Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.2.2
IX.2.2 Beginselkarakter
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600915:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In die variëteit kan overigens wel categorisering worden aangebracht, zie bijvoorbeeld Schlössels 2004, p. 24 e.v.
Vgl. Rozemond 1998, p. 193: “[...] mechanische scheidslijnen tussen regels en beginselen kunnen een verlammende werking hebben. De rechtsvinding wordt verlamd zodra strikte definities voor regels en beginselen de doorslag geven bij de uitleg van rechtsnormen.”
Zie. o.a. Scholten 1949a, p. 403-404; Dworkin 1977, p. 40; Cliteur 1989, p. 422-423; Meuwissen 1991, p. 742; Schlössels 2004, p. 14 en 21.
Vgl. o.a. Dworkin 1977, p. 22; Meuwissen 1991, p. 733-734; Soeteman 1991, p. 752-753; Perry 1997, p. 788; Rozemond 1998, p. 189; Brouwer e.a. 2004, p. 121-122.
Zo Scholten 1949a, p. 402-403; Leijten 1991, p. 729; Brouwer e.a. 2004, p. 122. Vgl. ook Gerards 2012b, p. 21-22.
Zie o.a. Leijten 1991, p. 729; Soeteman 1991, p. 749; Rozemond 1998, p. 185-187; Brouwer e.a. 2004, p. 121; Fedorova 2012, p. 9.
Vgl. o.a. Dworkin 1977, p. 24-27; Nicolai 1990, p. 251; Meuwissen 1991, p. 734; Perry 1997, p. 788; Alexy 2000; Schlössels 2004, p. 23-24; Ávila 2007, p. 11.
Dworkin 1977, p. 26-27; Nicolai 1990, p. 251-252; Perry 1997, p. 789; Brouwer e.a. 2004, p. 121; Alexy 2000, p. 296-297; Ávila 2007, p. 11; Fedorova 2012, p. 9-10; Gerards 2012b, p. 25.
Zie uitvoerig hfdst. II.
Zie § III.4 en § IV.3.
Zie bijv. ook de recente proefschriften van Kraniotis 2016 (vertrouwensbeginsel bij interstatelijke samenwerking) en Van Toor 2017, hfdst. 7 (nemo-teneturbeginsel).
Rozemond 1998, p. 194.
Zie daarover § IV.2.4.
§ VI.5.3.
§ VI.5.2.
§ VI.3.2.
Zie in hfdst. VII bijv. § 3; § 5.1 en in hfdst. VIII bijv. § 3.1; § 3.4; § 4.1; § 5.1.
Zie daarover § VIII.5.
Daarnaast is de onschuldpresumptie een beginsel. De term ‘beginsel’ heeft zelf een nogal diffuse betekenis. Veel knappe rechtstheorie en -filosofie is gewijd aan de definitie van beginselen, hun plaats in het recht, of zij van het positieve recht als zodanig onderdeel uitmaken en of zij van rechtsregels gradueel dan wel logisch-kwalitatief verschillen. Het is hier niet nodig daarover een standpunt aan de lezer op te dringen. Volstaan kan worden met de constatering dat het gebruikelijk is bepaalde rechtsfiguren als rechtsbeginselen aan te duiden en dat dergelijke aanduiding algemeen aanvaard is.
De variëteit binnen deze categorie rechtsfiguren is groot. Sterk uiteen lopen de functies van rechtsbeginselen, hun rechtsgevolgen, de mate van codificatie en de mate waarin zij voor onze samenlevingsvorm van fundamenteel belang zijn.1 Het lijkt dan ook niet goed mogelijk tot een algemene, de lading dekkende definitie te komen van wat een beginsel is en dat is mogelijk zelfs onwenselijk.2 Toch bestaat in grote lijnen overeenstemming over hetgeen beginselen kenmerkt en wat beginselen – gradueel dan wel kwalitatief – onderscheidt van rechtsregels. Beginselen delen diverse gemeenschappelijke eigenschappen met elkaar, zij het dat niet ieder beginsel aan alle eigenschappen zal voldoen. Ik noem er zes.
