HR, 18-02-2025, nr. 23/04433
ECLI:NL:HR:2025:304
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-02-2025
- Zaaknummer
23/04433
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:304, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑02‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:13
ECLI:NL:PHR:2025:13, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑01‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:304
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑08‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0060
NJ 2026/103 met annotatie van J.M. Reijntjes
Uitspraak 18‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Deelname aan criminele organisatie gericht op plegen van drugsdelicten, wapendelicten, witwassen en (gekwalificeerde) diefstallen (art. 140.1 Sr jo. 11b Opiumwet). Schending van doorlaatverbod, art. 126 ff.1 Sv. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM, bewijsuitsluiting en/of strafvermindering i.v.m. vormverzuimen, art. 359a Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2002:AD9915 over voorschrift van art. 126ff Sv en uit HR:2020:1889 over toepassing van art. 359a Sv. Bij beoordeling of aan onherstelbaar vormverzuim een rechtsgevolg (strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging) wordt verbonden, houdt rechter o.g.v. art. 359a.2 Sv rekening met onder meer belang van geschonden voorschrift. Voorschrift van art. 126ff.1 Sv houdt verband met schadelijkheid voor volksgezondheid en gevaar voor veiligheid die aan het aanwezig of voorhanden hebben van bepaalde voorwerpen zijn verbonden. Het beoogt niet, zoals ook in HR:2002:AD9915 tot uitdrukking komt, belangen te beschermen van persoon die ervan wordt verdacht strafbare gedragingen te verrichten m.b.t. de in art. 126ff.1 Sv genoemde voorwerpen, te beschermen. Gelet op strekking van voorschrift van art. 126ff.1 Sv brengt omstandigheid dat verdachte wordt vervolgd voor gedragingen in relatie tot voorwerpen ten aanzien waarvan niet verplichting van art. 126ff.1 Sv is nageleefd, niet met zich dat sprake is van zodanig nadeel voor verdachte dat grond bestaat voor strafvermindering. Verder is in zo’n geval van belang dat bewijsmateriaal dat ziet op gedragingen van verdachte in relatie tot de in art. 126ff.1 Sv genoemde voorwerpen, niet kan worden aangemerkt als bewijs dat uitsluitend en rechtstreeks gevolg is van het niet-naleven van verplichting van art. 126ff.1 Sv en dus het nalaten om tot inbeslagneming over te gaan van die voorwerpen. Ook vormt het niet-naleven van verplichting van art. 126ff.1 Sv niet inbreuk op recht van verdachte op eerlijke behandeling van zijn zaak. Dat vormverzuim brengt immers niet met zich dat verdachte de hem toekomende verdedigingsrechten niet of slechts in beperkte mate kan uitoefenen. ‘s Hofs oordeel komt erop neer dat (i) doorlaatverbod niet is geschonden omdat gelet op verloop van opsporingsonderzoek niet sprake was van “weten” a.b.i. art. 126ff Sv, en dat (ii) in “theoretisch geval dat bijvoorbeeld aan de hand van nadere bestudering van ICT-gegevens van politie vastgesteld zou kunnen worden dat er op enig moment wel sprake is geweest van wetenschap a.b.i. art. 126ff Sv dat er gevaarlijke goederen aanwezig waren en er in dergelijk geval desalniettemin niet is opgetreden” geen grond bestaat om aan het schenden van doorlaatverbod 1 van de in art. 359a.1 Sv genoemde rechtsgevolgen te verbinden. ‘s Hofs daarin besloten liggende oordeel dat, v.zv. al in deze zaak zou kunnen worden vastgesteld dat verplichting van art. 126ff.1 Sv niet is nageleefd, kan worden volstaan met constatering van dat verzuim en geen aanleiding bestaat 1 van de in art. 359a.1 Sv genoemde rechtsgevolgen aan verzuim te verbinden, getuigt (gelet op voorgaande) niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 23/04374, 23/04383, 23/04388, 23/04391, 23/04413, 23/04429, 23/04440, 23/04462, 23/04477, 23/04495 en 23/04526.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04433
Datum 18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 november 2023, nummer 20-002244-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V. Poelmeijer, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel keert zich onder meer tegen de verwerping door het hof van het verweer dat, kort gezegd, de schending van het zogenoemde doorlaatverbod tot één van de in artikel 359a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) genoemde rechtsgevolgen moet leiden.
2.2
Het hof heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen:
“Verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod
(...)
Schending van het doorlaatverbod
Verweer
Door de verdediging is aangevoerd dat bij het uitvoeren van het opsporingsonderzoek het doorlaatverbod van artikel 126ff Sv door het Openbaar Ministerie is geschonden. In de kern heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het doorlaatverbod is geschonden, nu er op diverse momenten middels opname vertrouwelijke communicatie (hierna: OVC) ‘live’ werd meegeluisterd, of middels camera’s ‘live’ werd meegekeken door de politie, dan wel beide tegelijkertijd, terwijl er wapens dan wel verdovende middelen bij het [bedrijf] [het criminele samenwerkingsverband] voorhanden respectievelijk aanwezig waren en er vervolgens niet werd ingegrepen door politie en justitie. De verdediging baseert zich hierbij op de twee processen-verbaal dienaangaande die in hoger beroep alsnog aan het dossier zijn toegevoegd. Door de verdediging is gedetailleerd ingegaan op momenten dat – in de visie van de verdediging – politie en justitie hebben geweten dat het doorlaatverbod van toepassing was, maar toch niet hebben ingegrepen. Dat zou ertoe moeten leiden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, nu het wettelijk systeem met het schenden van het doorlaatverbod in de kern geraakt zou zijn dan wel een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Subsidiair is aangevoerd dat de schending van het doorlaatverbod ertoe moet leiden dat al hetgeen dientengevolge is verkregen vanaf 7 juni 2018 dan wel 7 augustus 2018 dient te worden uitgesloten van het bewijs, waardoor bij gebrek aan bewijs de verdachte dient te worden vrijgesproken. Meer subsidiair is betoogd dat de schending van het doorlaatverbod tot strafmatiging dient te leiden.
Oordeel hof
De verdediging heeft blijkens haar verweren willen betogen dat het hof toepassing dient te geven aan het bepaalde in artikel 359a Sv. (...)
Het doorlaatverbod is geregeld in het eerste lid van artikel 126ff Sv en luidt:
‘De opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een bevel als omschreven in de titels IVa tot en met V en Vb, is verplicht van de hem in de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij door de uitvoering van het bevel de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. De inbeslagneming mag slechts in het belang van het onderzoek worden uitgesteld met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan.’
Voor wat betreft het begrip “weten” verwijst het hof naar de Aanwijzing opsporing, Stcr. 2014, nr. 24442, waarin omtrent het begrip “weten” het volgende is opgenomen:
‘Er is sprake van ‘weten’ in de zin van art. 126ff Sv op het moment dat bij opsporingsambtenaren een voldoende mate van zekerheid bestaat over het verboden karakter van de voorwerpen en de vindplaats hiervan. Het zal in dit geval moeten gaan om aanwijzingen die redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel laten dat de in art. 126ff Sv aangeduide voorwerpen op de betreffende plaats aanwezig zijn. Indien er slechts een redelijk vermoeden bestaat omtrent de aard en/of de vindplaats van de voorwerpen dan geldt er dus geen verplichting tot inbeslagneming.’
Feiten en omstandigheden
Uit de verhoren van de verbalisanten ter terechtzitting in hoger beroep en de opgemaakte processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden wordt duidelijk dat in het algemeen niet live werd meegeluisterd en evenmin live werd meegekeken. De gesprekken werden opgenomen en op een later moment beluisterd en uitgewerkt. Hetzelfde geldt voor de camerabeelden; deze werden nadien bekeken en de bevindingen werden in een proces-verbaal uitgewerkt. Door de verbalisanten werden regelmatig geluiden gehoord en/of beelden gezien die erop duidden dat er mogelijk vuurwapens voorhanden waren, zo hebben zij gerelateerd en verklaard. Dit werd dan door de verbalisanten regelmatig gemeld aan de leiding. Het live meeluisteren en het live meekijken was een uitzondering.
In het proces-verbaal ‘live’ meeluisteren is aangegeven dat in drie periodes ‘live’ is meegeluisterd. Met uitzondering van één periode, die slechts de periode van 1 avond/nacht beslaat en waar er sprake was van een technische storing (de OVC in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] in de nacht van 20 september 2018 op 21 september 2018), zijn al die gesprekken opgenomen. Álle beschikbare geluidsfragmenten, inclusief de fragmenten die betrekking hebben op de periodes waarin níet ‘live’ werd meegeluisterd, zijn aan de verdediging verstrekt.
In het proces-verbaal ‘live’ meekijken is gerelateerd dat alleen in de derde periode van het ‘live’ meeluisteren tegelijkertijd ook ‘live’ is meegekeken, te weten op 12 en 13 november 2019, zijnde de eerste twee dagen van de actieperiode (de ‘klapdagen’). Dit, teneinde de reactie van het [bedrijf] en hun familieleden op de door de politie verrichte aanhoudingen en doorzoekingen te monitoren. In voornoemd proces-verbaal is ook gerelateerd dat er in totaal op 53 dagen ‘live’ is meegekeken, waarbij is opgemerkt dat de exacte tijdstippen niet meer te achterhalen zijn.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn diverse verbalisanten gehoord met betrekking tot de op dit punt bij de verdediging levende vragen. [verbalisant] , verantwoordelijk voor laatstgenoemde processen-verbaal met betrekking tot het ‘live’ meeluisteren en meekijken, heeft verklaard dat het uitluisteren van de OVC’s en het verwerken van de inhoud daarvan vanwege technische redenen, met uitzondering van genoemde twee klapdagen altijd achteraf gebeurde. Het ‘live’ meekijken werd volgens [verbalisant] ingezet ter ondersteuning van het observatieteam, om te kijken wie aanwezig was en zo een selectie te kunnen maken ten behoeve van het eventueel live meeluisteren en ten behoeve van de actiedag. [verbalisant] heeft uitgelegd dat zij de bewuste 53 momenten waarop ‘live’ zou zijn meegekeken heeft herleid uit mutaties in het systeem van de politie: daar waar een datum van een mutatie overeenkwam met een datum van opgenomen camerabeelden, werd in het proces-verbaal de conclusie getrokken dat dan ‘live’ was meegekeken. Echter, [verbalisant] nuanceerde ter terechtzitting deze door haar in het proces-verbaal getrokken conclusie, in die zin dat de uitkomsten van de door haar gedane vergelijking met als resultaat 53 momenten, niet betekent dat er daadwerkelijk ‘live’ is meegekeken; voor elk van die dagen geldt dat het mogelijk is dat een mutatie is aangemaakt om beelden te bekijken die eerder die dag zijn opgenomen.
Het hof stelt vast dat op basis van het voorgaande niet kan worden geconcludeerd dat er daadwerkelijk op 53 momenten ‘live’ is meegekeken, laat staan dat tegelijkertijd ‘live’ werd meegeluisterd.
Het hof stelt voorts vast dat bij het achteraf beluisteren van de OVC-gesprekken en bekijken van de camerabeelden door de politie er momenten zijn geweest waarop is of in elk geval kon worden geconstateerd dat er ten tijde van het opnemen van die gesprekken en camerabeelden wapens c.q. drugs voorhanden/aanwezig waren. Vanwege het (vaak ruime) tijdsverloop tussen het moment waarop de OVC-gesprekken werden beluisterd en de camerabeelden werden bekeken en het moment waarop die gesprekken en beelden waren opgenomen, kon ten tijde van het beluisteren van die gesprekken en bekijken van die beelden niet (meer) met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat die wapens c.q. drugs op dát moment nog steeds voorhanden/aanwezig waren, laat staan waar precies. Van 'weten' in de zin van art. 126ff Sv was dan ook geen sprake naar het oordeel van het hof.
Naar het oordeel van het hof is het doorlaatverbod niet geschonden.
Nu enerzijds uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier is gebleken dat – conform de ratio achter het doorlaatverbod, te weten het beschermen van de volksgezondheid/veiligheid – bij wetenschap van het aanwezig/voorhanden zijn van schadelijke voorwerpen en tevens van de vindplaats daarvan daadwerkelijk tot inbeslagname is overgegaan, getuige bijvoorbeeld de inbeslagname van 99,4 kilo MDMA en het ingrijpen bij de productie van synthetische drugs in het laboratorium in Leeuwarden, en dat anderzijds niet is gebleken dat er op andere momenten wetenschap in de zin van artikel 126ff Sv heeft bestaan over de aanwezigheid van verboden goederen en de vindplaats daarvan terwijl niet tot in beslagname is overgegaan, komt het hof tot het oordeel dat van schending van het doorlaatverbod alleen al om die reden geen sprake is geweest.
Met betrekking tot twee van de hierboven door de verdediging genoemde voorvallen, de invoer in de haven van Antwerpen van respectievelijk 1.561 en 315 kilogram cocaïne, overweegt het hof dat de Nederlandse politie niet meer hoefde in te grijpen, nu deze cocaïne reeds was onderschept door de Belgische douane in de haven van Antwerpen, overigens bij ZD01 voorafgegaan door informatie van de Nederlandse politie.
Het is ook niet zo dat de politie geen actie heeft ondernomen op het woonwagenkamp. De gesprekken in de schuur over drugs en wapens hebben er wel degelijk toe geleid dat actie is ondernomen.
In het algemeen proces-verbaal Project Noord map 22 staat het volgende:
‘Op basis van gesprekken in de schuur bestond het beeld dat de schuur werd gebruikt als overleglocatie voor de handel en productie van verdovende middelen. Vermoed werd dat schuur ook werd gebruikt voor het verwerken of opslaan van verdovende middelen. Daarnaast werd vermoed dat in opgenomen gesprekken geluiden gehoord werden van vuurwapenhandelingen, waardoor niet uitgesloten werd dat in de schuur regelmatig vuurwapens aanwezig waren.
Op grond van deze informatie uit Garborone werd onderzoek Abuja gestart om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van verdovende middelen en vuurwapens. Op 7 en 8 november 2018 werd binnen Abuja een doorzoeking ter inbeslagneming van de schuur uitgevoerd, onder leiding van de officier van justitie. Deze doorzoeking vond gelijktijdig plaats met een meerdaagse doorzoeking ter inbeslagneming op de [b-straat 1-2] te [plaats] , onder leiding van de rechter-commissaris, binnen onderzoek Duyfken. Duyfken betreft het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] die op 4 juni 2018 nabij het woonwagencentrum aan de [b-straat] te [plaats] werd doodgeschoten.
Hoewel tijdens de doorzoeking van de schuur geen vuurwapens en verdovende middelen werden aangetroffen, werd het beeld van een crimineel samenwerkingsverband gericht op het plegen van drugsdelicten bevestigd. Aangetroffen werden weegschalen, vacuümapparaten, een geldtelmachine, kogelwerende vesten, notities met geldbedragen, telefoons bestemd voor versleutelde communicatie. Daarnaast werden vermoedelijk waardevolle goederen aangetroffen waardoor ten aanzien van [verdachte] de verdenking van witwassen ontstond.’
Deze actie tot inbeslagneming heeft tot niets geleid. Hiermee werd duidelijk dat eerst nader onderzoek en informatie nodig was om tot een succesvolle inbeslagname over te kunnen gaan, althans dat er geen zekerheid was dat wapens of drugs zouden worden aangetroffen indien al werd binnengevallen in de schuur. Overigens zijn ook op de uiteindelijke dag van de inval ook weinig strafbare goederen aangetroffen in de schuur aan de [b-straat] .
Het hof overweegt tot slot dat het hier om veel verdachten gaat die opereren vanuit een redelijk afgesloten terrein en er aanwijzingen waren dat een aantal van hen somtijds de beschikking had over levensgevaarlijke vuurwapens. Dat uit naderhand afgeluisterde (telefoon)gesprekken of bekeken camerabeelden aanwijzingen of het redelijk vermoeden kon ontstaan dat op enig moment wapens of verdovende middelen aanwezig waren en de verdachten daar kennelijk over konden beschikken, is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat er voldoende wetenschap was over de aanwezigheid van de verboden goederen en de vindplaats daarvan om tot inbeslagneming over te kunnen gaan en dat door dat niet te doen onder regie van politie en justitie bewust illegale goederen op de markt zijn gebracht. Deze aanwijzingen noopten wellicht tot nader onderzoek (om al dan niet later tot inbeslagname te kunnen overgaan), maar getuige het omvangrijke dossier heeft dat nu ook juist plaatsgevonden, gevolgd door de aanhouding en de vervolging van de verdachten. Het hof overweegt in dit verband nog dat art. 126ff Sv bepaalt dat de politie gehouden is tot het gebruikmaken van de inbeslagnemingsbevoegdheden. Dat is zoals hiervoor aangehaald gebeurd wanneer sprake was van wetenschap. De wet verplicht de opsporingsambtenaar niet om de verdachten in het onderzoek ter zake aan te houden en te vervolgen. Voor zover de verweren erop zien dat te lang gewacht is met het opsporen en berechten van de verdachten, kunnen de verweren ook om die reden niet slagen. Het verweer wordt derhalve verworpen omdat het feitelijke grondslag mist.
Het verweer dat de politie op momenten ‘live’ heeft móeten meeluisteren/-kijken vindt geen steun in het recht.
Voor het theoretische geval dat bijvoorbeeld aan de hand van een nadere bestudering van de ICT-gegevens van de politie vastgesteld zou kunnen worden dat er op enig moment wel sprake is geweest van wetenschap in de zin van art. 126ff Sv dat er gevaarlijke goederen aanwezig waren en er in een dergelijk geval desalniettemin niet is opgetreden, gaat het hof geheel ten overvloede in op de door de verdediging gevoerde verweren. Door de verdediging is bepleit dat dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging
Het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard wordt, zo begrijpt het hof, in de eerste plaats gebaseerd op het ‘Karman-criterium’ (vgl. HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567). Voorts zou uit de wetsgeschiedenis zijn af te leiden dat de rechter wel degelijk een rol speelt bij de toetsing van het doorlaatverbod. Tot slot beroept de verdediging zich op het overzichtsarrest met betrekking tot art. 359a Sv (HR 1 december 2020, ECLI:NL:2020:1889).
Het hof overweegt dat op grond van voornoemd ‘Karman-arrest’ de niet-ontvankelijkheid slechts dan de passende sanctie is indien en voor zover er sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke strafvervolging, welke inbreuk het wettelijk systeem in de kern raakt. Met het ‘wettelijk systeem’ wordt gedoeld op de grondslagen van het strafproces, met name de wettelijk voorziene verdeling van de bevoegdheden en verplichtingen tussen het Openbaar Ministerie en de rechter. Het hof overweegt in dit verband dat – indachtig het opportuniteitsbeginsel – het voorbehouden is aan de opsporingsinstanties om te beslissen over de inzet van een opsporingsmiddel. De rechter fungeert in dat verband slechts als grensbewaker. Op de strafrechter rust niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter is daartoe ook niet in staat (vlg. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o.v. 2.1.3).
Het hof overweegt dat ware het doorlaatverbod geschonden, dit naar het oordeel van het hof – onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest d.d. 2 juli 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD9915, r.o.v. 3.3) dienaangaande heeft overwogen – de verdachte, van wie geen rechtens te beschermen belang in het geding is, zich niet op de niet naleving of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten kan beroepen voor zijn betoog dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. In laatstgenoemd arrest overwoog de Hoge Raad ten aanzien van het beroep van de verdediging op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens schending van het doorlaatverbod:
‘3.3. Uit de tekst en deze geschiedenis van de totstandkoming van art. 126ff Sv blijkt niet dat die bepaling in het leven is geroepen in het belang van de verdachte. Voorts blijkt daaruit en uit art. 140a Sv dat de handhaving van het verbod op doorlaten onder directe controle van het College van procureurs-generaal en de minister van justitie geschiedt. De verdachte, van wie dus geen rechtens te beschermen belang in het geding is, kan zich niet op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten beroepen voor zijn betoog dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Dat brengt mee dat indien, zoals in het verweer waarop het middel ziet, een beroep wordt gedaan op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten als omschreven in art. 126ff Sv, een dergelijk verweer slechts kan worden verworpen.’
Dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat vanuit politieke hoek is aangedrongen op een wettelijke bepaling voor het doorlaatverbod waarbij ook de rechter een rol heeft, brengt naar het oordeel van het hof nog niet mee dat een schending van dit verbod ook zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid in de strafvervolging van het Openbaar Ministerie. Het hof gaat dan ook aan dit onderdeel van het verweer voorbij.
Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard met het oog op de latere jurisprudentie van de Hoge Raad in het kader van art. 359a Sv overweegt het hof als volgt.
Door de raadsman wordt het geleden nadeel aan de zijde van de verdachte in geval van schending van het doorlaatverbod als volgt omschreven:
‘Veroorzaakte nadeel: door structureel drugs en wapens door te laten, wetende dat doorlaten in de regel niet binnen het strafproces wordt gesanctioneerd, zorgt doorlaten in casu ervoor dat verdachte de facto de kans wordt ontnomen om structureel onrechtmatig overheidsoptreden in zijn eigen strafzaak aan een onafhankelijke rechter voor te leggen. Dan kan er van equality of arms ex artikel 6 EVRM geen sprake zijn. Dat maakt dat er sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Gegeven de structurele aard van het doorlaten moet het ervoor worden gehouden dat 'the proceedings as a whole were not fair'. Bovendien is door het doorlaten de inzet van vergaande BOB-middelen in stand gehouden en is daarmee sprake van een structurele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 EVRM.’
Het hof verwerpt het naar voren gebrachte verweer en overweegt daartoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat uit het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, (ECLI:NL:HR:2020:1890) volgt dat schending van het doorlaatverbod niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan leiden. Uit dit arrest volgt immers dat niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie alleen aan de orde is indien een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Van een zodanige inbreuk is volgens het hof niet gebleken.
Met betrekking tot het hierboven door de raadsman omschreven nadeel voor de verdachte volgt het hof de verdediging bovendien niet in haar redenering. Naar het oordeel van het hof doet het door de verdediging hiervoor gestelde en omschreven nadeel zich niet voor. De strafbare feiten waar de verdachte van wordt verdacht worden aan een onafhankelijke rechter voorgelegd. Voorts kan de verdediging het verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod in deze concrete zaak ook aan de rechter voorleggen die daar vervolgens een oordeel over velt. Deze procedure is met alle rechtswaarborgen omkleed. Daarnaast is het hof van oordeel dat er geen causaal verband bestaat tussen de vermeende schending van het doorlaatverbod en de door de raadsman gestelde nadelen. Het is niet zo dat door een schending van het doorlaatverbod er geen sprake zou zijn van equality of arms.
Er is eveneens geen causaal verband tussen de schending van het doorlaatverbod en privacyschending. De privacyschending vindt plaats doordat BOB-middelen worden ingezet. Deze BOB-middelen worden ingezet omdat de verdachte verdacht wordt van bepaalde strafbare feiten en niet omdat het doorlaatverbod wordt geschonden. Uiteraard kan door een raadsman worden aangevoerd dat BOB- middelen onrechtmatig zijn ingezet en te lang zijn ingezet als gevolg van het feit dat er is doorgelaten en niet is ingegrepen. Dit verweer is in dit onderzoek in diverse zaken ook gevoerd. Maar het al dan niet in beslag nemen van verboden goederen in het kader van reeds gepleegde strafbare feiten, staat geheel los van de inzet van BOB-middelen in verband met gerezen verdenkingen ten aanzien van strafbare feiten. Daarbij overweegt het hof nog dat een schending van het in art. 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer bovendien niet zonder meer een inbreuk op de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces oplevert (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0554, en HR 7 juli 2009, LJN BH8889, NJ 2009/399).
Bewijsuitsluiting
Het hof stelt voorop dat in artikel 359a Sv is geregeld dat het hof kan bepalen dat ‘de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit’. De wet schrijft dus niet de mogelijkheid voor dat alle onderzoeksresultaten verkregen ná het verzuim van het bewijs worden uitgesloten. Bewijsuitsluiting komt op grond van art. 359a, eerste lid, Sv uitsluitend aan de orde indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen. Dit betekent op grond van de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad dat er een direct causaal verband moet zijn tussen het bewijsmateriaal en het geschonden vormvoorschrift.
Alleen bewijsmateriaal dat uitsluitend en rechtstreeks ten gevolge van dat onrechtmatig optreden is verkregen, kan in beginsel van het bewijs worden uitgesloten. Voor uitsluiting leent zich in de eerste plaats dus het bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks resultaat van de opsporingshandelingen waarmee het vormverzuim gepaard is gegaan (het zogenaamde primaire bewijsmateriaal). Later verkregen - secundair - bewijsmateriaal behoeft niet te worden uitgesloten wanneer aannemelijk is dat ook andere factoren aan de verkrijging daarvan hebben bijgedragen. Enkel een ‘conditio sine qua non’-verband is niet toereikend (zie onder meer Kamerstukken II 1993/94, 23705, nr. 3, p. 25-26, HR 16 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8887 en HR 21-01-1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0619).
In zoverre kan het verweer van de verdediging waarbij wordt verzocht al het bewijs verkregen na 7 juni respectievelijk na 7 augustus 2018 omdat op die data sprake zou zijn geweest van schending van het doorlaatverbod, zonder nadere motivering omtrent een oorzakelijk verband tussen het gestelde vormverzuim en het bewijs verkregen na deze data, dan ook niet slagen. Indien en voor zover immers al zou kunnen worden geconcludeerd dat op deze data, of op andere data, sprake is geweest van schending van het doorlaatverbod, kan de conclusie niet zijn dat het nadien verkregen bewijsmateriaal uitsluitend en rechtstreeks een gevolg is van het feit dat op dat moment bepaalde goederen zijn doorgelaten.
Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat indien was ingegrepen op de dagen dat volgens de verdediging (onrechtmatig) is doorgelaten (waaronder 7 juni en 7 augustus 2018), de zogenaamde ‘klapdag’ hierdoor was vervroegd en als gevolg daarvan de onderzoeksresultaten van na die data niet waren verkregen, volgt het hof de verdediging niet. Immers, ook op andere momenten is eerder ingegrepen, bijvoorbeeld met de onderschepping van de (netto) 99,4 kilo MDMA op 15 april 2019. Deze onderschepping heeft niet geleid tot het einde van het onderzoek of vervroeging van de klapdag. Zonder nadere motivering valt dan ook niet in te zien waarom een mogelijke onderschepping op de door de verdediging genoemde data tot andere onderzoeksresultaten had geleid. Ook dan blijft derhalve de conclusie dat nadien verkregen bewijsmateriaal niet uitsluitend en rechtstreeks een gevolg is van het feit dat op dat moment bepaalde goederen al dan niet zijn doorgelaten.
Tot slot overweegt het hof dat los van het voorgaande een eventueel vormverzuim in de zin van schending van het doorlaatverbod nooit tot bewijsuitsluiting kan leiden. Schending van het doorlaatverbod zou weliswaar een vormverzuim zijn, maar een vormverzuim waarbij niet het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM (rechtstreeks) aan de orde is, maar een vormverzuim waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In die gevallen geldt volgens de Hoge Raad als belangrijk uitgangspunt dat dit er niet aan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, dient te worden beoordeeld aan de hand van de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde beoordelingsfactoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890). Een van de beoordelingsfactoren waarmee het hof aldus rekening dient te houden is het belang dat het geschonden voorschrift dient. In het geval van het doorlaatverbod is dat het belang van de integriteit van betrokken opsporingsinstanties maar met name ook de belangen van de burgers die slachtoffer kunnen worden van de gevaarlijke stoffen waar het bij het verbod op doorlaten om gaat, en andere belangen van de samenleving. Gevaarlijke goederen moeten inbeslaggenomen worden om het risico te vermijden dat burgers ermee worden geconfronteerd (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 403, nr. 7, p. 5). Kortom, het doorlaatverbod ziet niet op bescherming van het belang van de verdachte. Indien het hof uit zou gaan van de juistheid van de stellingen van de verdediging dat in dit onderzoek op bepaalde momenten niet is overgegaan tot inbeslagname waar dat wel (al) had gemoeten, komt het hof tot de conclusie dat gelet op het voorgaande en afgezet tegen het feit dat in dit geval sprake was van een zeer groot onderzoek naar meerdere verdachten en meerdere strafbare feiten, de ernst van de normschending niet zodanig was dit zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting. Ook het feit dat met het verzuim geen nadeel, anders dan het ontdekken van een strafbaar feit, voor de verdachte is ontstaan en ook anderzijds niet van nadeel is gebleken (de derde in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde omstandigheid) weegt hierbij mee.
Strafvermindering
Ook strafvermindering kan niet aan de orde zijn, nu de Hoge Raad daarover heeft overwogen dat voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Van een concreet nadeel van de verdachte is in deze strafzaak niet gebleken. Het hof verwijst hierbij naar het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890.
Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.”
