Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/6.1
6.1 Inleiding
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS497474:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II, 2004-2005, 29 827, nr. 3, p. 34.
Aan hetzelfde euvel lijdt overigens de voorwetenschapswetgeving. Ik geef daarvan drie voorbeelden. Bij de totstandkoming van de voorwetenschapswetgeving werd ons nog geleerd: 'Voorkennis over algemene ontwikkelingen valt niet onder de omschrijving van voorwetenschap. Anderzijds behoeft de voorwetenschap niet afkomstig te zijn van de rechtspersoon of vennootschap die de effecten heeft uitgegeven. Weet men dat een wetswijziging of bij voorbeeld een nieuwe subsidieregeling in aantocht is die de omstandigheden voor een onderneming bijzonder voor- of nadelig zal beïnvloeden of dat het faillissement van de voornaamste concurrent slechts een kwestie van tijd is, dan zijn dat bijzonderheden omtrent de rechtspersoon of vennootschap al kent deze ze zelf nog niet.' Zie Kamerstukken H, 1986-1987, 19 935, nr. 3, p. 10. Tien jaar later kon bij gelegenheid van een wijziging van de voorwetenschapswetgeving worden opgetekend: 'Hierbij kan worden gedacht aan informatie omtrent de kwartaal- of (half)jaarcijfers, voorgenomen fusies of overnames, voorgenomen emissies, bijzondere orders, nieuwe producten of diensten etcetera. Met andere woorden: het betreft (nog) niet openbaar gemaakte infonnatie omtrent de instelling van het soort dat door beleggers relevant geacht wordt voor het nemen van beleggingsbeslissingen ' Zie Kamerstukken H, 1996-1997, 25 095, nr. 3, p. 7. Weer bijna tien jaar later wordt in de wetsgeschiedenis naar aanleiding van de totstandkoming van de Wet marktmisbruik nagenoeg uitsluitend aandacht besteed aan enkele terminologische kwesties (zie § 5.7.2). Men zal daarin tevergeefs zoeken naar een uitwerking van min of meer concrete voorbeelden.
Het lex certa-gebod, ook wel genoemd het bepaaldheidsgebod, houdt in dat de justitiabelen moeten kunnen weten ter zake van welke gedragingen zij kunnen worden vervolgd en gestraft en dat — in dezelfde lijn — van de wetgever mag worden verlangd dat hij met het oog daarop op een zo duidelijk mogelijke wijze delicten omschrijft. Zie m.n. HR 31 oktober 2000, NJ 2001, 14.
De wetgever heeft met de strafbaarstelling van de openbaarmakingsplicht gehoor gegeven aan de oproep van de AFM om 'het hele gamma uit het civiel recht, bestuursrecht en strafrecht' in te kunnen zetten om af te dwingen dat beleggers gelijkwaardig en gelijktijdig koersgevoelige informatie krijgen. 'Bestuursleden moet je hiervoor strafrechtelijk kunnen vervolgen.', aldus de toenmalige bestuursvoorzitter van de AFM. Zie Het Financieele Dagblad van 4 maart 2003 (AFM: celstraf bij ongelijke koersinfo).
Koersgevoelige informatie als bedoeld in art. 5:25i lid 2 j° art. 5:53 lid 1 Wft kan van zeer uiteenlopende aard zijn. De informatie kan afkomstig zijn uit de interne sfeer van de uitgevende instelling, zoals een door het bestuur genomen besluit om een fusie aan te gaan met een andere onderneming of een besluit een overname te plegen. Een ander voorbeeld is de vaststelling door het bestuur dat de bedrijfsresultaten zich ontwikkelen in een richting die afwijkt van een eerder bekend gemaakte verwachting of groeidoelstelling. Ook kan gedacht worden aan een besluit van de uitgevende instelling om het bedrijf of een onderdeel daarvan te sluiten of een personeelsvermindering door te voeren. Koersgevoelige informatie kan echter ook externe feiten of gebeurtenissen betreffen die invloed hebben op de bedrijfsvoering van de uitgevende instelling, zoals calamiteiten die de bedrijfsvoering schaden: een brand in een fabriek, het uitbreken van een epidemie of het afkondigen van een overheidsmaatregel als gevolg waarvan afzetmarkten ontoegankelijk worden.
Sommige van deze feiten of gebeurtenissen zijn eenvoudig te herkennen, omdat zij zich ineens voordoen en dadelijk vaststaan. Dat geldt niet of minder voor feiten of gebeurtenissen in de gedaante van een geleidelijke ontwikkeling of het bereiken van een volgende fase in een voortgaand proces. Daarvan is bijvoorbeeld sprake bij onderhandelingen die worden gevoerd over een fusie of een overname dan wel een belangrijke verkooporder. Die onderhandelingen vangen aan, komen in een volgend stadium waarin mogelijk over steeds meer modaliteiten overeenstemming wordt bereikt totdat uiteindelijk een overeenkomst tussen partijen wordt gesloten. Een ander voorbeeld is een researchproces in een laboratorium dat op enig moment kan leiden tot een doorbraak bij de ontwikkeling van een medicijn of een technologie.
Ons wettelijk systeem stelt de eigen verantwoordelijkheid van de uitgevende instelling om koersgevoelige informatie die rechtstreeks op haar betrekking heeft onverwijld openbaar te maken voorop. Met een scherp oog voor de onderscheiden bestanddelen van koersgevoelige informatie dient de uitgevende instelling geheel zelfstandig te bepalen: (i) welke feiten of gebeurtenissen kunnen kwalificeren als koersgevoelige informatie als bedoeld in art. 5:25i lid 2 j° art. 5:53 lid 1 Wft en (ii) wanneer die koersgevoelige informatie door middel van een persbericht openbaar gemaakt dient te worden.
Geconstateerd moet worden dat de wetsgeschiedenis de uitgevende instelling bij de beantwoording van deze lastige vragen teleurstellend weinig houvast bidet.1 Te lezen valt slechts:
"Er is sprake van als bijvoorbeeld wijzigingen plaatsvinden in het bestuur of de raad van commissarissen van een uitgevende instelling, als een overname gaat plaatsvinden of als er een besluit tot inkoop van eigen aandelen is genomen."
Ontegenzeggelijk is de wetgever hier inspiratieloos, en misschien zelfs verwijtbaar denklui, geweest.2 Waar de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om de naleving van de openbaarmakingsplicht door uitgevende instellingen zelfs strafrechtelijk te sanctioneren, had van de wetgever gelet op het lex certa-gebod3 in elk geval op zijn minst iets meer verbeeldingskracht verwacht mogen worden (zie § 9.9).4