Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/8.3.1.1:8.3.1.1 Bestanddeelvorming
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/8.3.1.1
8.3.1.1 Bestanddeelvorming
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90937:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Verheul & Verstijlen 2016, p. 83-92.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Duitse recht ligt de drempel voor het aannemen van natrekking van roerende zaken hoger dan in het Nederlandse recht. Dit is het gevolg van de beperkte reikwijdte van natrekking in §947 BGB én de restrictieve invulling van het begrip wezenlijk bestanddeel in §93 BGB door de wet en de rechtspraak van het BGH.
Van natrekking is sprake als door verbinding van twee of meer roerende zaken een eenheidszaak ontstaat én het gaat om wezenlijke bestanddelen. Dit wordt beoordeeld op grond van de verkeersopvatting met inachtneming van de omstandigheden van het geval.1 Een samengestelde zaak is daarom niet steeds ook één juridische eenheid. Alleen de wezenlijke bestanddelen vormen tezamen een eenheidszaak én één object van recht. Een wezenlijk bestanddeel is geen zelfstandig object van recht, maar issonderrechtsunfähig. Er rust één eigendomsrecht op de eenheidszaak bestaande uit wezenlijke bestanddelen.2 Een niet-wezenlijk bestanddeel kan daarentegen een zelfstandig object van recht blijven, ondanks dat het is verenigd met een andere zaak. Hierdoor is het mogelijk dat er meerdere eigendomsrechten bestaan met betrekking tot een eenheidszaak.3
De Duitse wetgever streeft er met §93 BGB en §947 BGB naar om de wirtschaftliche Werte die tot stand gebracht is door de verbinding van wezenlijke bestanddelen intact te houden. De economische waarde die de eenheidszaak vertegenwoordigt, moet beschermd worden. Er kunnen geen eigendomsrechten op individuele wezenlijke bestanddelen rusten. Wezenlijke bestanddelen zijn sonderrechtsunfähig. Is een zaak een wezenlijk bestanddeel, dan vormt deze een juridische eenheid met de zaak waarvan het een bestanddeel is. Deze eenheid dient één goederenrechtelijke identiteit te hebben. Op deze wijze wordt voorkomen dat (de waarde van) de economische eenheid van wezenlijke bestanddelen doorbroken wordt, omdat er rechten op individuele wezenlijke bestanddelen rusten.4
Ten aanzien van de niet-wezenlijke bestanddelen van een eenheidszaak geldt deze ratio niet. Zij kunnen wel voorwerp blijven van eigendoms- en beperkte rechten. Niet-wezenlijke bestanddelen zijn sonderrechtsfähig. Deze bestanddelen kunnen worden afgescheiden, vervangen en opnieuw worden gebruikt zonder dat substantiële beschadiging ontstaat, een wezensverandering optreedt of een aanmerkelijke arbeidsprestatie is vereist. Er is kortom geen economisch belang dat meebrengt dat de eenheidszaak in stand moet worden gehouden.5
Natrekking is op grond van §93 BGB en §947 BGB dus beperkt tot wezenlijke bestanddelen. Dit begrip wordt restrictief ingevuld in vergelijking met het Nederlandse begrip ‘bestanddeel’ in art. 3:4 BW.6 Dit volgt uit de wettelijke criteria en de rechtspraak van het BGH.
§93 BGB geeft twee nevengeschikte criteria om te bepalen of sprake is van een wezenlijk bestanddeel. Ten eerste is een bestanddeel wezenlijk indien de overgebleven eenheidszaak of het bestanddeel substantieel beschadigd wordt door afscheiding van het bestanddeel. Er moet sprake zijn van een stoffelijke vernietiging of van een beëindiging van de bestaande hoedanigheid van de zaak.7 Dit wordt beoordeeld vanuit een technisch -economisch perspectief met inachtneming van de verkeersopvatting.8 Uit de literatuur volgt dat hiervan niet snel sprake is. Als voorbeelden worden genoemd: het verwijderen van affiches van een reclamezuil, het slopen van een gebouw en het scheuren van bladzijden uit een boek.9 Als men dit vergelijkt met het hechte verbindingscriterium van art. 3:4 lid 2 BW, leidt dit tot de conclusie dat het Duitse recht een restrictiever criterium hanteert. Onder het toepassingsbereik van art. 3:4 lid 2 BW vallen meer situaties. Naast de situaties die in het Duitse recht als bestanddeelvorming kwalificeren, omvat de Nederlandse bepaling ook situaties waarin beschadiging van betekenis ontstaat aan één der zaken zonder de in het Duitse recht vereiste fysieke vernietiging.