2.3
Artikel 126ff leden 1 en 2 Sv – dat als ‘Verbod op doorlaten’ is opgenomen in de Vijfde afdeling van het Eerste Boek, Titel VD, van het Wetboek van Strafvordering – luidt:
“1. De opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een bevel als omschreven in de titels IVa tot en met V en Vb, is verplicht van de hem in de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij door de uitvoering van het bevel de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. De inbeslagneming mag slechts in het belang van het onderzoek worden uitgesteld met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan.
2. De verplichting tot inbeslagneming, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in het geval de officier van justitie op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang anders beveelt.”
“1. De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:
a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;
b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;
c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
2. Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.”
2.4.1
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9915 over het voorschrift van artikel 126ff Sv overwogen:
“3.2.2. Art. 126ff Sv strekt tot uitvoering van een door de Tweede Kamer aangenomen motie die luidt:
“Ten aanzien van het doorlaten van personen en van goederen die schadelijk of gevaarlijk kunnen zijn voor de veiligheid of de volksgezondheid geldt een algemeen verbod.
Ten aanzien van genoemde goederen bestaat de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing van het verbod door het College van procureurs-generaal, dat de beslissing tot ontheffing onmiddellijk ter kennis brengt van de minister van justitie.
Voor deze beslissing worden geen criteria geformuleerd opdat zich geen beleidsinstrument ontwikkelt en elke beslissing aan de hand van het concrete voorliggende geval kan worden beoordeeld. De Kamer wordt periodiek gerapporteerd over eventuele doorlating.”
3.2.3.
Art. 140a Sv luidt:
"Het College van procureurs-generaal stemt vooraf en schriftelijk in met een bevel als bedoeld in artikel 126ff, onderscheidenlijk een overeenkomst als bedoeld in de tweede afdeling van titel Va van het Eerste Boek, een wijziging of een verlenging daarvan."
3.3.
Uit de tekst en deze geschiedenis van de totstandkoming van art. 126ff Sv blijkt niet dat die bepaling in het leven is geroepen in het belang van de verdachte. Voorts blijkt daaruit en uit art. 140a Sv dat de handhaving van het verbod op doorlaten onder directe controle van het College van procureurs-generaal en de minister van justitie geschiedt. De verdachte, van wie dus geen rechtens te beschermen belang in het geding is, kan zich niet op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten beroepen voor zijn betoog dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Dat brengt mee dat indien, zoals in het verweer waarop het middel ziet, een beroep wordt gedaan op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten als omschreven in art. 126ff Sv, een dergelijk verweer slechts kan worden verworpen.”
2.4.2
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 over de toepassing van artikel 359a Sv onder meer overwogen:
“2.1.3 In het strafproces staat centraal dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak. Zoals ook in de conclusie van de advocaat-generaal onder 189 tot uitdrukking komt, rust op de strafrechter niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter is daartoe ook niet in staat.
Toepassing van artikel 359a Sv kan ertoe strekken dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wordt gewaarborgd. Daarnaast berust de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, en zo ja de wijze waarop dat gebeurt, in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen – waaronder de belangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders van strafbare feiten – en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek.
Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. (...)
Strafvermindering
(...)
2.3.2
Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Dat volgt ook uit de onder 2.1.3 weergegeven uitgangspunten dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken en dat hij de bevoegdheid, maar niet de plicht heeft om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek.
(...)
Bewijsuitsluiting
2.4.1
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 drie categorieën van gevallen onderscheiden waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Allereerst gaat het om gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs, noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen. Deze categorie blijft onverkort bestaan.
2.4.2
De Hoge Raad komt wel tot een wijziging met betrekking tot de twee andere categorieën van gevallen die zijn benoemd in het arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321. Daarin gaat het om de volgende gevallen waarin bewijsuitsluiting aan de orde kan zijn:
(...)
2.4.3
In het arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 kent elk van die twee categorieën een afzonderlijk beoordelingskader, met ook specifiek daaraan verbonden eisen met betrekking tot het stellen en onderbouwen van de voor de beoordeling relevante omstandigheden. De Hoge Raad is nu van oordeel dat kan worden volstaan met het navolgende gemeenschappelijke, meer globale beoordelingskader, omdat deze twee categorieën in de praktijk niet steeds goed te scheiden zijn en toepassing daarvan als te complex wordt ervaren.
2.4.4
Dit gemeenschappelijke beoordelingskader ziet op gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In die gevallen geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren en met inachtneming van het onder 2.1.3 genoemde uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan.
(...)
Niet-ontvankelijkverklaring
2.5.1
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.5 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie:
“Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.”
2.5.2
De Hoge Raad verduidelijkt de toepassing van deze maatstaf als volgt. De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655), of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECL:NL:HR:1998:ZD1239).
Beoordeling van de feitelijke grondslag van verweren
2.6.1
Indien het verweer wordt gevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan en dat dit moet leiden tot een van de in artikel 359a lid 1 Sv genoemde rechtsgevolgen, moet de rechter beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Bij dat onderzoek naar de feitelijke grondslag kan de rechter zich beperken tot die vaststellingen die in verband met de beslissing over het in het verweer genoemde rechtsgevolg noodzakelijk zijn.
2.6.2
De rechter kan echter een dergelijk verweer zonder onderzoek naar de feitelijke grondslag daarvan verwerpen indien hij tot het oordeel komt dat wat is aangevoerd – ware het juist – niet noopt tot één van de in artikel 359a lid 1 Sv genoemde rechtsgevolgen, bijvoorbeeld omdat het aangevoerde hooguit kan leiden tot de enkele constatering van een vormverzuim. (...)”
2.5.1
Bij de beoordeling of aan een onherstelbaar vormverzuim een rechtsgevolg – strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging – wordt verbonden, houdt de rechter op grond van artikel 359a lid 2 Sv rekening met onder meer het belang van het geschonden voorschrift. Het voorschrift van artikel 126ff lid 1 Sv houdt verband met de schadelijkheid voor de volksgezondheid en het gevaar voor de veiligheid die aan het aanwezig of voorhanden hebben van bepaalde voorwerpen zijn verbonden. Het beoogt niet, zoals ook in het onder 2.4.1 geciteerde arrest tot uitdrukking komt, de belangen te beschermen van de persoon die ervan wordt verdacht strafbare gedragingen te verrichten met betrekking tot de in artikel 126ff lid 1 Sv genoemde voorwerpen, te beschermen.
2.5.2
Gelet op de strekking van het voorschrift van artikel 126ff lid 1 Sv brengt de omstandigheid dat de verdachte wordt vervolgd voor gedragingen in relatie tot voorwerpen ten aanzien waarvan niet de verplichting van artikel 126ff lid 1 Sv is nageleefd, niet met zich dat sprake is van een zodanig nadeel voor de verdachte dat grond bestaat voor strafvermindering. Verder is in zo’n geval van belang dat het bewijsmateriaal dat ziet op de gedragingen van de verdachte in relatie tot de in artikel 126ff lid 1 Sv genoemde voorwerpen, niet kan worden aangemerkt als bewijs dat het uitsluitende en rechtstreekse gevolg is van het niet-naleven van de verplichting van artikel 126ff lid 1 Sv en dus het nalaten om tot inbeslagneming over te gaan van die voorwerpen. Ook vormt het niet-naleven van de verplichting van artikel 126ff lid 1 Sv niet een inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Dat vormverzuim brengt immers niet met zich dat de verdachte de hem toekomende verdedigingsrechten niet of slechts in beperkte mate kan uitoefenen.
2.6
Het oordeel van het hof komt erop neer dat (i) het doorlaatverbod niet is geschonden omdat gelet op het verloop van het opsporingsonderzoek niet sprake was van ‘weten’ in de zin van artikel 126ff Sv, en dat (ii) in “het theoretische geval dat bijvoorbeeld aan de hand van een nadere bestudering van de ICT-gegevens van de politie vastgesteld zou kunnen worden dat er op enig moment wel sprake is geweest van wetenschap in de zin van art. 126ff Sv dat er gevaarlijke goederen aanwezig waren en er in een dergelijk geval desalniettemin niet is opgetreden” geen grond bestaat om aan het schenden van het doorlaatverbod één van de in artikel 359a lid 1 Sv genoemde rechtsgevolgen te verbinden. Het daarin besloten liggende oordeel van het hof dat, voor zover al in deze zaak zou kunnen worden vastgesteld dat de verplichting van artikel 126ff lid 1 Sv niet is nageleefd, kan worden volstaan met de constatering van dat verzuim en geen aanleiding bestaat één van de in artikel 359a lid 1 Sv genoemde rechtsgevolgen aan het verzuim te verbinden, getuigt – gelet op het vorenstaande – niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
2.7
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
2.8
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.
Conclusie 14‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Deelnemers criminele organisatie Oss (Operatie Alfa). Falende klachten over (i) verzuim te beslissen op voorwaardelijk verzoek tot doen horen getuigen, (ii) afwijzing van dat verzoek en (iii) verwerping rechtmatigheidsverweer wegens schending doorlaatverbod art. 126ff lid 1 Sv. AG is van oordeel dat relativiteitsvereiste nog altijd in de weg staat aan slagen rechtmatigheidsverweer wegens schending doorlaatverbod. Conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep (art. 81 RO). Samenhang met 23/04383, 23/04388, 23/04495, 23/04477, 23/04391, 23/04526, 23/04440, 23/04374, 23/04413, 23/04462 en 23/04429.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04433
Zitting 14 januari 2025
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 9 november 2023 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens 1. primair “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 3. “medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, 4. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapen en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd, en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” en 5. “deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet” veroordeeld tot 6 jaren gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr en is, met betrekking tot feit 3, een inbeslaggenomen geldbedrag van € 263.412,68 verbeurd verklaard. Voorts heeft het hof de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Er bestaat samenhang met de zaken 23/04383, 23/04388, 23/04495, 23/04477, 23/04391, 23/04526, 23/04440, 23/04374, 23/04413, 23/04462 en 23/04429. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. V. Poelmeijer, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
4.1
Het middel valt in drie deelklachten uiteen. Volgens de eerste deelklacht heeft het hof niet beslist op het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het doen horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . De tweede deelklacht betreft een subsidiaire klacht met als inhoud dat voor zover ’s hofs afwijzing van voornoemd voorwaardelijke verzoek besloten ligt in de afwijzing van het verzoek tot het doen verrichten van nader onderzoek, deze afwijzing onjuist is, althans onvoldoende met redenen is omkleed. In de derde deelklacht wordt opgekomen tegen ’s hofs verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, althans bewijsuitsluiting en/of strafvermindering in verband met de schending van het doorlaatverbod in art. 126ff lid 1 Sv. Ik zal eerst de derde deelklacht bespreken en mij daarna richten op de overige twee deelklachten.
De derde deelklacht
4.2
Het hof heeft het namens de verdachte gevoerde verweer inzake schending van het doorlaatverbod in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:
“Verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod
[…]
Schending van het doorlaatverbod
Verweer
Door de verdediging is aangevoerd dat bij het uitvoeren van het opsporingsonderzoek het doorlaatverbod van artikel 126ff Sv door het Openbaar Ministerie is geschonden. In de kern heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het doorlaatverbod is geschonden, nu er op diverse momenten middels opname vertrouwelijke communicatie (hierna: OVC) ‘live’ werd meegeluisterd, of middels camera’s ‘live’ werd meegekeken door de politie, dan wel beide tegelijkertijd, terwijl er wapens dan wel verdovende middelen bij het [bedrijf] voorhanden respectievelijk aanwezig waren en er vervolgens niet werd ingegrepen door politie en justitie. De verdediging baseert zich hierbij op de twee processen-verbaal dienaangaande die in hoger beroep alsnog aan het dossier zijn toegevoegd. Door de verdediging is gedetailleerd ingegaan op momenten dat – in de visie van de verdediging – politie en justitie hebben geweten dat het doorlaatverbod van toepassing was, maar toch niet hebben ingegrepen. Dat zou ertoe moeten leiden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, nu het wettelijk systeem met het schenden van het doorlaatverbod in de kern geraakt zou zijn dan wel een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Subsidiair is aangevoerd dat de schending van het doorlaatverbod ertoe moet leiden dat al hetgeen dientengevolge is verkregen vanaf 7 juni 2018 dan wel 7 augustus 2018 dient te worden uitgesloten van het bewijs, waardoor bij gebrek aan bewijs de verdachte dient te worden vrijgesproken. Meer subsidiair is betoogd dat de schending van het doorlaatverbod tot strafmatiging dient te leiden.
Oordeel hof
De verdediging heeft blijkens haar verweren willen betogen dat het hof toepassing dient te geven aan het bepaalde in artikel 359a Sv. Het hof verwijst in verband met de bespreking van deze verweren naar het vooropgestelde kader ‘Het jurisprudentiële kader van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering’ en betrekt dat in zijn overwegingen.
Het doorlaatverbod is geregeld in het eerste lid van artikel 126ff Sv en luidt:
‘De opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een bevel als omschreven in de titels IVa tot en met V en Vb, is verplicht van de hem in de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij door de uitvoering van het bevel de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. De inbeslagneming mag slechts in het belang van het onderzoek worden uitgesteld met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan.’
Voor wat betreft het begrip “weten” verwijst het hof naar de Aanwijzing opsporing, Stcr. 2014, nr. 24442, waarin omtrent het begrip “weten” het volgende is opgenomen:
‘Er is sprake van ‘weten’ in de zin van art. 126ff Sv op het moment dat bij opsporingsambtenaren een voldoende mate van zekerheid bestaat over het verboden karakter van de voorwerpen en de vindplaats hiervan. Het zal in dit geval moeten gaan om aanwijzingen die redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel laten dat de in art. 126ff Sv aangeduide voorwerpen op de betreffende plaats aanwezig zijn. Indien er slechts een redelijk vermoeden bestaat omtrent de aard en/of de vindplaats van de voorwerpen dan geldt er dus geen verplichting tot inbeslagneming.’
Feiten en omstandigheden
Uit de verhoren van de verbalisanten ter terechtzitting in hoger beroep en de opgemaakte processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden wordt duidelijk dat in het algemeen niet live werd meegeluisterd en evenmin live werd meegekeken. De gesprekken werden opgenomen en op een later moment beluisterd en uitgewerkt. Hetzelfde geldt voor de camerabeelden; deze werden nadien bekeken en de bevindingen werden in een proces-verbaal uitgewerkt. Door de verbalisanten werden regelmatig geluiden gehoord en/of beelden gezien die erop duidden dat er mogelijk vuurwapens voorhanden waren, zo hebben zij gerelateerd en verklaard. Dit werd dan door de verbalisanten regelmatig gemeld aan de leiding. Het live meeluisteren en het live meekijken was een uitzondering.
In het proces-verbaal ‘live’ meeluisteren is aangegeven dat in drie periodes ‘live’ is meegeluisterd. Met uitzondering van één periode, die slechts de periode van 1 avond/nacht beslaat en waar er sprake was van een technische storing (de OVC in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] in de nacht van 20 september 2018 op 21 september 2018), zijn al die gesprekken opgenomen. Álle beschikbare geluidsfragmenten, inclusief de fragmenten die betrekking hebben op de periodes waarin níet ‘live’ werd meegeluisterd, zijn aan de verdediging verstrekt.
In het proces-verbaal ‘live’ meekijken is gerelateerd dat alleen in de derde periode van het ‘live’ meeluisteren tegelijkertijd ook ‘live’ is meegekeken, te weten op 12 en 13 november 2019, zijnde de eerste twee dagen van de actieperiode (de ‘klapdagen’). Dit, teneinde de reactie van het [bedrijf] en hun familieleden op de door de politie verrichte aanhoudingen en doorzoekingen te monitoren. In voornoemd proces-verbaal is ook gerelateerd dat er in totaal op 53 dagen ‘live’ is meegekeken, waarbij is opgemerkt dat de exacte tijdstippen niet meer te achterhalen zijn.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn diverse verbalisanten gehoord met betrekking tot de op dit punt bij de verdediging levende vragen. [verbalisant] , verantwoordelijk voor laatstgenoemde processen-verbaal met betrekking tot het ‘live’ meeluisteren en meekijken, heeft verklaard dat het uitluisteren van de OVC’s en het verwerken van de inhoud daarvan vanwege technische redenen, met uitzondering van genoemde twee klapdagen altijd achteraf gebeurde. Het ‘live’ meekijken werd volgens [verbalisant] ingezet ter ondersteuning van het observatieteam, om te kijken wie aanwezig was en zo een selectie te kunnen maken ten behoeve van het eventueel live meeluisteren en ten behoeve van de actiedag. [verbalisant] heeft uitgelegd dat zij de bewuste 53 momenten waarop ‘live’ zou zijn meegekeken heeft herleid uit mutaties in het systeem van de politie: daar waar een datum van een mutatie overeenkwam met een datum van opgenomen camerabeelden, werd in het proces-verbaal de conclusie getrokken dat dan ‘live’ was meegekeken. Echter, [verbalisant] nuanceerde ter terechtzitting deze door haar in het proces-verbaal getrokken conclusie, in die zin dat de uitkomsten van de door haar gedane vergelijking met als resultaat 53 momenten, niet betekent dat er daadwerkelijk ‘live’ is meegekeken; voor elk van die dagen geldt dat het mogelijk is dat een mutatie is aangemaakt om beelden te bekijken die eerder die dag zijn opgenomen.
Het hof stelt vast dat op basis van het voorgaande niet kan worden geconcludeerd dat er daadwerkelijk op 53 momenten ‘live’ is meegekeken, laat staan dat tegelijkertijd ‘live’ werd meegeluisterd.
Het hof stelt voorts vast dat bij het achteraf beluisteren van de OVC-gesprekken en bekijken van de camerabeelden door de politie er momenten zijn geweest waarop is of in elk geval kon worden geconstateerd dat er ten tijde van het opnemen van die gesprekken en camerabeelden wapens c.q. drugs voorhanden/aanwezig waren. Vanwege het (vaak ruime) tijdsverloop tussen het moment waarop de OVC-gesprekken werden beluisterd en de camerabeelden werden bekeken en het moment waarop die gesprekken en beelden waren opgenomen, kon ten tijde van het beluisteren van die gesprekken en bekijken van die beelden niet (meer) met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat die wapens c.q. drugs op dát moment nog steeds voorhanden/aanwezig waren, laat staan waar precies. Van 'weten' in de zin van art. 126ff Sv was dan ook geen sprake naar het oordeel van het hof.
Naar het oordeel van het hof is het doorlaatverbod niet geschonden.
Nu enerzijds uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier is gebleken dat – conform de ratio achter het doorlaatverbod, te weten het beschermen van de volksgezondheid/veiligheid – bij wetenschap van het aanwezig/voorhanden zijn van schadelijke voorwerpen en tevens van de vindplaats daarvan daadwerkelijk tot inbeslagname is overgegaan, getuige bijvoorbeeld de inbeslagname van 99,4 kilo MDMA en het ingrijpen bij de productie van synthetische drugs in het laboratorium in Leeuwarden, en dat anderzijds niet is gebleken dat er op andere momenten wetenschap in de zin van artikel 126ff Sv heeft bestaan over de aanwezigheid van verboden goederen en de vindplaats daarvan terwijl niet tot in beslagname is overgegaan, komt het hof tot het oordeel dat van schending van het doorlaatverbod alleen al om die reden geen sprake is geweest.
Met betrekking tot twee van de hierboven door de verdediging genoemde voorvallen, de invoer in de haven van Antwerpen van respectievelijk 1.561 en 315 kilogram cocaïne, overweegt het hof dat de Nederlandse politie niet meer hoefde in te grijpen, nu deze cocaïne reeds was onderschept door de Belgische douane in de haven van Antwerpen, overigens bij ZD01 voorafgegaan door informatie van de Nederlandse politie.
Het is ook niet zo dat de politie geen actie heeft ondernomen op het woonwagenkamp. De gesprekken in de schuur over drugs en wapens hebben er wel degelijk toe geleid dat actie is ondernomen.
In het algemeen proces-verbaal Project Noord map 22 staat het volgende:
Op basis van gesprekken in de schuur bestond het beeld dat de schuur werd gebruikt als
overleglocatie voor de handel en productie van verdovende middelen. Vermoed werd dat schuur ook werd gebruikt voor het verwerken of opslaan van verdovende middelen. Daarnaast werd vermoed dat in opgenomen gesprekken geluiden gehoord werden van vuurwapenhandelingen, waardoor niet uitgesloten werd dat in de schuur regelmatig vuurwapens aanwezig waren.
Op grond van deze informatie uit Garborone werd onderzoek Abuja gestart om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van verdovende middelen en vuurwapens. Op 7 en 8 november 2018 werd binnen Abuja een doorzoeking ter inbeslagneming van de schuur uitgevoerd, onder leiding van de officier van justitie. Deze doorzoeking vond gelijktijdig plaats met een meerdaagse doorzoeking ter inbeslagneming op de [b-straat 1] en [b-straat 2] te [plaats] , onder leiding van de rechter-commissaris, binnen onderzoek Duyfken. Duyfken betreft het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] die op 4 juni 2018 nabij het woonwagencentrum aan de [b-straat] te [plaats] werd doodgeschoten.
Hoewel tijdens de doorzoeking van de schuur geen vuurwapens en verdovende middelen werden aangetroffen, werd het beeld van een crimineel samenwerkingsverband gericht op het plegen van drugsdelicten bevestigd. Aangetroffen werden weegschalen, vacuümapparaten, een geldtelmachine, kogelwerende vesten, notities met geldbedragen, telefoons bestemd voor
versleutelde communicatie. Daarnaast werden vermoedelijk waardevolle goederen aangetroffen waardoor ten aanzien van [verdachte] de verdenking van witwassen ontstond.
Deze actie tot inbeslagneming heeft tot niets geleid. Hiermee werd duidelijk dat eerst nader onderzoek en informatie nodig was om tot een succesvolle inbeslagname over te kunnen gaan, althans dat er geen zekerheid was dat wapens of drugs zouden worden aangetroffen indien al werd binnengevallen in de schuur. Overigens zijn ook op de uiteindelijke dag van de inval ook weinig strafbare goederen aangetroffen in de schuur aan de [b-straat] .
Het hof overweegt tot slot dat het hier om veel verdachten gaat die opereren vanuit een redelijk afgesloten terrein en er aanwijzingen waren dat een aantal van hen somtijds de beschikking had over levensgevaarlijke vuurwapens. Dat uit naderhand afgeluisterde (telefoon)gesprekken of bekeken camerabeelden aanwijzingen of het redelijk vermoeden kon ontstaan dat op enig moment wapens of verdovende middelen aanwezig waren en de verdachten daar kennelijk over konden beschikken, is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat er voldoende wetenschap was over de aanwezigheid van de verboden goederen en de vindplaats daarvan om tot inbeslagneming over te kunnen gaan en dat door dat niet te doen onder regie van politie en justitie bewust illegale goederen op de markt zijn gebracht. Deze aanwijzingen noopten wellicht tot nader onderzoek (om al dan niet later tot inbeslagname te kunnen overgaan), maar getuige het omvangrijke dossier heeft dat nu ook juist plaatsgevonden, gevolgd door de aanhouding en de vervolging van de verdachten. Het hof overweegt in dit verband nog dat art. 126ff Sv bepaalt dat de politie gehouden is tot het gebruikmaken van de inbeslagnemingsbevoegdheden. Dat is zoals hiervoor aangehaald gebeurd wanneer sprake was van wetenschap. De wet verplicht de opsporingsambtenaar niet om de verdachten in het onderzoek ter zake aan te houden en te vervolgen. Voor zover de verweren erop zien dat te lang gewacht is met het opsporen en berechten van de verdachten, kunnen de verweren ook om die reden niet slagen. Het verweer wordt derhalve verworpen omdat het feitelijke grondslag mist.
Het verweer dat de politie op momenten ‘live’ heeft móeten meeluisteren/-kijken vindt geen steun in het recht.
Voor het theoretische geval dat bijvoorbeeld aan de hand van een nadere bestudering van de ICT-gegevens van de politie vastgesteld zou kunnen worden dat er op enig moment wel sprake is geweest van wetenschap in de zin van art. 126ff Sv dat er gevaarlijke goederen aanwezig waren en er in een dergelijk geval desalniettemin niet is opgetreden, gaat het hof geheel ten overvloede in op de door de verdediging gevoerde verweren. Door de verdediging is bepleit dat dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging
Het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard wordt, zo begrijpt het hof, in de eerste plaats gebaseerd op het ‘Karman-criterium’ (vgl. HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567). Voorts zou uit de wetsgeschiedenis zijn af te leiden dat de rechter wel degelijk een rol speelt bij de toetsing van het doorlaatverbod. Tot slot beroept de verdediging zich op het overzichtsarrest met betrekking tot art. 359a Sv (HR 1 december 2020, ECLI:NL:2020:1889).
Het hof overweegt dat op grond van voornoemd ‘Karman-arrest’ de niet-ontvankelijkheid slechts dan de passende sanctie is indien en voor zover er sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke strafvervolging, welke inbreuk het wettelijk systeem in de kern raakt. Met het ‘wettelijk systeem’ wordt gedoeld op de grondslagen van het strafproces, met name de wettelijk voorziene verdeling van de bevoegdheden en verplichtingen tussen het Openbaar Ministerie en de rechter. Het hof overweegt in dit verband dat – indachtig het opportuniteitsbeginsel – het voorbehouden is aan de opsporingsinstanties om te beslissen over de inzet van een opsporingsmiddel. De rechter fungeert in dat verband slechts als grensbewaker. Op de strafrechter rust niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter is daartoe ook niet in staat (vlg. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o.v. 2.1.3).
Het hof overweegt dat ware het doorlaatverbod geschonden, dit naar het oordeel van het hof – onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest d.d. 2 juli 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD9915, r.o.v. 3.3) dienaangaande heeft overwogen – de verdachte, van wie geen rechtens te beschermen belang in het geding is, zich niet op de niet naleving of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten kan beroepen voor zijn betoog dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. In laatstgenoemd arrest overwoog de Hoge Raad ten aanzien van het beroep van de verdediging op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens schending van het doorlaatverbod:
‘3.3. Uit de tekst en deze geschiedenis van de totstandkoming van art. 126ff Sv blijkt niet dat die bepaling in het leven is geroepen in het belang van de verdachte. Voorts blijkt daaruit en uit art. 140a Sv dat de handhaving van het verbod op doorlaten onder directe controle van het College van procureurs-generaal en de minister van justitie geschiedt. De verdachte, van wie dus geen rechtens te beschermen belang in het geding is, kan zich niet op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten beroepen voor zijn betoog dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Dat brengt mee dat indien, zoals in het verweer waarop het middel ziet, een beroep wordt gedaan op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten als omschreven in art. 126ff Sv, een dergelijk verweer slechts kan worden verworpen.’
Dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat vanuit politieke hoek is aangedrongen op een wettelijke bepaling voor het doorlaatverbod waarbij ook de rechter een rol heeft, brengt naar het oordeel van het hof nog niet mee dat een schending van dit verbod ook zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid in de strafvervolging van het Openbaar Ministerie. Het hof gaat dan ook aan dit onderdeel van het verweer voorbij.
Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard met het oog op de latere jurisprudentie van de Hoge Raad in het kader van art. 359a Sv overweegt het hof als volgt.
Door de raadsman wordt het geleden nadeel aan de zijde van de verdachte in geval van schending van het doorlaatverbod als volgt omschreven:
Veroorzaakte nadeel: door structureel drugs en wapens door te laten, wetende dat doorlaten in de regel niet binnen het strafproces wordt gesanctioneerd, zorgt doorlaten in casu ervoor dat verdachte de facto de kans wordt ontnomen om structureel onrechtmatig overheidsoptreden in zijn eigen strafzaak aan een onafhankelijke rechter voor te leggen. Dan kan er van equality of arms ex artikel 6 EVRM geen sprake zijn. Dat maakt dat er sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Gegeven de structurele aard van het doorlaten moet het ervoor worden gehouden dat 'the proceedings as a whole were not fair'. Bovendien is door het doorlaten de inzet van vergaande BOB-middelen in stand gehouden en is daarmee sprake van een structurele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 EVRM.
Het hof verwerpt het naar voren gebrachte verweer en overweegt daartoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat uit het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, (ECLI:NL:HR:2020:1890) volgt dat schending van het doorlaatverbod niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan leiden. Uit dit arrest volgt immers dat niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie alleen aan de orde is indien een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Van een zodanige inbreuk is volgens het hof niet gebleken.
Met betrekking tot het hierboven door de raadsman omschreven nadeel voor de verdachte volgt het hof de verdediging bovendien niet in haar redenering. Naar het oordeel van het hof doet het door de verdediging hiervoor gestelde en omschreven nadeel zich niet voor. De strafbare feiten waar de verdachte van wordt verdacht worden aan een onafhankelijke rechter voorgelegd. Voorts kan de verdediging het verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod in deze concrete zaak ook aan de rechter voorleggen die daar vervolgens een oordeel over velt. Deze procedure is met alle rechtswaarborgen omkleed. Daarnaast is het hof van oordeel dat er geen causaal verband bestaat tussen de vermeende schending van het doorlaatverbod en de door de raadsman gestelde nadelen. Het is niet zo dat door een schending van het doorlaatverbod er geen sprake zou zijn van equality of arms.
