf niet verboden Bandidos-afdelingen onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een gedraging die ten dienste staat van de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland.
5.2
De klacht gaat over de volgende overwegingen van het hof:
“Naar het oordeel van het hof is de enkele gedraging van het – individueel – op de openbare weg dragen van kleding van (een) lokale, op zichzelf niet verboden, Bandidos chapter(s), hoewel dit wellicht als maatschappelijk onwenselijk en/of aanstootgevend kan worden gezien, onvoldoende om aangemerkt te kunnen worden als een gedraging die ten dienste staat aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dan de verdachte ooit lid is geweest van, of enige activiteit heeft verricht voor BMC Holland dan wel een van de chapters.”
5.3
Uit de toelichting blijkt dat de klacht in het bijzonder gaat over het door het hof gemaakte onderscheid tussen logo’s van niet-verboden lokale organisaties en van de verboden landelijke organisatie. De steller van het middel wijst er onder meer op dat de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft aangevoerd dat de verdachte door het dragen van kleding van de Bandidos, met als enige verschil ten opzichte van de kleding van BMC Holland dat “Amsterdam”, “Rotterdam” of “Manchester” in plaats van “Holland” bij het logo staat, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland, dat de gemiddelde Nederlander bij het zien rijden van de verdachte op een motor in herkenbare Bandidos-kleding de associatie zal hebben met de (verboden) motorbende Bandidos, en dat de vermelding van een lokaal chapter daaraan niet zal afdoen. Daarnaast staat in de toelichting het volgende:
“Bandidos MC Holland is verboden verklaard vanwege een cultuur van geweld en wetteloosheid. Deze ‘outlaw-cultuur’ wordt ook uitgedragen in kleding, zoals het 1%-teken waarmee men aan de buitenwereld laat zien dat men buiten de wet wil opereren en dat men een outlaw is. De kleding vormt dus een cruciaal en onlosmakelijk onderdeel van het bestaan van Bandidos MC Holland. De logo’s en naamvoering van de door verdachte gedragen kleding zijn identiek aan die van Bandidos MC Holland en met het dragen van de colors van Bandidos Amsterdam en/of Bandidos Rotterdam wordt aldus het bestaan van Bandidos MC Holland in Nederland bekrachtigd. Door logo’s en naamvoering van Bandidos in het openbaar te dragen, wordt de werkzaamheid van (het verboden) Bandidos MC Holland dus voortgezet. Het dragen van zogenoemde colors kent immers een tweeledig doel. In de eerste plaats is het doel om het lidmaatschap van de drager aan te tonen. Dit blijkt uit het feit dat algemeen bekend is dat het dragen van ‘colors’ van OMG’s waarvan men geen lid is, zal leiden tot repercussies vanuit de club. In de tweede plaats dient het dragen van de colors om eenheid en uniformiteit naar buiten uit te stralen, waardoor de kracht en de onaantastbaarheid van de OMG wordt benadrukt. In zoverre vormt het in het openbaar dragen van de logo’s en colors van een verboden organisatie meer dan een enkele persoonlijke uitdrukking. Het beoogt ook de waarden van de organisatie en daarmee de – doorgaans intimiderende en gewelddadige – clubcultuur van de verboden organisatie uit te drukken.”
Tot slot voert de steller van het middel aan dat niet valt in te zien waarom, zoals het hof mede in aanmerking heeft genomen, van belang is dat niet is gebleken dat de verdachte ooit lid is geweest van of enige activiteit heeft verricht voor BMC Holland of een van de chapters.
5.4
De Hoge Raad heeft in 2022 in een civiele zaak over de verbodenverklaring van de Hells Angels het volgende geoordeeld:
“De verbodenverklaring en de ontbinding van HAMC Holland hebben niet tot gevolg dat de afzonderlijke charters verboden zijn verklaard en ontbonden. Het hof heeft […] slechts tot uitdrukking gebracht dat de verklaring voor recht ten aanzien van HAMC en de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland indirect wel gevolgen kunnen hebben voor de afzonderlijke charters en hun leden. Dit volgt uit art. 140 lid 2 Wetboek van Strafrecht, waarin strafbaar is gesteld deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard […]. Het is aan de strafrechter om te beslissen of het in het openbaar dragen van de colors van de Hells Angels of het onder de naam Hells Angels naar buiten treden een strafbaar feit oplevert.”14.