Ten tweede wordt in het Duitse recht een bestanddeel als wezenlijk aangemerkt, indien door afscheiding het wezen van het bestanddeel óf van de overgebleven eenheidszaak wijzigt. Het wezen van het bestanddeel is gewijzigd, indien de zaak niet meer in economische zin kan worden gebruikt zoals deze werd gebruikt in de eenheidszaak, ook niet nadat het (opnieuw) wordt verenigd met een andere zaak. Gedacht kan worden aan een bestanddeel dat specifiek is ontworpen voor de zaak waar het mee verenigd is, zodat na afscheiding dit bestanddeel economisch gezien waardeloos is. Het kan namelijk niet voor een andere zaak worden gebruikt. Is het bestanddeel echter op vergelijkbare wijze bruikbaar als het wordt verbonden met een andere zaak, dan is het geen wezenlijk bestanddeel.10 Een stuur van een fiets is bijvoorbeeld geen wezenlijk bestanddeel als het eenvoudig kan worden gedemonteerd van de ene fiets en worden gemonteerd op een andere fiets.
De overgebleven eenheidszaak is in zijn wezen veranderd als het afgescheiden deel niet op een economische zinvolle wijze vervangen kan worden en de eenheidszaak hierdoor niet dezelfde of een vergelijkbare functie kan vervullen. Niet relevant is de functie of bruikbaarheid van de eenheidszaak zonder dit bestanddeel of de waarde die het bestanddeel heeft voor de eenheidszaak.11 De wielen van een auto zijn bijvoorbeeld geen wezenlijk bestanddeel. De auto is wellicht onbruikbaar zonder wielen, maar dit is irrelevant. Van belang is dat de gedemonteerde wielen op eenvoudige wijze te vervangen zijn, en de auto vervolgens op vergelijkbare wijze bruikbaar is als transportmiddel. In het Nederlandse recht zijn de wielen wel een bestanddeel van de auto op grond van de verkeersopvatting in art 3:4 lid 1 BW, in het bijzonder ingevuld met de incompleetheidsaanwijzing. Van belang is juist dat de auto zonder de wielen niet compleet (en bruikbaar) is, ongeacht of zij eenvoudig zijn te vervangen. Het tweede criterium in het Duitse recht voor bestanddeelvorming wordt dus eveneens restrictiever ingevuld dan zijn Nederlandse equivalent, de verkeersopvatting van art. 3:4 lid 1 BW.
Bij de beoordeling van de vraag of het wezen van het bestanddeel dan wel van de overgebleven eenheidszaak wijzigt, speelt ook de waardevermindering van de zaken als gevolg van beschadiging door afscheiding een rol in het Duitse recht. Vermindert de waarde van de zaak zeer sterk door de beschadiging die ontstaat door afscheiding, dan is de zaak een wezenlijk bestanddeel. Hetzelfde geldt als de kosten van afscheiding zeer hoog zijn in verhouding tot de waarde van het afgescheiden deel.12 Dit vertoont overeenkomsten met het hechte verbindingscriterium in het Nederlandse recht, dat ook een zaak als bestanddeel aanmerkt als afscheiding leidt tot een substantiële beschadiging van één der zaken.
Ook uit de rechtspraak van het BGH volgt dat het begrip wezenlijk bestanddeel restrictief moet worden ingevuld.13 Het arrest uit 1955 waarin deze lijn werd ingezet betrof een seriematig geproduceerde motor die onder eigendomsvoorbehoud was geleverd aan een koper. Deze koper monteerde de motor in zijn auto. De vraag was vervolgens of deze motor een wezenlijk bestanddeel was geworden. Het BGH beantwoordt deze vraag ontkennend. Het overweegt:
"Die Unterscheidung zwischen wesentlichen und unwesentlichen Bestandteilen (…) soll eine nutzlose Zerstörung wirtschaftlicher Werte verhindern.