Er is eveneens geen causaal verband tussen de schending van het doorlaatverbod en privacyschending. De privacyschending vindt plaats doordat BOB-middelen worden ingezet. Deze BOB-middelen worden ingezet omdat de verdachte verdacht wordt van bepaalde strafbare feiten en niet omdat het doorlaatverbod wordt geschonden. Uiteraard kan door een raadsman worden aangevoerd dat BOB- middelen onrechtmatig zijn ingezet en te lang zijn ingezet als gevolg van het feit dat er is doorgelaten en niet is ingegrepen. Dit verweer is in dit onderzoek in diverse zaken ook gevoerd. Maar het al dan niet in beslag nemen van verboden goederen in het kader van reeds gepleegde strafbare feiten, staat geheel los van de inzet van BOB-middelen in verband met gerezen verdenkingen ten aanzien van strafbare feiten. Daarbij overweegt het hof nog dat een schending van het in art. 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer bovendien niet zonder meer een inbreuk op de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces oplevert (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0554, en HR 7 juli 2009, LJN BH8889, NJ 2009/399).
Bewijsuitsluiting
Het hof stelt voorop dat in artikel 359a Sv is geregeld dat het hof kan bepalen dat ‘de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit’. De wet schrijft dus niet de mogelijkheid voor dat alle onderzoeksresultaten verkregen ná het verzuim van het bewijs worden uitgesloten. Bewijsuitsluiting komt op grond van art. 359a, eerste lid, Sv uitsluitend aan de orde indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen. Dit betekent op grond van de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad dat er een direct causaal verband moet zijn tussen het bewijsmateriaal en het geschonden vormvoorschrift.
Alleen bewijsmateriaal dat uitsluitend en rechtstreeks ten gevolge van dat onrechtmatig optreden is verkregen, kan in beginsel van het bewijs worden uitgesloten. Voor uitsluiting leent zich in de eerste plaats dus het bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks resultaat van de opsporingshandelingen waarmee het vormverzuim gepaard is gegaan (het zogenaamde primaire bewijsmateriaal). Later verkregen - secundair - bewijsmateriaal behoeft niet te worden uitgesloten wanneer aannemelijk is dat ook andere factoren aan de verkrijging daarvan hebben bijgedragen. Enkel een ‘conditio sine qua non’-verband is niet toereikend (zie onder meer Kamerstukken II 1993/94, 23705, nr. 3, p. 25-26, HR 16 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8887 en HR 21-01-1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0619).
In zoverre kan het verweer van de verdediging waarbij wordt verzocht al het bewijs verkregen na 7 juni respectievelijk na 7 augustus 2018 omdat op die data sprake zou zijn geweest van schending van het doorlaatverbod, zonder nadere motivering omtrent een oorzakelijk verband tussen het gestelde vormverzuim en het bewijs verkregen na deze data, dan ook niet slagen. Indien en voor zover immers al zou kunnen worden geconcludeerd dat op deze data, of op andere data, sprake is geweest van schending van het doorlaatverbod, kan de conclusie niet zijn dat het nadien verkregen bewijsmateriaal uitsluitend en rechtstreeks een gevolg is van het feit dat op dat moment bepaalde goederen zijn doorgelaten.
Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat indien was ingegrepen op de dagen dat volgens de verdediging (onrechtmatig) is doorgelaten (waaronder 7 juni en 7 augustus 2018), de zogenaamde ‘klapdag’ hierdoor was vervroegd en als gevolg daarvan de onderzoeksresultaten van na die data niet waren verkregen, volgt het hof de verdediging niet. Immers, ook op andere momenten is eerder ingegrepen, bijvoorbeeld met de onderschepping van de (netto) 99,4 kilo MDMA op 15 april 2019. Deze onderschepping heeft niet geleid tot het einde van het onderzoek of vervroeging van de klapdag. Zonder nadere motivering valt dan ook niet in te zien waarom een mogelijke onderschepping op de door de verdediging genoemde data tot andere onderzoeksresultaten had geleid. Ook dan blijft derhalve de conclusie dat nadien verkregen bewijsmateriaal niet uitsluitend en rechtstreeks een gevolg is van het feit dat op dat moment bepaalde goederen al dan niet zijn doorgelaten.
Tot slot overweegt het hof dat los van het voorgaande een eventueel vormverzuim in de zin van schending van het doorlaatverbod nooit tot bewijsuitsluiting kan leiden. Schending van het doorlaatverbod zou weliswaar een vormverzuim zijn, maar een vormverzuim waarbij niet het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM (rechtstreeks) aan de orde is, maar een vormverzuim waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In die gevallen geldt volgens de Hoge Raad als belangrijk uitgangspunt dat dit er niet aan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, dient te worden beoordeeld aan de hand van de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde beoordelingsfactoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890). Een van de beoordelingsfactoren waarmee het hof aldus rekening dient te houden is het belang dat het geschonden voorschrift dient. In het geval van het doorlaatverbod is dat het belang van de integriteit van betrokken opsporingsinstanties maar met name ook de belangen van de burgers die slachtoffer kunnen worden van de gevaarlijke stoffen waar het bij het verbod op doorlaten om gaat, en andere belangen van de samenleving. Gevaarlijke goederen moeten inbeslaggenomen worden om het risico te vermijden dat burgers ermee worden geconfronteerd (Kamerstukken II, 1997–1998, 25 403, nr. 7, p. 5). Kortom, het doorlaatverbod ziet niet op bescherming van het belang van de verdachte. Indien het hof uit zou gaan van de juistheid van de stellingen van de verdediging dat in dit onderzoek op bepaalde momenten niet is overgegaan tot inbeslagname waar dat wel (al) had gemoeten, komt het hof tot de conclusie dat gelet op het voorgaande en afgezet tegen het feit dat in dit geval sprake was van een zeer groot onderzoek naar meerdere verdachten en meerdere strafbare feiten, de ernst van de normschending niet zodanig was dit zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting. Ook het feit dat met het verzuim geen nadeel, anders dan het ontdekken van een strafbaar feit, voor de verdachte is ontstaan en ook anderzijds niet van nadeel is gebleken (de derde in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde omstandigheid) weegt hierbij mee.
Strafvermindering
Ook strafvermindering kan niet aan de orde zijn, nu de Hoge Raad daarover heeft overwogen dat voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Van een concreet nadeel van de verdachte is in deze strafzaak niet gebleken. Het hof verwijst hierbij naar het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890.
Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.”
4.3
In (de toelichting op) het middel wordt allereerst – kort gezegd – aangevoerd dat het oordeel van het hof dat het doorlaatverbod niet is geschonden onbegrijpelijk is, omdat geen sprake was van ‘weten’ in de zin van art. 126ff lid 1 Sv. Ook wordt opgekomen tegen de overwegingen van het hof met betrekking tot het niet verbinden van enig rechtsgevolg aan een vermeende schending van het doorlaatverbod.
4.4
Het doorlaatverbod is neergelegd in art. 126ff lid 1 Sv. Deze bepaling luidt als volgt:
“De opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een bevel als omschreven in de titels IVa tot en met V en Vb, is verplicht van de hem in de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij door de uitvoering van het bevel de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. De inbeslagneming mag slechts in het belang van het onderzoek worden uitgesteld met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan.”
4.5
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 126ff Sv blijkt dat het beschermen van burgers tegen gevaarlijke stoffen en het beschermen van de integriteit van het overheidsoptreden de achterliggende rechtsbelangen van het doorlaatverbod zijn.1.
4.6
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 juli 2002, kort gezegd, overwogen dat een rechtmatigheidsverweer dat strekt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens overtreding van het doorlaatverbod, niet kan slagen, omdat niet wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste. De Hoge Raad heeft in dat verband het volgende vooropgesteld:
“Uit de tekst en deze geschiedenis van de totstandkoming van art. 126ff Sv blijkt niet dat die bepaling in het leven is geroepen in het belang van de verdachte. Voorts blijkt daaruit en uit art. 140a Sv dat de handhaving van het verbod op doorlaten onder directe controle van het College van procureurs-generaal en de minister van justitie geschiedt. De verdachte, van wie dus geen rechtens te beschermen belang in het geding is, kan zich niet op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten beroepen voor zijn betoog dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Dat brengt mee dat indien, zoals in het verweer waarop het middel ziet, een beroep wordt gedaan op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten als omschreven in art. 126ff Sv, een dergelijk verweer slechts kan worden verworpen. Het Hof heeft het verweer, ook al is dit op een andere grond geschied, dus terecht verworpen.”2.
4.7
In latere rechtspraak heeft de Hoge Raad zaken waarin een soortgelijke kwestie aan de orde was afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.3.In een aantal van die zaken die de Hoge Raad verkort heeft afgedaan, was (ook) een beroep gedaan op bewijsuitsluiting en/of strafvermindering wegens schending van het doorlaatverbod.4.Hieruit leid ik af dat de hierboven weergegeven vooropstelling van de Hoge Raad niet alleen geldt voor een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar ook kan worden toegepast in het geval dat een beroep op bewijsuitsluiting en/of strafvermindering wordt gedaan.5.
4.8
Voor zover ik heb kunnen nagaan, is na het overzichtsarrest over vormverzuimen van de Hoge Raad van 1 december 2020,6.geen zaak meer aan de Hoge Raad voorgelegd waarin werd opgekomen tegen de verwerping van een rechtmatigheidsverweer wegens overtreding van het doorlaatverbod. Dit kan de vraag doen rijzen of het relativiteitsvereiste nog altijd in de weg staat aan het slagen van een dergelijk verweer.
4.9
De steller van het middel lijkt in de schriftuur te speculeren dat dit niet langer het geval is en dat de jurisprudentie van de Hoge Raad in dit geval ruimte biedt voor een uitzondering op de regel dat geen rechtsgevolg wordt verbonden aan vormverzuimen waardoor de verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad.
4.10
Ik zie dat anders. Naar mijn oordeel geeft het overzichtsarrest over vormverzuimen geen aanleiding om te veronderstellen dat de opvatting van de Hoge Raad over het sanctioneren van schendingen van het doorlaatverbod gewijzigd is. Ik wijs er allereerst op dat de Hoge Raad in dit arrest heeft benadrukt dat de strafrechter niet de taak en de verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken.7.Bovendien lijkt de Hoge Raad bij de toepassing van art. 359a Sv de bescherming van de subjectieve rechten van de verdachte en in het bijzonder het verzekeren van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM voorop te stellen.8.Een overtreding van het doorlaatverbod heeft geen betrekking op het recht op een eerlijk proces van de verdachte. Ook zie ik niet in hoe, zoals de verdediging heeft aangevoerd, door een schending van het doorlaatverbod de verdachte “de kans wordt ontnomen om structureel onrechtmatig overheidsoptreden in zijn eigen strafzaak aan een onafhankelijke rechter voor te leggen” en hoe hierdoor sprake zou kunnen zijn van een schending van het recht op een eerlijk proces.
4.11
Wat betreft de gevallen waarin een rechtsgevolg aan een vormverzuim werd verbonden ondanks dat niet aan het relativiteitsvereiste was voldaan, merk ik op dat dit uitzonderingen betroffen waarbij fundamentele normen – het pressieverbod en het verschoningsrecht van professionele geheimhouders – waren overtreden waardoor (het vertrouwen in) het functioneren van de strafrechtspleging werd geschonden.9.Het doorlaatverbod is naar mijn oordeel van een andere orde. Deze uitspraken leiden niet tot de conclusie dat het relativiteitsvereiste bij schendingen van het doorlaatverbod niet meer van toepassing zou zijn.
4.12
In de toelichting op het middel wordt voorts opgemerkt dat in de literatuur vraagtekens zijn gezet bij “de strikte uitleg/toepassing van de Schutznorm door de Hoge Raad in relatie tot het doorlaatverbod” en is het standpunt van verschillende critici ten aanzien hiervan weergegeven. Hoewel de steller van het middel deze kritiek niet met zoveel woorden overneemt, begrijp ik dat hij hiermee beoogt de Hoge Raad uit te nodigen terug te komen op zijn standpunt over de sanctionering van schendingen van het doorlaatverbod. In de kern houdt de kritiek in dat zonder sanctionering van overtredingen van het doorlaatverbod door de strafrechter (i) opsporingsambtenaren niet worden geprikkeld zich in de toekomst wel te houden aan het doorlaatverbod en (ii) de integriteit van de opsporing wordt geschonden, aangezien de indruk wordt gewekt dat de strafvorderlijke overheid zich niet aan de regels hoeft te houden. Deze argumenten sluiten aan bij een integriteitsperspectief ten aanzien van art. 359a Sv.10.
4.13
De kritiekpunten die in de schriftuur zijn geuit nopen mijns inziens niet tot bijstelling van de koers van de Hoge Raad. Tegenover de aangevoerde kritiek staan andere zwaarwegende argumenten waardoor het achterwege laten van sanctionering van schendingen van het doorlaatverbod door de strafrechter juist aangewezen is en die het belang van waarheidsvinding en het belang van slachtoffers bij effectieve vervolging en bestraffing van daders dienen. Daarbij weegt ook mee dat handhaving van het doorlaatverbod wel op enige wijze plaatsvindt, aangezien het openbaar ministerie en de Minister van Justitie en Veiligheid controle kunnen uitoefenen en zo nodig tuchtrechtelijke maatregelen kunnen nemen.11.
4.14
Gelet op het voorgaande en in het licht van wat onder 4.6 is vooropgesteld, meen ik dat het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, bewijsuitsluiting en/of strafvermindering vanwege een overtreding van het doorlaatverbod, slechts kon worden verworpen. Het hof heeft het verweer dan ook terecht verworpen, zodat er naar ik meen geen reden aanwezig is om in te gaan op de overige in het kader van deze deelklacht genoemde aspecten van de motivering van het hof.
4.15
De derde deelklacht faalt.
De eerste en de tweede deelklacht
4.16
De eerste deelklacht en de tweede deelklacht zien op het voorwaardelijke verzoek tot het doen horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , dat mr. Poelmeijer, de raadsman van de verdachte, op de terechtzitting in hoger beroep van 7 juni 2023 heeft gedaan. De eerste deelklacht houdt in dat het hof niet op dit verzoek heeft beslist. De tweede, subsidiaire, deelklacht houdt in dat, voor zover de afwijzing van het (overgenomen) voorwaardelijke verzoek tot het horen van de genoemde getuigen besloten ligt in de afwijzing van het verzoek tot het verrichten van nader onderzoek, de afwijzing onjuist is, althans onvoldoende met redenen is omkleed. Aangevoerd wordt dat de getuigenverklaringen hadden kunnen bijdragen aan het vaststellen van een mogelijke schending van het doorlaatverbod, zodat niet (zonder meer) gezegd kan worden dat de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet is gebleken.
4.17
Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen inzake de onderzoekswensen:
“Onderzoek van de zaak
[…]
De raadsman heeft:
- naar het hof begrijpt primair verzocht om tussenarrest te wijzen en (alsnog) positief te beslissen op onderzoekswensen in het kader van verweren met betrekking tot de rechtmatigheid van de start van het onderzoek en inzet BOB-middelen en schending van het doorlaatverbod;
[…]
Onderzoekswensen verdediging gedaan ter terechtzitting van 7 juni 2023
Gelet op het voorgaande zullen alle onderzoekswensen van mr. Poelmeijer, zoals gedaan ter terechtzitting van 7 juni 2023 bij gebrek aan noodzaak worden afgewezen.”
4.18
Het hof heeft geoordeeld dat “[g]elet op het voorgaande” bij gebrek aan noodzaak alle onderzoekswensen zoals gedaan ter terechtzitting van 7 juni 2023 door mr. Poelmeijer worden afgewezen. Het hof heeft hiermee een beslissing genomen op het in de deelklacht bedoelde verzoek. De deelklacht mist feitelijke grondslag.
4.19
De eerste deelklacht faalt.
4.20
Dan de tweede deelklacht. Het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen is een verzoek in de zin van art. 331 lid 1 Sv in verbinding met art. 328 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Deze bepalingen zijn in verband met art. 415 lid 1 Sv ook van toepassing in hoger beroep. Het noodzakelijkheidscriterium is in een dergelijk geval de maatstaf. Aangezien het verzoek ertoe strekt de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de kaak te stellen, geldt de in het arrest van de Hoge Raad van 4 juli 2017 vervatte regel dat een dergelijk verzoek door de verdediging moet worden gemotiveerd.12.Het post-Keskin kader zoals neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2021 is niet van toepassing.13.
4.21
Het hof heeft het verzoek tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen afgewezen op de grond dat de noodzaak niet is gebleken. Daarbij heeft het hof “het voorgaande” in aanmerking genomen, waarmee het hof doelt op zijn overwegingen inzake het rechtmatigheidsverweer. Zoals is gebleken bij de bespreking van de derde deelklacht, kan de verdachte zich niet beroepen op de niet (juiste) naleving van het doorlaatverbod en kan een dergelijk rechtmatigheidsverweer slechts worden verworpen. In het licht hiervan, getuigt ’s hofs oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
4.22
De tweede deelklacht faalt eveneens.
4.23
Daarmee faalt het middel.
5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑01‑2025
HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9915, NJ 2002/602, m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.3 en HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5825, r.o. 3.3. Vgl. HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1512, NJ 2002/601, m.nt. Y. Buruma, r.o. 4.5.
HR 25 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6405 (81 RO); HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7687 (81 RO); HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:1231 (81 RO) en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:436 (81 RO).
HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7687 (81 RO); HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:1231 (81 RO) en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:436 (81 RO).
Ook mijn voormalig ambtgenoot Vellinga meent dat er geen reden is hierover anders te denken voor wat betreft een beroep op bewijsuitsluiting of strafvermindering. Zie conclusie AG Vellinga voor ECLI:NL:HR:2007:BB7687, onder 15.
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg.
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg, r.o. 2.1.3.
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 896-897.
B.F. Keulen & G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 597. HR 9 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0914, NJ 1988/158, r.o. 5.2 en HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1402, NJ 1999/290, r.o. 3.4.
Zie K.M. Pitcher & M. Samadi, ‘Integriteit als perspectief bij de rechterlijke reactie op vormverzuimen’, DD 2018/59, p. 1-25.
Vgl. conclusie AG Wortel voor ECLI:NL:HR:2004:AO6405, onder 15 en conclusie AG Hofstee voor ECLI:NL:HR:2014:1231, onder 13.
HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. T. Kooijmans, r.o. 3.6. Vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1279, NJ 2021/369, m.nt. N. Jörg, r.o. 2.4.3.
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. J.M. Reijntjes.
Beroepschrift 09‑08‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer:
Betekening aanzegging: 17 juni 2024 (verlenging termijn tot en met 12 augustus 2024)
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
Gedetineerd te [verblijfplaats]
verdachte,
advocaten: mr. V. Poelmeijer
dossiernummer: 20211323
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekende, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, mr. V. Poelmeijer, advocaat te Amsterdam heeft hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch d.d. 9 november 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar. Daarnaast heeft het hof beslissingen t.a.v. het beslag genomen.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 126ff, 315, 359 en 415 Sv alsmede art. 6 EVRM en Art. 47 HvEU en wel om het navolgende:
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar. Aan verdachte is in hoger beroep (beknopt weergegeven: het (medeplegen van) voorhanden/vervoeren van een partij MDMA; (medeplegen van) bereiden/bewerken van cocaïne; (medeplegen van) witwassen van 700 duizend euro, 263 duizend euro en een woning aan de [a-straat 1] te [a-plaats]; het (medeplegen) van het verhandelen en voorhanden hebben van vuurwapens alsmede het deelnemen aan een criminele organisatie met de oogmerk tot het plegen van misdrijven, meer in het bijzonder misdrijven bedoeld in de zin van artikel 10, lid 3 t/m 5 en art. 10a van de Opiumwet.
(Deelklacht 1a)
De — ondergetekende — raadsman van verdachte [verdachte] heeft per schrijven van 6 juni 2023 (nader toegelicht ter terechtzitting d.d. 7 juni 2023) nadere onderzoekswensen ingediend. Een van deze onderzoekswensen betrof het verstrekken c.q. ter inzage aanbieden van alle mutaties waarin de informatie m.b.t. het live uitkijken c.q. live luisteren werd vastgesteld en op basis waarvan verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het proces-verbaal ‘live uitluisteren OVC’ en ‘live kijken camerabeelden in de schuur’ hebben opgemaakt.
Voor zover het hof dit verzoek zou afwijzen is het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2].
Het hof heeft de aanvullende onderzoekswensen in het arrest afgewezen.
Het verzoek dat de — ondergetekende — raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep d.d. 7 juni 2023 heeft gedaan, is een verzoek tot het horen van een getuige als bedoeld in artikel 315 in samenhang met artikel 328 van het Wetboek van Strafvordering, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Dat geldt ook wanneer het verzoek voorwaardelijk is gedaan en, zoals in dit geval, de daaraan gestelde voorwaarde is vervuld. Het hof heeft nagelaten een beslissing te nemen op het verzoek. Dat verzuim heeft krachtens art. 330 Sv jo. art. 415 Sv nietigheid tot gevolg. Het arrest van het hof dient dan ook te worden vernietigd.
(Deelklacht 1c)
Voor zover de Hoge Raad van oordeel is dat in de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen kennelijk besloten ligt in de afwijzing van het verzoek tot het verrichten van ander onderzoek dan is de afwijzing onvoldoende met redenen omkleed. Daartoe wordt het volgende aangevoerd.
De verdediging heeft in de aanvullende onderzoekswensen uiteengezet waarom zij de beschikking dan wel inzage willen krijgen over/in alle mutaties waarin de informatie m.b.t. het live uitkijken c.q. live luisteren werd vastgesteld en op basis waarvan verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 1] het proces-verbaal ‘live uitluisteren OVC’ en ‘live kijken camerabeelden in de schuur’ hebben opgemaakt. Deze genoemde verbalisanten zijn op zitting gehoord en hebben verklaard dat uit de mutaties niet het exacte tijdstip of de duur van het live meekijken kon worden vastgesteld. Volgens de verdediging zou uit de te overleggen mutaties in ieder geval wel de aanvangstijd van het live meekijken kunnen worden afgeleid hetgeen van belang is voor onderbouwing van het verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod en (onder meer de mogelijke) sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het subsidiair horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] kent eenzelfde belang nu zij betrokken zijn geweest bij het opmaken van bovengenoemde mutaties en derhalve daarover ondervraagd zouden kunnen worden. Dit staat overigens ook in direct verband met de tweede onderzoekswens van de verdediging welke zag op het verstrekken/bieden van inzage in de logbestanden van de mutaties van de politie in Summit waaruit mogelijk wel de duur van het live meekijken nader gespecificeerd zou kunnen worden.
Nu voornoemde onderzoekswensen in direct verband staan met het door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien van de mogelijke schending van het doorlaatverbod en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen zal dit verweer en de verwerping van het hof hier eerst aan bod komen. Gezien de lengte van de pleitnota en het arrest van het hof zal dit enkel beknopt weergegeven worden onder verwijzing naar de in de pleitnota opgenomen citaten.
(Deelklacht 1b)
Ter zitting heeft de verdediging uitgebreid het wetsartikel van art. 126ff Sv toegelicht. De raadsman heeft benadrukt dat ‘wetenschap’ in de zin van het artikel moet worden begrepen als een voldoende mate van zekerheid omtrent zowel de vindplaats als aard van de voorwerpen. De raadsman heeft voorts feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit naar voren komt dat deze wetenschap bij de politie op bepaalde data/tijdstippen bestaan heeft. De raadsman acht het hierbij van belang dat naar voren is gekomen dat het onderzoek pas afgerond zou worden indien er bepaalde (hoge) strafeisen geformuleerd zouden kunnen worden. Dit vindt overigens ook zijn bevestiging in de op de terechtzitting van het hof d.d. 2 juni 2023 afgelegde verklaring van verbalisante [verbalisant 1]. De raadsman heeft er ook op gewezen dat getuige [verbalisant 1] verklaard heeft dat het horen van vuurwapens in het begin bijzonder was maar later niet meer zo en dat er bewust met deelonderzoeken is gewerkt om te voorkomen dat er zou moeten worden ingegrepen. Het door verdachte ondervonden nadeel heeft er in bestaan dat door structureel drugs en wapens door te laten, wetende dat doorlaten in de regel niet binnen het strafproces wordt gesanctioneerd, doorlaten in casu ervoor zorgt dat verdachte de facto de kans wordt ontnomen om structureel onrechtmatig overheidsoptreden in zijn eigen strafzaak aan een onafhankelijke rechter voor te leggen. Dan kan er van equality of arms ex artikel 6 EVRM geen sprake zijn.
Voorts is aangevoerd dat gedurende het proces in hoger beroep er meer en meer zicht is verkregen op dat live meeluisteren en -kijken. En dat terwijl in de eerste aanleg al door de officieren betoogd werd dat dit niet of slechts sporadisch gebeurde en het OM weigerde een lijstje te overleveren van dagen en tijdstippen waarop dit gebeurde onder het mom van ‘tactische keuzes’. Er is volgens de raadsman echter helemaal niet ‘sporadisch’ live meegekeken. Door het O.M. is dan ook niet naar waarheid verklaard. Het gaat volgens de raadsman namelijk om 53 dagen, als het er niet meer zijn geweest.
Dat de verdediging veel moeite heeft moeten doen om voornoemde informatie over het live meekijken/luisteren naar boven te krijgen blijkt ook uit het feit dat reeds in eerste aanleg veel te doen is gewest omtrent het live-uitluisteren. Ter zitting van mei 2021 heeft de verdediging zich aangesloten bij het verzoek tot het laten opmaken van een nader proces-verbaal met betrekking tot het live-uitluisteren. Die zitting is uitgebreid ingegaan op de aan de verdediging beschikbaar gestelde grasduinschijf. Op basis van de inhoud van het kopiëren van de geluidsbestanden op- en naar die schijf heeft de — ondertekende — raadsman van [verdachte] geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dat de bestanden ouder zijn dan 24 uur zoals het OM heeft gesteld.
De verdediging is kritisch op de opgemaakte proces-verbalen nu er in het verleden ook weleens gebleken is dat processen-verbaal bewust onjuist waren opgemaakt. Op de terechtzitting van het hof d.d. 23 maart 2022 heeft het hof de onderzoekswens om nader proces-verbaal over het live uitluisteren/meekijken op te maken toegekend. Tot slot heeft de verdediging — in reactie op de verklaringen van onder meer verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] — zoals hierboven reeds besproken nog nadere onderzoekswensen hieromtrent ingediend.
Het hof heeft het verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod — en alle drie de mogelijk te verbinden rechtsgevolgen in de vorm van niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering-verworpen. Hiertoe heeft het hof (beknopt weergegeven) allereerst overwogen dat in het proces-verbaal ‘live’ meeluisteren is aangegeven dat slechts in drie periodes live is meegeluisterd. In het proces-verbaal ‘live’ meekijken is gerelateerd dat alleen in de derde periode, te weten op 12 en 13 november ('de klapdagen) ook live is meegekeken. Er is gerelateerd dat op 53 dagen ‘live’ is meegekeken maar dat de exacte tijdstippen niet meer te achterhalen zijn. Mede gezien de nuancering van verbalisant [verbalisant 1] in die zin dat de uitkomsten van de door haar gedane vergelijking met als resultaat 53 momenten, niet betekent dat er daadwerkelijk ‘live ’ is meegekeken; voor elk van die dagen geldt dat het mogelijk is dat een mutatie is aangemaakt om beelden te bekijken die eerder die dag zijn opgenomen. Het hof stelt vervolgens vast dat op basis van het voorgaande niet kan worden geconcludeerd dat er daadwerkelijk op 53 momenten ‘live ’ is meegekeken, laat staan dat tegelijkertijd ‘live ’ werd meegeluisterd. Daarenboven heeft het hof overwogen dat de 99,4 kg MDMA wel in beslag genomen is en dat ook de inval op het woonwagenkamp op 7 en 8 november maar tot beperkte inbeslagname van strafbare goederen heeft geleid.
Het hof heeft hierbij overwogen dat het hier om veel verdachten gaat die opereren vanuit een redelijk afgesloten terrein en er aanwijzingen waren dat een aantal van hen somtijds de beschikking had over levensgevaarlijke vuurwapens. Dat uit naderhand afgeluisterde (telefoon)gesprekken of bekeken camerabeelden aanwijzingen of het redelijk vermoeden kon ontstaan dat op enig moment wapens of verdovende middelen aanwezig waren en de verdachten daar kennelijk over konden beschikken, is volgens het hof onvoldoende om te kunnen vaststellen dat er voldoende wetenschap was over de aanwezigheid van de verboden goederen en de vindplaats daarvan om tot inbeslagneming over te kunnen gaan en dat door dat niet te doen onder regie van politie en justitie bewust illegale goederen op de markt zijn gebracht.
