J. Koornstra e.a., Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs, Den Haag: Sdu 2019, p. 208. De bepaling luidde naar de tekst van 1976: “Deelneming aan een andere bij de wet verboden rechtspersoon wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.”
HR, 05-12-2023, nr. 22/03827
ECLI:NL:HR:2023:1612
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-12-2023
- Zaaknummer
22/03827
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1612, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑12‑2023; (Cassatie)
Terugverwijzing naar: ECLI:NL:GHSHE:2024:2286
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:3486
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:763
ECLI:NL:PHR:2023:763, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑09‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1612
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑04‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0211
NJ 2024/26 met annotatie van A.J. Machielse
NTS 2023/76
Uitspraak 05‑12‑2023
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. deelneming aan voortzetting van werkzaamheid van verboden organisatie, art. 140.2 (oud) Sr. Kan (bij ingang van gerechtsgebouw) dragen van kleding van verboden motorclub worden aangemerkt als “voortzetting van werkzaamheid” a.b.i. art. 140.2 (oud) Sr? Art. 2:20.1 BW. Hof heeft vastgesteld dat motorclub o.g.v. art. 2:20 BW is verboden verklaard en ontbonden, omdat werkzaamheid van motorclub in strijd is met openbare orde. Hof heeft geoordeeld dat tlgd. gedraging, gezien haar aard en omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, niet gedraging oplevert “die ten dienste staat aan voortbestaan van verboden organisatie” en slechts kan worden gezien als “ongerichte, individuele gedraging van voormalig lid van inmiddels verboden verklaarde organisatie” en dat die gedraging daarom niet kan worden aangemerkt als deelnemen aan voortzetting van werkzaamheid van verboden organisatie. Hierin ligt besloten dat hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat bestanddeel “voortzetting van werkzaamheid” in art. 140.2 (oud) Sr betrekking heeft op iedere gedraging die ten dienste staat aan voortbestaan van verboden organisatie. Hof heeft niettemin met zijn beslissing dat tlgd. gedraging niet kan worden aangemerkt als “voortzetting van werkzaamheid” blijk gegeven van te beperkte uitleg van dat bestanddeel. Daarvoor is allereerst van belang dat in art. 140.2 (oud) Sr strafbaar gestelde gedraging een delict tegen openbare orde is en dat (mede in het licht van totstandkomingsgeschiedenis van wetsvoorstel dat heeft geleid tot verduidelijking van art. 140.2 Sr) aan bestanddeel “voortzetting van werkzaamheid” een ruime uitleg toekomt, waarbij wetgever onder meer het oog heeft op organiseren van betoging, evenement of vergadering. Daarnaast neemt HR in aanmerking dat hof over aard van tlgd. gedraging en omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, heeft vastgesteld dat verdachte op weg was naar ingang van publieke ruimte (gerechtsgebouw), dat hij kleding en accessoires droeg met aanduidingen en tekens die verwezen naar motorclub en dat in dat gerechtsgebouw een zitting zou plaatsvinden tegen leden van motorclub. In dat verband is nog van belang dat uit de door hof in zijn beslissing in aanmerking genomen omstandigheden die in procedure over verbodenverklaring zijn vastgesteld, naar voren komt dat “uit uitingen en gedragingen die als eigen werkzaamheid aan motorclub kunnen worden toegerekend, blijkt dat toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd én gebagatelliseerd” en dat “leden bewust de naam van motorclub of hun “colors” [gebruiken] om hun daden en woorden kracht bij te zetten”. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03827
Datum 5 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 oktober 2022, nummer 20-002759-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsvrouw van de verdachte, G.J.J.G. Stevens-Waltmans, advocaat te Roermond, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het met een baseballpet met een opdruk van het logo en de naam van de Bandidos en/of gekleed in een T-shirt met een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard en/of in het bezit van een heuptasje met de opdruk BF 1% FB naar de ingang van het gerechtsgebouw Maastricht lopen, niet kan worden aangemerkt als deelneming aan ‘de voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie in de zin van artikel 140 lid 2 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
2.2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 21 april 2021 in de gemeente Maastricht, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de Bandidos Motorcycle Club Holland die bij onherroepelijke beslissing van de Hoge Raad der Nederlanden (nummer 19/01401) verboden is verklaard, door gekleed met een baseballpet met een opdruk van het logo en de naam van de Bandidos en/of gekleed in een T-shirt met een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard en/of in het bezit van een heuptasje met de opdruk BF 1% FB naar de ingang van het gerechtsgebouw te lopen.”
2.2.2
Het hof heeft de verdachte vrijgesproken. Het heeft daartoe het volgende overwogen:
“Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het dossier volgt dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich op 21 april 2021 voor de ingang van de rechtbank Maastricht bevonden. Zij waren belast met het bewaken en beveiligen van het gerechtsgebouw aldaar in verband met de zitting tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard. De verbalisanten hadden opdracht om leden van de Bandidos die met uiterlijke kenmerken van de verboden organisatie Bandidos, zoals kleding en dergelijke, naar de rechtbank zouden komen, aan te houden, in te sluiten en de uiterlijke kenmerken in beslag te nemen. Tevens was geïnstrueerd in voorkomende gevallen proces-verbaal op te maken ter zake van overtreding van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna telkens: Sr). Omstreeks 09.00 uur zagen de verbalisanten een man, naar later blijkt de verdachte, naar de ingang van de rechtbank komen. De verdachte droeg een zwarte baseballpet met aan de voorzijde een opdruk van het logo van de Bandidos en op de achterzijde een opdruk met de naam Bandidos. Tevens droeg hij een zwart T-shirt met op de voorzijde een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard. Verder droeg de verdachte een heuptasje met de opdruk ‘BF 1% FB’. Hierop hebben de verbalisanten de verdachte staande gehouden en hem verzocht mee te gaan naar een ruimte in de rechtbank. Vervolgens zijn het petje, het T-shirt en het heuptasje met Bandidos opdrukken inbeslaggenomen.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte op of omstreeks 21 april 2021 in de gemeente Maastricht, door naar de ingang van het gerechtsgebouw te lopen terwijl hij kleding en accessoires droeg met de aanduidingen en tekens verwijzend naar de Bandidos Motorcycle Club Holland (hierna telkens: BMC Holland), zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard.
a) De relevante verbodenverklaring in verband met de onderhavige strafzaak
Het Openbaar Ministerie kan op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (hierna telkens: BW) de rechter verzoeken een rechtspersoon, zoals een (informele) vereniging of stichting, te verbieden en te ontbinden, als de werkzaamheid daarvan in strijd is met de openbare orde. Na een dergelijk verbod is de deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een dergelijke organisatie strafbaar (artikel 140, tweede lid Sr).
Het Openbaar Ministerie heeft in een civielrechtelijke procedure bij de rechtbank Midden-Nederland onder andere verzocht de informele vereniging BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd zou zijn met de openbare orde. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 december 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:6241) BMC Holland verboden verklaard vanwege - kortweg - de binnen BMC Holland bestaande cultuur waarin het plegen van (ernstig) geweld wordt gestimuleerd. De rechtbank heeft hierbij gewezen op de omstandigheid dat de Bandidos zichzelf typeren als een Motorcycle Club met een cultuur van wetteloosheid, een ‘outlawcultuur’, wat de motorclub uitdraagt in kleding, zoals het dragen van het 1%-teken, een teken waarmee men aan de buitenwereld laat zien dat zij buiten de wet (willen) opereren en dat zij outlaws zijn. Ook heeft de rechtbank gewezen op de omstandigheid dat de gerichtheid van de Bandidos op het plegen van geweld en het stimuleren daarvan door de Bandidos-organisatie blijkt uit het feit dat het plegen van geweld wordt beloond met onderscheidingen (patches), waarbij de ‘expect no mercy’-patch het meest prominent is. Deze patch wordt uitgereikt aan Bandidos-leden die ten behoeve van de motorclub (ernstig) geweld hebben gepleegd. Volgens de rechtbank gebruiken de leden bewust de naam ‘Bandidos’ of hun ‘colors’ om hun daden en woorden kracht bij te zetten.
Nu de rechtbank van oordeel was dat de cultuur van de Bandidos en de feitelijk daaruit voortvloeiende gedragingen dermate kenmerkend en structureel zijn gebleken dat er een reële kans bestaat dat Bandidos-leden in de nabije toekomst in Nederland (opnieuw) ernstige geweldsdelicten plegen die de lichamelijke integriteit van personen binnen de eigen clubsfeer en/of van personen daarbuiten (ernstig) aantasten en de Nederlandse samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten, heeft de rechtbank BMC Holland verboden verklaard.
In het hoger beroep van deze civielrechtelijke procedure is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 18 december 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:10865) evenals de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het verzoek van het Openbaar Ministerie de informele vereniging BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, moet worden toegewezen. Daarbij is door het hof overwogen dat de vaststaande feiten voldoende zijn om ervan uit te gaan dat sprake is van een naar buiten optredend landelijk organisatorisch verband van lokale verenigingen (chapters) en individuele Bandidos-leden onder de naam BMC Holland (rov. 4.18). Uit de uitingen en gedragingen die als een eigen werkzaamheid aan BMC Holland kunnen worden toegerekend, blijkt dat het toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd én gebagatelliseerd. De gedragingen van BMC Holland creëren een cultuur van angst, zowel binnen de organisatie als overigens in de samenleving. Ook het bad standing-beleid gaat met geweld en dreiging van geweld gepaard. Een en ander vormt een daadwerkelijke aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, zoals het recht op vrijheid van vereniging (waaronder de vrijheid voor anderen om een vereniging op te richten en de vrijheid om het lidmaatschap van een vereniging te beëindigen) en veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen. De gedragingen, begaan binnen de sfeer en cultuur zoals hiervoor omschreven, ontwrichten onze samenleving of kunnen die ontwrichten en kunnen niet worden geduld. De verbodenverklaring is een noodzakelijke maatregel om die gedragingen te voorkomen. Ook het hof vindt daarom dat BMC Holland moet worden verboden en ontbonden, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde (rov. 4.24 - 4.26 en 4.29).
Het hof oordeelt verder dat de lokale Nederlandse Bandidos-chapters en hun leden lid zijn van BMC Holland. Met het verbod en de ontbinding van BMC Holland is het deze (rechts)personen niet langer toegestaan van BMC Holland lid te zijn en is het hun verboden om de werkzaamheid van BMC Holland in welke vorm dan ook voort te zetten (rov. 4.32). Daarmee is niet gezegd dat het de leden van BMC Holland, waaronder de lokale chapters, verboden is om te bestaan en om hun eigen werkzaamheid - voor zover die niet (ook) als een werkzaamheid van BMC Holland kan worden aangemerkt - voort te zetten. De chapters zijn geen onzelfstandig onderdeel van BMC Holland, maar vormen in zichzelf een bestendige organisatie met leden. Zij zijn daarom zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid (rov. 4.33).
Bij beschikking van 24 april 2020 heeft de civielrechtelijke kamer van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:797), nummer 19/01401, het beroep van het Openbaar Ministerie tegen de hiervoor vermelde beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2018 verworpen. Het beroep richtte zich daarbij op twee onderdelen van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In cassatie was enkel nog aan de orde (i) of Bandidos Motorcycle Club (in het geding ‘BMC Internationaal’ genoemd) kon worden aangemerkt als een wereldwijd, als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam of samenwerkingsverband, en (ii) of een verbod van de Nederlandse afdeling van de Bandidos Motorcycle Club (de informele vereniging BMC Holland) tot gevolg had dat ook de lokale Nederlandse ‘chapters’ verboden zouden zijn. De deelbeslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat BMC Holland moet worden verboden en ontbonden omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde, werd als zodanig in cassatie niet bestreden.
b) Deelneming aan voortzetting van de werkzaamheid van de organisatie
De verdachte is het schenden van artikel 140, tweede lid (oud) Sr tenlastegelegd. Tot 1 januari 2022 luidde de desbetreffende delictsomschrijving (voor zover hier toepasselijk): ‘Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard (...), wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.’ Artikel 140, tweede lid Sr ziet daarmee op het negeren van de rechterlijke beslissing tot (onherroepelijke) verboden verklaring van de organisatie, maar omschrijft niet concreet welke gedragingen strafbaar zijn na een verbodenverklaring. Voor wat betreft het ‘deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de organisatie’ stelt het hof, mede met het oog op de op grond van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering te beantwoorden bewijs- en kwalificatievraag, op grond van het navolgende vast dat de contouren van de begripsinhoud van de diverse bestanddelen van de op artikel 140, tweede lid (oud) Sr gebaseerde delictsomschrijving niet (geheel) scherp zijn.