5.5
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op de openbare weg kleding met logo’s van verschillende lokale afdelingen van de Bandidos heeft gedragen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat “de enkele gedraging van het – individueel – op de openbare weg dragen van kleding van (een) lokale, op zichzelf niet verboden, Bandidos chapter(s), […] onvoldoende [is] om aangemerkt te kunnen worden als een gedraging die ten dienste staat aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland”. Daarmee heeft het hof in aanmerking genomen dat de kleding niet van de verboden organisatie BMC Holland is, maar van niet-verboden lokale afdelingen. Het hof heeft verder in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat de verdachte lid is geweest van of enige activiteit heeft verricht voor BMC Holland of een van de lokale afdelingen (“chapters”).
5.6
Het hof lijkt te hebben miskend dat voor strafbaarheid onder art. 140 lid 2 (oud) Sr niet zonder meer uitmaakt of de logo’s op de kleding van de verboden landelijke organisatie zijn of van niet-verboden lokale afdelingen. En voor zover het hof dit niet heeft miskend, heeft het in zijn uitspraak ten onrechte niet uitgelegd waarom deze logo’s zo onvergelijkbaar zijn dat het dragen van een logo van een lokale afdeling niet als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van de landelijke verboden organisatie leidt. Ik teken daarbij aan dat dit onderscheid gelet op het dossier ook niet zonder meer begrijpelijk is, omdat de logo’s op het eerste gezicht zeer vergelijkbaar zijn. Bovendien heeft het hof een onjuiste maatstaf aangelegd waar het heeft meegewogen dat niet is gebleken dat de verdachte lid is geweest van of enige activiteit heeft verricht voor BMC Holland of een van de lokale afdelingen. Dat is voor strafbaarheid onder art. 140 lid 2 (oud) Sr niet relevant.
5.7
De klacht is gegrond.
6. Slotsom
6.1
Het middel slaagt.
6.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑11‑2024
HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100 m.nt. G. van Solinge, r.o. 3.5 en 3.6.
Hof Amsterdam 29 augustus 2023, ECLI:NL:HR:GHAMS:2023:2003. Voor mijn conclusie in die zaak zie ECLI:NL:PHR:2024:1120.
Hof ’s-Hertogenbosch 12 oktober 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3486.
HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1612, NJ 2024/26 m.nt. A.J. Machielse, r.o. 2.5 en de daaraan voorafgegane conclusie van 5 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:763, onder 2.21.
Hof ’s-Hertogenbosch 17 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2286.
Hof ’s-Hertogenbosch 17 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2287 en ECLI:NL:GHSHE:2024:2288.
In deze zaak is de tenlastegelegde gedraging van 11 augustus 2021. Na die datum is de bepaling met ingang van 1 januari 2022 gewijzigd in die zin dat het bestanddeel ‘deelneming aan’ is geschrapt en de maximumstraf is verhoogd. Zie Stb. 2021, 310 (wet van 23 juni 2021) en Stb. 2021, 346 (inwerkingtreding). Voor de voorliggende zaak is deze wetswijziging niet van belang.
Conclusie van 5 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:763, onder 2.7-2.13 met de daarin opgenomen literatuur. Sinds die conclusie is over dit onderwerp nog een proefschrift verschenen: J. Koornstra, Verbieden van organisaties. Een onderzoek naar het verbieden van rechtspersonen en andere organisaties in het Nederlandse, Duitse en Franse recht in het licht van de verenigingsvrijheid (diss. Groningen), Groningen: University of Groningen Press 2024. Zie over art. 140 lid 2 Sr in het bijzonder p. 371-379. Het daarin opgenomen standpunt komt overeen met het eerdere standpunt van deze auteur dat is genoemd in voormelde conclusie.
Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 26. Zie ook Kamerstukken II 2019/20, 35366, 4, p. 9. Dit citaat is opgenomen in HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1612, NJ 2024/26 m.nt. A.J. Machielse, r.o. 2.3.2, ook al ging het in die zaak – net als in de nu voorliggende zaak – om een tenlastelegging van vóór deze wetswijziging van 1 januari 2022 (zie Stb. 2021, 346). Kennelijk vindt de Hoge Raad het oordeel van de minister bij deze wetswijziging ook van belang voor anterieure strafzaken.
Conclusie van 5 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:763, onder 2.15.
HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1612, NJ 2024/26 m.nt. A.J. Machielse, r.o. 2.5.