(…)
Das volkswirtschaftliche Interesse an der Erhaltung einer Einheit ist nicht sehr erheblich, wenn die Trennung und Wiederzusammensetzung der Bestandteile ohne jede Beschädigung und ohne erheblichen Arbeitsaufwand durchgeführt werden kann.”14
Dit is opvallend vanuit Nederlands perspectief. De algemene maatschappelijke opvatting hier te lande is dat de motor een bestanddeel van de auto is. Haalt men namelijk de motor uit de auto, dan is de auto incompleet en niet meer bruikbaar als transportmiddel. In het Duitse recht moet echter beoordeeld worden of de motor van de eenheidszaak vervangen kan worden op een economische zinvolle wijze. Dit is het doorgaans geval. De motor kan eenvoudig gedemonteerd en vervangen worden, waarna de auto op dezelfde wijze bruikbaar is.15 Het wezen van de auto wijzigt niet. Ook wijzigt de aard van de gedemonteerde motor verandert niet door de demontage. Het blijft een motor die in een andere auto geplaatst kan worden. Voorts wijzigt de waarde van de motor niet door afscheiding. Tot slot brengen de afscheiding en vervanging geen hoge (arbeids)kosten met zich.16 Dit leidt tot de conclusie dat de motor geen wezenlijk bestanddeel is van de auto.
Dit geldt in het bijzonder omdat het ging om een seriematig geproduceerde zaak. In het algemeen kan worden geconcludeerd dat deze zaken niet kwalificeren als wezenlijke bestanddelen. Deze zaken zijn in de regel eenvoudig te (de)monteren. Daarnaast worden deze zaken vaker in veelvoud geproduceerd, waardoor zij eenvoudig en zonder veel kosten te vervangen zijn. Door de voortschrijdende techniek en het steeds meer fabrieksmatig produceren van zaken, zal de kring van wezenlijke bestanddelen steeds geringer worden.17
Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt voor kleinere ‘Serienteile’. Dit zijn massa geproduceerde zaken die door vereniging met een andere zaak of zaken volledig opgaan in de eenheidszaak. Zij verliezen hun eigen ‘karakter’ en zijn wel wezenlijke bestanddelen. Bij deze categorie zaken kan bijvoorbeeld gedacht worden aan spijkers en schroeven. Deze zaken houden juridisch gezien op te bestaan ondanks dat zij in massa worden geproduceerd.18
Bij de restrictieve invulling van het begrip wezenlijk bestanddeel heeft het BGH reeds in het hiervoor beschreven arrest in het bijzonder beoogd om de belangen te beschermen van de leverancier die zaken onder eigendomsvoorbehoud heeft geleverd aan de koper. Het BGH overwoog in het arrest van 1955 dat zaken vaak onder eigendomsvoorbehoud zijn geleverd aan de koper, waardoor het:
“[V]olkswirtschaftlich ungerechtfertigt [ist], wenn die Zulieferfirmen ihre Rechte schon dadurch verlieren sollten, daß der Empfänger die gelieferte Ware mit anderen Gegenständen zu einer einheitlichen Sache verbindet, obwohl die Trennung jederzeit ohne Schwierigkeiten und ohne Beschädigung der einzelnen Teile vorgenommen werden kann.”19
Het BGH neemt aan dat de leverancier doorgaans zaken op krediet levert aan een (fabricage)onderneming en een eigendomsvoorbehoud bedingt tot zekerheid van betaling. Blijft de koper in verzuim met voldoening van de koopprijs, dan wil de leverancier de zaken terugvorderen. Volgens het BGH is het in dat geval vanuit economisch perspectief niet gerechtvaardigd als leveranciers hun eigendomsrechten verliezen doordat de geleverde zaak met andere zaken wordt verenigd tot een eenheidszaak, terwijl de afscheiding van de geleverde zaak zonder moeilijkheden en zonder beschadiging aan de delen kan geschieden. Ook de rechtszekerheid voor het handelsverkeer brengt niet mee dat op een samengestelde eenheidszaak met niet-wezenlijke bestanddelen slechts één eigendomsrecht kan rusten. Bekend is namelijk dat niet-wezenlijke bestanddelen sonderrechtsfähig kunnen zijn.20