Voor wat betreft het begrip ‘deelnemen’ blijkt dat uit de omstandigheid dat de wetgever overeenkomstig het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, het ‘verwarrende’ bestanddeel ‘deelneming aan’ bij inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 310) per 1 januari 2022 heeft geschrapt. Een aparte bewezenverklaring van ‘deelneming’ wordt niet meer van belang geacht (Kamerstukken II 2019-2020, 35366, nr. 3, p. 26 en Kamerstukken II 2019-2020, 35366, nr. 4, p. 9). Voor de beoordeling van de onderhavige strafzaak gaat het hof ervan uit dat het begrip ‘deelnemen’ zoals tenlastegelegd op grond van artikel 140, tweede lid (oud) Sr, gelijk de feitelijke uitleg die daaraan in het eerste lid van artikel 140 Sr wordt verleend, ziet op het hebben van een aandeel in, dan wel het ondersteunen van de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon.
Voor wat betreft de inhoud van het bestanddeel ‘de voortzetting van de werkzaamheid’ van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon stelt het hof het volgende vast.
In de civielrechtelijke context wordt op grond van artikel 2:20, eerste lid BW een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, door de rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie verboden verklaard en ontbonden. Het begrip ‘werkzaamheid’ is in de desbetreffende kamerstukken als volgt toegelicht: ‘Het woord werkzaamheid is in zijn gewone betekenis gebruikt en omvat dus die daden die de rechtspersoon stelt en de woorden die hij spreekt en schrijft, ongeacht op welke wijze blijkt dat die zijn gesteld, gesproken of geschreven in het kader van de organisatie met rechtspersoonlijkheid. Daartoe behoren de middelen waarmee hij zijn doel nastreeft, maar ook bijvoorbeeld het stelselmatig niet afdragen van premies. De enkele overtreding van een of meer verboden stempelt een rechtspersoon nog niet tot ongeoorloofd. Dergelijke overtredingen moeten zijn geworden tot een schakel in de werkwijze om als werkzaamheid te worden aangemerkt en bovendien zo ernstig zijn, dat die werkzaamheid binnen de termen van artikel 15 valt.’ (Opmerking hof: de verwijzing betreft naar art. 15 (oud) Boek 2 BW, dat sinds 1992 is vernummerd naar art. 20 Boek 2 BW (Kamerstukken II 1984-1985, 17476, nrs. 5-7, p. 9-10).)
Verder wordt in de desbetreffende kamerstukken opgemerkt: ‘Met deze leden meen ik dat een enkele losse, niet symptomatische handeling te weinig is om als werkzaamheid te gelden. Ik reken tot de werkzaamheid niet alleen handelingen die een rechtspersoon op grond van de eigen doelstelling verricht, maar ook het verdere optreden met uitzondering van misstappen die buiten het patroon van het gehele optreden vallen. Een onderscheid tussen hoofd- en nevenwerkzaamheid zou ik in dit verband niet willen maken en lijkt hier zelfs zonder belang.’ (Kamerstukken II 1985-1986, 17476, nr. 12, p. 4.)
De Hoge Raad overwoog in de beschikking van 26 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI1124, rov. 3.6, inzake Hells Angels Northcoast Harlingen) ten aanzien van de uitleg van het begrip ‘werkzaamheid’ dat onvoldoende is dat de rechtspersoon van gedragingen van derden of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden, geen of onvoldoende afstand heeft genomen. ‘Wanneer de rechtspersoon bij gedragingen van derden, waaronder “members” zelf, niet rechtstreeks betrokken is in die zin dat het bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven, kunnen die gedragingen aan de rechtspersoon slechts als eigen werkzaamheid worden toegerekend indien bijzondere feiten en omstandigheden daartoe grond geven.’
In de strafrechtelijke context stelt het hof vast dat de wetgever, ondanks aansporingen daartoe, uitdrukkelijk niet heeft aangegeven welke gedragingen onder ‘de voortzetting van de werkzaamheid’ van de verboden verklaarde en ontbonden organisatie vallen en derhalve bewust heeft afgezien van het opnemen van een opsomming van werkzaamheden die strijd kunnen opleveren met de openbare orde (Kamerstukken II 1984-1985, 17476, nrs. 5-7, p. 3-4). Dit wordt bevestigd tijdens de behandeling van de reeds vermelde Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 310), welke per 1 januari 2022 heeft geleid tot aanpassing van onder andere artikel 140, tweede lid Sr. De wetgever stelt op dit punt dienaangaande: ‘De kern van artikel 140 lid 2 Sr is dat de voortzetting van activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon strafbaar is. Die strafbaarheid staat los van de vraag welke activiteiten of welk doelen aanleiding zijn geweest voor de verbodenverklaring zelf. Dit uitgangspunt geldt ongeacht de vorm waarin de voortzetting plaatsvindt, of het directe dan wel indirecte karakter van de voortzetting. In die zin past een ruime uitleg bij het begrip “voortzetting van de werkzaamheid”, bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr. Over de vraag op welke concrete wijzen de voortzetting zoal z’n beslag kan krijgen, zwijgt artikel 140 lid 2 Sr. Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het “in de lucht” houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon. De casuïstiek is hier dermate groot, dat iedere wettelijke opsomming, zelfs een indicatieve, bij voorbaat te kort zou schieten, en voor de rechtsontwikkeling misschien zelfs een onnodig verstarrend effect zou kunnen hebben.’ (Kamerstukken II 2019-2020, 35366, nr. 4, p. 9.)
Uit de wetsgeschiedenis leidt het hof af dat het voor de vaststelling of sprake is van de voortzetting van de werkzaamheden van een verboden organisatie, vereist is om te bezien of de gedraging van de verdachte ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Daarbij dien(t)(en) de tenlastegelegde gedraging(en) van de verdachte een aandeel te hebben in, dan wel de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon te ondersteunen, waardoor een verboden organisatie voortgaat op een wijze die strijdig is met de openbare orde.
Het hof acht tegen de achtergrond van hetgeen in het voorgaande is weergegeven, ondanks dat volgens de wetgever dienaangaande een ruime uitleg dient te worden gehanteerd, het tenlastegelegde - zijnde het enkel lopen van de verdachte naar de ingang van het gerechtsgebouw, zijnde een publieke ruimte, terwijl hij gekleed is met een baseballpet met een opdruk van het logo en de naam van de Bandidos en een T-shirt met een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard en in het bezit is van een heuptasje met de opdruk BF 1% FB - gezien de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, niet een gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Het uiterlijk vertoon dat bestaat uit het zichtbaar hebben van kleding en goederen dat verband houdt met een verboden en ontbonden organisatie kan wellicht als maatschappelijk onwenselijk worden gezien, te meer omdat het plaatsvond in een publieke ruimte. Maar tegen de achtergrond van met name de in de kamerstukken gegeven voorbeelden van voortzettingsgedragingen zoals opgenomen bij de Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 2021,310) - waar volgens het hof (meer) nadrukkelijk de gerichtheid van de genoemde gedragingen ter zake van de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden verklaarde organisatie voorop staat - wordt naar het oordeel van het hof het tenlastegelegde gedrag van de verdachte enkel gezien als een ongerichte, individuele gedraging van een voormalig lid van de inmiddels verboden verklaarde organisatie. Deze gedraging kan volgens het hof echter niet worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie. Derhalve acht het hof niet bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard.
De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het tenlastegelegde.”
2.3.1
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
- Artikel 2:20 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:
“Een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.”
- Artikel 140 lid 2 Sr is geplaatst in Titel V van Boek 2 (“Misdrijven tegen de openbare orde”) en luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit (voorafgaand aan de inwerkingtreding van de onder 2.3.2 te noemen wet):
“Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
2.3.2
Het nader rapport bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 23 juni 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 310) houdt onder meer het volgende in:
“De Afdeling constateert dat de strafbaarheid wegens voortzetting van de activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon, als bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr, in feite een dode letter is, mede omdat onduidelijkheid bestaat over de betekenis en reikwijdte daarvan. Duidelijker zou moeten worden wat wordt verstaan onder «de werkzaamheid» van een verboden organisatie in de zin van artikel 140 lid 2 Sr. Tevens stelt de Afdeling dat de effectiviteit van artikel 140 lid 2 Sr zou kunnen worden vergroot door het verwarrende bestanddeel «deelneming» te schrappen en door opname in de wet van een niet-limitatieve opsomming van concrete voortzettingsgedragingen. De kern van artikel 140 lid 2 Sr is dat de voortzetting van activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon strafbaar is. Die strafbaarheid staat los van de vraag welke activiteiten of welke doelen aanleiding zijn geweest voor de verbodenverklaring zelf. Dit uitgangspunt geldt ongeacht de vorm waarin de voortzetting plaatsvindt, of het directe dan wel indirecte karakter van de voortzetting. In die zin past een ruime uitleg bij het begrip «voortzetting van de werkzaamheid», bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr. Over de vraag op welke concrete wijzen de voortzetting zoal z’n beslag kan krijgen, zwijgt artikel 140 lid 2 Sr.
Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het «in de lucht» houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon.
De casuïstiek is hier dermate groot, dat iedere wettelijke opsomming, zelfs een indicatieve, bij voorbaat te kort zou schieten, en voor de rechtsontwikkeling misschien zelfs een onnodig verstarrend effect zou kunnen hebben. Daarom is volstaan met de genoemde verduidelijking in de toelichting. Wel is, overeenkomstig het advies van de Afdeling, het verwarrende bestanddeel «deelneming aan» geschrapt. Daarmee wordt verduidelijkt dat het voor de strafbaarheid ex artikel 140 lid 2 Sr moet gaan om de daadwerkelijke «voortzetting» van de activiteiten van een verboden rechtspersoon. Een aparte bewezenverklaring van «deelneming», zoals de huidige tekst van artikel 140 lid 2 Sr zou kunnen suggereren, is daarbij niet van belang.”
(Kamerstukken II 2019/20, 35366, nr. 4, p. 8-9.)
2.4
Het hof heeft vastgesteld dat Bandidos Motorcycle Club Holland (hierna: BMC Holland) op grond van artikel 2:20 BW is verboden verklaard en ontbonden, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde. Over de aanleiding van die op 24 april 2020 onherroepelijk geworden verbodenverklaring komt uit de door het hof vastgestelde en bij zijn beslissing in aanmerking genomen omstandigheden naar voren dat “uit de uitingen en gedragingen die als een eigen werkzaamheid aan BMC Holland kunnen worden toegerekend, blijkt dat het toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd én gebagatelliseerd. De gedragingen van BMC Holland creëren een cultuur van angst, zowel binnen de organisatie als overigens in de samenleving. Ook het bad standing-beleid gaat met geweld en dreiging van geweld gepaard. Een en ander vormt een daadwerkelijke aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, zoals het recht op vrijheid van vereniging (waaronder de vrijheid voor anderen om een vereniging op te richten en de vrijheid om het lidmaatschap van een vereniging te beëindigen) en veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen. De gedragingen, begaan binnen de sfeer en cultuur zoals hiervoor omschreven, ontwrichten onze samenleving of kunnen die ontwrichten en kunnen niet worden geduld.”
2.5
Het hof heeft geoordeeld dat de tenlastegelegde gedraging, gezien haar aard en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, niet een gedraging oplevert “die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie” en slechts kan worden gezien als “een ongerichte, individuele gedraging van een voormalig lid van de inmiddels verboden verklaarde organisatie” en dat die gedraging daarom niet kan worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie.Hierin ligt besloten dat het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ in artikel 140 lid 2 (oud) Sr betrekking heeft op iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Het hof heeft niettemin met zijn beslissing dat de tenlastegelegde gedraging niet kan worden aangemerkt als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ blijk gegeven van een te beperkte uitleg van dat bestanddeel. Daarvoor is allereerst van belang dat de in artikel 140 lid 2 (oud) Sr strafbaar gestelde gedraging een delict tegen de openbare orde is en dat – mede in het licht van wat onder 2.3.2 is weergegeven uit de totstandkomingsgeschiedenis van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot een verduidelijking van artikel 140 lid 2 Sr – aan het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ een ruime uitleg toekomt, waarbij de wetgever onder meer het oog heeft op het organiseren van een betoging, evenement of vergadering. Daarnaast neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof over de aard van de tenlastegelegde gedraging en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, heeft vastgesteld dat de verdachte op weg was naar de ingang van een publieke ruimte – een gerechtsgebouw –, dat hij kleding en accessoires droeg met aanduidingen en tekens die verwezen naar BMC Holland en dat in dat gerechtsgebouw een zitting zou plaatsvinden tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard. In dat verband is nog van belang dat uit de door het hof in zijn beslissing in aanmerking genomen omstandigheden die in de procedure over de verbodenverklaring zijn vastgesteld, naar voren komt dat “uit de uitingen en gedragingen die als een eigen werkzaamheid aan BMC Holland kunnen worden toegerekend, blijkt dat het toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd én gebagatelliseerd” en dat “de leden bewust de naam ‘Bandidos’ of hun ‘colors’ [gebruiken] om hun daden en woorden kracht bij te zetten”.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2023.