Zie de noot van A.J. Machielse in NJ 2024/26, onder 12. Zie voor de bepaling EHRM 13 maart 2018, nr. 35285/16, par. 29 (Nix/Duitsland).
HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1114, r.o. 3.2.
Beroepschrift 09‑09‑2024
SCHRIFTUUR VAN TEGENSPRAAK
Hoge Raad
t.a.v. de strafgriffie
upload via portaal
Client : [verdachte], Geb. [geboortedatum] 1977
Datum : 09-09-2024
Ons kenmerk : D102741
Rolnr. Gerechtshof : 22-002874-22
Zaaknr. HR : 23/02585
Uitspraak : Gerechtshof Den Haag d.d. 21 juni 2023
INZAKE:
[verdachte], Geb. [geboortedatum] 1977, adres: [adres], [postcode] [woonplaats], verdachte in cassatie van het hem betreffende arrest van het Gerechtshof Den Haag d.d. 21 juni 2023, onder bovenstaand rolnummer.
PROCESVERLOOP
De verdachte is in hoger beroep door het hof vrijgesproken van (kort gezegd) deelneming aan de voortzetting van een verboden organisatie.
Het OM heeft daartegen cassatie ingesteld en een schriftuur van cassatie ingediend.
CASSATIEMIDDEL OM
Blijkens de door het OM ingediende schriftuur stelt het OM zich (kort gezegd) op het standpunt dat (in het licht van HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1612) het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan art. 140 lid 2 Sr (oud) dan wel dat het oordeel van het hof dat de gedraging van de verdachte onvoldoende is om aangemerkt te kunnen worden als voortzetting van de verboden organisatie onvoldoende gemotiveerd is.
TEGENSPRAAK
Hierdoor gaat het OM uit van een onjuiste rechtsopvatting, althans van een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Dat is gelegen in het volgende.
Hoewel de Hoge Raad in HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1612 heeft geoordeeld dat aan het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ een ruime uitleg toekomt meent de verdachte dat in de onderhavige zaak de door het hof vastgestelde gedragingen niettemin onvoldoende zijn om als voortzetting van de verboden organisatie te kunnen worden aangemerkt.
In de eerste plaats in het licht van de (door de Hoge Raad in HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1612 aangehaalde) totstandkomingsgeschiedenis van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot een verduidelijking van artikel 140 lid 2 Sr, nu daaruit volgt dat de wetgever onder meer het oog heeft op het organiseren van een betoging, evenement of vergadering en de gedragingen van de verdachte niet als zodanig zijn te kwalificeren.
Immers, uit de bewijsvoering van het hof volgt niet (veel) meer dan dat de verdachte uitgedost in kleding van verschillende lokale chapters van de motorclub op een motor op de snelweg reed (anders dan de verdachte in HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1612, die op weg was naar de ingang van een gerechtsgebouw en daarbij kleding en accessoires droeg met aanduidingen en tekens die verwezen naar BMC Holland, terwijl in dat gerechtsgebouw een zitting zou plaatsvinden tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard, hetgeen de Hoge Raad in aanmerking heeft genomen bij het oordeel in dat arrest).
In de tweede plaats omdat (anders dan in HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1612) blijkens 's hofs arrest het hof mede in aanmerking heeft genomen dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dan de verdachte ooit lid is geweest van, of enige activiteit heeft verricht voor BMC Holland dan wel een van de chapters.
Het cassatieberoep dient daardoor te worden verworpen.
Deze schriftuur is op 9 september 2024 ondertekend en ingediend door mr. O.J. Much advocaat te (3022 CG) Rotterdam, kantoorhoudende aan de Heemraadsingel 165, die verklaart tot deze ondertekening en indiening door verdachte in cassatie bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
O.J. Much
Beroepschrift 24‑05‑2024
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van het Hof Den Haag van 21 juni 2023, waarbij het Hof:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977
heeft vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.1.