Ten overvloede heeft het hof overwogen dat ware het doorlaatverbod geschonden dit naar het oordeel van het hof — onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest d.d. 2 juli 2002 dienaangaande heeft overwogen — de verdachte, van wie geen rechtens te beschermen belang in het geding is, zich niet op de niet naleving of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten kan beroepen voor zijn betoog dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Naar het oordeel van het hof doet het door de verdediging gestelde en omschreven nadeel zich niet voor. De strafbare feiten waar de verdachte van wordt verdacht worden aan een onafhankelijke rechter voorgelegd. Voorts kan de verdediging het verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod in deze concrete zaak ook aan de rechter voorleggen die daar vervolgens een oordeel over velt. Deze procedure is met alle rechtswaarborgen omkleed. In zoverre kan het verweer van de verdediging waarbij wordt verzocht al het bewijs verkregen na 7 juni respectievelijk na 7 augustus 2018 omdat op die data sprake zou zijn geweest van schending van het doorlaatverbod, zonder nadere motivering omtrent een oorzakelijk verband tussen het gestelde vormverzuim en het bewijs verkregen na deze data, dan ook niet slagen, zo overweegt het hof.
Tot slot overweegt het hof dat los van het voorgaande een eventueel vormverzuim in de zin van schending van het doorlaatverbod nooit tot bewijsuitsluiting kan leiden. Schending van het doorlaatverbod zou weliswaar een vormverzuim zijn, maar een vormverzuim waarbij niet het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM (rechtstreeks) aan de orde is, maar een vormverzuim waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In die gevallen geldt volgens de Hoge Raad als belangrijk uitgangspunt dat dit er niet aan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. In het geval van het doorlaatverbod is dat het belang van de integriteit van betrokkenopsporingsinstanties maar met name ook de belangen van de burgers die slachtoffer kunnen worden van de gevaarlijke stoffen waar het bij het verbod op doorlaten om gaat, en andere belangen van de samenleving. Gevaarlijke goederen moeten inbeslaggenomen worden om het risico te vermijden dat burgers ermee worden geconfronteerd. Kortom, het doorlaatverbod ziet volgens het hof niet op bescherming van het belang van de verdachte.
Indien het hof uit zou gaan van de juistheid van de stellingen van de verdediging dat in dit onderzoek op bepaalde momenten niet is overgegaan tot inbeslagname waar dat wel (al) had gemoeten, komt het hof tot de conclusie dat gelet op het voorgaande en afgezet tegen het feit dat in dit geval sprake was van een zeer groot onderzoek naar meerdere verdachten en meerdere strafbare feiten, de ernst van de normschending niet zodanig was dit zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting Ook strafvermindering kan niet aan de orde zijn, nu de Hoge Raad daarover heeft overwogen dat voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Van een concreet nadeel van de verdachte is in deze strafzaak niet gebleken. Het hof verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020.
Het oordeel van het hof dat er (beknopt weergegeven) geen sprake is geweest van schending van het doorlaatverbod omdat op basis van de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] niet kan worden geconcludeerd dat er daadwerkelijk op 53 momenten ‘live’ is meegekeken en derhalve niet kan worden gezegd dat er sprake was voldoende wetenschap bij de verbalisanten om het doorlaatverbod van toepassing te laten zijn is — mede in het licht hetgeen de verdediging hieromtrent heeft aangevoerd — onbegrijpelijk nu uit het feit dat niet van elke mutatie gesteld kan worden dat er ‘live’ is meegekeken nog niet met zich meebrengt dat dit niet op (een groot) deel van die mutatiemomenten wel gebeurd is.
Het voorgaande klemt temeer nu verbalisant [verbalisant 1] zelf verklaard heeft dat er vaker live is meegeluisterd dan alleen in de actieperiode; dat er zo structureel wapengeluid gehoord werd dat het niet eens meer dagelijks gemeld werd; er meer dan eens over het doorlaatverbod gesproken is en dat het doorlaatverbod met zich meebrengt dat je zeker moet weten dat de (verboden) voorwerpen er op dat moment liggen.
Nu laatstgenoemde opvatting van het ‘weten’ ex. Art. 126ff Sv een strengere maatstaf behelst dan de door het hof terecht als maatstaf benoemde ‘voldoende mate van zekerheid’ heeft de politie (en justitie) het doorlaatverbod onterecht niet van toepassing geacht. Hier doet niet aan af dat er op het moment van de inval van 7 en 8 november 2018 weinig tot geen illegale voorwerpen gevonden zijn nu dit geenszins betekent dat er geen andere momenten geweest zijn waar er voldoende zekerheid omtrent de aanwezigheid en locatie van zulke voorwerpen is geweest en voorts de aanwezigheid van een klein aantal illegale/schadelijke voorwerpen ook reeds voldoende had kunnen/moeten zijn om het doorlaatverbod te ‘activeren’.
Ten aanzien van de (ten overvloede gedane) overwegingen van het hof m.b.t. het — mocht het bestaan van een schending van het doorlaatverbod worden aangenomen of vastgesteld — geen rechtsgevolgen aan deze schending behoeft te worden verbonden geldt het volgende.
Het oordeel van het hof — dat schending van het doorlaatverbod nimmer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan luiden van een onjuiste rechtsopvatting, althans is ontoereikend gemotiveerd nu er wel degelijk niet-ontvankelijkheid kan worden verbonden aan schendingen die het eerlijk proces van de verdachte niet onomkeerbaar aantasten. Zo heeft de HR in diens overzichtsarrest van 1 december 2020 overwogen/geoordeeld dat niet-ontvankelijkheid op zijn plaats kan zijn in het geval waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt.
Daarenboven is het oordeel van het hof dat bewijsuitsluiting niet aan de orde zou kunnen zijn ook onjuist, althans onbegrijpelijk nu uit de rechtspraak van de HR zelf juist naar voren komt dat de categorie van vormverzuimen waar bewijsuitsluiting aan kan worden verbonden niet (enkel) is gereserveerd voor gevallen waarin een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte is gemaakt maar dat op de toepasbaarheid van de Schutznorm ook uitzonderingen mogelijk zijn.
Juist in het licht van de hedendaagse maatschappelijke beroering rondom drugs- en wapengeweld en de weerslag welke deze heeft gehad op het functioneren van de democratische rechtsstaat in het algemeen en dat van de togaberoepen in het bijzonder is het van het grootste belang dat politie en justitie geen (noch actieve noch passieve) rol spelen in het faciliteren van drugs- en wapenhandel op grote schaal. Juist deze maatschappelijke beroering vraagt om een opsporingsapparaat en Openbaar Ministerie dat volgens de aan hen gestelde regels opereert en een strafrechter wie strikt toezicht hierop uitoefent. Dit nu het juist dit soort uitzonderlijke maatschappelijke omstandigheden zijn welke politie en Openbaar Ministerie zouden kunnen verleiden om de grenzen van hun bevoegdheden op te sporen om de criminelen te vangen wiens gedragingen onze rechtsstraat ondermijnen. Dit zou echter het tegenovergestelde effect hebben nu onze rechtsstaat juist bestaat bij de gratie van een zuiver en integer strafproces. Dit verklaart ook de evidente (luidkeelse) roep (of beter gezegd: schreeuw) vanuit de literatuur om het vergroten van de rol en vrijheid van de strafrechter in het toezichtskader van artikel 359a-Sv. Het is derhalve niet alleen de verdachte wie van een schending van het vertrouwen in de procedure nadeel ondervindt, maar hiermee wordt ook in meer algemene zin het vertrouwen van de strafrechter in de politie en het openbaar ministerie en het vertrouwen in de strafrechtspleging geschaad. Een dergelijke ontwikkeling doet afbreuk aan de efficiëntie van de rechtshandhaving en aan overwegingen van rechtsstatelijkheid, perspectieven die nu juist mede ten grondslag lijken te liggen aan de huidige lijn van rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van bewijsuitsluiting in het kader van art. 359a Sv.
Tot slot is voorts het oordeel van het hof, dat strafvermindering niet op zijn plaats zou zijn nu niet gebleken is van enig nadeel voor de verdachte, onjuist nu strafvermindering ook (mede) op zijn plaats kan zijn ten behoeve van preventie of bewaking van de integriteit en geloofwaardigheid van het onderhavige strafproces. Het voorgaande klemt temeer nu de HR zelf in het overzichtsarrest van 1 december 2020 heeft overwogen dat strafvermindering ook op zijn plek kan zijn in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. Gezien het overzicht van de door verdediging betrachte moeite om het proces van ‘live’ meekijken’/afluisteren boven water te krijgen is het oordeel van het hof dat er geen sprake is geweest van nadeel aan de kant van de verdachte en dat derhalve geen strafvermindering zou kunnen volgen onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd.
Deelklacht 1c
Indien volgens de Hoge Raad in het oordeel van het hof kennelijk besloten ligt dat het voorwaardelijke getuigenverzoek om verbalisanten [getuige 1] en [getuige 2] te horen niet noodzakelijk is nu dit geen toegevoegde waarde heeft en/of omdat het hof het verzoek slechts zou kunnen worden afwijzen nu het verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod enkel kan worden verworpen dan wel zonder rechtsgevolg gelaten kan worden is dat oordeel van het hof echter onjuist althans ontoereikend gemotiveerd gelet op hetgeen onder deelklacht 1b is aangevoerd. De getuigenverklaringen hadden immers bij kunnen dragen aan het vaststellen van een mogelijke schending van het doorlaatverbod dan wel het onjuist of misleidend informeren van de rechter hetgeen tot de rechtsgevolgen strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie had kunnen leiden. Gelet hierop kan niet of in ieder geval niet zonder meer gezegd worden dat de noodzaak van het horen van deze getuigen niet gebleken is.
Het arrest van het hof kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is in hoger beroep (beknopt weergegeven) (het medeplegen van) de invoer en voorbereiding van twee partijen cocaïne; het (medeplegen van) voorhanden/vervoeren van een partij MDMA; (medeplegen van) bereiden/bewerken van cocaïne; (medeplegen van) witwassen van 700 duizend euro en een woning aan de [a-straat 1] te [a-plaats]; het (medeplegen) van het verhandelen en voorhanden hebben van vuurwapens alsmede het als leider deelnemen aan een criminele organisatie met de oogmerk tot het plegen van misdrijven, meer in het bijzonder misdrijven bedoeld in de zin van artikel 10, lid 3 t/m 5 en art. 10a van de Opiumwet.
1.2
In het schrijven d.d. 6 juni 2023 heeft de — ondergetekende — raadsman van [verdachte] onderzoekswensen ingediend. De onderzoekswensen luidden — voor zover zij zien op een mogelijke schending van het doorlaatverbod — als volgt:
‘((…)
In de hierboven kort aangeduide zaken vragen wij gaarne uw aandacht voor het volgende.
I. Inleidende overwegingen
- 1.
Project Noord kenmerkt zich onder meer door een uitzonderlijk langdurige en intensieve inzet van BOB-middelen, waaronder de inzet van OVC en video-observatie. De inzet hiervan is in eerste aanleg verschillende aan bod gekomen, waarbij door de verdediging ook onderzoekswensen zijn geformuleerd. Kort en goed zijn de alstoen geformuleerde onderzoekswensen gedaan ter nadere adstructie van een te voeren verweer op schending van het bepaalde in artikel 126ff Sv.
- 2.
In hoger beroep is bij appelschriftuur d.d. 4 oktober 2021 verzocht tot het horen van — kort gezegd -‘de teamleiders’. Het belang om hen te horen is — zoals gemotiveerd in de appelschriftuur — in ieder geval gelegen in een tweetal punten. Dit betreft enerzijds controle op de rechtmatigheid van de start van het onderzoek en anderzijds het kunnen doen van nadere vaststellingen omtrent het live meeluisteren (OVC) en live meekijken (camerabeelden), de afwegingen die hieromtrent gemaakt zijn alsook de afwegingen die (vervolgens) gemaakt zijn ter zake de invulling van artikel 126ff Sv, oftewel waarom er niet (eerder) is overgegaan tot inbeslagneming.
- 3.
Uw Hof heeft bij beslissing d.d. 27 januari 2022 respectievelijk 13 maart 2022 het verzoek tot het horen van de teamleiders toegewezen. Uw Hof heeft daarbij uitdrukkelijk overwogen ervan uit te gaan dat de achtergrond en redenen tot het doen formuleren van de onderzoekswensen dienen ter nadere onderbouwing van de 359a Sv- verweren die zijn besproken in het vonnis onder de kopjes ‘ … Bespreking start onderzoeken’, II. Bespreking OVCgesprekken, onbevoegde BOA en alternatieve lezing’ en ‘III. Bespreking doorlaatverbod’.
- 4.
Op 27 juni 2022 werd door uw Hof tevens bepaald dat een aanvullend proces-verbaal moet worden opgemaakt waarin staat op welke momenten en op basis van welke informatie van hoger hand is doorgegeven dat ‘live’ meegeluisterd moest gaan worden. Uw Hof heeft verder op 13 maart 2023 bepaald dat nader proces-verbaal zal worden opgemaakt omtrent het live meekijken middels de door de politie in het zogenoemde kantoortje geïnstalleerde camera's. Op 24 november 2022 respectievelijk 25 april 2023 werden die aanvullende processen verbaal opgemaakt en verstrekt.
II. Het kader
- 5.
De verdediging moet in het strafproces minst genomen de gelegenheid krijgen om zelfstandig onderzoek te kunnen doen naar de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van het belastende bewijsmateriaal en de totstandkoming daarvan, zulks teneinde verweren die daarop betrekking hebben nader te kunnen onderbouwen. Dit betreft een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces, in het bijzonder het onderdeel van de equality of arms. Dat de onrechtmatigheid niet (op voorhand) aannemelijk is (geworden), doet daar niets aan af. Dat zou de verdediging namelijk in bewijsnood brengen voor iets waarvoor de ‘wederpartij’ verantwoordelijk is (als sprake blijkt te zijn van een vormverzuim). Dit zou kortom op een cirkelredenering neerkomen. Bovendien is het een criterium dat de Hoge Raad niet (meer) gebruikt.’
- 6.
Aanleiding tot nader onderzoek door betrokken procespartijen, door minst genomen kennis te kunnen nemen van alle (juridisch) relevante documenten (zoals BOB-stukken), bestaat in elk geval indien überhaupt niets (voldoende) bekend is over (de rechtmatigheid van) een ingezet digitaal opsporingsmiddel/dwangmiddel.
- 7.
Het vorenstaande betekent voor de verdediging echter geen ongeclausuleerd recht om altijd alles te mogen onderzoeken. Equality of arms brengt in beginsel met zich mee dat van de verdediging mag worden verlangd dat zij een begin van aannemelijkheid geeft van een potentiële onrechtmatigheid en tot welk rechtsgevolg dit zou kunnen leiden (en daarbij de trap van art. 359a Sv langs te lopen). Onder verwijzing naar de eerdere beslissingen van Uw Hof en de overwegingen die Uw Hof gaf in het kader van het voortbouwend appel, meen ik dat die drempels reeds zijn genomen. De hieronder opgenomen onderzoekswensen dient u derhalve te beschouwen als zijnde aanvullend op de toegewezen onderzoekswensen van het horen van de teamleiders en de opmaak van de door uw Hof gelaste nadere processen-verbaal.
- 8.
De vraag is dan of uit de getuigenverhoren en de aanvullende stukken voldoende bekend is geworden over de (on)rechtmatigheid van de ingezette middelen. Op 12 mei, 30 mei en 2 juni jl. zijn de tactische coördinatoren en onderzoeksleiders ter terechtzitting gehoord. De resultaten van die getuigenverhoren nopen ons inziens tot het verrichten van nader onderzoek. III. Een (nader) begin van aannemelijkheid
- 9.
Zoals hiervoor te kennen gegeven meen ik dat de drempel van ‘begin van aannemelijkheid’ reeds werd genomen door Uw Hof in uw eerdere beslissingen. Voor de volledigheid merk ik het volgende op.
- 10.
Op 8 november 2018 is onderzoek Abuja gestart met als doel onderzoek te doen naar de aanwezigheid van vedomi en vuurwapens in de schuur aan de [b-straat 1] in [b-plaats]. De startinformatie is afkomstig uit Garborone. Via een afschermpv werd op 6 november 2018 de volgende info gedeeld: ‘In de schuur achter de woning [b-straat 1] te [b-plaats] komen regelmatig criminelen bij elkaar voor hel maken van afspraken over de handel en productie van verdovende middelen Mogelijk worden in de schuur ook verdovende middelen verwerkt ofopgeslagen. Tevens zi/n in de schuur regelmatig vuurwapens; aanwezig.’
- 11.
Op 6 november 2018 wist men dus al dat er regelmatig vuurwapens in de schuur aanwezig waren. Op dat moment bestond kennelijk ook de behoefte en/of noodzaak om die informatie te verstrekken middels een afschermpv. Dat die informatie eerder al bekend was bij het onderzoeksteam blijkt ook genoegzaam uit het BOB-dossier:
‘Verlengingsaanvraag 7 juni 2018 (p. 229 e.v. BOB Garborone):
‘Dit betreft een proces-verbaal verlenging bevelen opnemen van vertrouwelijke communicatie. Er zijn geluidsbestanden aangeleverd tot en met 4 juni 2018. M.b.t.
drugs: mede doordat de tot op heden beluisterde gesprekken o.a. over drugs lijken te gaan begint er een beeld te ontstaan omtrent mogelijke criminele activiteiten. Het vermoeden bestaat dat er sprake is van import van verdovende middelen die in containers zitten. Daarbij zijn naast verdachte [verdachte] ook een NN-man betrokken met waarschijnlijk de Belgische nationaliteit en een Engels sprekende NN-man. Bovendien is er sprake van gebruik van vuurwapens in de schuur en wordt er ook gesproken over vuurwapens. Worden OVC's van 30 mei 2018 in deze verlengingsaanvraag genoemd waarin er over dempers wordt gesproken en waarop mogelijk het geluid van het doorladen van een vuurwapen te horen is. Andere OVC's 30 mei 2018 waarop (vermoedelijk) een schot te horen is en het woord ‘kogel’ valt. Ook hoor je doorladen van een wapen. Zie p. 246 BOB Garborone. Ook 31 mei 2018 over wapens gesproken. Op 4 juni 2018 schot te horen volgens uitwerking OVC die in de aanvraag is opgenomen, p. 250 BOB Garborone. NB dat is 3 dagen voordat de verlengingsaanvraag gedaan wordt.’’
- 12.
Dit zijn slechts enkele van de vele voorbeelden die volgen uit het BOB-dossier. De vorenstaande informatie tegen de achtergrond van hetgeen werd verklaard ter terechtzitting door de tactisch coördinatoren en teamleiders, geeft een nader begin van aannemelijkheid dat het doorlaatverbod werd geschonden. Dat de teamleiders ook hebben verklaard dat de informatie in de visie van de recherche niet ‘recent genoeg was’ zodat tot ingrijpen geen noodzaak bestond, is ten behoeve van de onderhavige onderzoekswensen niet zo zeer relevant. Een dergelijk oordeel is immers voorgehouden aan Uw Hof bij arrest, waarop niet vooruitgelopen kan en mag worden.
IV. De aanvullende verzoeken
Gelet op het vorenstaande heeft de verdediging de navolgende verzoeken:
- 1.
Verstrekken c.q. ter inzage aanbieden van alle mutaties waarin de informatie m.b.t het live uitkijken c.q. live luisteren werd vastgesteld en op basis waarvan verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het procesverbaal ‘live uitluisteren OVC’ en ‘live kijken camerabeelden in de schuur’ hebben opgemaakt;
- II.
Verstrekken c.q. ter inzage aanbieden van de logbestanden van de mutaties voonoemd;
- III.
Verstrekken c.q. ter inzage aanbieden van de notulen / gespreksaantekeningen / besluitenlijsten van het VKL alsook de e-mails die vanuit de tactisch coördinatoren zijn gezonden aan het Openbaar Ministerie met daarin de meldingen dat de OVC-luisteraars hadden geconstateerd dat zij iets hadden gehoord dat zou duiden op het plegen van een strafbaar feit;
- IV.
Het horen van officier van justitie mr. [officier van justitie];
- V.
Verstrekken c.q. ter inzage aanbieden van het onderzoek Debussy dan wel — minst genomen — het BOBdossier van onderzoek Debussy, waaronder begrepen het verzoek en de machtigingen tot OVC in de woning aan de [c-straat 1] te [c-plaats] en de machtiging tot OVC in de schuur aan de [b-straat 1] en eventuele verleningen daarvan;
- VI.
Verstrekken adviezen van de Centrale Toetsingscommissie m.b.t. het uitluisteren van de woning aan de [b-straat];
V. Bespreking van de verzoeken
Ad I.A -Verstrekken c.q. ter inzage aanbieden van alle mutaties waarin de informatie m.b.t. het jive pitkijken c.q. live luisteren werd vastqesteld en op basis waarvan verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het procesverbaal ‘live uitluisteren OVC’ en ‘live kijken camerabeelden in de schuur’ hebben opgemaakt;
- 13.
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de processen-verbaal omtrent het live uitkijken en live uitluisteren opgemaakt. Ter terechtzitting zijn zij omtrent deze processen-verbaal bevraagd. Gebleken is dat de in die processenverbaal opgenomen informatie minst genomen moest worden genuanceerd. In grote lijnen hebben zij als volgt verklaard. De mutatie is bekeken en als de informatie in de mutatie overeenkomst met de datum van het aanmaken, dan is er live gekeken. Aan de hand van die aanmaakdatum kon echter het exacte tijdstip of de duur van het live kijken niet worden vastgesteld. Het kan bovendien goed mogelijk zijn dat later in diezelfde kaart informatie is bijgevoegd die niet live is bekeken.
- 14.
Uit de verhoren volgt in ieder geval dat doorgaans tussen 09:00 uur en 17:00 uur werd gewerkt. De nuancering van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter terechtzitting zijn op hun plaats, echter merk ik op dat uit de mutaties in ieder geval de aanvangstijd van het live kijken kan worden opgemaakt. Dat zal namelijk het eerste moment zijn dat is genoemd in de mutatie. 15. Het verstrekken ter inzage van de mutaties is in het belang van de verdediging ter nadere onderbouwing van de schending van het doorlaatverbod, welke schending potentieel de niet-ontvankelijkheid van het OM tot gevolg kan hebben.
Ad 1 B — Subsidiair het horen van [getuige 1] en [getuige 2];
- 16.
Voor zover Uw Hof komt tot afwijzing van de verzoeken tot het verstrekken van de notulen, mutaties en/of logbestanden van de mutaties verzoek ik tot het horen van getuige [getuige 1] en [getuige 2]. Getuige [getuige 1] en [getuige 2] zijn bij het opmaken van de mutaties betrokken.
Ad II.-Verstrekken c.q. ter inzage aanbieden van de logbestanden van de mutaties voornoemd;
- 17.
In het verlengde van het verzoek onder I, het verstrekken c.q. het ter inzage aanbieden van de mutaties, verzoek ik Uw Hof tot het verstrekken van de logbestanden van die mutaties. De mutaties werden verwerkt in Summit. Ik ga ervan uit dat de mutaties die werken aangemaakt een aanmaakdatum hebben gekregen. Het is immers op basis van die aanmaakdatum dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] overwegen dat live is gekeken c.q. geluisterd. Het OS Windows logt niet enkel de aanmaakdatum, het logt ook de datum waarop het bestand is gewijzigd. Zie als voorbeeld de ‘logbestanden’ van het vonnis uit eerste aanleg zoals dat in de systemen van ondergetekende is opgeslagen:
- 18.
Uiteraard hebben de verbalisanten in een ander OS gewerkt dan Windows, namelijk Summit. Dat werd gewerkt in Summit en/of Word volgt overigens uit de interne werkinstructie die op de externe harde schijf (‘de grasduin stukken’) werd aangetroffen door de verdediging (bijlage). Het werken in Summit is niet bepaald een geheim meer.
- 19.
Naar ik aanneem werd in het OS waarin de verbalisanten hebben gewerkt dergelijke informatie gelogd. Die informatie waarop een bestand is gewijzigd is relevant nu [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben genuanceerd dat aan de hand van de in de mutatie opgenomen tijdstippen niet met 100% kan worden vastgesteld dat deze later niet zijn aangevuld. De getuigen hebben echter ook verklaard dat voornamelijk tussen 09:00 uur en 17:00 uur werd gewerkt of in ieder geval amper tot niet in de nacht. Als de ‘laatst gewijzigd’ datum samenvalt met de datum waarop de mutatie is aangemaakt dan kan met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gezegd dat- de uren tussen 09:00 uur en 17:00 uur — live zijn bekeken.
- 20.
Op 16 februari 2021 heeft de Hoge Raad arrest gewezen m.b.t het voegen van processtukken.2 De Hoge Raad overwoog dat de maatstaf bij beoordeling van verzoeken tot voeging is o.g.v. art. 315.1 Sv jo. art. 415 Sv of noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij het nemen van zijn beslissing hierover dient rechter in aanmerking te nemen dat o.g.v. art. 149a.2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Dat betekent dat is dus niet primair de aard van het stuk maar de relevantie daarvan bepalend is.
- 21.
De advocaat-generaal verwijst in zijn conclusies bij voornoemd arrest ook op de wetsgeschiedenis4 van art. 149a SV: ‘Voor de selectie van de stukken ter voeging in het dossier kan worden aangesloten bij de vaste rechtspraak op dit punt (zie bijvoorbeeld HR 20juni 2000, NJ 2000, 502 en HR 4januari 2000, NJ 2000, 537 m.nt. Sch). Dal betekent dat de relevantie voor de desbetreffende strafzaak doorslaggevend is voor de selectie van de stukken. Hel gaat daarbij niet alleen om belastende of ontlastende stukken in het kader van het bewijs van het ten laste gelegde feit, maar ook bijvoorbeeld om stukken die van belang kunnen zijn voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, de controle op de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek of de straftoemeting’ 22. Het verstrekken ter inzage van de logbestanden van de mutaties is in het belang van de verdediging en noodzakelijk ter nadere onderbouwing van de schending van het doorlaatverbod, welke schending potentieel de niet-ontvankelijkheid van het OM tot gevolg kan hebben. De stukken zijn derhalve relevant voor enig door Uw Hof’ te nemen beslissing. Dat het interne stukken zou betreffen staat daar niet aan in de weg.
Ad II- Verstrekken c.q. ter inzage aanbieden van de notulen / gespreksaantekeningen / besluitenlijsten van het VKJL alsook de e-mails die vanuit de tactisch coördinatoren zijn gezonden aan het Openbaar Ministerie met daarin de meldingen dat de OVC-luisteraars hadden geconstateerd dat zij iets hadden gehoord dat zou duiden pp het plegen van een strafbaar feit
- 23.
Uit de verhoren is gebleken dat sprake is geweest van een overlegstructuur. [betrokkene 1] spreekt over meerdere briefings op één dag. Allereerst werd overleg gevoerd met de uitluisteraars over hetgeen zij. naar alle waarschijnlijkheid de dag ervoor, hebben gehoord. De resultaten daarvan werden meegenomen naar het VKL-OM overleg. Dat overleg vond dagelijks tot wekelijks plaats. Het kon voorkomen dat tijdens of na het VKL-OM overleg beelden werden getoond en/of bekeken door het Openbaar Ministerie. Een en ander om te bespreken wat de stand van zaken was. Bij die besprekingen is ook het doorlaatverbod ter sprake gekomen. Daar is kennelijk ook op specifieke momenten besproken of op dal moment al ingegrepen moest worden.
- 24.
Naast het VKL-OM overleg was sprake van telefonisch contact en e-mails van de leiding en of de tactisch coördinatoren aan het Openbaar Ministerie. In die e-mails werd melding gedaan van hetgeen de uitluisteraars op dat moment hebben gezien, namelijk wapens en verdovende middelen.
- 25.
Het is noodzakelijk om die ‘notulen’ en e-mails te doen verstrekken ter nadere onderbouwing van het standpunt dat het doorlaatverbod (mogelijk) werd geschonden. De in houd van die mutaties is relevant voor enig door Uw Hof te nemen beslissing in het kader van de vragen van art. 348 jo 350 Sv. Voor zover het Openbaar Ministerie zich op het standpunt zou stellen dat sprake is van interne stukken die per definitie niet aan het dossier zullen worden toegevoegd verwijs ik naar de uitspraak van de Hoge Raad.
Ad IV — het horen van mr. [officier van justitie]
- 26.
Tijdens de verhoren is gebleken dat mr. [officier van justitie] zich kennelijk in hoger beroep nog altijd actief bezig heeft gehouden met het onderzoek. Zij heeft immers in ieder geval contact gehad met [getuige 3] over het al dan niet fysiek als getuige verschijnen. Zij heeft kennelijk aan [getuige 3] medegedeeld dat het niet noodzakelijk is om in persoon te verschijnen.
- 27.