Conclusie 05‑09‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Art. 140.2 Sr. OM-cassatie. Valt het dragen van kleding met een logo van een verboden organisatie onder ‘voortzetting van de werkzaamheid’? Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03827
Zitting 5 september 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 12 oktober 2022 vrijgesproken van de tenlastegelegde deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld door R.T.J. van Dartel, advocaat-generaal bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Namens het openbaar ministerie heeft H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de gedraging van de verdachte niet kan worden aangemerkt als deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie.
2.2
In deze zaak is aan de verdachte kort gezegd tenlastegelegd dat hij heeft gelopen naar de ingang van een gerechtsgebouw terwijl hij kleding en een heuptasje met een opdruk van de Bandidos droeg. Het middel stelt de rechtsvraag aan de orde of het dragen van kleding met een opdruk van een verboden organisatie binnen het bereik valt van art. 140 lid 2 (oud) Sr. Voor zover ik kan nagaan, is deze zaak de eerste zaak waarin deze voor de praktijk belangrijke vraag aan de Hoge Raad wordt voorgelegd.
2.3
Hieronder geef ik eerst de tenlastelegging en het oordeel van het hof weer (onder 2.4 en 2.5). Daarna bespreek ik de wetsgeschiedenis en literatuur (onder 2.6 tot en met 2.18). Tot slot pas ik het juridische kader toe op deze zaak (onder 2.19 tot en met 2.21).
2.4
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 21 april 2021 in de gemeente Maastricht, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de Bandidos Motorcycle Club Holland die bij onherroepelijke beslissing van de Hoge Raad der Nederlanden (nummer 19/01401) verboden is verklaard, door gekleed met een baseballpet met een opdruk van het logo en de naam van de Bandidos en/of gekleed in een T-shirt met een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard en/of in het bezit van een heuptasje met de opdruk BF 1% FB naar de ingang van het gerechtsgebouw te lopen”.
2.5
Het hof heeft de verdachte vrijgesproken en heeft daarover het volgende overwogen:
“Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het dossier volgt dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich op 21 april 2021 voor de ingang van de rechtbank Maastricht bevonden. Zij waren belast met het bewaken en beveiligen van het gerechtsgebouw aldaar in verband met de zitting tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard. De verbalisanten hadden opdracht om leden van de Bandidos die met uiterlijke kenmerken van de verboden organisatie Bandidos, zoals kleding en dergelijke, naar de rechtbank zouden komen, aan te houden, in te sluiten en de uiterlijke kenmerken in beslag te nemen. Tevens was geïnstrueerd in voorkomende gevallen proces-verbaal op te maken ter zake van overtreding van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna telkens: Sr). Omstreeks 09.00 uur zagen de verbalisanten een man, naar later blijkt de verdachte, naar de ingang van de rechtbank komen. De verdachte droeg een zwarte baseballpet met aan de voorzijde een opdruk van het logo van de Bandidos en op de achterzijde een opdruk met de naam Bandidos. Tevens droeg hij een zwart T-shirt met op de voorzijde een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard. Verder droeg de verdachte een heuptasje met de opdruk 'BF 1% FB'. Hierop hebben de verbalisanten de verdachte staande gehouden en hem verzocht mee te gaan naar een ruimte in de rechtbank. Vervolgens zijn het petje, het T-shirt en het heuptasje met Bandidos opdrukken inbeslaggenomen.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte op of omstreeks 21 april 2021 in de gemeente Maastricht, door naar de ingang van het gerechtsgebouw te lopen terwijl hij kleding en accessoires droeg met de aanduidingen en tekens verwijzend naar de Bandidos Motorcycle Club Holland (hierna telkens: BMC Holland), zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard.
a) De relevante verboden verklaring in verband met de onderhavige strafzaak
Het Openbaar Ministerie kan op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (hierna telkens: BW) de rechter verzoeken een rechtspersoon, zoals een (informele) vereniging of stichting, te verbieden en te ontbinden, als de werkzaamheid daarvan in strijd is met de openbare orde. Na een dergelijk verbod is de deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een dergelijke organisatie strafbaar (artikel 140, tweede lid Sr).
Het Openbaar Ministerie heeft in een civielrechtelijke procedure bij de rechtbank Midden-Nederland onder andere verzocht de informele vereniging BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd zou zijn met de openbare orde. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 december 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:6241) BMC Holland verboden verklaard vanwege – kortweg – de binnen BMC Holland bestaande cultuur waarin het plegen van (ernstig) geweld wordt gestimuleerd. De rechtbank heeft hierbij gewezen op de omstandigheid dat de Bandidos zichzelf typeren als een Motorcycle Club met een cultuur van wetteloosheid, een 'outlaw-cultuur', wat de motorclub uitdraagt in kleding, zoals het dragen van het 1%-teken, een teken waarmee men aan de buitenwereld laat zien dat zij buiten de wet (willen) opereren en dat zij outlaws zijn. Ook heeft de rechtbank gewezen op de omstandigheid dat de gerichtheid van de Bandidos op het plegen van geweld en het stimuleren daarvan door de Bandidos-organisatie blijkt uit het feit dat het plegen van geweld wordt beloond met onderscheidingen (patches), waarbij de 'expect no mercy'-patch het meest prominent is. Deze patch wordt uitgereikt aan Bandidos-leden die ten behoeve van de motorclub (ernstig) geweld hebben gepleegd. Volgens de rechtbank gebruiken de leden bewust de naam 'Bandidos' of hun 'colors' om hun daden en woorden kracht bij te zetten.
Nu de rechtbank van oordeel was dat de cultuur van de Bandidos en de feitelijk daaruit voortvloeiende gedragingen dermate kenmerkend en structureel zijn gebleken dat er een reële kans bestaat dat Bandidos-leden in de nabije toekomst in Nederland (opnieuw) ernstige geweldsdelicten plegen die de lichamelijke integriteit van personen binnen de eigen clubsfeer en/of van personen daarbuiten (ernstig) aantasten en de Nederlandse samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten, heeft de rechtbank BMC Holland verboden verklaard.
In het hoger beroep van deze civielrechtelijke procedure is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 18 december 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:10865) evenals de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het verzoek van het Openbaar Ministerie de informele vereniging BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, moet worden toegewezen. Daarbij is door het hof overwogen dat de vaststaande feiten voldoende zijn om ervan uit te gaan dat sprake is van een naar buiten optredend landelijk organisatorisch verband van lokale verenigingen (chapters) en individuele Bandidos-leden onder de naam BMC Holland (rov. 4.18). Uit de uitingen en gedragingen die als een eigen werkzaamheid aan BMC Holland kunnen worden toegerekend, blijkt dat het toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd én gebagatelliseerd. De gedragingen van BMC Holland creëren een cultuur van angst, zowel binnen de organisatie als overigens in de samenleving. Ook het bad standing-beleid gaat met geweld en dreiging van geweld gepaard. Een en ander vormt een daadwerkelijke aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, zoals het recht op vrijheid van vereniging (waaronder de vrijheid voor anderen om een vereniging op te richten en de vrijheid om het lidmaatschap van een vereniging te beëindigen) en veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen. De gedragingen, begaan binnen de sfeer en cultuur zoals hiervoor omschreven, ontwrichten onze samenleving of kunnen die ontwrichten en kunnen niet worden geduld. De verbodenverklaring is een noodzakelijke maatregel om die gedragingen te voorkomen. Ook het hof vindt daarom dat BMC Holland moet worden verboden en ontbonden, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde (rov. 4.24 - 4.26 en 4.29).
Het hof oordeelt verder dat de lokale Nederlandse Bandidos-chapters en hun leden lid zijn van BMC Holland. Met het verboden de ontbinding van BMC Holland is het deze (rechts)personen niet langer toegestaan van BMC Holland lid te zijn en is het hun verboden om de werkzaamheid van BMC Holland in welke vorm dan ook voort te zetten (rov. 4.32). Daarmee is niet gezegd dat het de leden van BMC Holland, waaronder de lokale chapters, verboden is om te bestaan en om hun eigen werkzaamheid – voor zover die niet (ook) als een werkzaamheid van BMC Holland kan worden aangemerkt – voort te zetten. De chapters zijn geen onzelfstandig onderdeel van BMC Holland, maar vormen in zichzelf een bestendige organisatie met leden. Zij zijn daarom zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid (rov. 4.33).
Bij beschikking van 24 april 2020 heeft de civielrechtelijke kamer van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:797), nummer 19/01401, het beroep van het Openbaar Ministerie tegen de hiervoor vermelde beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2018 verworpen. Het beroep richtte zich daarbij op twee onderdelen van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In cassatie was enkel nog aan de orde (i) of Bandidos Motorcycle Club (in het geding ‘BMC Internationaal’ genoemd) kon worden aangemerkt als een wereldwijd, als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam of samenwerkingsverband, en (ii) of een verbod van de Nederlandse afdeling van de Bandidos Motorcycle Club (de informele vereniging BMC Holland) tot gevolg had dat ook de lokale Nederlandse ‘chapters’ verboden zouden zijn. De deelbeslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat BMC Holland moet worden verboden en ontbonden omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde, werd als zodanig in cassatie niet bestreden.
b) Deelneming aan voortzetting van de werkzaamheid van de organisatie
De verdachte is het schenden van artikel 140, tweede lid (oud) Sr tenlastegelegd. Tot 1 januari 2022 luidde de desbetreffende delictsomschrijving (voor zover hier toepasselijk): 'Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard (…), wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.' Artikel 140, tweede lid Sr ziet daarmee op het negeren van de rechterlijke beslissing tot (onherroepelijke) verboden verklaring van de organisatie, maar omschrijft niet concreet welke gedragingen strafbaar zijn na een verbodenverklaring. Voor wat betreft het 'deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de organisatie' stelt het hof, mede met het oog op de op grond van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering te beantwoorden bewijs- en kwalificatievraag, op grond van het navolgende vast dat de contouren van de begripsinhoud van de diverse bestanddelen van de op artikel 140, tweede lid (oud) Sr gebaseerde delictsomschrijving niet (geheel) scherp zijn.
Voor wat betreft het begrip 'deelnemen' blijkt dat uit de omstandigheid dat de wetgever overeenkomstig het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, het 'verwarrende' bestanddeel 'deelneming aan' bij inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 310) per 1 januari 2022 heeft geschrapt. Een aparte bewezenverklaring van 'deelneming', wordt niet meer van belang geacht (Kamerstukken II 2019-2020, 35 366, nr. 3, p. 26 en Kamerstukken II 2019-2020, 35 366, nr. 4, p. 9). Voor de beoordeling van de onderhavige strafzaak gaat het hof er vanuit dat het begrip 'deelnemen' zoals tenlastegelegd op grond van artikel 140, tweede lid (oud) Sr, gelijk de feitelijke uitleg die daaraan in het eerste lid van artikel 140 Sr wordt verleend, ziet op het hebben van een aandeel in, dan wel het ondersteunen van de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon.
Voor wat betreft de inhoud van het bestanddelen 'de voortzetting van de werkzaamheid' van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon stelt het hof het volgende vast.
In de civielrechtelijke context wordt op grond van artikel 2:20, eerste lid BW een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, door de rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie verboden verklaard en ontbonden. Het begrip 'werkzaamheid' is in de desbetreffende kamerstukken als volgt toegelicht: 'Het woord werkzaamheid is in zijn gewone betekenis gebruikt en omvat dus die daden die de rechtspersoon stelt en de woorden die hij spreekt en schrijft, ongeacht op welke wijze blijkt dat die zijn gesteld, gesproken of geschreven in het kader van de organisatie met rechtspersoonlijkheid. Daartoe behoren de middelen waarmee hij zijn doel nastreeft, maar ook bij voorbeeld het stelselmatig niet afdragen van premies. De enkele overtreding van een of meer verboden stempelt een rechtspersoon nog niet tot ongeoorloofd. Dergelijke overtredingen moeten zijn geworden tot een schakel in de werkwijze om als werkzaamheid te worden aangemerkt en bovendien zo ernstig zijn, dat die werkzaamheid binnen de termen van artikel 15 valt.' (opmerking hof: de verwijzing betreft naar art. 15 (oud) Boek 2 BW, dat sinds 1992 is vernummerd naar art. 20 Boek 2 BW) (Kamerstukken II, 1984-1985, 17 476, nrs. 5-7, p. 9-10).