Rekwirant kan zich met deze uitspraak en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom het volgende middel van cassatie voor.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 RO, meer in het bijzonder schending van art. 140 lid 2 (oud) Sr, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht,
- i)
het oordeel van het Hof dat het door verdachte — individueel — op de openbare weg dragen van kleding met hierop de uiterlijke kenmerken en/of de naam van motorclub Bandidos MC Holland en/of Bandidos Amsterdam en/of Bandidos Rotterdam en/of het zogeheten ‘1% logo’, niet kan worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu het Hof daarmee een te beperkte en daardoor onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 140 lid 2 (oud) Sr en/of
- ii)
het oordeel van het Hof dat deze gedraging onvoldoende is om aangemerkt te kunnen worden als een gedraging die ten dienste staat aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland, en daarmee niet kan worden aangemerkt als voortzetting aan de werkzaamheid van een verboden organisatie, niet zonder meer begrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
Toelichting
1.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
‘hij op of omstreeks 11 augustus 2021 te 's‑Gravenhage en/of Delft, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing van 24 april 2020 verboden is verklaard, te weten motorclub Bandidos MC Holland, immers heeft hij, verdachte, op 11 augustus 2021 op de snelweg A4 links ter hoogte van Delft en/of op de Ypenburgse Stationsweg te 's‑Gravenhage een jas en/of een trui en/of een t-shirt gedragen met hierop de uiterlijke kenmerken en/of de naam van motorclub Bandidos MC Holland en/of Bandidos Amsterdam en/of Bandidos Rotterdam en/of het zogeheten ‘1% logo’.’
2.
Het Hof heeft verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken en daartoe overwogen:
‘Aan de verdachte is (samengevat) ten laste gelegd deelname aan voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard, zoals omschreven in art. 140, tweede lid, Sr (oud).
Het enkele feit dat het verbod en de ontbinding van BMC Holland zich niet uitstrekt over de lokale chapters, zoals hiervoor vermeld, betekent nog niet dat (de leden van) deze chapters zich niet schuldig kunnen maken aan het voortzetten van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland.
In lijn met de overwegingen in het arrest van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 12 oktober 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:3486), is het hof van oordeel dat voor de vaststelling of in een concreet geval sprake is van de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie, zoals bedoeld in art. 140, tweede lid, Sr (oud), is vereist dat wordt gekeken of de gedraging van de verdachte ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie, in dit geval BMC Holland. Daarbij dient de tenlastegelegde gedraging een aandeel te hebben in, dan wel ondersteunend te zijn aan de voortzetting van de werkzaamheid van BMC Holland, met als gevolg dat BMC Holland wordt voortgezet op een wijze die strijdig is met de openbare orde.
Blijkens het proces verbaal van aanhouding heeft de verdachte op de snelweg op een motor gereden, waarbij hij kleding droeg waarop de logo's en kleuren (full colors) van Bandidos zichtbaar waren. Het ging om een jas/trui van Bandidos Rotterdam, tevens voorzien van het logo 1%, met daaronder een jas/trui van Bandidos Amsterdam en een t-shirt van Bandidos Rotterdam, en daarmee om kleding met logo's van verschillende lokale chapters.
Naar het oordeel van het hof is de enkele gedraging van het — individueel — op de openbare weg dragen van kleding van (een) lokale, op zichzelf niet verboden, Bandidos chapter(s), hoewel dit wellicht als maatschappelijk onwenselijk en/of aanstootgevend kan worden gezien, onvoldoende om aangemerkt te kunnen worden als een gedraging die ten dienste staat aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dan de verdachte ooit lid is geweest van, of enige activiteit heeft verricht voor BMC Holland dan wel een van de chapters.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat naar het oordeel van het hof noch uit de door de advocaat-generaal aangehaalde wetgeschiedenis bij de Wet van 23 juni 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheid tot het verbieden van rechtspersonen, waarbij art. 140, tweede lid, Sr is gewijzigd, noch uit de wetsgeschiedenis bij het Wetsvoorstel bestuurlijk verbod ondermijnende organisatie valt af te leiden dat de wetgever het enkele in het openbaar dragen van bepaalde organisatie gerelateerde kleding en symbolen zonder meer aanmerkt als het voortzetten van een verboden organisatie.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen, hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.’
3.
Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat verdachte op de snelweg op een motor heeft gereden, waarbij hij kleding droeg waarop de logo's en kleuren (full colors) van Bandidos zichtbaar waren. Het ging om een jas/trui van Bandidos Rotterdam, tevens voorzien van het logo 1%, met daaronder een jas/trui van Bandidos Amsterdam en een t-shirt van Bandidos Rotterdam, logo's van verschillende lokale chapters.