De verdediging wenst mr. [officier van justitie] als getuige te doen horen omtrent hetgeen werd besproken tijdens de VKLOM besprekingen. Is het doorlaatverbod ter sprake gekomen en zo ja, hoe vaak? De verdediging wenst haar te confronteren met hetgeen de getuigen hebben verklaard omtrent het gegeven dat het doorlaatverbod ter sprake is gekomen. Tevens dient de getuige te worden geconfronteerd met het gegeven dat tijdens en/of na afloop beelden ter beschikking werden gesteld aan het Openbaar Ministerie zodat zij zelf een beeld konden vormen van hetgeen zich zou hebben afgespeeld in de schuur. Hoe vaak is dat gebeurd? Waarom werd niet eerder ingegrepen? Als het ingrijpen niet mogelijk was omdat ‘24 uur later’ na het uitluisteren niet duidelijk was of het vuurwapen er nog was, waarom is dan niet ingezet op live luisteren en/of live kijken terwijl die mogelijkheid bestond? Waarom treeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen om niet in te grijpen bij het 1500 kg dossier omdat er ‘nog niet genoeg bewijs was tegen iedereen’?
- 28.
De verdediging beseft dat het de hoofdregel is dat de officier van justitie ten overstaan van de rechtbank verantwoording aflegt over het opsporingsonderzoek en dat van dat uitgangspunt slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden en bij dringende noodzaak kan worden afgeweken.
- 29.
Feit is dat mr. Sta en mr. Verheijen geen onderzoeksleiders zijn geweest, zodat zij ter terechtzitting niet (volledige) verantwoording kan geven over de keuzes die werden gemaakt. Dat is althans een gegeven waar de verdediging nu vanuit gaat, ondanks het gegeven dat [betrokkene 3] al contact had om een AG aan de zaak te koppelen.
- 30.
Dat de hoofdregel is om Officieren van Justitie niet zonder meer als getuige te doen toewijzen, betekent niet dat verzoeken daarmee automatisch en categorisch dienen te worden afgewezen. In onderzoek 26Del Rio heeft de rechtbank Oost-Brabant het horen van de zaaksofficieren van 26Lemont toegewezen. Zij overwoog dat in het licht van een eerlijk proces de verdediging de gelegenheid moet worden geboden om meer directe controle uit te oefenen, nu zij anders zijn aangewezen op onder nummer opgemaakte processen-verbaal. In de onderhavige zaak is de verdediging aangewezen op processen-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waarvan tijdens de horen is gebleken dat de inhoud daarvan sterk moet worden genuanceerd. Het horen van de officier als getuige ziet bovendien op essentiële punten, namelijk de (on)rechtmatige start van het onderzoek en schending van het doorlaatverbod.
(…)Afsluitende opmerkingen
Ik merk tot slot nog het volgende op. Bij Uw Hof zal ongetwijfeld de gedachte ontstaan dat het proces al geruime tijd loopt en dat elke verdachte daar inmiddels een punt achter wenst te zetten. Het verrichten van nader onderzoek zal in zijn algemeenheid niet in positieve zin bijdragen aan een afdoening van de zaak op korte termijn. Dat mag m.i. echter geen argument zijn om te komen tot afwijzing van de verzoeken. Eventuele onderzoekswensen konden simpelweg niet eerder kenbaar worden gemaakt dan na het verhoren van de verbalisanten. In dat kader merk ik ook op dat de redelijke termijn loopt tot september 2023, zodat die ook nog niet in beeld is. De verdediging is bereid om de onderhavige onderzoekswensen nader te adstrueren ter terechtzitting. De eerst volgende zitting in de zaak van cliënt zal plaatsvinden op 7 juni 2023 a.s. zodat het voorstel van de verdediging is om de onderhavige verzoeken dan te bespreken.’
1.3
Ter terechtzitting van het hof d.d. 22 juni 2023 heeft de raadsman, mr. V. Poelmeijer volgens zijn overlegde pleitnota het woord gevoerd en daarin (ten aanzien van de schending van het doorlaatverbod) onder meer het navolgende aangevoerd:
‘(…)
Kijkend naar de wetsgeschiedenis en jurisprudentie: kan een verdachte zich beroepen op artikel 126ff Sv?
- 7.
Om het overzicht te behouden put ik eerst uit de Wetsgeschiedenis en vervolgens uit de jurisprudentie.
Wetsgeschiedenis
- 8.
In het vonnis wordt een overweging gewijd aan de wetsgeschiedenis, citaat:
‘(…) Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in ‘dit geval kan worden vastgesteld dat het rechtsbelang dat naast de integriteit van de opsporing primair door het onderhavige verbod wordt gediend, dat van de slachtoffers van gevaarlijke stoffen is. Drugs kunnen (moeten) worden inbeslaggenomen en onttrokken aan het verkeer omdat zij een risico voor de volksgezondheid zijn. Dat maakt het minder aannemelijke dat handelen in strijd met het verbod op doorlaten tot bewijsuitsluiting leidt. Het valt de samenleving moeilijk uit te leggen waarom schending van een regel die in het belang van de volksgezondheid is opgesteld, degene vrijpleit die van een grove schending van dat belang verdacht wordt. De sanctie op schending van het verbod op doorlaten zal voor het overige, gelet op het voorgaande, vooral binnen het openbaar ministerie gerealiseerd moeten worden.’ (Kamerstukken II 1997–1998, 25403, nr. 7 (Nota naar aanleiding van het verslag)) (…).’
- 9.
Voorzitter, leden van het Hof, anders dan de Rechtbank leest of interpreteert, volgt uit dit stukje wetsgeschiedenis dat de wetgever de deur juist niet heeft willen sluiten voor een beroep van de verdachte op schending van het verbod. ‘Minder aannemelijk’ is namelijk toch echt wat anders dan ‘niet aannemelijk’. ‘Moeilijk uit te leggen’ is ook totaal wat anders dan ‘niet uit te leggen’. En ook gebruik van het woord ‘vooral’ laat zien dat juist niet is uitgesloten dat de sanctie op schending van het verbod ook op andere wijze gerealiseerd kan worden. Tot slot geldt dat dit stukje wetsgeschiedenis zich enkel uitstrekt over het doorlaten van verdovende middelen, terwijl het -zoals u weet- in project Noord gaat over het doorlaten van verdovende middelen én, in een en dezelfde laconieke moeite door, het doorlaten van vuurwapens.
- 10.
Naast dat uit dit stukje wetsgeschiedenis dus bepaald niet volgt dat het ‘verweer slechts kan worden verworpen’, doet het ook geen recht aan de gehele parlementaire discussie die heeft plaatsgehad. De voorgeschiedenis van het artikel is eenieder bekend, ik hoef daarover niet hoef uit te wijden. Het artikel is een reactie op het IRT-drama uit de jaren ’90. Belangrijk is dat het werd geïntroduceerd bij amendement. De regering zag namelijk geen reden voor regeling bij formele wet, omdat schending ‘vaak’ niet tot enige reactie jegens de verdachte zal leiden doordat niet voldaan zal zijn aan de eis van relativiteit (Kamerstukken II, 1997/98, 25 403, nr. 7, p 16 (T&C artikel 126ff Sv)). De Kamer vond het onderwerp echter te politiek gevoelig en wenste een regeling bij formele wet.
- 11.
Hieruit volgt aldus dat het opnemen van het verbod onder meer is ingegeven door de wens van de Kamer om de rechter erop toe te laten zien. Ook Buruma beschrijft dit in één van zijn noten (NJ 2022, 602, punt 4 van noot). Aan de hand van de wetsgeschiedenis beschrijft hij dat het de Commissie Van Traa niet zozeer te doen was om de veiligheid en volksgezondheid, maar meer om de normering en integriteit van de opsporing. Buruma beschrijft, aldus aan de hand van de wetsgeschiedenis, onder meer het volgende:
‘(…) De doorlatingsmethode was het meest spraakmakende onderwerp tijdens de behandeling van het eindrapport van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (cie. Van Traa). Als gevolg daarvan zijn volgens Van Traa ongeveer 100 ton soft drugs en 100 kilo cocaïne op de markt terecht gekomen (TK 1995-96, 24 072, 10–11, p. 161; zie ook TK 2000–2001, 26 269, nr. 32). ‘De methode blijkt nauwelijks te sturen en te controleren. Informanten kregen er een te grote invloed door op het functioneren van politie en justitie. (…) Het doel van criminaliteitsbestrijding wordt voorbijgeschoten indien grote partijen soft drugs worden doorgelaten om te trachten organisaties in beeld te brengen’ (TK 1995-96, 24 072, nr. 10–11, p. 420). Omdat de geloofwaardigheid en effectiviteit van de politie en justitie daarmee op het spel staan en in aanmerking genomen dat in de ons omringende landen doorlating officieel niet toelaatbaar wordt geacht, beval de PEC aan geen doorlating toe te staan met uitzondering van de enkele proefzending van kleine hoeveelheden soft drugs. Het ging Van Traa dus niet om de later in de discussie gebrachte veiligheid en volksgezondheid. De cie. Van Traa schreef: ‘De verschillende machten in de staat dienen hun verantwoordelijkheid te nemen. De wetgever dient het gebruik en de organisatie van de opsporingsmethoden te normeren. , De uitvoerende macht dient op te sporen en te vervolgen volgens de normen van de wetgever. De rechterlijke macht dient de toepassing van het gebruik van de methoden aan deze normen te toetsen.’ (TK 1995-96, 24 072, nrs 10–11, p. 415). Overigens ging ook de betrokken minister toen uit van toetsing door de rechter van de rechtmatigheid van het doorlaten van illegale goederen (TK 1995-96, 24 072, 36, p. 10). Met de in r.o. 3.2.2 genoemde motie Kalsbeek geeft de Kamer gevolg aan de opvattingen van Van Traa. De regering zag in die motie echter geen aanleiding tot regeling van het verbod op doorlaten bij wet. (…) De Kamer weigerde zich neer te leggen bij de opstelling van de minister. Bij amendement Kalsbeek c.s. (TK 1997-98, 25403, nr. 27) kwam art. 126 ff Sv in de wet; het amendement was ingediend door Kamerleden van de PvdA, D'66, VVD en CDA. Een veronderstelling was -zo herinner ik me- dat door opneming in de wet een rechterlijke check zou worden mogelijk gemaakt op het OM dat voor een eventuele doorlating verantwoordelijk is en dat niet gelijktijdig als ‘wetgever, uitvoerder en rechter’ ter zake moet hebben te functioneren gezien de grote belangen van integriteit, geloofwaardigheid en effectiviteit die op het spel staan. Bij de behandeling in de Eerste Kamer van art. 126ff Sv zei de minister: ‘Ik heb goede hoop dat de gevonden formulering zal voldoen, zodat het verbod op doorlaten in de rechtspraktijk adequaat zal worden ingevuld en nageleefd. Daarbij is van belang dat voor de uitleg van de wet niet alleen de tekst maar ook de ratio van een verbod (…) een rol speelt’ (EK 1998-99, 25 403 en 23 251, nr. 119b, p. 3–4). Toegegeven: ook wat het OM intern doet is rechtspraktijk, maar de burger zal toch hierin een bevestiging zien dat de rechter bij die invulling een rol heeft.’
Uit deze adequate beschrijving van de wetsgeschiedenis kan bezwaarlijk anders worden opgemaakt dat:
- 1)
het juist de bedoeling van de wetgever is geweest dat er een rechterlijke toets plaatsvindt van een eventuele schending van het doorlaatverbod;
- 2)
daarbij naast het belang van bescherming van de volksgezondheid ook de (grote) belangen van integriteit, geloofwaardigheid en effectiviteit van de opsporing centraal staan; en,
- 3)
bij de invulling en naleving van het verbod niet alleen gekeken moet worden naar de formulering uit het artikel, maar ook -en hier kom ik straks over te spreken- gekeken moet worden naar de ratio van het verbod. Concluderend is de Rechtbank in haar interpretatie van de wetsgeschiedenis te kort door de bocht gegaan. Sterker nog, eigenlijk heeft de Rechtbank de bocht niet eens genomen. Uit de wetsgeschiedenis kan simpelweg niet worden opgemaakt dat de verdachte geen slagend beroep kan doen op schending van het doorlaatverbod.
Jurisprudentie
- 12.
Dan de door de Rechtbank aangehaalde jurisprudentie. Kort en goed bespreekt men het arrest van de Hoge Raad uit 2002 over het doorlaatverbod (ECLI:NL:HR:2002:AD9915), en de Karman-jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2001:AB2732).
- 13.
Allereerst het arrest uit 2002. Vooropgesteld zij dat uit de overwegingen van de Hoge Raad niet volgt dat de verdachte daar nooit een (slagend) beroep op zou kunnen doen. De Hoge Raad heeft in r.o.v. 3.3. het volgende overwogen:
‘(…) De verdachte, van wie dus geen rechtens te beschermen belang in het geding is, kan zich niet op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten beroepen voor zijn betoog dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Dat brengt mee dat indien, zoals in het verweer waarop het middel ziet, een beroep wordt gedaan op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten als omschreven in art. 126ff Sv, een dergelijk verweer slechts kan worden verworpen. Het Hof heeft het verweer, ook al is dit op een andere grond geschied, dus terecht verworpen (…).’
- 14.
De overwegingen van de Hoge Raad zijn gedaan in het kader van 359a Sv verweer strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie. Een ‘dergelijk verweer’ kan slechts worden verworpen. Ten overvloede: de Hoge Raad heeft het hier dus niet over de consequenties van bewijsuitsluiting of strafvermindering.
- 15.
En ten aanzien van de Karman-jurisprudentie het volgende. Kort en goed kan de rechtbank zich blijkbaar niet voorstellen hoe bij een schending van het doorlaatverbod het wettelijk systeem in de kern geraakt zou kunnen zijn. Zij verwijst daarbij naar lid 2 van art. 126ff Sv, met de overweging dat daarin de mogelijkheid van doorlaten wordt geboden. Kennelijk is de gedachte: als het wettelijk systeem in de kern geraakt zou kunnen worden, zou de wetgever nooit de mogelijkheid hebben geschapen om doorlaten onder omstandigheden wel toe te laten.
- 16.
Ik kan die redenering niet volgen. Dus omdat in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waaronder dat als de regie plaatsvindt door zowel het Openbaar Ministerie als de Minister, doorlaten een mogelijkheid is, kan schending van doorlaten nooit en te nimmer leiden tot de conclusie dat het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt? Het is juist het tegenovergestelde betoog ik: het doorlaatverbod is zo'n zwaarwegend en belangrijk voorschrift dat het enkel en alleen kan en mag onder de grootst mogelijke waarborgen. Indien er zonder toepassing van lid 2 wel wordt doorgelaten, levert die schending op zichzelf al een schending van de grondslagen van het strafproces op waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt. Voorzitter, leden van het Hof, bezie het met name tegen de achtergrond en totstandkoming van artikel 126ff Sv. De achtergrond en de totstandkoming van het artikel laten toch juist zien dat het IRT-drama het wettelijk systeem in zijn kern heeft geraakt? Of zijn we met z'n allen alweer vergeten hoe groot deze crisis heeft doorgewerkt in de gehele (straf)rechtspraktijk? L'histoire se repète.
Tussenconclusie
- 17.
Anders dan de Rechtbank heeft overwogen volgt uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie niet dat verdachte geen belang kan hebben bij een beroep op schending van artikel 126ff Sv. Integendeel. 359a. Sv in het licht van het doorlaatverbod
- 18.
Het doorlaatverbod moet in het licht van het tweede lid van artikel 359a Sv als volgt worden geduid:
- —
Belang geschonden voorschrift: bescherming volksgezondheid en waarborgen integriteit opsporing;
- —
Ernst verzuim: ernstig, want structureel doorlaten van gevaarlijke goederen en stoffen;
- —
Veroorzaakte nadeel: door structureel drugs en wapens door te laten, wetende dat doorlaten in de regel niet binnen het strafproces wordt gesanctioneerd, zorgt doorlaten in casu er voor dat [verdachte] de facto de kans wordt ontnomen om structureel onrechtmatig overheidsoptreden in zijn eigen strafzaak aan een onafhankelijke rechter voor te leggen. Dan kan er van equality of arms ex artikel 6 EVRM geen sprake zijn. Dat maakt dat er sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Gegeven de structurele aard van het doorlaten moet het ervoor worden gehouden dat ‘the proceedings as a whole were not fair’ is geweest.2 Bovendien is door het doorlaten de inzet van vergaande BOB-middelen in stand gehouden en is daarmee sprake van een structurele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 EVRM.
- 19.
Ik had het net al over de beslissing van de Hoge Raad uit 2002 en dat deze specifiek op NO-verweren zag. Dat laat ruimte voor een eventueel te voeren bewijsuitsluitingsverweer. Ten aanzien van bewijsuitsluiting overwoog de Hoge Raad in december 2020 als volgt :
‘(…) Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden (…)."3
- 20.
Gegeven de structurele schending in deze zaak zou bewijsuitsluiting als rechtsstatelijke waarborg moeten dienen om politie en justitie er in de toekomst van te weerhouden om wederom niet in te grijpen terwijl daar structureel alle reden en gelegenheid toe was. Ik kom daar zo nog op terug.
- 21.
Naast bewijsuitsluiting zou ook strafvermindering aan de orde kunnen zijn. Immers is het hiervoor besproken nadeel veroorzaakt door de schending van het doorlaatverbod en het nadeel is geschikt voor compensatie via strafvermindering. Tot slot is strafvermindering ook in het licht van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd. In dat verband merk ik op dat strafvermindering wordt gezien als de meest lichte consequentie die aan een vormverzuim kan worden verbonden terwijl de schending van het doorlaatverbod een zeer ernstig vormverzuim
‘Karman’ in het licht van het doorlaatverbod
- 22.
Bij het bespreken van de overwegingen van de Rechtbank heb ik al een tipje van de sluier gelicht: juist bij schending van het doorlaatverbod, wordt het wettelijk systeem in de kern geraakt. Het verleden heeft dat zonder meer duidelijk gemaakt.
- 23.
Buruma concludeerde in 2002 dat het arrest van de Hoge Raad uit 2002 in feite teweegbrengt wat de Kamer destijds niet wilde, namelijk dat alleen het OM toeziet op de naleving van het doorlaatverbod. In dat verband stelt Buruma dat de flagrante gevallen wellicht wél ten overstaan van een rechter aan de orde kunnen worden gesteld. Daarnaast overwoog de rechtbank Breda in 2008 dat, hoewel er conform de jurisprudentie van de Hoge Raad geen rechtens te respecteren belang aan de orde is, dit wellicht anders kan zijn als er sprake is van een zeer flagrante schending van het doorlaatverbod waarbij het OM zeer onverantwoord te werk is gegaan. In 2015 oordeelde de rechtbank Noord-Holland dat het doorlaatverbod niet was geschonden en gaf het dus een inhoudelijk oordeel over een dergelijk verweer. Idem dito voor de rechtbank Den Haag in 2018. Na het arrest van 2002 zijn er dus diverse rechtscolleges geweest die een beroep op de schending van het doorlaatverbod in materiële zin hebben beoordeeld; al dan niet in het licht van de gestelde, flagrante schending daarvan.
- 24.
Volgens Buruma is er nog een ander argument om rechterlijke toetsing mogelijk te maken. In de rechtsstaat is het aan het openbaar ministerie om in te grijpen en niet om gevaarlijke goederen en stoffen bewust door te laten gaan. En juist, in gevallen waarin er geen aanwijsbare benadeelde partij is bij zeer ongewenst overheidsoptreden -zoals volgens het parlement bij doorlating- en er dus ook geen civiele actie mogelijk is, eist de rechtstaat een verantwoordingsmechanisme, aldus Buruma. Dat verantwoordingsmechanisme bent u. Of eventueel op een later moment de Hoge Raad zelf.
- 25.
Ik zei net al dat het wettelijk systeem bij schending van het doorlaatverbod in de kern wordt geraakt. Dat is evident. Dat geldt ook indien uw Hof zou overwegen dat het artikel slechts in het belang van bescherming van de volksgezondheid is opgenomen. De bescherming van de volksgezondheid is immers een van de grondslagen van het strafproces, zo niet de belangrijkste grondslag. Sta bijvoorbeeld even stil bij het gegeven dat het hele idee van het monopoliseren van opsporing, vervolging en het toepassen van geweld en dwangmiddelen ligt bij de overheid. Daaraan ligt onder meer ten grondslag dat deze manier van Staatsinrichting in het belang van de maatschappij, waaronder de bescherming van de volksgezondheid, is.
- 26.
Dat geldt ook voor de verbodsbepalingen van verdovende middelen en wapens. Die bepalingen en wetten zijn er, omdat verdovende middelen en wapens schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Dit lijkt mij een feit van algemene bekendheid. Dat zowel verdovende middelen als wapens maatschappelijk gezien ontwrichtend werken, is ook een feit van algemene bekendheid. Sterker nog, de afgelopen jaren staan verdovende middelen en wapens steeds vaker op de voorgrond in het maatschappelijk debat, onder meer door de samenhang tussen liquidaties en de invoer/handel in verdovende middelen. Het Openbaar Ministerie komt hier ook vaak op terug in requisitoiren in drugszaken: vaak worden dan bij de strafmaat liquidaties aangehaald als zijnde een bijkomstigheid van die handel/invoer, ook al spelen in die betreffende zaken geen geweldscomponenten.
Bestanddelen art. 126ff Sv
- 27.
Ik zal niet alle bestanddelen aflopen, maar slechts het bestanddeel dat in deze zaak onderwerp van discussie is.
- 28.
De plicht tot inbeslagneming moet worden gebruikt als wetenschap bestaat van de verblijfplaats van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. In casu gaat het om wapen- en drugsdelicten. Het behoeft geen betoog dat dergelijke goederen en stoffen voldoen aan dit criterium.
- 29.
De advocaten-generaal hebben in dit opzicht gewezen op een tegenstrijdigheid nu er sprake zou zijn geweest van nep wapens en nep drugs. Allereerst voer ik dat verweer vandaag niet. En al zou ik dat wél doen, dan laat dat onverlet dat de plicht tot ingrijpen geldt. Het OM meent immers van meet af aan dat er sprake is van verboden goederen en stoffen. Ongeacht wat de verdachten daarover roepen.
- 30.
Vervolgens rijst de vraag naar de vereiste mate van zekerheid. Hoe zeker moet men zijn over de aanwezigheid van de genoemde goederen en stoffen wil de plicht tot ingrijpen bestaan? Het OM stelt dat de Hoge Raad absolute zekerheid lijkt te verlangen. Het OM lijkt het arrest waar het dit standpunt op baseert echter iets te ruimhartig te interpreteren. Het was immers het hof dat in de onderliggende strafzaak had geconcludeerd dat absolute zekerheid vereist was. De Hoge Raad was aan die vraag helemaal niet toegekomen.
- 31.
In het advies van de AG aan de Hoge Raad in deze zaak wordt als volgt overwogen:
‘(…) De ratio van de bepaling -bescherming van de volksgezondheid- brengt mee dat een -in de bewoordingen van het Hof Amsterdam (Nieuwsbrief strafrecht 1999, 10)-‘redelijke mate van zekerheid’ bij de politie aanwezig moet zijn wil men verplicht zijn tot inbeslagneming over te gaan. Daarbij zou ik redelijke mate van zekerheid aldus willen uitleggen dat het moet gaan om aanwijzingen die redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel laten dat de in art. 126ff Sv aangeduide voorwerpen op de betreffende / plaats aanwezig zijn (…)’.
Een eis is dus helemaal niet dat een absolute zekerheid aan de orde zou moeten zijn. Wat ook bespreking verdient, is de definitie zoals opgenomen in de destijds geldende Aanwijzingen opsporingsbevoegdheden:
‘(…) ‘Wetenschap’ is meer dan een redelijk vermoeden. Er moet een voldoende mate van zekerheid zijn omtrent zowel de vindplaats als de aard van de voorwerpen. Aanwijzingen omtrent de eventuele aanwezigheid en vindplaats van schadelijke voorwerpen nopen tot nader onderzoek, waarna aan de hand van het resultaat van dat onderzoek al dan niet tot inbeslagneming zal worden overgegaan (…).’
Een voldoende mate van zekerheid dus. Dat is denk ik een belangrijk gegeven. Zeker als we deze overweging bekijken in het licht van de ratio van het doorlaatverbod. Als de politie aanwijzingen krijgt over de mogelijke aanwezigheid van een vuurwapen in bijvoorbeeld de schuur, noopt dat ter bescherming van de volksgezondheid tot nader onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van het vuurwapen in die schuur. Met dat nadere onderzoek kan vervolgens een voldoende mate van zekerheid worden verkregen. En als die er is, moet er worden ingegrepen. Zo niet -en zouden we dus uitgaan van het vereiste van ‘absolute zekerheid’- dan zou het doorlaatverbod een dode letter zijn, nogal voor misbruik vatbaar zijn, en slechts dan aan de orde kunne zijn als de politie puur toevallig tegen een partij drugs aanloopt of over een vuurwapen struikelt bij een instap. Dat staat haaks op de ratio van het doorlaatverbod. Te meer nu in de wetsgeschiedenis nadrukkelijk werd overwogen dat een kleine partij wapens al spoedig zo'n groot gevaar vertegenwoordigt dat doorlaten niet kan worden toegestaan.8 Uitgaande van een te rigide opvatting van het begrip ‘wetenschap’ zou in dit geval maken dat het doorlaatverbod een dode letter wordt. Dan zou deze bepaling net zo goed uit de wet geschrapt kunnen worden. Absolute zekerheid is er immers veelal wanneer men op een PD tegen een vuurwapen of drugs aanloopt. Die worden gewoon inbeslaggenomen. Ook zonder het doorlaatverbod. En als in de voornoemde voorbeelden niet wordt ingegrepen raakt dat direct aan de integriteit en effectiviteit van de opsporing.
- 32.
Absolute zekerheid is in mijn visie dan ook niet het criterium als we naar de wetsgeschiedenis kijken. Wetenschap betekent in mijn optiek dat er moet worden ingegrepen als er een voldoende mate van zekerheid is, maar ook dat er nader onderzoek moet worden verricht met het oog op direct ingrijpen als er serieuze aanwijzingen zijn dat er goederen en stoffen ex art. 126ff Sv voorhanden zijn. Dan moet er concreet onderzoek worden gedaan. En zodra er via dat onderzoek voldoende zekerheid is verkregen dat die goederen en stoffen er zijn, moet worden ingegrepen .
Schending doorlaatverbod: feiten en omstandigheden
Voorafgaande vaststellingen
- 33.
Vervolgens rijst de vraag of de politie in dit onderzoek niet ingreep daar waar die plicht wel bestond. Of dat er voldoende aanwijzingen waren die gericht onderzoek vereisten in het kader van het doorlaatverbod. Daarbij dienen, los van de bevindingen in relatie tot de schuur, een aantal feiten op voorhand te worden aangestipt:
- —
Op 7 augustus 2018 werd de 1.561 kilo in Antwerpen in beslaggenomen terwijl [verdachte] toen al vol in beeld zou zijn bij het onderzoeksteam. Desondanks werd door de zaaksofficieren toen niet besloten om het onderzoek te laten klappen. Integendeel. Dat kwam bij de getuigenverhoren duidelijk aan bod;
- —
In het verlengde daarvan is bij de verhoren bekend geworden dat de klapdag pas werd gepland wanneer er zekere strafeisen konden worden neergelegd. Dat is doorlaten pur sang, in de zuiverste vorm; — Op 28 februari 2019, een separaat feit op de tenlastelegging, zou het CSV van 14:30 uur tot middernacht (!) in de schuur bezig zijn geweest met, kort gezegd, het bewerken en dergelijke van cocaïne. Die dag is er ook live meegekeken. Die dag werd er door het OM desbewust niet ingegrepen .
- —
Op 15 maart 2019 werd 315 kilo cocaïne in beslaggenomen. Die inbeslagname mondde uit in voorbereidingshandelingen waar de politie bovenop zat. Ook toen werd dus weer niet besloten om het onderzoek te laten klappen. Dit terwijl er in relatie tot dit feit o.a. live is meegeluisterd/meegekeken om het OT te ondersteunen, zo weten we; Deze feiten en omstandigheden zijn een eerste indicatie die er op wijst dat politie en justitie bewust niet hebben ingegrepen om uiteindelijk zoveel mogelijk strafbare feiten op te kunnen voeren. Dit terwijl het doorlaatverbod volgens de op zitting gehoorde verbalisanten nadrukkelijk en met grote regelmaat bij briefings werd besproken, en vervolgens aan de spreekwoordelijke laarzen werd gelapt. Het roept verwondering op: er is gesproken over het doorlaatverbod maar de politie stelt nooit de vereiste mate van wetenschap te hebben gehad. Waarom spreek je dan over het doorlaatverbod? Justitie is er toch zeker van dat er nooit een plicht tot ingrijpen heeft bestaan? Weet u nog? Enkele opmerkingen uit de verhoren die in mijn visie het aanstippen verdienen:
- —
Op voorhand werd aangegeven dat het onderzoek wel enige tijd zou kunnen gaan duren, aldus [verbalisant 2]. Hoezo zeg je dat op voorhand? Het past in ieder geval bij de gedachte om bewust weg te kijken -'Need to know, want to know’ in de hoop om [verdachte] klaarblijkelijk voor een levensdelict aan te kunnen houden; [verbalisant 1] heeft verklaard dat de mogelijkheid tot live meeluisteren op enig moment is gecreëerd. Dat doe je niet zonder reden en al helemaal niet als je weet wat er op vrijwel dagelijkse basis voorbijkwam in de schuur. Politie en justitie wisten dus dat ze er dichter op moesten gaan zitten, maar hebben zulks desbewust niet gedaan;
- —
Als gehoord werd dat het over strafbare feiten ging, moest dat worden gemeld. Mevrouw Van Esch moet regelmatig hebben zitten trillen met die koptelefoon op.