Verder wordt in de desbetreffende kamerstukken opgemerkt: 'Met deze leden meen ik dat een enkele losse, niet symptomatische handeling te weinig is om als werkzaamheid te gelden. Ik reken tot de werkzaamheid niet alleen handelingen die een rechtspersoon op grond van de eigen doelstelling verricht, maar ook het verdere optreden met uitzondering van misstappen die buiten het patroon van het gehele optreden vallen. Een onderscheid tussen hoofd- en nevenwerkzaamheid zou ik in dit verband niet willen maken en lijkt hier zelfs zonder belang.' (Kamerstukken II, 1985-1986, 17 476, nr. 12, p. 4).
De Hoge Raad overwoog in de beschikking van 26 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI1124, rov. 3.6, inzake Hells Angels Northcoast Harlingen) ten aanzien van de uitleg van het begrip 'werkzaamheid' dat onvoldoende is dat de rechtspersoon van gedragingen van derden of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden, geen of onvoldoende afstand heeft genomen. 'Wanneer de rechtspersoon bij gedragingen van derden, waaronder “members” zelf, niet rechtstreeks betrokken is in die zin dat het bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven, kunnen die gedragingen aan de rechtspersoon slechts als eigen werkzaamheid worden toegerekend indien bijzondere feiten en omstandigheden daartoe grond geven.'
In de strafrechtelijke context stelt het hof vast dat de wetgever, ondanks aansporingen daartoe, uitdrukkelijk niet heeft aangegeven welke gedragingen onder 'de voortzetting van de werkzaamheid' van de verboden verklaarde en ontbonden organisatie vallen en derhalve bewust heeft afgezien van het opnemen van een opsomming van werkzaamheden die strijd kunnen opleveren met de openbare orde (Kamerstukken II 1984-1985, 17 476, nrs. 5-7, p. 3-4). Dit wordt bevestigd tijdens de behandeling van de reeds vermelde Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 310), welke per 1 januari 2022 heeft geleid tot aanpassing van onder andere artikel 140, tweede lid Sr. De wetgever stelt op dit punt dienaangaande: 'De kern van artikel 140 lid 2 Sr is dat de voortzetting van activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon strafbaar is. Die strafbaarheid staat los van de vraag welke activiteiten of welk doelen aanleiding zijn geweest voor de verbodenverklaring zelf. Dit uitgangspunt geldt ongeacht de vorm waarin de voortzetting plaatsvindt, of het directe dan wel indirecte karakter van de voortzetting. In die zin past een ruime uitleg bij het begrip "voortzetting van de werkzaamheid", bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr. Over de vraag op welke concrete wijzen de voortzetting zoal z’n beslag kan krijgen, zwijgt artikel 140 lid 2 Sr. Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het "in de lucht" houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon. De casuïstiek is hier dermate groot, dat iedere wettelijke opsomming, zelfs een indicatieve, bij voorbaat te kort zou schieten, en voor de rechtsontwikkeling misschien zelfs een onnodig verstarrend effect zou kunnen hebben.' (Kamerstukken II 2019-2020, 35 366, nr. 4, p. 9).
Uit de wetsgeschiedenis leidt het hof af dat het voor de vaststelling of sprake is van de voortzetting van de werkzaamheden van een verboden organisatie, vereist is om te bezien of de gedraging van de verdachte ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Daarbij dien(t)(en) de tenlastegelegde gedraging(en) van de verdachte een aandeel te hebben in, dan wel de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon te ondersteunen, waardoor een verboden organisatie voort gaat op een wijze die strijdig is met de openbare orde.
Het hof acht tegen de achtergrond van hetgeen in het voorgaande is weergegeven, ondanks dat volgens de wetgever dienaangaande een ruime uitleg dient te worden gehanteerd, het tenlastegelegde – zijnde het enkel lopen van de verdachte naar de ingang van het gerechtsgebouw, zijnde een publieke ruimte, terwijl hij gekleed is met een baseballpet met een opdruk van het logo en de naam van de Bandidos en een T-shirt met een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard en in het bezit is van een heuptasje met de opdruk BF 1% FB – gezien de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, niet een gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Het uiterlijk vertoon dat bestaat uit het zichtbaar hebben van kleding en goederen dat verband houdt met een verboden en ontbonden organisatie kan wellicht als maatschappelijk onwenselijk worden gezien, te meer omdat het plaatsvond in een publieke ruimte. Maar tegen de achtergrond van met name de in de kamerstukken gegeven voorbeelden van voortzettingsgedragingen zoals opgenomen bij de Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 2021, 310) – waar volgens het hof (meer) nadrukkelijk de gerichtheid van de genoemde gedragingen ter zake van de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden verklaarde organisatie voorop staat – wordt naar het oordeel van het hof het tenlastegelegde gedrag van de verdachte enkel gezien als een ongerichte, individuele gedraging van een voormalig lid van de inmiddels verboden verklaarde organisatie. Deze gedraging kan volgens het hof echter niet worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie. Derhalve acht het hof niet bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard.
De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het tenlastegelegde.”
2.6
Art. 140 lid 2 Sr luidde ten tijde van het tenlastegelegde:
“Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
2.7
De huidige tekst van art. 140 lid 2 Sr kan vooral worden teruggevoerd op de wijziging van de bepaling in 1988. Tot 1988 stelde art. 140 lid 2 Sr het deelnemen aan een verboden rechtspersoon strafbaar.1.De rechter kon op grond van de Wet vereniging en vergadering een rechtspersoon verboden verklaren, maar die verklaring was declaratoir in die zin dat derden buiten het geding daaraan niet waren gebonden.2.
2.8
In 1988 kreeg art. 140 lid 2 Sr de formulering die tot op heden te herkennen is. In het Burgerlijk Wetboek werd – ter vervanging van het verbodssysteem uit de Wet vereniging en vergadering – opgenomen dat de burgerlijke rechter een rechtspersoon kon verbieden als zijn werkzaamheid in strijd was met de openbare orde (nu: art. 2:20 lid 1 BW). Daaraan werd art. 140 Sr aangepast: in art. 140 lid 2 Sr werden de woorden ‘een andere bij de wet verboden rechtspersoon’ vervangen door ‘de voortzetting van de werkzaamheid van een rechtspersoon die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard en deswege is ontbonden’.3.De bepaling kwam daardoor als volgt te luiden:
“Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een rechtspersoon die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard en deswege is ontbonden wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”4.
2.9
De verbodenverklaring door de burgerlijke rechter ging daardoor voor iedereen gelden: als een rechtspersoon eenmaal verboden was verklaard, was voortzetting van de werkzaamheid ervan voor iedereen strafbaar en was de strafrechter bovendien gebonden aan de verbodenverklaring. Omdat bij de verbodenverklaring de rechtspersoon werd ontbonden, werd art. 140 lid 2 Sr in zoverre gewijzigd dat deelneming aan ‘de voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden rechtspersoon strafbaar werd: de rechtspersoon bestond na de ontbinding op grond van het Burgerlijk Wetboek immers niet meer. Ook ontstond de strafbaarheid pas vanaf het moment dat de rechterlijke verbodenverklaring onherroepelijk was geworden: de rechter kon dus niet meer, zoals onder de Wet vereniging en vergadering, zelf bij een veroordeling op grond van art. 140 lid 2 Sr de verbodenverklaring vaststellen.
2.10
Door deze wijzigingen kreeg de verbodenverklaring door de rechter vanaf 1988 een constitutief karakter: zij werkte rechtscheppend en ten opzichte van iedereen, omdat vanaf dat moment de strafbaarheid op grond van art. 140 lid 2 Sr kon ontstaan. Koornstra, Roorda, Vols en Brouwer merken daarom op dat art. 140 lid 2 Sr sinds 1988 strafbaar stelt wat in common-lawstelsels als ‘contempt of court’ wordt aangeduid: het delict is vormgegeven als misdrijf tegen het openbaar gezag, namelijk het achteraf negeren van de onherroepelijke rechterlijke beslissing die de verbodenverklaring constitueert.5.De bepaling heeft deze redactie gekregen na een artikel van Van Veen, die voorstelde in de bepaling het negeren van het rechterlijke verbod centraal te stellen.6.
2.11
Het contempt-of-courtkarakter van art. 140 lid 2 Sr is bij de wijzigingen van de bepaling na 1988 in stand gebleven. De laatste wijziging van de bepaling dateert van vlak na de in de onderhavige zaak tenlastegelegde gedraging en is in werking getreden op 1 januari 2022.7.Bij die wijziging is ten eerste het bestanddeel ‘deelneming aan’ geschrapt.8.Dat bestanddeel was volgens de memorie van toelichting verwarrend: voor de strafbaarheid op grond van dit artikel zou het vooral moeten gaan om de ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden rechtspersoon, terwijl een aparte bewezenverklaring van het bestanddeel ‘deelneming’ daarvoor niet van belang zou zijn.9.Ten tweede is bij deze wijziging de maximumstraf verhoogd.10.Art. 140 lid 2 Sr luidt sindsdien als volgt:
“De voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie.”
2.12
Bij deze wijziging is het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ ongemoeid gelaten. Met betrekking tot dit bestanddeel blijkt uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat de regering het oog had op alle gedragingen die normaal gesproken binnen het verband van de organisatie vallen. In de memorie van toelichting is het volgende opgenomen over de reikwijdte van het bestanddeel ‘voortzetting’:
“Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het «in de lucht» houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon.”11.
2.13
Deze in de memorie van toelichting weergegeven opvatting van de regering is in het verdere wetgevingsproces niet weersproken. Daarom kan uit de memorie van toelichting worden afgeleid dat de wetgever – in ieder geval in 2022 – niet alleen het oog had op gedragingen die verband houden met de verbodenverklaring (dus gedragingen in verband waarmee de organisatie op grond van art. 2:20 lid 1 BW vanwege strijd met de openbare orde is verboden), maar op alle gedragingen die normaal gesproken bij de organisatie horen. Dat kunnen ook gedragingen zijn die in een andere situatie op zichzelf bezien niet strafbaar zouden zijn, zoals het organiseren of houden van vergaderingen en het bijhouden van een ledenlijst of website. Deze lezing wordt bevestigd in het nadere rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Daarin schrijft de regering:
“De kern van artikel 140 lid 2 Sr is dat de voortzetting van activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon strafbaar is. Die strafbaarheid staat los van de vraag welke activiteiten of welk doelen aanleiding zijn geweest voor de verbodenverklaring zelf. Dit uitgangspunt geldt ongeacht de vorm waarin de voortzetting plaatsvindt, of het directe dan wel indirecte karakter van de voortzetting. In die zin past een ruime uitleg bij het begrip «voortzetting van de werkzaamheid», bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr. Over de vraag op welke concrete wijzen de voortzetting zoal z’n beslag kan krijgen, zwijgt artikel 140 lid 2 Sr.”12.
2.14
Naast deze wijziging wordt in de schriftuur ook gewezen op een ander wetgevingstraject: het in 2018 bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel voor de ‘Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties’.13.Door dat wetsvoorstel, een initiatiefvoorstel van vijf leden van de Tweede Kamer, zouden organisaties ook bestuurlijk kunnen worden verboden en wordt een bestuurlijk verboden organisatie binnen het bereik van art. 140 lid 2 Sr gebracht. In de naar aanleiding van het advies van de Raad van State gewijzigde memorie van toelichting schrijven de indieners van het wetsvoorstel dat “de hele werkzaamheid van een club verboden” is en dus ook “gedragingen die op zichzelf niet strafbaar waren, maar die door het bestuurlijk verbod wel strafbaar zijn geworden, zoals het werven van nieuwe leden, het organiseren van clubactiviteiten, het rondrijden in clubcolors, het gebruiken van clubhuizen of het aanstellen van bestuursleden of andersoortige leiders”.14.Omdat het wetsvoorstel op dit moment echter nog aanhangig is in de Eerste Kamer en daar nog niet plenair is behandeld,15.is nog niet duidelijk hoe de Eerste Kamer over het wetsvoorstel en de daarbij behorende toelichting denkt.16.Daar komt bij dat het wetsvoorstel op enkele punten omstreden is.17.Omdat de status van dit initiatiefwetsvoorstel op dit moment twijfelachtig is, laat ik het hier verder buiten beschouwing. Daaruit zijn nu geen conclusies te trekken over de stand van het recht met betrekking tot art. 140 lid 2 Sr.
