Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/8.3.1.2:8.3.1.2 Natrekking
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/8.3.1.2
8.3.1.2 Natrekking
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90756:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 augustus 2015, NJ 2016/263 (Zalco), r.o. 3.7.5.
Er zijn wel aanwijzingen te vinden in het Nederlandse recht. Zie hierover hoofdstuk 14, paragraaf 14.3.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Duitse recht wordt de eigendom van de eenheidszaak in beginsel toegewezen aan de eigenaren van de verbonden wezenlijke bestanddelen. Dit volgt uit de hoofdregel bij de eigendomstoewijzing bij natrekking in §947 lid 1 BGB. De eigenaren verliezen ieder hun eigendomsrecht op de oorspronkelijke zaak, maar verkrijgen een aandeel in evenredigheid tot de waarde van hun zaak in de eenheidszaak. Ook andere rechten op de wezenlijke bestanddelen zetten zich voort op de aandelen op grond van §949 BGB. Met deze uitkomst wordt de rechtszekerheid voor bestaande rechten gewaarborgd en delen de oorspronkelijke eigenaren en beperkt gerechtigden mee in de waardevermeerdering van de zaak door natrekking.1
Op grond van deze hoofdregel verkrijgt de leverancier bij natrekking in beginsel een aandeel in mede-eigendom van de eenheidszaak.2 Aan dit aandeel blijft het eigendomsvoorbehoud verbonden op grond van §949 BGB (analoog).3 De leverancier behoudt zich de eigendom van het aandeel voor totdat de koper de koopprijs voldoet.4
Op deze hoofdregel geldt een uitzondering indien één van de wezenlijke bestanddelen als hoofdzaak wordt aangewezen. De eigendom van de hoofdzaak omvat de daarmee verbonden wezenlijke bestanddelen. Is de leverancier eigenaar van deze hoofdzaak, dan omvat zijn voorbehouden eigendom de gehele eenheidszaak (§947 lid 2 jo. §949 3e zin BGB). Hij verliest zijn voorbehouden eigendom daarentegen als een andere zaak als hoofdzaak wordt aangemerkt (§947 lid 2 BGB).5
De wet geeft niet aan op grond van welke criteria moet worden bepaald of één van de zaken de hoofdzaak is. Volgens de literatuur wordt dit op grond van de verkeersopvatting beoordeeld.6 Daarbij wordt aangenomen dat niet snel geconcludeerd mag worden dat sprake is van een hoofdzaak. Dit wordt afgeleid uit §947 lid 1 BGB op grond waarvan de wezenlijke bestanddelen van de eenheidszaak in beginsel gelijkwaardig worden geacht.
Evenals de wet is de rechtspraak terughoudend in het aanwijzen van een hoofdzaak. §947 lid 2 BGB wordt restrictief toegepast. Natrekking leidt in beginsel tot mede-eigendom op grond van §947 lid 1 BGB. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt de eigendom van de eenheidszaak toegewezen aan één van de oorspronkelijke eigenaren op grond van §947 lid 2 BGB. Alleen als één van de zaken zo onbelangrijk is dat de eigenaar ervan niet ernstig wordt benadeeld door het verlies van zijn recht, wordt een hoofdzaak aangewezen.7 De eigenaar van spijkers en schroeven die wezenlijke bestanddelen worden van een machine verliest bijvoorbeeld zijn eigendom als gevolg van natrekking met een hoofdzaak. Met deze beperkte toepassing van §947 lid 2 BGB is beoogd om het verlies van eigendom en beperkte rechten van de oorspronkelijke gerechtigden als gevolg van natrekking zoveel als mogelijk te voorkomen.8
De reden voor een restrictieve toepassing van §947 lid 2 BGB, waardoor niet snel sprake is van natrekking met een hoofdzaak, is in lijn met het Nederlandse recht. De Hoge Raad oordeelde in het Zalco-arrest dat bij de vermenging (en natrekking) van gelijksoortige zaken niet snel een hoofdzaak mag worden aangewezen op grond van het waardecriterium. Van een aanmerkelijk waardeverschil is niet snel sprake. Het begrip hoofdzaak wordt restrictief ingevuld, zodat de eigendom van de eenheidszaak in beginsel wordt toegewezen aan alle oorspronkelijke eigenaren. Op deze wijze wordt het verlies van recht voorkomen.9 Op dit punt vertonen het Nederlandse en Duitse recht dus veel gelijkenissen. Op grond van een vergelijkbare reden wordt het begrip hoofdzaak restrictief ingevuld en leidt natrekking in beginsel tot mede-eigendom.
Dit kan niet worden geconcludeerd bij natrekking en vermenging van ongelijksoortige zaken in het Nederlandse recht. Op grond van art. 5:14 lid 3 BW speelt naast het waardecriterium ook de verkeersopvatting een rol bij de bepaling van de hoofdzaak in dit geval. De Hoge Raad heeft tot op heden niet geoordeeld dat de verkeersopvatting ook restrictief moet worden ingevuld, zodat rechtsverlies wordt voorkomen. Dit kan ook niet worden afgeleid uit de regels van eigendomstoewijzing, omdat het Nederlandse recht geen hoofdregel en uitzondering kent, anders dan het Duitse recht. Onduidelijk is daarom of ook in dit geval het begrip hoofdzaak in het Nederlandse recht restrictief wordt ingevuld en daarmee vergelijkbaar is met het Duitse recht.10