Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.2.3:IX.2.3 Gevolgen van het rechtsbeginselkarakter
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.2.3
IX.2.3 Gevolgen van het rechtsbeginselkarakter
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593988:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Rozemond 1998, p. 333-335.
§ IV.4.1.3-4.1.6.
§ VI.5.2.1.
§ VIII.3.3.
§ VIII.3.
§ VIII.6.
Vgl. § VII.5.1, VII.6.2 en VII.7.4.
Volgens Dworkin spelen beginselen vooral in ‘hard cases’ een bepalende rol bij de rechtsvinding en/of rechtsvorming. Zie over de functie van rechtsbeginselen in ‘moeilijke gevallen’ ook Rozemond 1998, p. 185; Schlössels 2004, p. 31 e.v.
Zie nader § VIII.2.
§ VII.6.2 en 6.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit rechtsbeginselkarakter heeft consequenties voor de wijze waarop de onschuldpresumptie en haar werking moeten worden begrepen. Karakterisering als rechtsbeginsel scherpt in dat de onschuldpresumptie van de daaruit voortvloeiende regels moet worden onderscheiden.
Ten eerste rechtvaardigt een en ander de in dit boek gekozen benadering, waarin niet alleen aandacht is geweest voor de positiefrechtelijke neerslag van de onschuldpresumptie, maar ook voor de achtergronden en onderliggende argumenten die bepalend zijn voor de inhoud van het beginsel als zodanig. Beginselen zijn complexe constructies die niet los kunnen worden gezien van hun historische achtergronden, hun inbedding in het bestaande rechtssysteem en van de normatieve theorieën waarop dat systeem is gebaseerd. De betekenis van een beginsel is nooit volledig af te leiden uit de in één rechtssysteem geldende rechtsregels, maar wordt mede bepaald door de argumenten en redenen die aan een beginsel ten grondslag liggen.1 Een (re-) constructie van een beginsel vergt derhalve begrip voor de achtergronden en bestaansredenen ervan. Met name met de hoofdstukken II tot en met IV is beoogd bij te dragen aan het conceptuele begrip van de onschuldpresumptie als beginsel door de historische ontwikkeling ervan te ontrafelen en de diverse bestaansgronden ervoor te identificeren en analyseren.
Ten tweede begrenst de constatering dat de onschuldpresumptie een rechtsbeginsel is ook de verwachtingen die men van het beginsel kan koesteren. Rechtsbeginselen zijn algemeen van aard en moeten worden beschouwd als optimalisatiegeboden die niet steeds een hapklare oplossing voor een rechtsvraag bieden. Ook de onschuldpresumptie mondt niet altijd uit in dwingende rechtsregels. Dat is echter niet zozeer een tekortkoming van het beginsel, maar ligt veeleer in de aard van rechtsbeginselen besloten. Het is aan de uitleggers van het verdragsrecht, en daarnaast aan de wetgever en rechter op nationaal niveau om aan dat beginsel handen en voeten te geven.
Een voorbeeld: in dit boek is uitvoerig betoogd dat uit de onschuldpresumptie is af te leiden dat bepaalde motieven geen rechtvaardiging voor de toepassing van dwangmiddelen vormen en dat proportionaliteits- en subsidariteitsafwegingen strikt en zonder assumptie dat de verdachte zal worden veroordeeld moeten plaatsvinden.2 Dit optimalisatiegebod blijkt door het EHRM in de rechtspraak over artikel 5 EVRM weliswaar te zijn neergelegd, maar de toetsing van de naleving daarvan is terughoudend.3 Aan de onschuldpresumptie en daardoor ingegeven normen blijkt de Nederlandse over voorlopige hechtenis oordelende rechter beperkt gewicht toe te kennen.4 Begrijpt men de onschuldpresumptie als beginsel in hier bedoelde zin, dan betekent een en ander nadrukkelijk niet dat het beginsel geen beperkend-normerende inhoud heeft met relevantie voor de toepassing van dwangmiddelen. De betekenis en de richting waarin de onschuldpresumptie wijst, zijn helder en eenduidig. Waar het werkelijk op aankomt, is hoeveel – al dan niet doorslaggevend – gewicht eraan door rechtsvindende en -vormende organen wordt toegekend bij botsing met andere belangen en beginselen.
Aanvaarding van het beginselkarakter van de onschuldpresumptie en – in het verlengde daarvan – van het onderscheid tussen het beginsel als constructie van argumenten en de daaruit voortvloeiende concreet toepasbare rechtsregels, stelt tevens in staat functies van het beginsel als constructie van argumenten te erkennen naast de functies van de erop gebaseerde rechtsregels. Het beginselkarakter legt anders gezegd bloot dat de onschuldpresumptie meer is dan de som van de daarop (welbewust) gebaseerde rechtsregels. Het beginsel als zodanig helpt het positieve recht te verklaren, te systematiseren en te vormen. Zo verklaart de onschuldpresumptie waarom dwangmiddelen, anders dan sancties, proportioneel en subsidiair moeten zijn in het licht van het ermee na te streven doel.5 Het onschuldvermoeden verklaart bijvoorbeeld ook waarom bepaalde gronden voor de afwijzing van schadevergoeding voor ondergaan voorarrest onwenselijk zijn.6 Het helpt daarnaast het systematisch verband te zien tussen artikel 338 Sv, de maatstaf voor de verwerping van een beroep op een strafuitsluitingsgrond en de rechtspraak van de Hoge Raad over de vraag of uit het zwijgen van de verdachte conclusies kunnen worden getrokken.7
Niet alleen betekent een en ander dat de onschuldpresumptie kan worden herkend in het huidige samenstel van rechtsregels. Ook heeft zij daarbuiten argumentatieve relevantie voor de toepassing, vinding en vorming van het recht. Omdat de onschuldpresumptie niet uitsluitend bestaat voor zover het beginsel in rechtsregels is neergelegd, kan zij aan de aan de vorming van nieuwe rechtsregels bijdragen, zowel op het terrein van wetgeving zowel als in de rechtspraak.8 Zo kent Nederland geen wettelijke regeling die afbakent in hoeverre overheidsfunctionarissen zich over lopende strafzaken mogen uitlaten en welke grenzen zij daarbij in acht moeten nemen. Aangezien dat een algemene, veel voorkomende afweging tussen grondrechten betreft, lijkt het primair de taak van de wetgever die vraag te beantwoorden.9 Bij de totstandkoming van zo’n regeling is niet alleen de EVRM-rechtspraak van belang, maar behoort ook de onschuldpresumptie als constructie van argumenten mijns inziens één van de richtinggevende principes te zijn. Van een andere orde is de maatstaf voor de verwerping van een beroep op een strafuitsluitingsgrond. De wet biedt geen aanknopingspunten voor de wijze waarop moet worden beslist bij twijfel over de feitelijke juistheid van een beroep op een strafuitsluitingsgrond. De Hoge Raad acht beslissend of het verweer ‘aannemelijk is geworden’. In hoofdstuk VII komt naar voren dat bij de formulering van dat criterium (in plaats van het vroegere ‘blijken’) de onschuldpresumptie als beginsel waarschijnlijk een zeker gewicht is toegekend, maar bepleit ik niettemin een aan minder ambiguïteit lijdende maatstaf die aan de onschuldpresumptie in hogere mate tegemoet komt.10