- —
Er was nauw overleg met het OM en meldingen werden zowel telefonisch als per mail gedaan. Deze werkafspraak toont aan dat het OM zich bewust was van het doorlaatverbod, maar daar uiteindelijk niet naar heeft willen handelen;
- —
Vuurwapengeluiden waren in het begin bijzonder, daarna niet meer zo, aldus [verbalisant 1]. Kennelijk gebeurde het zo vaak dat het normaal werd. Maar werd er ingegrepen? U weet het al: driewerf NEEN. — Er is volgens [verbalisant 1] gewerkt met deelonderzoeken om te voorkomen dat er moest worden ingegrepen/niet alles stuk zou zijn. Dat past bij doorlaattactiek en dan met 15 voorbedachte rade. Te meer nu [verbalisant 1] ook verklaarde dat het onderzoek doorliep zolang bepaalde delicten qua bewijs niet helemaal dicht zaten.
(…)
- 92.
ik persisteer bij de op 31 mei 2023 ingediende onderzoekswensen.
1.5
Het hof heeft de aanvullende onderzoekswensen per eindarrest afgewezen en het gevoerde verweer ten aanzien van de schending van het doorlaatverbod op navolgende wijze verworpen:
‘Nadere onderzoekswensen
Rechtmatigheden controlemogelijkheidinzet bijzondere opsporingsbevoegdheden en startonderzoek
Verzoeken
Met betrekking tot de start van het opsporingsonderzoek heeft de verdediging verwezen naar en aansluiting gezocht bijde verzoeken die in de zaak van medeverdachte [verdachte] (1964) zijn gedaan, welke verzoeken daarom worden geacht integraal ook in de onderhavige zaak te zijn gedaan. De verdediging verzoekt om het dossier, althans de BOB-stukken, van het onderzoek Debussyte voegen bijde processtukken, dan wel om inzage te krijgen in die stukken, waaronder begrepen alle vorderingen tot machtiging (verlenging) bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel (hierna: OVC), de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal aanvraag (verlenging) bevel OVC, de machtigingen (verlenging) bevel OVC en de bevelen OVC met betrekking tot de woning aan de [c-straat 1] te [c-plaats] (de woning van [verdachte]) en de schuur aan de [b-straat 1] te [b-plaats].
(…)
Daarnaast heeft de verdediging in haar genoemde aanvullende onderzoekswensen in dit verband verzocht officier van justitie mr. [officier van justitie] als getuige te horen in het kader van — voor zover hier relevant — de te voeren verweren met betrekking tot de rechtmatigheid van de start van het onderzoek.
(…)
Verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod
Op oneigenlijke gronden doorzetten van het strafrechtelijk onderzoek
De verdediging heeft aangevoerd dat politie en justitie op oneigenlijke gronden het strafrechtelijk onderzoek naar de verdachte(n) heeft doorgezet in plaats van (eerder) in te grijpen. De raadsman heeft hieromtrent in zijn inleiding onder andere het volgende aangevoerd.
Uw hof heeft dus gelezen wat ik toen al zei over de justitiële scoringsdrang die in relatie tot [verdachte] leeft. Die scoringsdrang werd in hoger beroep bevestigd vanuit de politie zelf Het onderzoek moest immers doorlopen totdat zekere strafeisen zouden kunnen worden neergelegd. Het is tekenend. Een opsporingsonderzoek richt zich immers op de opsporing van strafbare feiten. En als die strafbare feiten zijn opgespoord\ is het onderzoek afgerond. Maar niet in Noord. In Noord wilde men pas stoppen nadat de hoogste takken waren gevonden waar vervolgens 15 stroppen voor iedere verdachte, leesfamilielid, aan konden worden opgehangen. Want heeft het OM overwogen om de zaak te laten klappen na de onderschepping van de 1.561 kilo cocaïne in augustus2018? Nee. Heeft het OM overwogen om de zaak te laten klappen na de onderschepping van de 315 kilo in maart 2019? Ook niet, integendeel. Heeft het OM overwogen om in te grijpen toen het op 28februari 2019getuige was van het feit dat er van 14.30 uurin de middag tot middernacht cocaïne werd geperst in de schuur? Nee hoor, ben je gek. Heeft het OM overwogen in te grijpen terwijl al in november 2018 via een afschermverbaal mede werd gedeeld dat er regelmatig vuurwapens in de schuur aanwezig waren? U raadt het al. Men wilde er niets van weten, van ingrijpen. Het was het OM niet te doen om drugs- en wapenfeiten. Dat interesseerde hen helemaal niets. Het OM wilde een tenlastelegging kunnen printen waar het getal 289 op prijkte. Dat ademt het hele (BOB) dossier en de wijze van rechercheren uit, maar ondanks het feit dat er ontelbare gesprekken werden afgevangen is dit onderzoek uitgemond in ‘slechts ’ een drugs- en wapenzaak.
Voor zover de stellingen verwijzen naar de start van het onderzoek verwijst het hof naar hetgeen hierboven naar voren is gebracht omtrent de rechtmatigheid van de start van het strafrechtelijk onderzoek.
Tevens heeft de verdediging opmerkingen gemaakt over de wijze waarop door de politie en het Openbaar Ministerie het strafrechtelijk onderzoek is uitgevoerd en over de duur van dit onderzoek.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Op grond van art. 148 Sv is de officier van justitie belast met de opsporing van strafbare feiten en geeft daartoe bevelen aan de overige personen met opsporing belast. De vraag hoe en op welke wijze het onderzoek wordt uitgevoerd is niet aan het oordeel van de rechter onderworpen. Bij deze beslissingen tijdens het geven van leiding aan het opsporingsonderzoek dienen uiteraard de wettelijke voorschriften en de algemene beginselen van behoorlijke strafprocesorde te worden nageleefd.
Dat het Openbaar Ministerie en de politie andere motieven bij het onderzoek zouden hebben gehad, zoals het uiteindelijk arresteren van een of meer verdachten ter zake van een levensdelict, kan — wat de juridische relevantie daarvan verder ook zij — uit het voorliggende procesdossier in ieder geval niet worden afgeleid.
Tijdens de verhoren ter terechtzitting in hoger beroep is door de verbalisanten verklaard dat het opsporingsonderzoek is voortgezet om het strafrechtelijke onderzoek rond te krijgen ter zake van verdenkingen waar in de wet forse straffen op staan en waar in de praktijk ook lange gevangenisstraffen voor plegen te worden opgelegd. Het hof overweegt dat het in het kader van een groot onderzoek als het onderhavige, mede gezien de verdenkingen die er ter zake van overtreding van de Opiumwet en de Wet Wapens en Munitie al lagen, in de rede ligt dat de politie en het Openbaar Ministerie het onderzoek pas hebben afgerond op het moment dat er een ‘rond’ dossier lag ter zake van die verdenkingen. Een onderzoek van deze omvang neemt dan ook logischerwijs langere tijd in beslag. Uit het onderzoek is gebleken dat er zeer veel mensuren in gestoken zijn en het valt te begrijpen dat gewacht wordt met het beëindigen van het opsporingsonderzoek tot het moment dat de op te sporen strafbare feiten bewijsbaar zijn.
Schending van het doorlaatverbod
Verweer
Door de verdediging is aangevoerd dat bij het uitvoeren van het opsporingsonderzoek het doorlaatverbod van artikel 126ff Sv door het Openbaar Ministerie is geschonden. In de kern heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het doorlaatverbod is geschonden, nu er op diverse momenten middels opname vertrouwelijke communicatie (hierna: OVC) ‘live’ werd meegeluisterd, of middels camera's ‘live ’ werd meegekeken door de politie, dan wel beide tegelijkertijd, terwijl er wapens dan wel verdovende middelen bij het CSV voorhanden respectievelijk aanwezig waren en er vervolgens niet werd ingegrepen door politie en justitie. De verdediging baseert zich hierbij op de twee processen-verbaal dienaangaande die in hoger beroep alsnog aan het dossier zijn toegevoegd. Door de verdediging is gedetailleerd ingegaan op momenten dat — in de visie van de verdediging — politie en justitie hebben geweten dat het doorlaatverbod van toepassing was, maar toch niet hebben ingegrepen. Dat zou ertoe moeten leiden dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk wordt verklaard, nu het wettelijk systeem met het schenden van het doorlaatverbod in de kern geraakt zou zijn dan wel een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Subsidiair is aangevoerd dat de schending van het doorlaatverbod ertoe moet leiden dat al hetgeen dientengevolge is verkregen vanaf 7 juni 2018 dan wel 7 augustus 2018 dient te worden uitgesloten van het bewijs, waardoor bij gebrek aan bewijs de verdachte dient te worden vrijgesproken. Meer subsidiair is betoogd dat de schending van het doorlaatverbod tot strafmatiging dient te leiden.
Oordeel hof
De verdediging heeft blijkens haar verweren willen betogen dat het hof toepassing dient te geven aan het bepaalde in artikel 359a Sv. Het hof verwijst in verband met de bespreking van deze verweren naar het vooropgestelde kader ‘Het jurisprudentiele kader van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering’ en betrekt dat in zijn overwegingen.
Het doorlaatverbod is geregeld in het eerste lid van artikel 126ff Sv en luidt:
‘De opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een bevel als omschreven in de titels IVa tol en met Ven Vb, is verplicht van de hem in de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij door de uitvoering van het bevel de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. De inbeslagneming mag slechts in het behing van het onderzoek worden uitgesteld met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan.’
Voor wat betreft het begrip ‘weten’ verwijst het hof naar de Aanwijzing opsporing, Ster. 2014, nr. 24442, waarin omtrent het begrip ‘weten’ het volgende is opgenomen:
‘Er is sprake van ‘weten’ in de zin van art. 126ffSv op het moment dat bij opsporingsambtenaren een voldoende mate van zekerheid bestaat over het verboden karakter van de voorwerpen en de vindplaats hiervan. Het zal in dit geval moeten gaan om aanwijzingen die redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel laten dat de in art. 126ffSv aangeduide voorwerpen op de betreffende plaats aanwezig zijn. Indien er slechts een redelijk vermoeden bestaat omtrent de aard en/of de vindplaats van de voorwerpen dan geldt er dus geen verplichting tot inbeslagneming.’
Feiten en omstandigheden
Uit de verhoren van de verbalisantenter terechtzitting in hoger beroep en de opgemaakte processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden wordt duidelijk dat in het algemeen niet live werd meegeluisterd en evenmin live werd meegekeken. De gesprekken werden opgenomen en op een later moment beluisterden uitgewerkt. Hetzelfde geldt voor de camerabeelden; deze werden nadien bekekenen de bevindingen werden in een procesverbaal uitgewerkt. Door de verbalisanten werden regelmatig geluiden gehoord en/of beeldengezien die erop duidden dat er mogelijk vuurwapens voorhanden waren, zo hebben zij gerelateerd en verklaard. Dit werd dan door de verbalisanten regelmatig gemeld aan de leiding. Het live meeluisteren en het live meekijken was een uitzondering.
In het proces-verbaal ‘live ’ meeluisteren is aangegeven dat in drie periodes ‘live ’ is meegeluisterd. Met uitzondering van één periode, die slechts de periode van 1 avond/nacht beslaat en waar er sprake was van een technische storing (de OVC in de woning aan de [c-straat 1] te [c-plaats] in de nacht van 20 september2018 op 21 september2018), zijn al die gesprekken opgenomen. Alle beschikbare geluidsfragmenten, inclusief de fragmenten die betrekking hebbenop de periodes waarin niet ‘live ’ werd meegeluisterd, zijn aan de verdediging verstrekt.
In het proces-verbaal ‘live ’ meekijken is gerelateerd dat alleen in de derde periode van het ‘live ’ meeluisteren tegelijkertijd ook ‘live ’ is meegekeken, te weten op 12 en 13 november 2019, zijnde de eerste twee dagen van de actieperiode (de ‘klapdagen ’). Dit, teneinde de reactie van het CSV en hun familieleden op de door de politie verrichte aanhoudingen en doorzoekingen te monitoren. In voornoemd proces-verbaal is ook gerelateerd dat er in totaal op 53 dagen ‘live ’ is meegekeken, waarbij is opgemerkt dat de exacte tijdstippen niet meer te achterhalen zijn.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn diverse verbalisanten gehoord met betrekking tot de op dit punt bij de verdediging levende vragen. Verbalisant [verbalisant 1], verantwoordelijk voor laatstgenoemde processen-verbaal met betrekking tot het ‘live ’ meeluisteren en meekijken, heeft verklaard dat het uitluisteren van de OVC's en het verwerken van de inhoud daarvan vanwege technische redenen, met uitzondering van genoemde twee klapdagen, altijd achteraf gebeurde. Het ‘live ’ meekijken werd volgens [verbalisant 1] ingezet ter ondersteuning van het observatieteam, om te kijken wie aanwezig was en zo een selectie te kunnen maken ten behoeve van het eventueel live meeluisteren en ten behoeve van de actiedag. Verbalisant [verbalisant 1] heeft uitgelegd dat zij de bewuste53 momenten waarop ‘live ’ zou zijn meegekeken heeft herleid uit mutaties in het systeem van de politie: daar waar een datum van een mutatie overeenkwam met een datum van opgenomen camerabeelden, werd in het proces-verbaal de conclusie getrokken dat dan ‘live’ was meegekeken. Echter, verbalisant [verbalisant 1] nuanceerde ter terechtzitting deze door haar in het proces-verbaal getrokken conclusie, in die zin dat de uitkomsten van de door haar gedane vergelijking met als resultaat 53 momenten, niet betekent dat er daadwerkelijk ‘live ’ is meegekeken; voor elk van die dagen geldt dat het mogelijk is dat een mutatie is aangemaakt om beelden te bekijken die eerder die dag zijn opgenomen.
Het hof stelt vast dat op basis van het voorgaande niet kan worden geconcludeerd dat er daadwerkelijk op 53 momenten ‘live’ is meegekeken, laat staan dat tegelijkertijd ‘live’ werd meegeluisterd.
Het hof stelt voorts vast dat bij het achteraf beluisteren van de OVC-gesprekken en bekijken van de camerabeeldendoor de politie er momenten zijn geweest waarop is of in elk geval kon worden geconstateerd dat er ten tijde van het opnemen van die gesprekken en camerabeeldenwapens c.q. drugs voorhanden/aanwezig waren. Vanwege het (vaak ruime) tijdsverloop tussen het moment waarop de OVC-gesprekken werden beluisterden de camerabeelden werden bekekenen het moment waarop die gesprekken en beeldenwaren opgenomen, kon ten tijde van het beluisteren van die gesprekken en bekijken van die beelden niet (meer) met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat die wapens c.q. drugs op dat moment nog steeds voorhanden/aanwezig waren, laat staan waar precies. Van ‘weten ’ in de zin van art. 126ff Sv was dan ook geen sprake naar het oordeel van het hof.
Naar het oordeel van het hof is het doorlaatverbod niet geschonden.
Nu enerzijds uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier is gebleken dat- conform de ratio achter het doorlaatverbod, te weten het beschermen van de volksgezondheid/veiligheid — bij wetenschap van het aanwezig/voorhanden zijn van schadelijke voorwerpen en tevens van de vindplaats daarvan daadwerkelijk tot inbeslagname is overgegaan, getuige bijvoorbeeld de inbeslagname van 99,4 kilo MDMA en het ingrijpen bij de productie van synthetische drugs in het laboratorium in Leeuwarden, en dat anderzijds niet is gebleken dat er op andere momenten wetenschap in de zin van artikel 126ff Sv heeft bestaan over de aanwezigheid van verboden goederen en de vindplaats daarvan terwijl niet tot in beslagname is overgegaan, komt het hof tot het oordeel dat van schending van het doorlaatverbod alleen al om die reden geen sprake is geweest. Met betrekking tot twee van de hierboven door de verdediging genoemde voorvallen, de invoer in de haven van Antwerpen van respectievelijk 1.561 en 315 kilogram cocaïne, overweegt het hof dat de Nederlandse politie niet meer hoefde in te grijpen, nu deze cocaïne reeds was onderschept door de Belgische douane in de haven van Antwerpen, overigens bij ZD01 voorafgegaan door informatie van de Nederlandse politie.
Het is ook niet zo dat de politie geen actie heeft ondernomen op het woonwagenkamp. De gesprekken in de schuur over drugs en wapens hebben er wel degelijk toe geleid dat actie is ondernomen. In het algemeen proces-verbaal Project Noord map 22 staat het volgende:
Op basis van gesprekken in de schuur bestond het beeld dat de schuur werd gebruikt als overleglocatie voor de handel en productie van verdovende middelen. Vermoed werd dat schuur ook werd gebruikt voor het verwerken of opslaan van verdovende middelen. Daarnaast werd vermoed dat in opgenomen gesprekken geluiden gehoord werden van vuurwapenhandelingen, waardoor niet uitgesloten werd dat in de schuurregelmatig vuurwapens aanwezig waren. Op grond van deze informatie uit Garborone werd onderzoek Abuja gestart om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van verdovende middelen en vuurwapens. Op 7 en 8 november 2018 werd binnen Abuja een doorzoeking ter inbeslagneming van de schuur uitgevoerd, onder leiding van de officier van justitie. Deze doorzoeking vond gelijktijdig plaats met een meerdaagse doorzoeking ter inbeslagneming op de [b-straat 1] en [b-straat 2] te [b-plaats], onder leiding van de rechter-commissaris, binnen onderzoek Duyfken. Duyfken betreft het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] die op 4 juni 2018 nabij het woonwagencentrum aan de [b-straat] te [b-plaats] werd doodgeschoten. Hoewel tijdens de doorzoeking van de schuur geen vuurwapens en verdovende middelen werden aangetroffen, werd het beeld van een crimineel samenwerkingsverband gericht op het plegen van drugsdelicten bevestigd. Aangetroffen werden weegschalen, vacuümapparaten, een geldtelmachine, kogelwerende vesten, notities met geldbedragen, telefoons bestemd voor versleutelde communicatie. Daarnaast werden vermoedelijk waardevolle goederen aangetroffen waardoor ten aanzien van [verdachte] de verdenking van witwassen ontstond.
Deze actie tot inbeslagneming heeft tot niets geleid. Hiermee werd duidelijk dat eerst nader onderzoek en informatie nodig was om tot een succesvolle inbeslagname over te kunnen gaan, althans dat er geen zekerheid was dat wapens of drugs zouden worden aangetroffen indien al werd binnengevallen in de schuur. Overigens zijn ook op de uiteindelijke dag van de inval ook weinig strafbare goederen aangetroffen in de schuur aan de [b-straat].
Het hof overweegt tot slot dat het hier om veel verdachten gaat die opereren vanuit een redelijk afgesloten terrein en er aanwijzingen waren dat een aantal van hen somtijds de beschikking had over levensgevaarlijke vuurwapens. Dat uit naderhand afgeluisterde (telefoon)gesprekken of bekeken camerabeelden aanwijzingen of het redelijk vermoeden kon ontstaan dat op enig moment wapens of verdovende middelen aanwezig waren en de verdachten daar kennelijk over konden beschikken, is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat er voldoende wetenschap was over de aanwezigheid van de verboden goederen en de vindplaats daarvan om tot inbeslagneming over te kunnen gaan en dat door dat niet te doen onder regie van politie en justitie bewust illegale goederen op de markt zijn gebracht. Deze aanwijzingen noopten wellicht tot nader onderzoek (om al dan niet later tot inbeslagname te kunnen overgaan), maar getuige het omvangrijke dossier heeft dat nu ook juist plaatsgevonden, gevolgd door de aanhouding en de vervolging van de verdachten. Het hof overweegt in dit verband nog dat art. 126ff Sv bepaalt dat de politie gehouden is tot het gebruikmaken van de inbeslagnemingsbevoegdheden. Dat is zoals hiervoor aangehaald gebeurd wanneer sprake was van wetenschap. De wet verplicht de opsporingsambtenaar niet om de verdachten in het onderzoek ter zake aan te houden en te vervolgen. Voor zover de verweren erop zien dat te lang gewacht is met het opsporen en berechten van de verdachten, kunnen de verweren ook om die reden niet slagen. Het verweer wordt derhalve verworpen omdat het feitelijke grondslag mist.
Het verweer dat de politie op momenten ‘live’ heeft moeten mee luisteren/-kijken vindt geen steun in het recht.
Voor het theoretische geval dat bijvoorbeeld aan de hand van een nadere bestudering van de ICT-gegevens van de politie vastgesteld zou kunnen worden dat er op enig moment wel sprake is geweest van wetenschap in de zin van art. 126ff Sv dat er gevaarlijke goederen aanwezig waren en er in een dergelijk geval desalniettemin niet is opgetreden, gaat het hof geheel ten overvloede in op de door de verdediging gevoerde verweren.
Door de verdediging is bepleit dat dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging
Het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard wordt, zo begrijpt het hof, in de eerste plaats gebaseerd op het ‘Karmancriterium* (vgl. HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567). Voorts zou uit de wetsgeschiedenis zijn af te leiden dat de rechter wel degelijk een rol speelt bij de toetsing van het doorlaatverbod. Tot slot beroept de verdediging zich op het overzichtsarrest met betrekking tot art. 359a Sv (HR 1 december2020, ECLI:NL:HR:2020:1889).
Het hof overweegt dat op grond van voornoemd ‘Karman-arrest’ de niet-ontvankelijkheid slechts dan de passende sanctie is indien en voor zover er sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke strafvervolging, welke inbreuk het wettelijk systeem in de kern raakt. Met het ‘wettelijk systeem’ wordt gedoeld op de grondslagen van het strafproces, met name de wettelijk voorziene verdeling van de bevoegdheden en verplichtingen tussen het Openbaar Ministerie en de rechter. Het hof overweegt in dit verband dat — indachtig het opportuniteitsbeginsel — het voorbehouden is aan de opsporingsinstanties om te beslissen over de inzet van een opsporingsmiddel. De rechter fungeert in dat verband slechts als grensbewaker. Op de strafrechter rust niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter is daartoe ook niet in staat (vlg. HR 1 december2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o.v. 2.1.3).
De stelling dat sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke strafvervolging, welke inbreuk het wettelijk systeem in de kern raakt, mist feitelijke grondslag.
Het hof overweegt dat ware het doorlaatverbod geschonden, dit naar het oordeel van het hof — onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest d.d. 2 juli 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD9915, r.o.v. 3.3) dienaangaande heeft overwogen — de verdachte, van wie geen rechtens te beschermen belang in het geding is, zich niet op de niet naleving of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten kan beroepen voor zijn betoog dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. In laatstgenoemd arrest overwoog de Hoge Raad ten aanzien van het beroep van de verdediging op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens schending van het doorlaatverbod:
‘5.3.
Uit de tekst en deze geschiedenis van de totstandkoming van art. 126ffSv blijkt niet dat die bepaling in het leven is geroepen in het belang van de verdachte. Voorts blijk daaruit en uit art. 140a Sv dat de handhaving van het verbod op doorlaten onder directe controle van het College van procureurs-generaal en de minister van justitie geschiedt. De verdachte, van wie dus geen rechtens te beschermen belang in het geding is, kan zich niet op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten beroepen voor zijn betoog dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Dat brengt mee dat indien, zoals in het verweer waarop het middel ziet, een beroep wordt gedaan op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten als omschreven in art. 126JfSv, een dergelijk verweer slechts kan worden verworpen.’
Dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat vanuit politieke hoek is aangedrongen op een wettelijke bepaling voor het doorlaatverbod waarbij ook de rechter een rol heeft, brengt naar het oordeel van het hof nog niet mee dat een schending van dit verbod ook zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid in de strafvervolging van het Openbaar Ministerie. Het hof gaat dan ook aan dit onderdeel van het verweer voorbij.
Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard met het oog op de latere jurisprudentie van de Hoge Raad in het kader van art. 359a Sv overweegt het hof als volgt.
Door de raadsman wordt het geleden nadeel aan de zijde van de verdachte in geval van schending van het doorlaatverbod als volgt omschreven:
Veroorzaakte nadeel: door structureel drugs en wapens door te laten, wetende dat doorlaten in de regel niet binnen het strafproces wordt gesanctioneerd, zorgt doorlaten in casu ervoor dat verdachte de facto de kans wordt ontnomen om structureel onrechtmatig overheidsoptreden in zijn eigen strafzaak aan een onafhankelijke rechter voor te leggen. Dan kan er van equality of arms ex artikel 6 EVRM geen sprake zijn. Dat maakt dat er sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijkproces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Gegeven de structurele aard van het doorlaten moet het ervoor worden gehouden dat ‘the proceedings as a whole were not fair’. Bovendien is door het doorlaten de inzet van vergaande BOB-middelen in stand gehouden en is daarmee sprake van een structurele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 EVRM.
Het hof verwerpt het naar voren gebrachte verweer en overweegt daartoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat uit liet arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, (ECLI:NL:HR:2020:1890) volgt dat schending van het doorlaatverbod niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan leiden. Uit dit arrest volgt immers dat niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie alleen aan de orde is indien een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Van een zodanige inbreuk is volgens het hof niet gebleken.
Met betrekking tot het hierboven door de raadsman omschreven nadeel voor de verdachte volgt het hof de verdediging bovendien niet in haar redenering. Naar het oordeel van het hof doet het door de verdediging hiervoor gestelde en omschreven nadeel zich niet voor. De strafbare feiten waar de verdachte van wordt verdacht worden aan een onafhankelijke rechter voorgelegd. Voorts kan de verdediging het verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod in deze concrete zaak ook aan de rechter voorleggen die daar vervolgens een oordeel over velt. Deze procedure is met alle rechtswaarborgen omkleed. Daarnaast is het hof van oordeel dat er geen causaal verband bestaat tussen de vermeende schending van het doorlaatverbod en de door de raadsman gestelde nadelen. Het is niet zo dat door een schending van het doorlaatverbod er geen sprake zou zijn van equality of arms. Er is eveneens geen causaal verband tussen de schending van het doorlaatverbod en privacy schending. De privacyschending vindt plaats doordat BOB-middelen worden ingezet. Deze BOB-middelen worden ingezet omdat de verdachte verdacht wordt van bepaalde strafbare feiten en niet omdat het doorlaatverbod wordt geschonden. Uiteraard kan door een raadsman worden aangevoerd dat BOB- middelen onrechtmatig zijn ingezeten te lang zijn ingezet als gevolg van het feit dat er is doorgelaten en niet is ingegrepen. Dit verweer is in dit onderzoek in diverse zaken ook gevoerd. Maar het al dan niet in beslag nemen van verboden goederen in het kader van reeds gepleegde strafbare feiten, staat geheel los van de inzet van BOB-middelen in verband met gerezen verdenkingen ten aanzien van strafbare feiten. Daarbij overweegt het hof nog dat een schending van het in art. 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer bovendien niet zonder meer een inbreuk op de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces oplevert (vgl. HR 20 september 2011, ECL1:NL:HR:2011:BR0554, en HR 7 juli 2009, LJN BH8889, NJ 2009/399).
Bewijsuitsluiting
Het hof stelt voorop dat in artikel 359a Sv is geregeld dat het hof kan bepalen dat ‘de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit’. De wet schrijft dus niet de mogelijkheid voor dat alle onderzoeksresultaten verkregen na het verzuim van het bewijs worden uitgesloten. Bewijsuitsluiting komt op grond van art. 359a, eerste lid, Sv uitsluitend aan de orde indien het bewijsmateriaaldoor het verzuim is verkregen. Dit betekentop grond van de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad dat er een direct causaal verband moet zijn tussen het bewijsmateriaal en het geschonden vormvoorschrift. Alleen bewijsmateriaal dat uitsluitend en rechtstreeks ten gevolge van dat onrechtmatig optreden is verkregen, kan in beginsel van het bewijs worden uitgesloten. Voor uitsluiting leent zich in de eerste plaats dus het bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks resultaat van de opsporingshandelingen waarmee het vormverzuim gepaard is gegaan (het zogenaamde primaire bewijsmateriaal). Later verkregen — secundair — bewijsmateriaal behoeft niet te worden uitgesloten wanneer aannemelijk is dat ook andere factoren aan de verkrijging daarvan hebben bijgedragen. Enkel een ‘conditio sine qua non’-verband is niet toereikend (zie onder meer Kamerstukken II 1993/94, 23705, nr. 3, p. 25–26, HR 16 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8887 en HR 21-01-1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0619).