2.15
Kort samengevat kan op basis van de hiervoor behandelde wetsgeschiedenis worden vastgesteld dat de bedoeling van de wetgever is geweest het negeren van het rechterlijk verbod centraal te stellen bij strafbaarheid op grond van art. 140 lid 2 Sr. Voor wat betreft het type gedragingen waarmee het rechterlijke verbod wordt overtreden, heeft de wetgever in 2022 de reikwijdte van het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ vrij ruim opgevat. Daaronder vallen volgens de wetgever alle gedragingen die bij de normale werkzaamheid van de verboden organisatie hoorden. Dat kunnen dus ook gedragingen zijn die op zichzelf bezien niet strafbaar zijn, maar die wel bij het normale verenigingsverband horen.
2.16
Dat ruime standpunt lijkt steun te vinden in de literatuur. Daar wordt in het algemeen uitgegaan van de benadering dat deelneming in de zin van art. 140 lid 2 Sr verboden is indien zij verband houdt met de ‘algemene werkzaamheid’ van de verboden organisatie.18.Zo wijzen Fransen, Kerkhof en Verrest erop dat onder voortzetting van de werkzaamheid “velerlei handelingen worden verstaan, zolang die maar leiden tot de voorzetting van de werkzaamheid van de organisatie”, namelijk gedragingen die “zorgen dat de organisatie ‘levend’ blijft en kan blijven functioneren in weerwil van het verbod”.19.Zij wijzen in dat kader op fondsenwerving en op het bieden van een podium voor de activiteiten van de organisatie.20.Ook stellen Koornstra, Roorda, Vols en Brouwer in hun onderzoek over het verbieden van ‘Outlaw Motorcycle Gangs’ dat “iedere gedraging, hoe onschuldig zij op zichzelf genomen ook lijkt en door wie zij ook wordt begaan, strafbaar zou moeten zijn, indien die gedraging ten dienste staat aan het voortbestaan van de werkzaamheid of het doel van de verboden organisatie” en dat het daarbij daarom ook zou moeten gaan om het dragen van clubkleding.21.De gedachte is dan: de organisatie moet volledig uit de publieke ruimte worden verbannen.
2.17
Daartegenover staat in de literatuur het standpunt van Kesteloo. Kesteloo bepleit dat de verboden gedragingen juist verband zouden moeten houden met de grond voor verbodenverklaring. Op grond van art. 2:20 lid 1 BW kan een rechtspersoon worden verboden en ontbonden indien het doel of de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde. Kesteloo bepleit dat alleen voortzettingsgedragingen waarmee die verboden werkzaamheid wordt voortgezet (dus: gedragingen die in strijd met de openbare orde zijn) strafbaar moeten zijn op grond van art. 140 lid 2 Sr. Als dat niet zo zou zijn, zou de verenigingsvrijheid disproportioneel worden beperkt, omdat leden van een verboden organisatie dan ook geen niet-verboden activiteiten meer zouden kunnen ontplooien:
“Enige verbazing wekt overigens het gewijzigde standpunt van de regering bij wetswijziging met ingang van 1 januari 2022 met betrekking tot de uitleg van de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie: van een oorspronkelijk restrictieve uitleg naar een ruime uitleg, die verder wordt uitgewerkt in de memorie van toelichting: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het in de lucht houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties. Deze toelichting gaat daarentegen niet over een voortzetting van een ‘werkzaamheid’ van een bepaalde organisatie, maar over de meest basale activiteiten van nagenoeg elke bestaande of nieuw op te richten organisatie. Daarmee wordt bovendien afstand genomen van het in 1988 gewijzigde karakter van art. 140 lid 2 Sr als misdrijf tegen het openbaar gezag en wordt door deze toelichting weer meer gezien als een misdrijf tegen de openbare orde. De verboden organisatie komt bij de strafbaarstelling in art. 140 lid 2 Sr zelf centraal te staan in plaats van de reden van het verbod: de werkzaamheid in strijd met de openbare orde van de betreffende organisatie. De grondslag voor de strafbaarheid op grond van art. 140 lid 2 Sr is dus niet meer de grond van het verbod, maar het gevolg, het simpele feit dat de organisatie is verboden en niet meer mag bestaan. Dit nieuwe standpunt is niet terug te vinden in de wettekst, want dan zouden de termen ‘voortzetting’ en ‘werkzaamheid’ wel zijn geschrapt en vervangen door ‘de voortzetting van een organisatie (…)’. Feitelijk verandert de strekking van de wettekst dus niet en kan de strafrechter met een gerust hart de werkzaamheid van de organisatie, die als grondslag heeft gediend voor het verbod van die organisatie, als uitgangspunt nemen voor het bepalen van de strafbaarheid van de verweten voortzetting van die werkzaamheid. Het verbieden en ontbinden van criminele motorclubs in de afgelopen jaren lijkt in ieder geval geen goede aanleiding te zijn geweest voor de laatste aanpassing van art. 140 lid 2 Sr, want die aanpassing heeft niet alleen gevolgen voor deze motorclubs, maar ook voor praktisch elke andere rechtspersoon, waaronder informele verenigingen, in Nederland.”22.
2.18
Dat laatste standpunt lijkt mij te beperkt gelet op de wetsgeschiedenis. Het oordeel van de rechter dat de rechtspersoon is verboden en ontbonden, wordt immers niet nageleefd als oud-leden van een verboden organisatie onder dezelfde naam andere, op zichzelf bezien niet-verboden gedragingen zouden kunnen blijven uitoefenen. Mij lijkt daarom dat zal moeten worden bekeken of de gedragingen van een verdachte – bezien tegen de context daarvan – naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als gedragingen die bij de normale gang van zaken van de vereniging hoorden. Is dat het geval, dan wordt de uitspraak van de rechter niet opgevolgd. In de parlementaire stukken leidend tot de wetswijziging van 1988 heb ik ook niet kunnen vinden dat de verboden voortzettingsgedraging verband moet houden met de reden voor verbodenverklaring van de organisatie. Het negeren van het rechterlijke oordeel – ongeacht in welke vorm – lijkt centraal te staan.
2.19
Voor de onderhavige zaak betekent dit dat de vraag moet worden beantwoord of de verdachte door het dragen van clubkleding – binnen de context van een gerechtsgebouw waar op dat moment een zaak tegen andere oud-leden van de verboden organisatie werd behandeld – naar objectieve maatstaven heeft bijgedragen aan de voortzetting van de werkzaamheid van die verboden organisatie. Daarbij is van belang dat het hof heeft overwogen dat bij de verbodenverklaring van de rechtspersoon is vastgesteld dat die werkzaamheid van de organisatie onder meer inhield (i) het aanmoedigen en bagatelliseren van geweld, ook in de openbare ruimte, (ii) het creëren van een cultuur van angst, zowel binnen de organisatie als overigens in de samenleving, en (iii) een bad-standingbeleid dat gepaard gaat met geweld en dreiging van geweld.23.
2.20
Het hof heeft uit de wetsgeschiedenis afgeleid dat voor de vaststelling of sprake is van de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie moet worden bekeken “of de gedraging van de verdachte ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie”. Daarbij dient de gedraging volgens het hof “een aandeel te hebben in, dan wel de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon te ondersteunen, waardoor een verboden organisatie voort gaat op een wijze die strijdig is met de openbare orde”. Het hof heeft verder geoordeeld dat in de wetsgeschiedenis “(meer) nadrukkelijk de gerichtheid van de genoemde gedragingen ter zake van de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden verklaarde organisatie voorop staat”. Het hof heeft vervolgens over de feiten in de onderhavige zaak geoordeeld dat de tenlastegelegde gedraging van de verdachte – het lopen met kleding en een tasje met een opdruk van een verboden organisatie – gezien de aard van de gedraging en de omstandigheden geen gedraging is die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Het hof vindt de gedraging van de verdachte – in mijn woorden – daarvoor te onbeduidend: “een ongerichte, individuele gedraging”.
2.21
Naar mijn oordeel overtuigt die redenering niet zonder meer. De zaak gaat over het gebruik van symbolen van een organisatie die verboden is vanwege een cultuur van geweld en wetteloosheid. Deze ‘outlaw-cultuur’ wordt ook wel uitgedragen in kleding, zoals in het door het hof aangehaalde oordeel van de rechtbank wordt opgemerkt. Het dragen van het 1%-teken is daarbij een teken waarmee men aan de buitenwereld laat zien dat men buiten de wet wil opereren en dat men een outlaw is. Juist daarom lijkt mij in deze zaak niet zonder meer begrijpelijk dat het hof het openlijk dragen van deze verenigingskleding niet als voortzetting van de verboden organisatie heeft aangemerkt. Dat wordt nog versterkt door de omstandigheid dat de verdachte in deze zaak de kleding heeft gedragen bij het binnengaan van het gerechtsgebouw waar op dat moment een rechtszaak tegen leden van de motorclub werd gehouden. Daarom kan de gedraging in mijn ogen niet zonder meer als ‘ongericht’ worden aangemerkt, zoals het hof heeft gedaan. Juist de gerichtheid – of strekking – van de gedraging kan bij een relatief ‘kleine’ uiting zoals het dragen van clubkleding het verschil maken: ook dat kan een gedraging zijn die uiting geeft aan het voortzetten van de verboden rechtspersoon. Het lijkt mij dat de wetgever een dergelijke gedraging evengoed strafbaar heeft willen stellen. Uitgaande van die wetsuitleg had het hof naar ik meen nader moeten motiveren waarom de tenlastegelegde gedragingen – ondanks hun context – toch niet als voortzetting van de verboden organisatie kunnen worden aangemerkt.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑09‑2023
J. Koornstra e.a., Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs, Den Haag: Sdu 2019, p. 210.
Stb. 1988, 104 (wet en inwerkingtreding).
J. Koornstra e.a., Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs, Den Haag: Sdu 2019, p. 210.
J. Koornstra e.a., Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs, Den Haag: Sdu 2019, p. 210-211 en 221. Zie ook de memorie van antwoord van de minister in Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 15: “Met hem meen ik dat het tweede lid het karakter moet hebben van een strafrechtelijke sanctie op het niet in acht nemen van een verbod dat de rechter op grond van artikel 15 van boek 2 BW heeft gegeven.” Zie ook Ten Voorde, in: Tekst & Commentaar Strafrecht, art. 140 Sr, aant. 10f (online, bijgewerkt 1 september 2021).
Th.W. van Veen, ‘De verboden vereniging en art. 140 Sr’, NJB 1983, afl. 1, p. 13: “Maar dat is niet de hoofdzaak. Het wetsvoorstel bedoelt aan lid 2 van art. 140 Sr een geheel andere functie te geven dan het nu heeft. Het wil het trotseren van het rechterlijk verbod, waarmee een vereniging is getroffen, strafbaar stellen. Het wil dus een delict tegen het openbaar gezag scheppen. Dat kan heel goed, maar dan behoort dat nieuwe delikt geheel van art. 140 lid 1 Sr te worden losgekoppeld. Het moet worden overgebracht naar titel 8 van het WvSr.” Zie Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 20: “Deze gewijzigde bepaling is geïnspireerd door de suggestie van Van Veen in het Nederlands Juristenblad van 1983, blzz. 12 e.v. De bepaling strekt zich derhalve niet meer uit over gedragingen van vóór het tijdstip waarop de verbodenverklaring en de ontbinding onherroepelijk zijn geworden. Mocht de rechter een verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad verklaren, dan kan dat dus geen strafbaarheid meebrengen.” Van Veen bepleitte met het oog op het contempt-of-courtkarakter van de bepaling ook haar onder te brengen in het deel van het Wetboek van Strafrecht over misdrijven tegen het openbare gezag, maar dat heeft de wetgever niet overgenomen.
Stb. 2021, 310 (wet van 23 juni 2021) en Stb. 2021, 346 (inwerkingtreding per 1 januari 2022).
Stb. 2021, 310.
Stb. 2021, 310.
Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 26. Zie ook Kamerstukken II 2019/20, 35366, 4, p. 9.
Kamerstukken II 2020/21, 35079, A (gewijzigd voorstel van wet).
Kamerstukken II 2018/19, 35079, 7, p. 9. Zie in dat kader ook de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2019/20, 35079, 10, p. 16-17) en de beantwoording van vragen van de Eerste Kamer (Kamerstukken I 2020/21, 35079, C, p. 16-17).