4.1
Rekwirant onderschrijft het oordeel van het Hof dat voor de vaststelling of in een concreet geval sprake is van de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie, is vereist dat wordt gekeken of de gedraging van de verdachte ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie, in dit geval van de verboden organisatie BMC Holland, en dat de tenlastegelegde gedraging een aandeel dient te hebben in, dan wel ondersteunend dient te zijn aan de voortzetting van de werkzaamheid van BMC Holland.
Dat bij art. 140 lid 2 Sr sprake moet zijn van strijd met de openbare orde volgt uit de plaatsing van art. 140 Sr in Titel V van het Tweede Boek Sr, dat als opschrift heeft ‘Misdrijven tegen de openbare orde’. Dit betekent dat het (uit)dragen van aanduidingen en tekens, waaronder het dragen van logo's en de ‘colors’, van een verboden organisatie in beginsel slechts valt onder de strafbaarstelling van art. 140 lid 2 Sr, indien die uitingen in het openbaar worden gedaan, zoals in de onderhavige zaak het geval was.
In zijn arrest van 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1612, NJ 2024/26, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aan het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ in art. 140 lid 2 (oud) Sr een ruime uitleg toekomt. Dit betekent dat de verboden organisatie niet enkel kan worden voortgezet door het plegen van strafbare feiten maar ook door andere, op zichzelf onschuldige gedragingen, wanneer redelijkerwijs kan worden gezegd dat met deze gedraging wordt bijgedragen aan het in stand houden van de verboden organisatie.2. Kortom, onder ‘voortzetting van de werkzaamheid’ in art. 140 lid 2 Sr vallen alle gedragingen die er voor zorgen dat de organisatie levend blijft en kan blijven functioneren in weerwil van het (rechterlijk) verbod.3. Specifiek geldt met betrekking tot het op de openbare weg dragen van kleding, zogenoemde ‘colors’ in geval van OMG's, dat deze gedraging — naar haar uiterlijke verschijningsvorm — bij uitstek het gedachtegoed en de cultuur van de verboden organisatie uitdraagt.
4.2
Gelet op het voorgaande, geeft het oordeel van het Hof dat het door verdachte — individueel — op de openbare weg dragen van kleding met hierop de uiterlijke kenmerken en/of de naam van motorclub Bandidos MC Holland en/of Bandidos Amsterdam en/of Bandidos Rotterdam en/of het zogeheten ‘1% logo’, niet kan worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu het Hof daarmee een te beperkte en daardoor onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 140 lid 2 (oud) Sr.
5.1
Dat het dragen van colors een belangrijk onderdeel is van (de identiteit van) een motorclub blijkt ook uit de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden ten aanzien van de verbodenverklaring van de Hells Angels Motorcycle Club. Het Hof heeft in dat (civiele) arrest overwogen dat als het verbod eenmaal onherroepelijk is, dit inhoudt dat het verboden is om de werkzaamheid voort te zetten, wat onder meer betekent dat de leden niet meer in het openbaar de colors van de Hells Angels mogen dragen.4. In het daartegen ingestelde cassatieberoep oordeelde de Hoge Raad dat het uiteindelijk aan de strafrechter is om te beslissen of het in het openbaar dragen van de colors van de Hells Angels een strafbaar feit oplevert.5. Het Hof heeft dan ook terecht overwogen dat het enkele feit dat het verbod en de ontbinding van BMC Holland zich niet uitstrekt over de lokale chapters, nog niet betekent dat (de leden van) deze chapters zich niet schuldig kunnen maken aan het voortzetten van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland.
5.2
De advocaat-generaal heeft ter zitting, onder aanhaling van de cassatieschriftuur van het openbaar ministerie bij het hiervoor genoemde arrest HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1612, NJ 2024/26, geconcludeerd dat verdachte door het dragen van kleding van Bandidos, waarop als enige verschil ten opzichte van de kleding van BMC Holland is op te merken dat daar ‘Amsterdam’ en/of ‘Rotterdam’ en/of ‘Manchester’ in plaats van ‘Holland’ bij het logo staat, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland. Daarbij heeft hij ook verwezen naar de website van Bandidos Europe MC, waarin melding wordt gemaakt van de oprichting per 1 april 2021 van een ‘New Full Chapter Bandidos MC Rotterdam’. Ook heeft de advocaat-generaal aangegeven dat het zien rijden van verdachte op een [A] motor in herkenbare Bandidos kleding bij de gemiddelde Nederlander ontegenzeggelijk de associatie zal oproepen met de (verboden) motorbende Bandidos en dat de vermelding van een lokaal chapter daar niet aan af zal doen.