In zoverre kan het verweer van de verdediging waarbij wordt verzocht al het bewijs verkregen na 7 juni respectievelijk na 7 augustus 2018 omdat op die data sprake zou zijn geweest van schending van het doorlaatverbod, zonder nadere motivering omtrent een oorzakelijk verband tussen het gestelde vormverzuim en het bewijs verkregen na deze data, dan ook niet slagen. Indien en voor zover immers al zou kunnen worden geconcludeerd dat op deze data, of op andere data, sprake is geweest van schending van het doorlaatverbod, kan de conclusie niet zijn dat het nadien verkregen bewijsmateriaal uitsluitend en rechtstreeks een gevolg is van het feit dat op dat moment bepaalde goederen zijn doorgelaten.
Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat indien was ingegrepen op de dagen dat volgens de verdediging (onrechtmatig) is doorgelaten (waaronder 7 juni en 7 augustus 2018), de zogenaamde ‘klapdag ’ hierdoor was vervroegd en als gevolg daarvan de onderzoeksresultaten van na die data niet waren verkregen, volgt het hof de verdediging niet. Immers, ook op andere momenten is eerder ingegrepen, bijvoorbeeld met de onderschepping van de (netto) 99,4 kilo MDMA op 15 april 2019. Deze onderschepping heeft niet geleid tot het einde van het onderzoek of vervroeging van de klapdag. Zonder nadere motivering valt dan ook niet in te zien waarom een mogelijke onderschepping op de door de verdediging genoemde data tot andere onderzoeksresultaten had geleid. Ook dan blijf derhalve de conclusie dat nadien verkregen bewijsmateriaal niet uitsluitend en rechtstreeks een gevolg is van het feit dat op dat moment bepaalde goederen al dan niet zijn doorgelaten.
Tot slot overweegt het hof dat los van het voorgaande een eventueel vormverzuim in de zin van schending van het doorlaatverbod nooit tot bewijsuitsluiting kan leiden. Schending van het doorlaatverbod zou weliswaar een vormverzuim zijn, maar een vormverzuim waarbij niet het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM (rechtstreeks) aan de orde is, maar een vormverzuim waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In die gevallen geldt volgens de Hoge Raad als belangrijk uitgangspunt dat dit er niet aan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, dient te worden beoordeeld aan de hand van de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde beoordelingsfactoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel (HR 1 december2020, ECLI:NL:HR:2020:1890). Een van de beoordelingsfactoren waarmee het hof aldus rekening dient te houden is het belang dat het geschonden voorschrift dient. In het geval van het doorlaatverbod is dat het belang van de integriteit van betrokkenopsporingsinstanties maar met name ook de belangen van de burgers die slachtoffer kunnen worden van de gevaarlijke stoffen waar het bij het verbod op doorlaten om gaat, en andere belangen van de samenleving. Gevaarlijke goederen moeten inbeslaggenomen worden om het risico te vermijden dat burgers ermee worden Parketnummer: 20-002245-21 27 geconfronteerd (Kamerstukken II, 1997–1998, 25 403, nr. 7, p. 5). Kortom, het doorlaatverbod ziet niet op bescherming van het belang van de verdachte. Indien het hof uit zou gaan van de juistheid van de stellingen van de verdediging dat in dit onderzoek op bepaalde momenten niet is overgegaan tot inbeslagname waar dat wel (al) had gemoeten, komt het hof tot de conclusie dat gelet op het voorgaande en afgezet tegen het feit dat in dit geval sprake was van een zeer groot onderzoek naar meerdere verdachten en meerdere strafbare feiten, de ernst van de normschending niet zodanig was dit zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting. Ook het feit dat met het verzuim geen nadeel, anders dan het ontdekken van een strafbaar feit, voor de verdachte is ontstaan en ook anderzijds niet van nadeel is gebleken (de derde in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde omstandigheid) weegt hierbij mee.
Strafvermindering
Ook strafvermindering kan niet aan de orde zijn, nu de Hoge Raad daarover heeft overwogen dat voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Van een concreet nadeel van de verdachte is in deze strafzaak niet gebleken. Het hof verwijst hierbij naar het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890.
Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.
Onderzoekswensen verdediging gedaan ter terechtzitting van 7 juni 2023
Gelet op het voorgaande zullen alle onderzoekswensen van mr. Poelmeijer, zoals gedaan ter terechtzitting van 7 juni 2023, waarbij de verdediging zich heeft aangesloten, bij gebrek aan noodzaak worden afgewezen.’
1.6
In diens overzichtsarrest van 1 december 20201. met betrekking tot het beoordelingskader voor vormverzuimen ex. Art. 359a Sv heeft de Hoge Raad onder meer het navolgende overwogen:
‘2.1.1
Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
- ‘1.
De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:
- a.
de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;
- b.
de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;
- c.
het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
- 2.
Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
- 3.
Het vonnis bevat de beslissingen vermeld in het eerste lid. Deze zijn met redenen omkleed.’
2.1.2
De Hoge Raad heeft in onder meer zijn arresten HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 (NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma; red.) en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321( NJ 2013/308, m.nt. B.F. Keulen; red.) uiteengezet wanneer sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en aan welke (wettelijke) voorwaarden moet worden voldaan voordat toepassing kan worden gegeven aan één van de in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen. Naar aanleiding van de bespreking in de conclusie van de advocaat-generaal van deze en andere rechtspraak over artikel 359a Sv merkt de Hoge Raad het volgende op.
2.1.3
In het strafproces staat centraal dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak. Zoals ook in de conclusie van de advocaat-generaal onder 189 tot uitdrukking komt, rust op de strafrechter niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter is daartoe ook niet in staat. Toepassing van artikel 359a Sv kan ertoe strekken dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wordt gewaarborgd. Daarnaast berust de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, en zo ja de wijze waarop dat gebeurt, in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen — waaronder de belangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders van strafbare feiten — en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek. Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het — vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien — minst verstrekkende rechtsgevolg. Ook aan dit in de conclusie van de advocaat-generaal onder 120 benoemde uitgangspunt van subsidiariteit houdt de Hoge Raad vast.
(…)
Strafvermindering
2.3.1
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 (NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma; red.), rechtsoverweging 3.6.3 met betrekking tot strafvermindering als aan een vormverzuim te verbinden rechtsgevolg onder meer het volgende overwogen:
‘Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt (…) slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.’
2.3.2
Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Dat volgt ook uit de onder 2.1.3 weergegeven uitgangspunten dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken en dat hij de bevoegdheid, maar niet de plicht heeft om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek.
2.3.3
Door het verbinden van strafvermindering als rechtsgevolg aan een vormverzuim, brengt de rechter tot uitdrukking dat het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. In de toepassing van strafvermindering ligt dan ook een krachtiger, in de mate van strafvermindering tot uitdrukking te brengen afkeuring van het vormverzuim besloten dan in die enkele constatering.
2.3.4
Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat kan zich bijvoorbeeld ook voordoen als door de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen bewijs is vergaard. Verder is toepassing van strafvermindering niet uitgesloten in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.
2.3.5
Gelet op het onder 2.1.3 genoemde uitgangspunt van subsidiariteit is het aangewezen dat indien grond bestaat voor het verbinden van een rechtsgevolg aan het vormverzuim en het door het vormverzuim veroorzaakte nadeel zich laat compenseren door strafvermindering, daarmee wordt volstaan. De toepassing van strafvermindering heeft immers in het licht van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen aanmerkelijk minder verstrekkende of willekeurige consequenties dan niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging of — onder omstandigheden, afhankelijk van het resterende bewijsmateriaal en de redengevendheid daarvan voor een eventuele bewezenverklaring — de toepassing van bewijsuitsluiting.
Bewijsuitsluiting
2.4.1
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 ( NJ 2013/308, m.nt. B.F. Keulen; red.) drie categorieën van gevallen onderscheiden waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Allereerst gaat het om gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs, noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen. Deze categorie blijft onverkort bestaan.
2.4.2
De Hoge Raad komt wel tot een wijziging met betrekking tot de twee andere categorieën van gevallen die zijn benoemd in het arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 ( NJ 2013/308, m.nt. B.F. Keulen; red.). Daarin gaat het om de volgende gevallen waarin bewijsuitsluiting aan de orde kan zijn:
- —
‘gevallen waarin het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar sprake is van een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat in aanzienlijke mate is geschonden‘ en ‘toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk (kan) worden geacht als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm’, alsmede
- —
‘de — zeer uitzonderlijke — situatie (waarin het verzekeren van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM de rechter niet noopt tot toepassing van bewijsuitsluiting en evenmin sprake is van een op zichzelf reeds zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte, maar) waarin het desbetreffende vormverzuim naar uit objectieve gegevens blijkt zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen’.
2.4.3
In het arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 ( NJ 2013/308, m.nt. B.F. Keulen; red.) kent elk van die twee categorieën een afzonderlijk beoordelingskader, met ook specifiek daaraan verbonden eisen met betrekking tot het stellen en onderbouwen van de voor de beoordeling relevante omstandigheden. De Hoge Raad is nu van oordeel dat kan worden volstaan met het navolgende gemeenschappelijke, meer globale beoordelingskader, omdat deze twee categorieën in de praktijk niet steeds goed te scheiden zijn en toepassing daarvan als te complex wordt ervaren.
2.4.4
Dit gemeenschappelijke beoordelingskader ziet op gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In die gevallen geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren en met inachtneming van het onder 2.1.3 genoemde uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan.
2.4.5
Los van de hiervoor genoemde gevallen waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, is er grond voor bewijsuitsluiting indien zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. In dat geval berust bewijsuitsluiting niet op de toepassing van artikel 359a Sv, maar vloeit die uitsluiting rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt.
Niet-ontvankelijkverklaring
2.5.1
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 ( NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma; red.), rechtsoverweging 3.6.5 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie:
‘Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.’
2.5.2
De Hoge Raad verduidelijkt de toepassing van deze maatstaf als volgt. De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat — in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens — ‘the proceedings as a whole were not fair’. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet — in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij — daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655( NJ 2010/440, m.nt. T.M. Schalken; red.)), of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1239 ( NJ 1998/879, m.nt. T.M. Schalken; red.)).
2.5.3
In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de onder 2.5.2 besproken maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het is echter niet uitgesloten, zoals onder 2.3.4 is overwogen, dat in zo'n geval strafvermindering ter compensatie van het daadwerkelijk ondervonden nadeel plaatsvindt.
Beoordeling van de feitelijke grondslag van verweren
2.6.1
Indien het verweer wordt gevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan en dat dit moet leiden tot een van de in artikel 359a lid 1 Sv genoemde rechtsgevolgen, moet de rechter beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Bij dat onderzoek naar de feitelijke grondslag kan de rechter zich beperken tot die vaststellingen die in verband met de beslissing over het in het verweer genoemde rechtsgevolg noodzakelijk zijn.
2.6.2
De rechter kan echter een dergelijk verweer zonder onderzoek naar de feitelijke grondslag daarvan verwerpen indien hij tot het oordeel komt dat wat is aangevoerd — ware het juist — niet noopt tot één van de in artikel 359a lid 1 Sv genoemde rechtsgevolgen, bijvoorbeeld omdat het aangevoerde hooguit kan leiden tot de enkele constatering van een vormverzuim. Ook heeft de rechter de mogelijkheid om uit te gaan van de juistheid van de feitelijke grondslag van het verweer en op grond daarvan over te gaan tot het toepassen van het rechtsgevolg. Voor deze laatste werkwijze kan met name aanleiding bestaan bij verweren die betrekking hebben op vormverzuimen die grond kunnen geven tot niet meer dan een beperkte mate van strafvermindering en die berusten op een niet-onaannemelijke feitelijke grondslag, terwijl het doen van nadere en definitieve vaststellingen (de duur van) het strafproces onevenredig zou belasten.
2.6.3
Het staat de rechter verder vrij om — naar aanleiding van een verweer en ook ambtshalve — bij de straftoemeting in enigerlei mate rekening te houden met nadelige gevolgen voor de verdachte van de uitoefening van bevoegdheden tijdens de opsporing, ook als die gevolgen niet zijn veroorzaakt door een vormverzuim (vgl. in verband met media-aandacht over de strafzaak HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3024 ( NJ 2016/111, m.nt. B.E.P. Myjer; red.) en met betrekking tot geweldgebruik door de politie HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1590).’
1.7
In diens arrest van 7 juli 20022. heeft de Hoge Raad ten aanzien van het doorlaatverbod ex. art. 126ff Sv het navolgende overwogen:
‘3.3
Uit de tekst en deze geschiedenis van de totstandkoming van art. 126ff Sv blijkt niet dat die bepaling in het leven is geroepen in het belang van de verdachte. Voorts blijkt daaruit en uit art. 140a Sv dat de handhaving van het verbod op doorlaten onder directe controle van het College van procureurs-generaal en de minister van justitie geschiedt. De verdachte, van wie dus geen rechtens te beschermen belang in het geding is, kan zich niet op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten beroepen voor zijn betoog dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Dat brengt mee dat indien, zoals in het verweer waarop het middel ziet, een beroep wordt gedaan op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten als omschreven in art. 126ff Sv, een dergelijk verweer slechts kan worden verworpen. Het Hof heeft het verweer, ook al is dit op een andere grond geschied, dus terecht verworpen.’
1.8
In zijn conclusie behorend bij het overzichtsarrest van 1 december 2020 heeft Bleichrodt een aantal perspectieven geschetst welke voor het verbinden van rechtsgevolgen aan vormverzuimen pleiten. Zo wijst Bleichrodt onder andere op het preventiesperspectief en het integriteitsperspectief.3. Het preventieperspectief is de geachte dat de toepassing van rechtsgevolgen, of zelfs de mogelijkheid dat rechtsgevolgen zullen worden toegepast, normconform handelen in het voorbereidend onderzoek zou kunnen bevorderen. Dit preventieperspectief laat zich ook omkeren: gebrek aan controle of controle zonder werkelijk machtsmiddel prikkelt niet het in de toekomst met de strafvorderlijke rechtsregels nauw te nemen.4. Het preventieperspectief wordt wel in verband gebracht met het bewaken van de integriteit van het opsporingsapparaat. Toch kan het integriteitsperspectief volgens Bleichrodt van het hiervoor besproken preventieperspectief worden onderscheiden. Dat doet ook Kuiper, die ook de volgende argumenten noemt: een demonstratieargument (het tonen aan het publiek dat ook de overheid zich aan de regels moet houden), een reparatieargument (de overheid mag niet profiteren van door haar bedreven onrechtmatigheden) en een integriteitsargument (het strafproces moet gezuiverd blijven van door onrechtmatigheden besmet bewijsmateriaal, ook wel aangeduid als het medeplichtigheidsargument). Het gaat hierbij, zo stelt Bleichrodt, om rechtsstatelijke noties. Het zonder rechtsgevolg blijven van vormverzuimen brengt niet alleen het gevaar van toekomstig gebrek aan rechtsdiscipline in de opsporing mee (het preventieargument), maar kan ook leiden tot aantasting van de integriteit en het gezag van de (strafvorderlijke) overheid in het algemeen en het onderhavige strafproces als zodanig en van de strafrechter, die voor het verloop van dat strafproces immers de eindverantwoordelijkheid draagt, in het bijzonder.5. Bleichrodt constateert dat op de huidige rechtspraak de kritiek is geuit dat deze de rechter te weinig ruimte verschaft om invulling te geven aan de preventieve functie die de bepaling kan vervullen. Doordat niet of nauwelijks rechtsgevolgen (kunnen) worden verbonden aan bepaalde categorieën van vormverzuimen, zouden met de opsporing belaste autoriteiten het signaal krijgen dat aan door hen begane fouten niet zwaar wordt getild.6.
1.9
In de literatuur zijn er wel vraagtekens gesteld bij de strikte uitleg/toepassing van de Schutznorm door de Hoge Raad in relatie tot het doorlaatverbod.
1.10
Zo meent annotator Buruma dat de uitspraak van de Hoge Raad het einde betekent van enige vorm van rechterlijke toetsing van het doorlaatverbod. Hij wil echter op voorbands niet geloven dat de rechter — zelfs in het geval van door de politie doorlaten van 250 kg cocaïne — daar geen consequenties meer aan mag verbinden. Dit nu Buruma denkt dat bewijsuitsluiting ondanks de Schutznorm wel zou kunnen plaatsvinden en daarenboven uit de achtergrond van art. 126ff lijkt voort vloeien dat de rechter enig gevolg moet kunnen verbinden aan flagrante schendingen nu het opnemen van het doorlatingsverbod in de wet onder meer is ingegeven door de wens om de rechter erop te laten toezien.7. Juist in gevallen waarin er geen aanwijsbare benadeelde partij is bij zeer ongewenst onrechtmatig handelen — zoals volgens het parlement bij doorlating — en er dus ook geen civiele actie mogelijk is, eist de rechtsstaat volgens Buruma het bestaan van een verantwoordingsmechanisme.8.
1.11
Ook Kooijmans heeft aangevoerd dat het doorlaatverbod min of meer om zeep is geholpen door de Hoge Raad en dat het geenszins uitgesloten is dat opsporingsambtenaren (nog steeds) in strijd met artikel 126ff Sv harddrugs en andere schadelijke voorwerpen doorlaten. Kooijmans merkt op dat de strekking van art. 359a Sv weliswaar niet is dat een vormverzuim hoe dan ook tot enig voordeel van de verdachte moet leiden maar dat er naar zijn smaak wel blijvend behoefte is aan een grondige controle door de feitenrechter op de opsporing.9.
1.12
Blom merkt onder meer op dat de strekking van het verbod op doorlaten (primair) de bescherming van burgers tegen gevaarlijke stoffen is. Subsidiair beschermt het verbod de integriteit van het overheidsoptreden, doordat het een eventuele corrumperende werking tegengaat. Tegen de achtergrond van de heersende relativiteitstoets bij de toepassing van processuele sancties acht de wetgever het daarom niet snel waarschijnlijk dat de verdachte zich op een overschrijding van het verbod op doorlaten beroept. Deze beperkte relativiteitstoets is volgens Blom echter niet onomstreden. Zo acht Blom het te verdedigen dat dit anders ligt als de schending van het verbod tot vergaring van gegevens leidt, die vervolgens als bewijsmateriaal tegen de verdachte worden ingebracht. Ook kan worden betoogd dat in het kader van de ontvankelijkheid van het OM, dat OM moet instaan voor een integere opsporing, ook los van de vraag in hoeverre een in concreto terechtstaande verdachte (bewust) in zijn belangen (hoe ook gedefinieerd) is geschaad.10.
1.13
Overigens laat ook de Hoge Raad zelf een zekere ruimte om in gevallen waarin niet aan het relativiteitsvereiste wordt voldaan, toch een sanctie te verbinden aan de onrechtmatige verkrijging van bewijsmateriaal. Daardoor heeft de rechter enige marge om te reageren op vormverzuimen waardoor de verdachte niet in zijn belang wordt geschaad, maar waarin hij het achterwege laten van een reactie op het vormverzuim ongepast vindt. De rechtspraak laat zien dat het hierbij vooral gaat om uitzonderingssituaties, waarin ‘hogere’ belangen aan de orde zijn op grond waarvan bepaald bewijsmateriaal uit het strafproces moet worden geweerd. Aan bewijsuitsluiting staat dan het relativiteitsvereiste niet in de weg.11. Ook Bleichrodt ziet in zijn eerder genoemde conclusie ruimte voor het — ook indien de rechten van de verdachte niet (direct) geschonden zijn — verbinden van zowel de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het OM12. alsmede bewijsuitsluiting13. of strafvermindering.14.
1.14
Samadi voert aan dat er wel een uitzondering op de relativiteitseis gemaakt kan worden indien het belang dat geschonden is zwaarwegend is.15. Samadi wijst uitdrukkelijk naar het doorlaatverbod als voorbeeld van de risico's van de toepassing van de Schutznorm in de zin dat de kans bestaat dat de rechter hierdoor niet stilstaat bij de onderliggende waarde van voornoemde norm waardoor de indruk kan worden gewerkt dat deze waarden niet van belang zijn in het strafproces waardoor ook tekort wordt gedaan aan de beschermende functie van de norm.16. De focus op de (terughoudende) sanctionering van normschendingen en de vormgeving van het toezicht langs de weg van (een zeer beperkte uitleg van) het recht op een eerlijk proces kan volgens Samadi soms zorgen voor onduidelijkheden, aangezien dit eerlijkheidsperspectief een open notie is die niet helemaal gereduceerd kan worden tot een aantal deelnormen die tezamen als de verdedigingsrechten van de verdachte gezien kunnen worden. De Hoge Raad lijkt het recht op een eerlijk proces in relatie tot het thema vormverzuimen naar Samadi's inziens echter wel op deze (beperkte) wijze uit te leggen: in die zin dat het recht slechts ziet op de uitoefening van bepaalde verdedigingsrechten in het vooronderzoek, waarmee geen recht wordt gedaan aan de bredere holistische betekenis die het EHRM hieraan geeft.17. Hierdoor ontstaat volgens Samadi een normeringsgebrek in het rechterlijk toezicht.18. En dat terwijl juist het toezicht door de strafrechter doorwerkt in het gehele stelsel en daarmee een belangrijke richtinggevende en symbolische functie heeft in die zin dat het laat zien dat de strafvorderlijke overheid gehouden wordt aan de wet.19. Samadi beveelt dan ook dat de Hoge Raad het 359a-kader aan zal passen en hierin meer ruimte voor de feitenrechter in zou moeten ruimen.20. Ook Kuiper heeft in zijn dissertatie uit 2014 benadrukt dat voorkomen moet worden dat ‘de in een rechtsstaat belangrijke rechterlijke controlefunctie tekortschiet doordat geen reactie kan volgen die politie en OM in voldoende mate aansporen tot normconformiteit.’21. Hetzelfde geldt voor annotator Jörg die in zijn annotatie bij het overzichtsarrest van 1 december 2020 constateert dat de rechterlijke een belangrijk signaal is in de interne disciplinering van de politie en dat hier ook behoefte aan is.22. Artikel 359a-Sv beperkt de strafrechter ook niet in diens vrijheid om zelfstandig een afweging ten aanzien van het vaststellen en sanctioneren van vormverzuimen te maken. Volgens Brinkhoff is namelijk het meest in het oog springende punt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever de feitenrechter een leidende en vrije rol geeft ten aanzien van de afweging van het soort sanctie dat kan volgen op een onherstelbaar vormverzuim in een concrete strafzaak.23. Brinkhoff heeft ook dan ook een pleidooi gehouden voor het herstel van balans en een terugkeer naar echte rechterlijke vrijheid.24.
1.15
Eerder kwamen Malsch e.a. al tot de conclusie dat het toezicht op strafvorderlijk overheidsoptreden niet functioneert zoals het zou moeten en dat bovenral de rol van de rechter weer moet worden aangekleed omdat deze de beste garanties kan geven voor goed, onafhankelijk en zichtbaar toezicht op strafvorderlijk overheidsoptreden. Het is derhalve, zo menen Malsch e.a., nodig dat de rechter zich weer actiever opstelt.25. Deze aanbeveling wordt onderstreept door (andermaal) Samadi in diens zeer recente bespreking van de door de conceptwetgever aangebrachte aanpassingen in het moderniseringstraject. Hierbij merkt Samadi op dat het verruimen van de reikwijde — gezien de doorwerking hiervan — ook een positieve invloed kan hebben op het toezicht dat door de officier van justitie en het OM wordt uitgeoefend.26. Pitcher en Samadi verwijzen in een (eerder) artikel ook naar Schalken. Schalken koppelt volgens Pitcher en Samadi de notie van integriteitsbewaking aan de rechtsstaatgedachte, maar anders dan Borgers ziet hij integriteitsbewaking als een normatieve functie van de strafrechter die aldus niet zondermeer gecompenseerd kan worden door anderszins toezicht te houden op de opsporing.27. Tot slot stelt ook annotator Blom in zijn annotatie bij het overzichtsarrest van 1 december 2020 vast dat het jammer is dat de Hoge Raad het standpunt herhaalt dat op de strafrechter niet de taak en verantwoordelijkheid rust de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. Dit nu steeds duidelijker wordt dat dit toezicht nergens (op onafhankelijke wijze) plaatsvind.28.
1.16
De hierboven geconstateerde leemte in het toezicht door de strafrechter wringt, des te meer nu in oudere onderzoeken is geconstateerd dat het doorlaatverbod werd ontdoken door bijvoorbeeld informatie over een drugstransport te negeren.29. Uit onderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat het in de praktijk lijkt alsof opsporingsambtenaren methoden ontwikkelen om te voorkomen dat er ‘wetenschap’ ontstaat die ingrijpen vereist. Zij vullen een opsporingsonderzoek soms zo in dat het doorlaatverbod niet nadelig zal zijn voor het onderzoek. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door pas in een later stadium van het opsporingsonderzoek bepaalde personen te gaan tappen. Hierdoor ‘omzeilen’ zij tegelijkertijd de verplichting tot ingrijpen en is een officiële aanvraag op de uitzonderingsmogelijkheid niet nodig.30. Cleiren en Crijns constateren dat in de loop der jaren, naarmate de politieke en maatschappelijke verontwaardiging over de ten tijde van de IRT-affaire gehanteerde opsporingsmethoden steeds verder naar de achtergrond begint te verdwijnen, het geclausuleerde verbod van doorlaten in de jurisprudentie steeds verder wordt genuanceerd. Met name het begrip ‘weten’ in artikel 126 ff lid 1 Sv blijkt in de rechtspraak te worden aangegrepen om de reikwijdte van de verplichting tot inbeslagneming danig in te perken door daaraan vrij hoge eisen te stellen in termen van de benodigde mate van zekerheid.31. Een voormalig officier van justitie noemde het doorlaatverbod reeds in 2003 ‘een lachertje’: ‘Je kijkt gewoon op het goede moment de verkeerde kant uit, dan weet je officieel van niets en hoef je ook niet in te grijpen.’32. Volgens Brinkhoff zou deze leemte een negatief signaal afgeven naar de opsporingspraktijk. Namelijk dat het in toekomstige strafzaken niet of in mindere mate van belang is om door de wetgever gecreëerde normen na te leven. Dit roept volgens Brinkhoff de vraag op hoe dit negatieve signaal zal doorwerken naar de opsporingspraktijk. Brinkhoff vreest dat dit mogelijk een tweede crisis in de opsporing in de hand zal werken.33. Ook Van Buiten meent dat, in een tijd waarin de roep om een harde aanpak van criminaliteit veelvuldig wordt gehoord, het niet ondenkbaar is dat het opsporingsapparaat de grenzen van zijn bevoegdheid opzoekt en deze in voorkomend geval overschrijdt. En het is juist een voorbeeld als de IRT-affaire welke volgens Van Buiten laat zien dat onafhankelijk rechterlijk toezicht onontbeerlijk is.34. Deze leemte in het rechterlijk toezicht zou voorts mogelijk ook in strijd kunnen zijn met het door artikel 6 EVRM beschermde belang van het recht op een eerlijk proces. Dit nu ook in EHRM-rechtspraak de gedachte tot uitdrukking komt dat integriteitsbewaking van de gerechtelijke procedure deel uit kan maken van het eerlijkheidsperspectief ex. Art. 6 EVRM. Pitcher en Samadi achten dit niet verbazingwekkend: immers, uit de notie van holisme die aan EHRM-rechtspraak inzake artikel 6 EVRM ten grondslag ligt, volgt dat de eerlijkheidstoets breder is en zich uitstrekt over de gehele procedure. Dat lijkt mee te brengen dat de rechter in het kader van deze toets zowel rekening dient te houden met (de effectuering van) verdedigingsrechten als zijn verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de eerlijkheid van de procedure als geheel.35.
1.17
In zijn arrest van 4 juli 201736. heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het horen van getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd. Deze motiveringsplicht houdt in dat de verdediging ten aanzien van iedere door haar opgegeven getuige moet toelichten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Aan dit motiveringsvereiste ligt ten grondslag dat de rechter in staat wordt gesteld de relevantie van het verzoek te beoordelen, mede in het licht van de onderzoeksbevindingen zoals deze zich op het moment van het verzoek in het dossier bevinden. Als het verzoek tot het horen van getuigen wordt gedaan met het oog op de onderbouwing van een verweer dat betrekking heeft op de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek en strekt tot toepassing van artikel 359a Sv, wordt van de verdediging gevergd dat zij gemotiveerd uiteenzet waarom daartoe getuigen moeten worden gehoord.37.
(Deelklacht 1a)
1.18
De — ondergetekende — raadsman van verdachte [verdachte], heeft per schrijven van 6 juni 2023 (nader toegelicht ter terechtzitting d.d. 7 juni 2023) nadere onderzoekswensen ingediend. Een van deze onderzoekswensen betrof het verstrekken c.q. ter inzage aanbieden van alle mutaties waarin de informatie m.b.t. het live uitkijken c.q. live luisteren werd vastgesteld en op basis waarvan verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het proces-verbaal ‘live uitluisteren OVC’ en ‘live kijken camerabeelden in de schuur’ hebben opgemaakt. Voor zover het hof dit verzoek zou afwijzen is subsidiair het voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] gedaan.