Voor een uitgebreide verhandeling over de parlementaire geschiedenis: A.N. Kesteloo, Strafbare deelneming aan criminele organisaties, Deventer: Wolters Kluwer 2023, hoofdstuk 4.3.5.
Zie hiervoor: J. Koornstra en J, Brouwer, ‘Het verbieden van Outlaw Motorcycle Gangs. Een effectieve maatregel?’, AA 2018, p. 696-700, A.N. Kesteloo, ‘Verbod op motorclubs: het voorstel van de Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties’, TPWS 2019/64 en J. Koornstra, B. Roorda en J.G. Brouwer, ‘Over het wetsvoorstel ‘Bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties’. Het verbieden van Outlaw Motorcycle Gangs’, TvCR 2020/4.
Voor een overzicht: J. Koornstra e.a., Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs, Den Haag: Sdu 2019, p. 233.
A. Fransen, J. Kerkhofs en P.A.M. Verrest, Terrorisme: Een analyse van het Belgische en Nederlandse materieel strafrecht, Oisterwijk 2017, p. 143.
A. Fransen, J. Kerkhofs en P.A.M. Verrest, Terrorisme: Een analyse van het Belgische en Nederlandse materieel strafrecht, Oisterwijk 2017, p. 144, genoemd door J.W. Fokkens, in: Tekst & Commentaar Strafrecht, art. 140 Sr, aant. 6 (online, bijgewerkt 15 september 2019).
J. Koornstra e.a., Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs, Den Haag: Sdu 2019, p. 476-477.
A.N. Kesteloo, Strafbare deelneming aan criminele organisaties, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 96-97.
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10865, in stand gelaten in HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797.
Beroepschrift 19‑04‑2023
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van het Hof 's‑Hertogenbosch van 12 oktober 2022, waarbij het Hof:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991
heeft vrijgesproken van het hem tenlastelegde.
Rekwirant kan zich met deze uitspraak en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom het volgende middel van cassatie voor.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 RO, meer in het bijzonder schending van art. 140 lid 2 (oud) Sr, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, het oordeel van het Hof dat het met een baseballpet met een opdruk van het logo en de naam van de Bandidos en/of gekleed in een T-shirt met een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard en/of in het bezit van een heuptasje met de opdruk BF 1% FB naar de ingang van het gerechtsgebouw Maastricht lopen, enkel gezien kan worden als een ongerichte, individuele gedraging van een voormalig lid van de inmiddels verboden verklaarde organisatie Bandidos Motorcycle Club Holland en dat deze gedraging niet kan worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft hiermee een te beperkte en daardoor onjuiste uitleg gegeven aan art. 140 lid 2 (oud) Sr en verdachte, met verlating van de grondslag van de tenlastelegging, vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd. Daarnaast is het oordeel van het Hof dat onder de door het Hof vastgestelde omstandigheden het handelen van verdachte niet kan worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie, niet zonder meer begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Toelichting
1.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
‘hij op of omstreeks 21 april 2021 in de gemeente Maastricht, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de Bandidos Motorcycle Club Holland die bij onherroepelijke beslissing van de Hoge Raad der Nederlanden (nummer 19/01401) verboden is verklaard, door gekleed met een baseballpet met een opdruk van het logo en de naam van de Bandidos en/of gekleed in een T-shirt met een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard en/of in het bezit van een heuptasje met de opdruk BF 1% FB naar de ingang van het gerechtsgebouw te lopen.’
2.
Het Hof heeft verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken en daartoe overwogen:
‘Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het dossier volgt dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich op 21 april 2021 voor de ingang van de rechtbank Maastricht bevonden. Zij waren belast met het bewaken en beveiligen van het gerechtsgebouw aldaar in verband met de zitting tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard. De verbalisanten hadden opdracht om leden van de Bandidos die met uiterlijke kenmerken van de verboden organisatie Bandidos, zoals kleding en dergelijke, naar de rechtbank zouden komen, aan te houden, in te sluiten en de uiterlijke kenmerken in beslag te nemen. Tevens was geïnstrueerd in voorkomende gevallen proces-verbaal op te maken ter zake van overtreding van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna telkens: Sr). Omstreeks 09.00 uur zagen de verbalisanten een man, naar later blijkt de verdachte, naar de ingang van de rechtbank komen. De verdachte droeg een zwarte baseballpet met aan de voorzijde een opdruk van het logo van de Bandidos en op de achterzijde een opdruk met de naam Bandidos. Tevens droeg hij een zwart T-shirt met op de voorzijde een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard. Verder droeg de verdachte een heuptasje met de opdruk ‘BF 1% FB’. Hierop hebben de verbalisanten de verdachte staande gehouden en hem verzocht mee te gaan naar een ruimte in de rechtbank. Vervolgens zijn het petje, het T-shirt en het heuptasje met Bandidos opdrukken inbeslaggenomen.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte op of omstreeks 21 april 2021 in de gemeente Maastricht, door naar de ingang van het gerechtsgebouw te lopen terwijl hij kleding en accessoires droeg met de aanduidingen en tekens verwijzend naar de Bandidos Motorcycle Club Holland (hierna telkens: BMC Holland), zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard.
a) De relevante verboden verklaring in verband met de onderhavige strafzaak
Het Openbaar Ministerie kan op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (hierna telkens: BW) de rechter verzoeken een rechtspersoon, zoals een (informele) vereniging of stichting, te verbieden en te ontbinden, als de werkzaamheid daarvan in strijd is met de openbare orde. Na een dergelijk verbod is de deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een dergelijke organisatie strafbaar (artikel 140, tweede lid Sr).
Het Openbaar Ministerie heeft in een civielrechtelijke procedure bij de rechtbank Midden-Nederland onder andere verzocht de informele vereniging BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd zou zijn met de openbare orde. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 december 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:6241) BMC Holland verboden verklaard vanwege — kortweg — de binnen BMC Holland bestaande cultuur waarin het plegen van (ernstig) geweld wordt gestimuleerd. De rechtbank heeft hierbij gewezen op de omstandigheid dat de Bandidos zichzelf typeren als een Motorcycle Club met een cultuur van wetteloosheid, een ‘outlaw-cultuur’, wat de motorclub uitdraagt in kleding, zoals het dragen van het 1%-teken, een teken waarmee men aan de buitenwereld laat zien dat zij buiten de wet (willen) opereren en dat zij outlaws zijn. Ook heeft de rechtbank gewezen op de omstandigheid dat de gerichtheid van de Bandidos op het plegen van geweld en het stimuleren daarvan door de Bandidos-organisatie blijkt uit het feit dat het plegen van geweld wordt beloond met onderscheidingen (patches), waarbij de ‘expect no mercy’-patch het meest prominent is. Deze patch wordt uitgereikt aan Bandidos-leden die ten behoeve van de motorclub (ernstig) geweld hebben gepleegd. Volgens de rechtbank gebruiken de leden bewust de naam ‘Bandidos’ of hun ‘colors’ om hun daden en woorden kracht bij te zetten.
Nu de rechtbank van oordeel was dat de cultuur van de Bandidos en de feitelijk daaruit voortvloeiende gedragingen dermate kenmerkend en structureel zijn gebleken dat er een reële kans bestaat dat Bandidos-leden in de nabije toekomst in Nederland (opnieuw) ernstige geweldsdelicten plegen die de lichamelijke integriteit van personen binnen de eigen clubsfeer en/of van personen daarbuiten (ernstig) aantasten en de Nederlandse samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten, heeft de rechtbank BMC Holland verboden verklaard.
In het hoger beroep van deze civielrechtelijke procedure is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 18 december 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:10865) evenals de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het verzoek van het Openbaar Ministerie de informele vereniging BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, moet worden toegewezen. Daarbij is door het hof overwogen dat de vaststaande feiten voldoende zijn om ervan uit te gaan dat sprake is van een naar buiten optredend landelijk organisatorisch verband van lokale verenigingen (chapters) en individuele Bandidos-leden onder de naam BMC Holland (rov. 4.18). Uit de uitingen en gedragingen die als een eigen werkzaamheid aan BMC Holland kunnen worden toegerekend, blijkt dat het toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd én gebagatelliseerd. De gedragingen van BMC Holland creëren een cultuur van angst, zowel binnen de organisatie als overigens in de samenleving. Ook het bad standing-beleid gaat met geweld en dreiging van geweld gepaard. Een en ander vormt een daadwerkelijke aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, zoals het recht op vrijheid van vereniging (waaronder de vrijheid voor anderen om een vereniging op te richten en de vrijheid om het lidmaatschap van een vereniging te beëindigen) en veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen. De gedragingen, begaan binnen de sfeer en cultuur zoals hiervoor omschreven, ontwrichten onze samenleving of kunnen die ontwrichten en kunnen niet worden geduld. De verbodenverklaring is een noodzakelijke maatregel om die gedragingen te voorkomen. Ook het hof vindt daarom dat BMC Holland moet worden verboden en ontbonden, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde (rov. 4.24 – 4.26 en 4.29).
Het hof oordeelt verder dat de lokale Nederlandse Bandidos-chapters en hun leden lid zijn van BMC Holland. Met het verbod en de ontbinding van BMC Holland is het deze (rechts)personen niet langer toegestaan van BMC Holland lid te zijn en is het hun verboden om de werkzaamheid van BMC Holland in welke vorm dan ook voort te zetten (rov. 4.32). Daarmee is niet gezegd dat het de leden van BMC Holland, waaronder de lokale chapters, verboden is om te bestaan en om hun eigen werkzaamheid — voor zover die niet (ook) als een werkzaamheid van BMC Holland kan worden aangemerkt — voort te zetten. De chapters zijn geen onzelfstandig onderdeel van BMC Holland, maar vormen in zichzelf een bestendige organisatie met leden. Zij zijn daarom zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid (rov. 4.33).
Bij beschikking van 24 april 2020 heeft de civielrechtelijke kamer van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:797), nummer 19/01401, het beroep van het Openbaar Ministerie tegen de hiervoor vermelde beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2018 verworpen. Het beroep richtte zich daarbij op twee onderdelen van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In cassatie was enkel nog aan de orde (i) of Bandidos Motorcycle Club (in het geding ‘BMC Internationaal’ genoemd) kon worden aangemerkt als een wereldwijd, als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam of samenwerkingsverband, en (ii) of een verbod van de Nederlandse afdeling van de Bandidos Motorcycle Club (de informele vereniging BMC Holland) tot gevolg had dat ook de lokale Nederlandse ‘chapters’ verboden zouden zijn. De deelbeslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat BMC Holland moet worden verboden en ontbonden omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde, werd als zodanig in cassatie niet bestreden.
b) Deelneming aan voortzetting van de werkzaamheid van de organisatie
De verdachte is het schenden van artikel 140, tweede lid (oud) Sr tenlastegelegd. Tot 1 januari 2022 luidde de desbetreffende delictsomschrijving (voor zover hier toepasselijk):
‘Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard (…), wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.’
Artikel 140, tweede lid Sr ziet daarmee op het negeren van de rechterlijke beslissing tot (onherroepelijke) verboden verklaring van de organisatie, maar omschrijft niet concreet welke gedragingen strafbaar zijn na een verbodenverklaring. Voor wat betreft het ‘deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de organisatie’ stelt het hof, mede met het oog op de op grond van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering te beantwoorden bewijs- en kwalificatievraag, op grond van het navolgende vast dat de contouren van de begripsinhoud van de diverse bestanddelen van de op artikel 140, tweede lid (oud) Sr gebaseerde delictsomschrijving niet (geheel) scherp zijn.
Voor wat betreft het begrip ‘deelnemen’ blijkt dat uit de omstandigheid dat de wetgever overeenkomstig het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, het ‘verwarrende’ bestanddeel ‘deelneming aan’ bij inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 310) per 1 januari 2022 heeft geschrapt. Een aparte bewezenverklaring van ‘deelneming’, wordt niet meer van belang geacht (Kamerstukken II 2019–2020, 35 366, nr. 3, p. 26 en Kamerstukken II 2019–2020, 35 366, nr. 4, p. 9). Voor de beoordeling van de onderhavige strafzaak gaat het hof er vanuit dat het begrip ‘deelnemen’ zoals tenlastegelegd op grond van artikel 140, tweede lid (oud) Sr, gelijk de feitelijke uitleg die daaraan in het eerste lid van artikel 140 Sr wordt verleend, ziet op het hebben van een aandeel in, dan wel het ondersteunen van de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon.