5.3
Gelet op de ruime uitleg die moet worden gegeven aan het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ in art. 140 lid 2 (oud) Sr en gelet op hetgeen de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht, is het oordeel van het Hof dat de enkele gedraging van het — individueel — op de openbare weg dragen van kleding van (een) lokale, op zichzelf niet verboden, Bandidos chapter(s) onvoldoende is om aangemerkt te kunnen worden als een gedraging die ten dienste staat aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland, niet zonder meer begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Bandidos MC Holland is verboden verklaard vanwege een cultuur van geweld en wetteloosheid. Deze ‘outlaw-cultuur’ wordt ook uitgedragen in kleding, zoals het 1%-teken waarmee men aan de buitenwereld laat zien dat men buiten de wet wil opereren en dat men een outlaw is.6. De kleding vormt dus een cruciaal en onlosmakelijk onderdeel van het bestaan van Bandidos MC Holland. De logo's en naamvoering van de door verdachte gedragen kleding zijn identiek aan die van Bandidos MC Holland en met het dragen van de colors van Bandidos Amsterdam en/of Bandidos Rotterdam wordt aldus het bestaan van Bandidos MC Holland in Nederland bekrachtigd. Door logo's en naamvoering van Bandidos in het openbaar te dragen, wordt de werkzaamheid van (het verboden) Bandidos MC Holland dus voortgezet. Het dragen van zogenoemde colors kent immers een tweeledig doel. In de eerste plaats is het doel om het lidmaatschap van de drager aan te tonen. Dit blijkt uit het feit dat algemeen bekend is dat het dragen van ‘colors’ van OMG's waarvan men geen lid is, zal leiden tot repercussies vanuit de club. In de tweede plaats dient het dragen van de colors om eenheid en uniformiteit naar buiten uit te stralen, waardoor de kracht en de onaantastbaarheid van de OMG wordt benadrukt. In zoverre vormt het in het openbaar dragen van de logo's en colors van een verboden organisatie meer dan een enkele persoonlijke uitdrukking. Het beoogt ook de waarden van de organisatie en daarmee de — doorgaans intimiderende en gewelddadige — clubcultuur van de verboden organisatie uit te drukken.
Niet valt in te zien waarom de omstandigheid dat niet is gebleken dat verdachte ooit lid is geweest van, of enige activiteit heeft verricht voor BMC Holland dan wel een van de chapters, van belang zou zijn. Art. 140 lid 2 (oud) Sr is een delict tegen de openbare orde, hetgeen betekent dat, zoals de advocaat-generaal terecht heeft opgemerkt, met name van belang is dat de door verdachte gedragen kleding bij de gemiddelde Nederlander ontegenzeggelijk de associatie zal oproepen met de verboden motorbende Bandidos.7. Het Hof heeft hier niet kenbaar aandacht aan besteed en ook daarom is het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd.
Indien het cassatiemiddel doel treft, zal de uitspraak van het Hof Den Haag van 21 juni 2023 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze uitspraak te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 24 mei 2024
mr. H.H.J. Knol
advocaat-generaal bij het Ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 24‑05‑2024
De onderhavige zaak is vergelijkbaar met de zaak Bos (23/03552), waarin door rekwirant op 4 april 2024 een schriftuur is ingediend.
Zie ook Koornstra, Roorda, Vols en Brouwer, ‘Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs: Een rechtsvergelijkende studie naar de aanpak van onrechtmatige organisaties in rechtsstatelijk perspectief’, Politie & Wetenschap/Rijksuniversiteit Groningen, Sdu 2019, p. 477.
Zie ook conclusie A-G Harteveld 5 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:763, onder 2.16.
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10406, r.o. 5.67.
HR Hoge Raad 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1114, NJ 2022/275, r.o. 3.2.
Zie ook conclusie A-G Harteveld 5 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:763, onder 2.21.
Opmerking verdient dat uit het onderliggend dossier blijkt dat verdachte in de koffer van zijn motor een trui vervoerde met het Bandidos logo, met daaronder de tekst Manchester. Nu dit niet zichtbaar was voor anderen valt het enkele voorhanden hebben van deze trui onder deze omstandigheden niet onder de strafbaarstelling van art. 140 lid 2 Sr.