1.19
Het hof heeft de aanvullende onderzoekswensen per einduitspraak integraal afgewezen. Het verzoek dat de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep d.d. 7 juni 2023 heeft gedaan, is een verzoek tot het horen van een getuige als bedoeld in artikel 315 in samenhang met artikel 328 van het Wetboek van Strafvordering, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Dat geldt ook wanneer het verzoek voorwaardelijk is gedaan en, zoals in dit geval, de daaraan gestelde voorwaarde is vervuld. Het hof heeft nagelaten een beslissing te nemen op het verzoek. Dat verzuim heeft krachtens art. 330 Sv jo. art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.38. Het arrest van het hof dient dan ook te worden vernietigd.
(Deelklacht 1.c)
1.20
Voor relativering van de nietigheid kan plaats zijn indien niet is gebleken van enig in rechte te respecteren belang van de verdachte bij cassatie. Uit de jurisprudentie leidt Spronken af dat het belang ontbreekt in twee situaties, te weten de omstandigheid dat verdediging zich onvoldoende actief heeft opgesteld terwijl in de cassatieschriftuur het belang bij cassatie niet of onvoldoende wordt belicht en het geval waarin het hof het verzoek enkel had kunnen afwijzen.39. Gezien de ingediende, onderbouwde en op zitting nader toegelichte aanvullende onderzoekswensen is van de omstandigheid dat verdediging zich onvoldoende actief heeft opgesteld in ieder geval geen sprake.
1.21
Voor zover de Hoge Raad van oordeel is dat in de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen kennelijk besloten ligt in de afwijzing van het verzoek tot het verrichten van ander onderzoek en/of het hof het verzoek slechts had kunnen afwijzen is de afwijzing onvoldoende met redenen omkleed. De verdediging heeft in de aanvullende onderzoekswensen immers uitdrukkelijk en onderbouwd door argumenten uiteengezet waarom zij de beschikking dan wel inzage willen krijgen over/in alle mutaties waarin de informatie m.b.t. het live uitkijken c.q. live luisteren werd vastgesteld en op basis waarvan verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het proces-verbaal ‘live uitluisteren OVC’ en ‘live kijken camerabeelden in de schuur’ hebben opgemaakt. De genoemde verbalisanten zijn op zitting gehoord en hebben verklaard dat uit de mutaties niet het exacte tijdstip of de duur van het live meekijken kon worden vastgesteld. Volgens de verdediging zou uit de te overleggen mutaties in ieder geval wel de aanvangstijd van het live meekijken kunnen worden opgemaakt hetgeen van belang is voor onderbouwing van het verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod en (onder meer de mogelijke) sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het subsidiair horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] kent eenzelfde belang nu zij betrokken zijn geweest bij het opmaken van bovengenoemde mutaties en derhalve daarover ondervraagd zouden kunnen worden. Dit staat overigens ook in direct verband met de tweede onderzoekswens van de verdediging welke zag op het verstrekken/bieden van inzage in de logbestanden van de mutaties van de politie in Summit waaruit mogelijk wel de duur van het live meekijken nader gespecificeerd zou kunnen worden.
1.22
Nu het verzoek tot het horen van de getuigen in direct verband staan met het door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien van de mogelijke schending van het doorlaatverbod en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen zal dit verweer en de verwerping van het hof hier eerst aan bod komen. Gezien de lengte van de pleitnota en het arrest van het hof zal dit enkel beknopt weergegeven worden onder verwijzing naar de in de pleitnota opgenomen citaten.
(Deelklacht 1b)
1.23
In diens pleitnota heeft mr. Kuijpers uitgebreid het wetsartikel van art. 126ff Sv toegelicht. De raadsman heeft benadrukt dat ‘wetenschap’ in de zin van het artikel moet worden begrepen als een voldoende mate van zekerheid omtrent zowel de vindplaats als aard van de voorwerpen. De raadsman heeft voorts feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit naar voren komt dat deze wetenschap bij de politie op bepaalde data/tijdstippen bestaan heeft. De raadsman acht het hierbij van belang dat naar voren is gekomen dat het onderzoek pas afgerond zou worden indien er bepaalde (hoge) strafeisen geformuleerd zouden kunnen worden. Dit vindt overigens ook zijn bevestiging in de op de terechtzitting van het hof d.d. 2 juni 2023 afgelegde verklaring van verbalisante [verbalisant 1].40. De raadsman heeft er ook op gewezen dat getuige [verbalisant 1] verklaart heeft dat het horen van vuurwapens in het begin bijzonder was maar later niet meer zo en dat er bewust met deelonderzoeken gewerkt is om te voorkomen dat er zou moeten worden ingegrepen. Het door verdachte ondervonden nadeel heeft er in bestaan dat door structureel drugs en wapens door te laten, wetende dat doorlaten in de regel niet binnen het strafproces wordt gesanctioneerd, doorlaten in casu ervoor zorgt dat verdachte de facto de kans wordt ontnomen om structureel onrechtmatig overheidsoptreden in zijn eigen strafzaak aan een onafhankelijke rechter voor te leggen. Dan kan er van equality of arms ex artikel 6 EVRM geen sprake zijn. Zoals gezegd heeft de raadsman zich bij de onderzoekswensen van mr. Poelmeijer aangesloten nu er volgens de raadsman gedurende het proces in hoger beroep meer en meer zicht is verkregen op dat live meeluisteren en -kijken. En dat terwijl in de eerste aanleg al door de officieren betoogd werd dat dit niet of slechts sporadisch gebeurde en het OM weigerde een lijstje te overleveren van dagen en tijdstippen waarop dit gebeurde onder het mom van ‘tactische keuzes’. Er is volgens de raadsman echter helemaal niet ‘sporadisch’ live meegekeken. De officieren spraken niet de waarheid toen en daar. Het gaat volgens de raadsman namelijk om 53 dagen, als het er niet meer zijn geweest.
1.24
Dat de verdediging veel moeite heeft moeten doen om voornoemde informatie over het live meekijken/luisteren naar boven te krijgen blijkt ook uit het feit dat de verdediging al sinds de zitting van de rechtbank in eerste aanleg d.d. 2 december 2020 gevraagd heeft op welke momenten er live is meegekeken/meegeluisterd. In diezelfde lijn is door de raadsman ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 2 februari 2021 verzocht om de teamleider van het onderzoek Alfa/Noord hierover te ondervragen welke onderzoekswens toegelicht en herhaald is op de zitting van de rechtbank d.d. 20 april 2021. Voorts is door de raadsman op de terechtzitting van het hof d.d. 23 maart 2022 verzocht tot het door de politie laten opmaken van een proces-verbaal met betrekking tot het live uitluisteren/kijken. Dit nu er mogelijk onder het tapijt lijkt te worden geveegd dat dit gebeurd is. De raadsman heeft hier andermaal aan gerefereerd op de terechtzitting van het hof d.d. 2 juni 2022. Het verzoek is uiteindelijk op de terechtzitting van het hof d.d. 27 juni 2022 toegewezen. Op de terechtzitting van het hof d.d. 1 augustus 2022 heeft de raadsman hier andermaal naar geïnformeerd. Op de terechtzitting van het hof d.d. 12 december 2022 heeft de raadsman vervolgens geconstateerd/opgemerkt dat het proces-verbaal m.b.t. het live uitluisteren/kijken niet volledig was. Op de terechtzitting van het hof d.d. 27 februari 2023 is vervolgens nader toegelicht waarom het van belang is dat het proces-verbaal nader wordt aangevuld en de tijdstippen van de (live)-opnames moeten worden gespecificeerd. Dit nu de verdediging het opmerkelijk acht dat er volgens de politie achteraf niet meer kan worden vastgesteld op welk moment er precies live wordt meegekeken. De verdediging is kritisch op de opgemaakte proces-verbalen nu er in het verleden ook weleens gebleken is dat processenverbaal bewust onjuist waren opgemaakt. Op de terechtzitting van het hof d.d. 13 maart 2023 heeft het hof de onderzoekswens om nader proces-verbaal over het live uitluisteren/meekijken op te maken toegekend. Tot slot heeft de verdediging — in reactie op de verklaringen van onder meer verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] — zoals hierboven reeds besproken nog nadere onderzoekswensen hieromtrent ingediend.
1.25
Het hof heeft het verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod — en alle drie de mogelijk te verbinden rechtsgevolgen in de vorm van niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering — verworpen. Hiertoe heeft het hof (beknopt weergegeven) allereerst overwogen dat in het proces-verbaal ‘live’ meeluisteren is aangegeven dat slechts in drie periodes live is meegeluisterd. In het proces-verbaal ‘live’ meekijken is gerelateerd dat alleen in de derde periode, te weten op 12 en 13 november ('de klapdagen) ook live is meegekeken. Er is gerelateerd dat op 53 dagen ‘live’ is meegekeken maar dat de exacte tijdstippen niet meer te achterhalen zijn. Mede gezien de nuancering van verbalisant [verbalisant 1] in die zin dat de uitkomsten van de door haar gedane vergelijking met als resultaat 53 momenten, niet betekent dat er daadwerkelijk ‘live ’ is meegekeken; voor elk van die dagen geldt dat het mogelijk is dat een mutatie is aangemaakt om beelden te bekijken die eerder die dag zijn opgenomen. Het hof stelt vast dat op basis van het voorgaande niet kan worden geconcludeerd dat er daadwerkelijk op 53 momenten ‘live ’ is meegekeken, laat staan dat tegelijkertijd ‘live ’ werd meegeluisterd. Daarenboven heeft het hof overwogen dat de 99,4 kg MDMA wel in beslag genomen is en dat ook de inval op het woonwagenkamp op 7 en 8 november maar tot beperkte inbeslagname van strafbare goederen heeft geleid. Het hof heeft overwogen dat het hier om veel verdachten gaat die opereren vanuit een redelijk afgesloten terrein en er aanwijzingen waren dat een aantal van hen somtijds de beschikking had over levensgevaarlijke vuurwapens. Dat uit naderhand afgeluisterde (telefoon)gesprekken of bekeken camerabeelden aanwijzingen of het redelijk vermoeden kon ontstaan dat op enig moment wapens of verdovende middelen aanwezig waren en de verdachten daar kennelijk over konden beschikken, is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat er voldoende wetenschap was over de aanwezigheid van de verboden goederen en de vindplaats daarvan om tot inbeslagneming over te kunnen gaan en dat door dat niet te doen onder regie van politie en justitie bewust illegale goederen op de markt zijn gebracht.
1.26
Ten overvloede heeft het hof overigens nog overwogen dat ware het doorlaatverbod geschonden dit naar het oordeel van het hof — onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest d.d. 2 juli 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD9915, r.o.v. 3.3) dienaangaande heeft overwogen — de verdachte, van wie geen rechtens te beschermen belang in het geding is, zich niet op de niet naleving of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten kan beroepen voor zijn betoog dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Naar het oordeel van het hof doet het door de verdediging gestelde en omschreven nadeel zich niet voor. Daartoe heef het hof aangevoerd dat de strafbare feiten waar de verdachte van wordt verdacht aan een onafhankelijke rechter worden voorgelegd. Voorts kan de verdediging het verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod in deze concrete zaak ook aan de rechter voorleggen die daar vervolgens een oordeel over velt. Deze procedure is met alle rechtswaarborgen omkleed. In zoverre kan het verweer van de verdediging waarbij wordt verzocht al het bewijs verkregen na 7 juni respectievelijk na 7 augustus 2018 omdat op die data sprake zou zijn geweest van schending van het doorlaatverbod, zonder nadere motivering omtrent een oorzakelijk verband tussen het gestelde vormverzuim en het bewijs verkregen na deze data, dan ook niet slagen, zo overweegt het hof. Tot slot overweegt het hof dat los van het voorgaande een eventueel vormverzuim in de zin van schending van het doorlaatverbod nooit tot bewijsuitsluiting kan leiden. Schending van het doorlaatverbod zou weliswaar een vormverzuim zijn, maar een vormverzuim waarbij niet het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM (rechtstreeks) aan de orde is, maar een vormverzuim waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In die gevallen geldt volgens de Hoge Raad als belangrijk uitgangspunt dat dit er niet aan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. In het geval van het doorlaatverbod is dat het belang van de integriteit van betrokkenopsporingsinstanties maar met name ook de belangen van de burgers die slachtoffer kunnen worden van de gevaarlijke stoffen waar het bij het verbod op doorlaten om gaat, en andere belangen van de samenleving. Gevaarlijke goederen moeten inbeslaggenomen worden om het risico te vermijden dat burgers ermee worden geconfronteerd (Kamerstukken II, 1997–1998, 25 403, nr. 7, p. 5). Kortom, het doorlaatverbod ziet volgens het hof niet op bescherming van het belang van de verdachte. Indien het hof uit zou gaan van de juistheid van de stellingen van de verdediging dat in dit onderzoek op bepaalde momenten niet is overgegaan tot inbeslagname waar dat wel (al) had gemoeten, komt het hof tot de conclusie dat gelet op het voorgaande en afgezet tegen het feit dat in dit geval sprake was van een zeer groot onderzoek naar meerdere verdachten en meerdere strafbare feiten, de ernst van de normschending niet zodanig was dit zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting Ook strafvermindering kan niet aan de orde zijn, nu de Hoge Raad daarover heeft overwogen dat voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Van een concreet nadeel van de verdachte is in deze strafzaak niet gebleken. Het hof verwijst hierbij naar het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890.
1.27
Het oordeel van het hof dat er (beknopt weergegeven) geen sprake was van schending van het doorlaatverbod omdat op basis van de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] niet kan worden geconcludeerd dat er daadwerkelijk op 53 momenten ‘live’ is meegekeken en derhalve niet kan worden gezegd dat er sprake was voldoende wetenschap bij de verbalisanten om het doorlaatverbod van toepassing te laten zijn is — mede in het licht hetgeen de verdediging hieromtrent heeft aangevoerd — nu uit het feit dat niet van elke mutatie gesteld kan worden dat er ‘live’ is meegekeken nog niet met zich meebrengt dat dit niet op (een groot) deel van die mutatiemomenten wel gebeurd is. Het voorgaande klemt temeer nu verbalisant [verbalisant 1] zelf verklaard heeft dat er vaker live is meegeluisterd dan alleen in de actieperiode; dat er zo structureel wapengeluid gehoord werd dat het niet eens meer dagelijks gemeld werd; er meer dan eens over het doorlaatverbod gesproken is en dat het doorlaatverbod met zich meebrengt dat je zeker moet weten dat de (verboden) voorwerpen er op dat moment liggen.41. Nu laatstgenoemde opvatting van het ‘weten’ ex. art. 126ff Sv ook een strengere maatstaf behelst dan de door het hof (terecht) als maatstaf benoemde ‘voldoende mate van zekerheid’ heeft de politie (en justitie) het doorlaatverbod onterecht niet van toepassing geacht.42. Hier doet niet aan af dat er op het moment van de inval van 7 en 8 november 2018 weinig tot geen illegale voorwerpen gevonden zijn nu dit geenszins betekent dat er geen andere momenten geweest zijn waar er voldoende zekerheid omtrent de aanwezigheid en locatie van zulke voorwerpen is geweest en voorts de aanwezigheid van een klein aantal illegale/schadelijke voorwerpen ook reeds voldoende had kunnen/moeten zijn om het doorlaatverbod te ‘activeren’.
1.28
Ten aanzien van de overwegingen (ten overvloede) van het hof m.b.t. het — mocht het bestaan van een schending van het doorlaatverbod worden aangenomen of vastgesteld — niet verbinden van enige rechtsgevolgen aan deze schending geldt het volgende.
1.29
Het oordeel van het hof — dat schending van het doorlaatverbod nimmer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan luiden getuigt — mede in het licht van hetgeen onder randnummers 1.8–1.16 besproken is — van een onjuiste rechtsopvatting, althans is ontoereikend gemotiveerd nu er wel degelijk niet-ontvankelijkheid kan worden verbonden aan schendingen die het eerlijk proces van de verdachte niet onomkeerbaar aantasten.43. Zo heeft de HR in diens overzichtsarrest van 1 december 2020 overwogen dat niet-ontvankelijkheid op zijn plaats kan zijn in het geval waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt.44.
1.30
Daarenboven is het oordeel van het hof dat bewijsuitsluiting niet aan de orde zou kunnen zijn — mede in het licht van hetgeen onder randnummers 1.8–1.16 besproken is — ook onjuist, althans onbegrijpelijk nu uit de rechtspraak van de HR zelf juist naar voren komt dat de categorie van vormverzuimen waar bewijsuitsluiting aan kan worden verbonden niet (enkel) is gereserveerd voor gevallen waarin een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte is gemaakt maar dat op de toepasbaarheid van de Schutznorm ook uitzonderingen mogelijk zijn.45.
1.31
Juist in het licht van de hedendaagse maatschappelijke beroering rondom drugs- en wapengeweld en de weerslag welke deze heeft gehad op het functioneren van de democratische rechtsstaat in het algemeen en dat van de togaberoepen in het bijzonder is het van het grootste belang dat politie en justitie geen (noch actieve noch passieve) rol spelen in het faciliteren van drugs- en wapenhandel op grote schaal. Juist deze maatschappelijke beroering vraagt om een opsporingsapparaat en Openbaar Ministerie dat volgens de aan hen gestelde regels opereert en een strafrechter wie strikt toezicht hierop uitoefent. Dit nu het juist dit soort uitzonderlijke maatschappelijke omstandigheden zijn welke politic en Openbaar Ministerie zouden kunnen verleiden om de grenzen van hun bevoegdheden op te sporen om de criminelen te vangen wiens gedragingen onze rechtsstraat ondermijnen. Dit zou echter het tegenovergestelde effect hebben nu onze rechtsstaat juist bestaat bij de gratie van een zuiver en integer strafproces. Dit verklaart ook de evidente (luidkeelse) roep (of beter gezegd: schreeuw) vanuit de literatuur om het vergroten van de rol en vrijheid van de strafrechter in het toezichtskader van artikel 359a-Sv. Het is derhalve niet alleen de verdachte wie van een schending van het vertrouwen in de procedure nadeel ondervindt, maar hiermee wordt ook in meer algemene zin het vertrouwen van de strafrechter in de politie en het openbaar ministerie en het vertrouwen in de strafrechtspleging geschaad. Een dergelijke ontwikkeling zou afbreuk kunnen doen aan de efficiëntie van de rechtshandhaving en aan overwegingen van rechtsstatelijkheid, perspectieven die nu juist mede ten grondslag lijken te liggen aan de huidige lijn van rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van bewijsuitsluiting in het kader van art. 359a Sv.46.
1.32
Tot slot is voorts — mede in het licht van hetgeen onder randnummers 1.8–1.16 is aangevoerd — het oordeel van het hof, dat strafvermindering niet op zijn plaats zou zijn nu niet gebleken is van enig nadeel voor de verdachte, onjuist nu strafvermindering ook (mede) op zijn plaats kan zijn ten behoeve van preventie of bewaking van de integriteit en geloofwaardigheid van het onderhavige strafproces.47. Het voorgaande klemt temeer nu de HR zelf in het overzichtsarrest van 1 december 2020 heeft overwogen dat strafvermindering ook op zijn plek kan zijn in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.48. Gezien het overzicht van de door verdediging betrachte moeite om het proces van ‘live’ meekijken’/afluisteren boven water te krijgen is het oordeel van het hof dat er geen sprake is geweest van nadeel aan de kant van de verdachte en dat derhalve geen strafvermindering zou kunnen volgen onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd.
(Deelklacht 1c)
1.33
Indien de Hoge Raad van oordeel is dat in het oordeel van het hof kennelijk besloten ligt dat het voorwaardelijke getuigenverzoek om verbalisanten [getuige 1] en [getuige 2] te horen geen toegevoegde waarde heeft nu het verweer strekkende tot schending van het doorlaatverbod enkel kan worden verworpen dan wel zonder rechtsgevolg gelaten zou kan worden is dat oordeel van het hof echter onjuist althans ontoereikend gemotiveerd. De getuigenverklaringen hadden immers bij kunnen dragen aan het vaststellen van een mogelijke schending van het doorlaatverbod dan wel het onjuist of misleidend informeren van de rechter hetgeen tot de rechtsgevolgen strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie had kunnen leiden kan niet of in ieder geval niet zonder meer gezegd worden dat de noodzaak van het horen van deze getuigen niet gebleken is.
1.34
Het arrest van het hof kan dan ook niet in stand blijven.
1.35
Voor de volledigheid merk ik tot slot het volgende op. Onderhavig cassatieschriftuur komt in overwegende mate overeen met de cassatieschriftuur zoals deze in de zaak van medeverdachte [verdachte] werd ingediend. De voormalig (cassatie-)raadsman van [verdachte] heeft om hem moverende redenen geen cassatieschriftuur ingediend. Ondergetekende raadsman en cliënt achten het evenwel van groot belang om, nu de (getuigen)verzoeken waar de middelen op zien van eigen hand zijn geweest en in de zaak van [verdachte] verzocht, deze middelen ook in zijn zaak in cassatie aan u voor te leggen. Gelet op het stadium waarin de procedure zich op het moment van de overname bevond, zou het onmogelijk zijn geweest tijdig middelen in te dienen zonder de uitdrukkelijke hulp van mr. Van Berlo. Waarvoor mijn expliciete dank.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Amsterdam, 9 augustus 2024
Advocaat
V. Poelmeijer
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 09‑08‑2024
HR 1 december 2020, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg.
HR 7 juli 2002, NJ 2022/602, m.nt. Y. Buruma.
Zie hieromtrent ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, onder redactie van M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. XVI.11.
CAG Bleichrodt voorafgaand aan HR 1 december 2020, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg, randnummer 56
CAG Bleichrodt 2020, a.w., randnummer 60.
CAG Bleichrodt 2020, a.w., randnummer 59. Zie ook voetnoot 89.
Y. Buruma, noot behorende bij HR 7 juli 2002, NJ 2002/602, par. 2–3.
Buruma 2002, a.w., par. 5.
T. Kooijmans, ‘Elk nadeel heb z'n voordeel? Artikel 359a Sv en de ontdekking van het strafbare feit’, DD 2011/78, par. 2 en 4. Zie ook voetnoot 29 waarin Kooijmans deelt dat het aan opsporingsambtenaren uitleggen dat bepaalde vormverzuimen onder omstandigheden van niet enig rechtsgevolg worden voorzien nogal eens tot de reactie leidt: ‘fijn, dan mag het dus!’.
T. Blom, commentaar op art. 126ff Sv, T&C Strafvordering (actueel t/m 01-01-2024), aant. 16.a.
M.J. Borgers & T. Kooijmans 2021, a.w., par. XVI.12.
CAG Bleichrodt 2020, a.w., randnummer 129 en 133.
CAG Bleichrodt 2020, a.w., randnummer 139.
CAG Bleichrodt 2020, a.w., randnummer 162.
M. Samadi, Normering en toezicht in de opsporing: Een onderzoek naar de normering van het strafvorderlijk optreden van opsporingsambtenaren in het voorbereidend onderzoek en het toezicht op de naleving van deze normen (diss. Leiden), Meijers-reeks. Boomjuridisch, Den Haag, p. 213–214.
Samadi 2020, a.w., p. 364.
Samadi 2020 a.w., p. 365.
Samadi 2020, a.w., p. 388.
Samadi 2020, a.w., p. 400–401. Zie ook S. Brinkhoff, ‘de toepassing van artikel 359a Sv anno 2016. Een pleidooi voor het herstel van balans en de terugkeer naar echte rechterlijke vrijheid.’, DD 2016/8, par. 2.
Samadi 2020, a.w., p. 402–403.
R. Kuiper, Vormfouten Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (diss. Nijmegen), Wolters Kluwer: Deventer 2014, p. 407 onder verwijzing naar de noot van Buruma behorende bij HR 2 juli 2002, NJ 2002/602.
N. Jörg, annotatie behorende bij HR 1 december 2020, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg, randnummer 3.
S. Brinkhoff, ‘de toepassing van artikel 359a Sv anno 2016. Een pleidooi voor het herstel van balans en de terugkeer naar echte rechterlijke vrijheid.’, DD 2016/8, par. 2.
Brinkhoff 2016, a.w., par. 2.
M. Malsch e.a., ‘Is het totaal meer dan de som der delen?’, NJB 2017/2278.
M. Samadi, ‘Toch minder ruimte voor het rechterlijk toezicht in het nieuwe wetboek? Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald’, Platform Modernisering Strafvordering 2024, p. 7–8.
K.M. Pitcher & M. Samadi, ‘Integriteit als perspectief bij de rechterlijke reactie op vormverzuimen’, DD 2018/59, par. 3.1 met verwijzing naar het navolgende citaat: ‘Het belang van het ceremoniële karakter van de strafprocedure mag dan in de loop van de tijd zijn afgenomen, maar het altaar staat nog steeds overeind. De bediening door de strafrechter bestaat eruit dat hij de zuiverheid en integriteit van de kern van het proces bewaakt. Hij vervult geen administratieve, maar een normatieve functie. Hij bepaalt, bij de uitvoering van democratisch vastgestelde regels, aan welke grens politie en justitie in een rechtsstaat gebonden zijn’: T.M. Schalken, noot behorende bij HR 9 september 2014, NJ 2014/420, m.nt. T.M. Schalken.
Blom, ‘Vormverzuimen: een never ending story’, annotatie bij Hoge Raad, 01-12-2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 (SR-2020- 0374), p. 7.
J.C. Wevers, Geschiedenis van de Nederlandse drugsbestrijding (1961–2011). Het Dirty Harry-probleem, Universiteit van Amsterdam 2020, p. 353
A. Beijer, e.a., De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden, Boom 2004 aangehaald in L.Hoes en E Kleemans, Niemand wil dode Chinezen in een afgesloten container, Proces 2018, p. 291–306.
Cleiren, C. P. M., & Crijns, J. H. (2010). Beginselplicht tot voortvarendheid in de strafrechtelijke rechtshandhaving? In G. K. Schoep, J. L. van der Leun, & P. M. Schuyt (Eds.), Meijers-reeks (pp. 17–35). Deventer: Kluwer, p. 26.
Wil van der Schans & Jelle van Buuren, Keizer in lompen. Politiesamenwerking in Europa (© 2003 Stichting Uitgeverij Papieren Tijger), p. 195. Langendoen stelt dan ook vast dat er hierdoor in feite geen sanctie meer staat op het toepassen van illegale opsporingsmethoden: p. 222. Zie voor een eenzelfde (meer recent) soort voorbeeld m.b.t. de herintroductie van de criminele burgerinfiltrant: S.L.J. Janssen, ‘Partner in prosecution’, NJB 2020/2165 en B. Groothoff, ‘De terugkeer van de criminele burgerinfiltrant in de rechtspraak. Een analyse van de regelgeving omtrent criminele burgerinfiltratie aan de hand van de Vidar-zaak’, DD 2023/6. Recent heeft de HR ook een tweetal arresten over het Tallon-criterium gewezen: HR 28 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024770 en HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:814.
Brinkhoff 2016, a.w., par. 2.
N. van Buiten, ‘De modernisering van de wet BOB — Herinneren we ons de IRT-affaire nog?’, DD 2016/10, par. 6.
Pitcher & Samadi 2018, a.w., par. 3.2.
ECLI:NL:HR:2017:1015 ( NJ 2017/440, m.nt. T. Kooijmans.
HR 15 november 2022, NJ 2023/58, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.4.1.
HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:121, r.o. 2.4, alsmede de bijbehorende conclusie van A-G Spronken, randnummer 2.9.
CAG Spronken voorafgaand aan HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:121, randnummers 2.9–2.10.
Proces-verbaal terechtzitting hof d.d. 2 juni 2023, p. 211–212.
Proces-verbaal terechtzitting hof d.d. 2 juni 2023, p. 201 en p. 203.
Het zal in dit geval immers moeten gaan om aanwijzingen die redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel laten dat de in artikel 126ff Sv aangeduide voorwerpen op de betreffende plaats aanwezig zijn, zie hiervoor de antwoorden van Minister Blok op vragen van Van Nispen, Segers en Verhoeven, TK 2016–2017, aanhangesel van de Handelingen, 1238.
Zie in het bijzonder in relatie tot het doorlaatverbod: HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308, m.nt. Schalken.
HR 1 december 2020, NJ 2021/169, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.5.2 onder verwijzing naar HR 8 september 1998, ECL:NL:HR:1998:ZD1239 ( NJ 1998/879, m.nt. T.M. Schalken).
Zie randnummer 1.x en HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1402, NJ 1999/290.
CAG Bleichrodt 2020, a.w., randnummer 116, onder verwijzing naar F.C.W. de Graaf & L. Kesteloo, ‘Welke mogelijkheden bestaan er om op grond van artikel 359a Sv rechtsgevolgen te verbinden aan fouten in het strafdossier?’, DD 2016/21.
CAG Bleichrodt 2020, a.w., randnummer 162.
HR 1 december 2020, NJ 2021/169, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.4.3 en 2.5.3.