Voor wat betreft de inhoud van het bestanddelen ‘de voortzetting van de werkzaamheid’ van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon stelt het hof het volgende vast.
In de civielrechtelijke context wordt op grond van artikel 2:20, eerste lid BW een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, door de rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie verboden verklaard en ontbonden. Het begrip ‘werkzaamheid’ is in de desbetreffende kamerstukken als volgt toegelicht:
‘Het woord werkzaamheid is in zijn gewone betekenis gebruikt en omvat dus die daden die de rechtspersoon stelt en de woorden die hij spreekt en schrijft, ongeacht op welke wijze blijkt dat die zijn gesteld, gesproken of geschreven in het kader van de organisatie met rechtspersoonlijkheid. Daartoe behoren de middelen waarmee hij zijn doel nastreeft, maar ook bij voorbeeld het stelselmatig niet afdragen van premies. De enkele overtreding van een of meer verboden stempelt een rechtspersoon nog niet tot ongeoorloofd. Dergelijke overtredingen moeten zijn geworden tot een schakel in de werkwijze om als werkzaamheid te worden aangemerkt en bovendien zo ernstig zijn, dat die werkzaamheid binnen de termen van artikel 15 valt.’
(opmerking hof: de verwijzing betreft naar art. 15 (oud) Boek 2 BW, dat sinds 1992 is vernummerd naar art. 20 Boek 2 BW) (Kamerstukken II, 1984–1985, 17 476, nrs. 5–7, p. 9–10).
Verder wordt in de desbetreffende kamerstukken opgemerkt:
‘Met deze leden meen ik dat een enkele losse, niet symptomatische handeling te weinig is om als werkzaamheid te gelden. Ik reken tot de werkzaamheid niet alleen handelingen die een rechtspersoon op grond van de eigen doelstelling verricht, maar ook het verdere optreden met uitzondering van misstappen die buiten het patroon van het gehele optreden vallen. Een onderscheid tussen hoofd- en nevenwerkzaamheid zou ik in dit verband niet willen maken en lijkt hier zelfs zonder belang.’
De Hoge Raad overwoog in de beschikking van 26 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI1124, rov. 3.6, inzake Hells Angels Northcoast Harlingen) ten aanzien van de uitleg van het begrip ‘werkzaamheid’ dat onvoldoende is dat de rechtspersoon van gedragingen van derden of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden, geen of onvoldoende afstand heeft genomen. ‘Wanneer de rechtspersoon bij gedragingen van derden, waaronder ‘members’ zelf, niet rechtstreeks betrokken is in die zin dat het bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven, kunnen die gedragingen aan de rechtspersoon slechts als eigen werkzaamheid worden toegerekend indien bijzondere feiten en omstandigheden daartoe grond geven.’
In de strafrechtelijke context stelt het hof vast dat de wetgever, ondanks aansporingen daartoe, uitdrukkelijk niet heeft aangegeven welke gedragingen onder ‘de voortzetting van de werkzaamheid’ van de verboden verklaarde en ontbonden organisatie vallen en derhalve bewust heeft afgezien van het opnemen van een opsomming van werkzaamheden die strijd kunnen opleveren met de openbare orde (Kamerstukken II 1984–1985, 17 476, nrs. 5–7, p. 3–4). Dit wordt bevestigd tijdens de behandeling van de reeds vermelde Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 310), welke per 1 januari 2022 heeft geleid tot aanpassing van onder andere artikel 140, tweede lid Sr. De wetgever stelt op dit punt dienaangaande:
‘De kern van artikel 140 lid 2 Sr is dat de voortzetting van activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon strafbaar is. Die strafbaarheid staat los van de vraag welke activiteiten of welk doelen aanleiding zijn geweest voor de verbodenverklaring zelf. Dit uitgangspunt geldt ongeacht de vorm waarin de voortzetting plaatsvindt, of het directe dan wel indirecte karakter van de voortzetting. In die zin past een ruime uitleg bij het begrip ‘voortzetting van de werkzaamheid’, bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr. Over de vraag op welke concrete wijzen de voortzetting zoal z'n beslag kan krijgen, zwijgt artikel 140 lid 2 Sr. Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het ‘in de lucht’ houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon. De casuïstiek is hier dermate groot, dat iedere wettelijke opsomming, zelfs een indicatieve, bij voorbaat te kort zou schieten, en voor de rechtsontwikkeling misschien zelfs een onnodig verstarrend effect zou kunnen hebben.’
Uit de wetsgeschiedenis leidt het hof af dat het voor de vaststelling of sprake is van de voortzetting van de werkzaamheden van een verboden organisatie, vereist is om te bezien of de gedraging van de verdachte ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Daarbij dien(t)(en) de tenlastegelegde gedraging(en) van de verdachte een aandeel te hebben in, dan wel de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon te ondersteunen, waardoor een verboden organisatie voort gaat op een wijze die strijdig is met de openbare orde.
Het hof acht tegen de achtergrond van hetgeen in het voorgaande is weergegeven, ondanks dat volgens de wetgever dienaangaande een ruime uitleg dient te worden gehanteerd, het tenlastegelegde — zijnde het enkel lopen van de verdachte naar de ingang van het gerechtsgebouw, zijnde een publieke ruimte, terwijl hij gekleed is met een baseballpet met een opdruk van het logo en de naam van de Bandidos en een T-shirt met een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard en in het bezit is van een heuptasje met de opdruk BF 1% FB — gezien de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, niet een gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Het uiterlijk vertoon dat bestaat uit het zichtbaar hebben van kleding en goederen dat verband houdt met een verboden en ontbonden organisatie kan wellicht als maatschappelijk onwenselijk worden gezien, te meer omdat het plaatsvond in een publieke ruimte. Maar tegen de achtergrond van met name de in de kamerstukken gegeven voorbeelden van voortzettingsgedragingen zoals opgenomen bij de Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 2021, 310) — waar volgens het hof (meer) nadrukkelijk de gerichtheid van de genoemde gedragingen ter zake van de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden verklaarde organisatie voorop staat — wordt naar het oordeel van het hof het tenlastegelegde gedrag van de verdachte enkel gezien als een ongerichte, individuele gedraging van een voormalig lid van de inmiddels verboden verklaarde organisatie. Deze gedraging kan volgens het hof echter niet worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie. Derhalve acht het hof niet bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard.
De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het tenlastegelegde.’
3.1
Ten tijde van het tenlastegelegde luidde art. 140 lid 2 Sr als volgt:
‘Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.’
Zoals het Hof terecht heeft overwogen wordt uit de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van art. 140 lid 2 (oud) Sr niet duidelijk welke gedragingen volgens de wetgever moesten worden aangemerkt als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie.
3.2
Sinds 1 januari 2022 luidt art. 140 lid 2 Sr als volgt:
‘De voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie.’
In de wetsgeschiedenis bij de Wet van 23 juni 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021/310), waarbij art. 140 lid 2 Sr is gewijzigd zoals hiervoor vermeld, is wel stilgestaan bij de vraag wat moet worden verstaan onder de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie. De Raad van State heeft in zijn advies opgemerkt dat er onduidelijkheid bestaat over de betekenis van het begrip ‘werkzaamheid’ en dat uit onderzoek is gebleken dat de strafbepaling van art. 140 lid 2 Sr in de praktijk min of meer een dode letter is, onder meer doordat veel onduidelijkheid bestaat over de betekenis en de reikwijdte daarvan. De Raad van State stelt daarin dat concretisering en verduidelijking van deze strafbaarstelling zou kunnen bijdragen aan een meer effectief optreden in de fase nadat de verbodenverklaring onherroepelijk is geworden en dat in dit verband bijvoorbeeld kan worden gedacht aan het schrappen van het ‘verwarrende’ bestanddeel ‘deelneming’ en aan het in de wet opnemen van een niet-limitatieve opsomming van concrete voortzettingsgedragingen. De Raad van State adviseert daarbij om in de toelichting een beschouwing op te nemen over de uitleg die aan de huidige delictsomschrijving van art. 140 lid 2 Sr moet worden gegeven. In reactie daarop heeft de minister gesteld:
‘De kern van artikel 140 lid 2 Sr is dat de voortzetting van activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon strafbaar is. Die strafbaarheid staat los van de vraag welke activiteiten of welk doelen aanleiding zijn geweest voor de verbodenverklaring zelf. Dit uitgangspunt geldt ongeacht de vorm waarin de voortzetting plaatsvindt, of het directe dan wel indirecte karakter van de voortzetting. In die zin past een ruime uitleg bij het begrip ‘voortzetting van de werkzaamheid’, bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr. Over de vraag op welke concrete wijzen de voortzetting zoal z'n beslag kan krijgen, zwijgt artikel 140 lid 2 Sr. Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het ‘in de lucht’ houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon. De casuïstiek is hier dermate groot, dat iedere wettelijke opsomming, zelfs een indicatieve, bij voorbaat te kort zou schieten, en voor de rechtsontwikkeling misschien zelfs een onnodig verstarrend effect zou kunnen hebben. Daarom is volstaan met de genoemde verduidelijking in de toelichting. Wel is, overeenkomstig het advies van de Afdeling, het verwarrende bestanddeel ‘deelneming aan’ geschrapt. Daarmee wordt verduidelijkt dat het voor de strafbaarheid ex artikel 140 lid 2 Sr moet gaan om de daadwerkelijke ‘voortzetting’ van de activiteiten van een verboden rechtspersoon. Een aparte bewezenverklaring van ‘deelneming’, zoals de huidige tekst van artikel 140 lid 2 Sr zou kunnen suggereren, is daarbij niet van belang.’1.
3.3
Parallel aan het wetgevingstraject van de onder 3.2 genoemde Wet van 23 juni 2021 liep en loopt nog steeds het Voorstel van wet van de leden Kuiken, Van Toorenburg, Van Oosten, Van der Graaf en Van der Staaij, houdende regels over het bestuursrechtelijk verbieden van organisaties die een cultuur van wetteloosheid creëren, bevorderen of in stand houden (Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties). Het betreft hier wetsvoorstel 35 079, dat reeds op 23 juni 2020 door de Tweede Kamer is aangenomen en thans ter bespreking voorligt in de Eerste Kamer. Dit wetsvoorstel richt zich specifiek op zogenoemde ‘Outlaw Motorcycle Gangs’ (OMG's) en vergelijkbare organisaties en introduceert een bevoegdheid voor de Minister voor Rechtsbescherming om dergelijke organisatie te verbieden als dat noodzakelijk is in het belang van de openbare orde in de zin van art. 8 GW.2.
Opmerking verdient dat dit wetsvoorstel specifiek is gericht op een doeltreffende aanpak van zg. ‘outlaw motorcycle gangs’ (OMG's), waaronder ook de Bandidos Motorcycle Club Holland valt.
Dit wetsvoorstel behelst onder meer de strafbaarstelling in art. 140 lid 2 Sr van (deelneming aan) de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die is verboden op grond van art. 2 lid 1 Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties (nieuw). Hetgeen in dit wetgevingstraject wordt opgemerkt ten aanzien van een dergelijke voortzetting is derhalve ook relevant voor de uitleg die de wetgever geeft aan het begrip voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie, zoals thans strafbaar is gesteld in art. 140 lid 2 Sr en ook voorheen in art. 140 lid 2 (oud) Sr.
In de wetsgeschiedenis bij het Wetvoorstel bestuurlijk verbod ondermijnende organisatie wordt ten aanzien van de voortzetting van een dergelijke organisatie gesteld:
‘5.8. Strafbare voortzetting
(…) Doel van deze strafbaarstelling is, dat de verboden organisatie niet alleen formeel ophoudt te bestaan, maar dat een daadwerkelijk einde komt aan de gewraakte gedragingen en de organisatie feitelijk uit de openbare ruimte verdwijnt. Het doel van het verbieden van een organisatie is het beëindigen van de activiteiten van die organisatie omdat daarmee de openbare orde (in de zin van artikel 8 van de Grondwet) wordt bedreigd. Een verbod is niet effectief als leden van de verboden organisatie doorgaan met de activiteiten van die organisatie of het bestaan van die organisatie op een andere manier continueren. In zijn algemeenheid is er sprake van strafbare voortzetting van een verboden organisatie als die verder gaat met juist die gedragingen en uitingen die de aanleiding voor het verbod vormden. Bij welke gedragingen er sprake is van strafbare voortzetting, is dus — net als bij een civielrechtelijk verbod — grotendeels afhankelijk van de aard en de activiteiten van de verboden organisatie. (…)
Bij strafbare voortzetting van een verboden OMG kan het bijvoorbeeld gaan om het afpersen met gebruik van clubsymbolen (colors) of intimidatie van andere clubs. Daarnaast is de hele werkzaamheid van een club verboden en dus ook gedragingen die op zichzelf niet strafbaar waren, maar die door het bestuurlijk verbod wel strafbaar zijn geworden, zoals het werven van nieuwe leden, het organiseren van clubactiviteiten, het rondrijden in clubcolors, het gebruiken van clubhuizen of het aanstellen van bestuursleden of andersoortige leiders. Er is eveneens sprake van strafbare voortzetting als de verboden organisatie zich als een quasi nieuwe organisatie voortzet, maar met kenmerken of activiteiten waardoor ze feitelijk niet of nauwelijks van de verboden organisatie te onderscheiden valt. Om te kunnen beoordelen of een dergelijke nieuwe organisatie in feite niet meer is dan een voortzetting van een verboden organisatie, kan onder andere worden gekeken naar de identiteit van de (bestuurs-)leden, de ideologie en het doel van de organisatie, de werkzaamheid en de uiterlijke kenmerken (gelijkende naam, logo's, herkenningstekens). Ook spelen een rol of een organisatie vlak na het verbod wordt opgericht en wie de nieuwe organisatie heeft opgericht. Een exacte afbakening van criteria voor strafbare voortzetting valt niet te geven. Het is aan de rechter om hier nadere invulling aan te geven, net zoals dat het geval is bij strafbare voortzetting van een organisatie die door een onherroepelijk civiel verbod is getroffen. (…)’3.
en
‘In de memorie van toelichting wordt geschreven dat het bij strafbare voortzetting ook kan gaan om het afpersen met gebruik van clubsymbolen. Valt hieronder ook het blijven dragen van bepaalde organisatie gerelateerde kleding en symbolen?
Dat kan inderdaad het geval zijn.’4.
en
- ‘30.
(…)
[D]e Duitse wet kent een zelfstandig verbod van het gebruik van ‘kentekenen’ van de verboden organisatie en geeft daarbij als voorbeeld vlaggen, insignes, uniformen, slogans en begroetingsvormen (Kennzeichenverbot); in Nederland valt het gebruik van dergelijke kentekenen onder het strafbare feit van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie);
(…)
Onder strafbare voortzetting in de zin van artikel 140, tweede lid, Sr vallen alle werkzaamheden van de verboden organisatie, inclusief het gebruik van clubhuizen, het dragen van kenmerkende kleding en andere afficherende uitingen.
(…)
- 31.
Het zich in het openbaar manifesteren als leden van een verboden organisatie, bijvoorbeeld door het groepsgewijs rondrijden, gekleed in kenmerkende kleding met clublogo's, kan worden aangemerkt als het voortzetten van die organisatie. Onder het huidige recht is dat pas strafbaar vanaf het moment dat het organisatieverbod onherroepelijk is.
(…)’5.
Mede gelet op het feit dat de onder 3.2 en ook de hiervoor weergegeven verduidelijking en uitleg van de wetgever zijn gegeven voorafgaand aan het onderhavige tenlastegelegde feit, kunnen deze naar de mening van rekwirant ook worden aangemerkt als weergevende de uitleg die de wetgever voorstaat aan het in de onderhavige zaak van toepassing zijnde art. 140 lid 2 (oud) Sr. Dit geldt te meer nu de wetgever, die aldus van mening is dat ook het dragen van aan verboden organisaties gerelateerde kleding en symbolen kan worden begrepen onder strafbare voortzetting, geen aanleiding heeft gezien om art. 140 lid 2 Sr op dit punt te wijzigen en/of aan te vullen, zoals door de Raad van State was gesuggereerd, maar wel de door de Raad van State verzochte beschouwing heeft gegeven over de uitleg die aan de huidige delictsomschrijving van art. 140 lid 2 Sr moet worden gegeven.
4.
In de literatuur is ook uitgebreid aandacht besteed aan de vraag wat moet worden verstaan onder de voortzetting van een verboden organisatie. Rekwirant wijst in het bijzonder op de studie van J. Koornstra e.a., Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs, Een rechtsvergelijkende studie naar de aanpak van onrechtmatige organisaties in rechtsstatelijk perspectief, Politie & Wetenschap/Rijksuniversiteit Groningen, Sdu 20196.. Zij concluderen naar aanleiding van hun studie (p. 476/477)
‘dat iedere gedraging, hoe onschuldig zij op zichzelf genomen ook lijkt en door wie zij ook wordt begaan, strafbaar zou moeten zijn, indien die gedraging ten dienste staat aan het voortbestaan van de werkzaamheid of het doel van de verboden organisatie. Alleen dan kan het werkelijke doel van de verbodenverklaring gerealiseerd worden, te weten dat de verwerpelijke werkzaamheid of het laakbare doel van de organisatie geen plaats meer heeft in de maatschappij.
(…)
Het doet daarbij in beginsel niet ter zake of het gaat om het organiseren van of deelnemen aan een betoging, vergadering of evenement, het dragen van, vervaardigen van of beschikken over clubkleding, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie of het aanbieden van een vergaderruimte aan (een feitelijke voortzetting van) een verboden organisatie. Al deze gedragingen hebben met elkaar gemeen dat zij eraan bijdragen dat de werkzaamheid en/of het doel van de verboden organisatie niet daadwerkelijk uit de maatschappij wordt verbannen.’
Zij wijzen er verder op dat het bij het voortzetten van de werkzaamheid van een verboden organisatie in feite gaat om een gedraging met een ‘contempt of court’-karakter (p. 477). Dit ‘contempt of court’-karakter komt in de onderhavige zaak ook prominent naar voren. Het Hof heeft immers vastgesteld dat verdachte in de publieke ruimte naar de ingang van de rechtbank Maastricht liep, waar een zitting plaatsvond tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard, terwijl hij kleding en accessoires droeg met aanduidingen en tekens, verwijzend naar de Bandidos Motorcycle Club Holland, welke organisatie bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard. Opmerking verdient in dit verband dat het Hof ook heeft overwogen dat art. 140 lid 2 Sr ziet op het negeren van de rechterlijke beslissing tot (onherroepelijke) verboden verklaring van een organisatie.
Het optreden van verdachte kan niet anders worden begrepen dan dat hij zich niet alleen niets gelegen liet liggen aan dit rechterlijk verbod, maar dat hij daarnaast hier ook nog uiting aan wilde geven door deze kleding en accessoires te dragen op weg naar het gerechtsgebouw Maastricht met de bedoeling om met deze uitingen de zitting bij te wonen tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard. Dit geldt met name ook voor het heuptasje met opdruk ‘BF 1% FB’. De afkortingen ‘BF’ en ‘FB’ staan voor ‘Bandidos Forever’ en ‘Forever Bandidos’ terwijl het 1%-teken aanduidt dat men zich niet aan de wet gebonden voelt.7.
5.
Dat het dragen van colors een belangrijk onderdeel is van (de identiteit van) een motorclub blijkt ook uit de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden ten aanzien van de verbodenverklaring van de Hells Angels Motorcycle Club.8. Het Hof heeft in dat (civiele) arrest overwogen dat als het verbod eenmaal onherroepelijk is, dit inhoudt dat het verboden is om de werkzaamheid voort te zetten, wat onder meer betekent dat de leden niet meer in het openbaar de colors van de Hells Angels mogen dragen (r.o. 5.67), zij het dat de Hoge Raad in het daartegen ingestelde cassatieberoep heeft geoordeeld dat het uiteindelijk aan de strafrechter is om te beslissen of het in het openbaar dragen van de colors van de Hells Angels een strafbaar feit oplevert.9.
6.
Rekwirant onderschrijft het oordeel van het Hof dat het voor de vaststelling of sprake is van de voortzetting van de werkzaamheden van een verboden organisatie vereist is om te bezien of de gedraging van de verdachte ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie en dat daarbij de gedraging(en) van de verdachte een aandeel dient(t)(en) te hebben in, dan wel de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden organisatie dien(t)(en) te ondersteunen, waardoor een verboden organisatie voort gaat op een wijze die strijdig is met de openbare orde. Dat sprake moet zijn van strijd met de openbare orde volgt ook uit de plaatsing van art. 140 Sr in Titel V van het Tweede Boek Sv, dat als opschrift heeft ‘Misdrijven tegen de openbare orde’. Dit betekent dat het (uit)dragen van aanduidingen en tekens, waaronder het dragen van de colors, van een verboden organisatie in beginsel slechts valt onder de strafbaarstelling van art. 140 lid 2 Sr, indien die uitingen in het openbaar worden gedaan, zoals in de onderhavige zaak het geval was.
7.
Met name gelet op de hiervoor weergegeven uitlatingen van de wetgever — voorafgaand aan het in de onderhavige zaak tenlastegelegde feit — geeft het oordeel van het Hof dat het tenlastegelegde gedrag van verdachte enkel gezien kan worden als een ongerichte, individuele gedraging van een voormalig lid van de inmiddels verboden verklaarde organisatie en dat deze gedraging niet kan worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu het Hof daarmee een te beperkte en daardoor onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 140 lid 2 (oud) Sr. Het Hof heeft verdachte dan ook, met verlating van de grondslag van de tenlastelegging, vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd.
Daarnaast is het oordeel van het Hof dat het handelen van verdachte niet kan worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie, niet zonder meer begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, gelet op de vaststellingen van het Hof dat verdachte in de publieke ruimte naar de ingang van de rechtbank Maastricht liep, waar een zitting plaatsvond tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard, terwijl hij kleding en accessoires droeg met aanduidingen en tekens, verwijzend naar de Bandidos Motorcycle Club Holland, welke organisatie bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard. Met name is onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat onder de door het Hof vastgestelde omstandigheden waaronder en de plaats waar verdachte deze aanduidingen en tekens droeg, sprake was van enkel een ongerichte, individuele gedraging van verdachte, waardoor deze niet kan worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheden van de verboden organisatie Bandidos Motorcycle Club Holland.
Het dragen van zg. ‘colors’ kent immers een tweeledig doel. In de eerste plaats is het doel om het lidmaatschap van de drager aan te tonen. Dit blijkt uit het feit dat algemeen bekend is dat het dragers van ‘colors’ van OMG's waarvan men geen lid is, zal leiden tot repercussies vanuit de club. In de tweede plaats dient het dragen van de ‘colors’ om eenheid en uniformiteit naar buiten uit te stralen, waardoor de kracht en de onaantastbaarheid van de OMG wordt aangetoond. In zoverre vormt het dragen van de ‘colors’ van een verboden organisatie meer dan een enkele persoonlijke uitdrukking, maar dragen deze in de publieke ruimte vrijwel altijd bij aan de werking van die organisatie, nu daarmee de kracht en onaantastbaarheid van de verboden vereniging wordt benadrukt.
8.
Zowel in parlementaire documenten als in de literatuur is een steeds terugkerend thema dat de uitleg van het bestanddeel ‘(deelneming aan de) voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard’ is voorbehouden aan de strafrechter. In het bijzonder geldt dit ook voor de vraag of het in het openbaar dragen van aanduidingen en tekens van een verboden organisatie onder deze strafbaarstelling valt.10.
Mede gelet op het feit dat het zeer regelmatig voorkomt dat personen zich in het openbaar door middel van het uitdragen van clubkenmerken afficheren met verboden motorclubs en daarmee het gedachtengoed van die verboden motorclubs blijven uitdragen, is het van belang om door middel van dit cassatieberoep duidelijkheid te krijgen omtrent de vraag of en onder welke voorwaarden dergelijke uitingen strafbaar zijn op grond van art. 140 lid 2 Sr.
Indien het cassatiemiddel doel treft, zal de uitspraak van het Hof 's‑Hertogenbosch van 12 oktober 2022 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze uitspraak te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 19 april 2023
mr. H.H.J. Knol
advocaat-generaal bij het Ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑04‑2023
TK 2019–2020, 35 366, nr. 4, p. 9.
TK 2018–2019, 35 079, nr. 7 (MvT, zoals gewijzigd na advies van de RvSt), p. 1/2.
TK 2018–2019, 35 079, nr. 7 (MvT zoals gewijzigd na advies van RvSt), p. 9/10.
TK 2019–2020, 35 079, nr. 10 (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 17.
EK 2020–2021, 35 079 (Memorie van Antwoord), p. 16/17.
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10406, waarin het onder meer ging om het dragen van herkenningstekens en kleding, waarmee de Hells Angels hun gedachtengoed uitdragen.
HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1114, NJ 2022/275.
Vgl. HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1114, NJ 2022/275, r.o. 3.2.