Rechtsbeginselen zijn doorgaans historisch gegroeid en geworteld. Zij worden niet gecreëerd of opgeheven door een wetgever of rechter. Zij hebben ook geen datum van inwerkingtreding. Een baanbrekend arrest over een beginsel is dikwijls een belangrijke mijlpaal in de ontwikkeling ervan, maar signaleert niet het ontstaan, hooguit de (formele) erkenning ervan. Met rechtsregels hebben rechtsbeginselen gemeen dat zij tijd- en plaatsgebonden zijn. Rechtsbeginselen zijn afhankelijk van de op een tijd en plaats heersende rechtscultuur, maar die rechtscultuur is over het algemeen zo bestendig dat beginselen aan minder verandering onderhevig zijn dan rechtsregels.3
Rechtsbeginselen zijn daarnaast tevens normen van moraal.4 Een rechtsbeginsel waarvan de ethische juistheid niet wordt beaamd, kan niet (langer) als zodanig worden aanvaard. Het betekent ook dat het rechtsbeginsel weliswaar in rechtsregels op meer of minder volmaakte wijze tot uitdrukking komt, maar dat de betekenis van het beginsel niet zuiver positiefrechtelijk is.
Voorts hebben rechtsbeginselen veelal een zekere evidentie, waarmee wordt bedoeld dat zij zich opdringen als een vanzelfsprekend en nauwelijks betwistbaar besef.5
Bovendien zijn rechtsbeginselen algemeen van aard.6 Zij laten zich mede daardoor niet rechtstreeks toepassen. Zij liggen vaak aan andere, concretere normen ten grondslag. Met die concretere normen kan de bescherming van het beginsel zijn beoogd, maar de rechtsbeoefenaar of -wetenschapper kan het beginsel ook ‘ontdekken’ door in een cluster van rechtsnormen de gemeenschappelijke, onderliggende waarde te herkennen.
Dat beginselen zich moeilijk lenen voor rechtstreekse toepassing ligt deels aan het genoemde algemene karakter, maar ook aan hun structuur. Het ontbreekt beginselen namelijk aan de rechtsregels kenmerkende conditionele structuur. Op grond van een rechtsregel treedt een zeker rechtsgevolg in zodra zich bepaalde rechtsfeiten voordoen. Beginselen bieden geen hapklare oplossingen, maar wijzen en sturen in een bepaalde richting. Zij zijn optimalisatiegeboden.7
Dat heeft consequenties voor situaties waarin rechtsbeginselen met elkaar conflicteren. Botsen twee rechtsregels met elkaar, dan moet aan de hand van een derde regel, een conflictregel, één regel buiten werking blijven. Een regel geldt, of hij geldt niet. Beginselen hebben niet deze alles- of-niets-structuur, maar dragen een gewicht dat kan worden afgewogen tegen het gewicht van andere rechtsnormen. Aldus verliest het beginsel bij strijd met een ander beginsel niet zijn werking, maar houdt het bete kenis, ook als eraan in het concrete geval geen doorslaggevende waarde wordt toegekend.8
De onschuldpresumptie bezit veel van deze aan rechtsbeginselen toegedichte eigenschappen. Ten eerste is gebleken dat de presumptie van onschuld een historisch gegroeid principe behelst, dat al lange tijd bestaat en waarvan de inhoud en werking gradueel zijn geëvolueerd. Niet de invoering ervan door een wetgever heeft de onschuldpresumptie tot stand gebracht, maar de ontwikkeling van het algemeen rechtsbewustzijn door de eeuwen heen.9
Het beginsel is dan ook op te vatten als morele waarde. De grondslagen ervan zijn ethische argumenten die tot op de dag van vandaag een grote zeggingskracht hebben. In dit boek zijn drie grondslagen voor de bewijsdimensie (niet veroordelen van onschuldigen; rechtsstatelijkheid; procesautonomie) en vijf voor de behandelingsdimensie (niet benadelen van onschuldigen; procedurele rechtvaardigheid; gezag van de procedure; inscherping onzekerheid bij overheidsautoriteiten; voorkomen beïnvloeding waarheidsvinder) geïdentificeerd. Die grondslagen zijn verschillend van karakter. Sommige verwijzen op hun beurt naar normatieve theorieën en beginselen die onderbouwing behoeven (bijv. procesautonomie, rechtsstatelijkheid), andere vertegenwoordigen een autonoom moreel besef (niet veroordelen onschuldigen) of zijn meer pragmatisch van aard (voorkomen beïnvloeding zittingsrechter/jury).10 De onschuldpresumptie vormt een kader ter behartiging van die belangen.
De evidentie van de onschuldpresumptie is mogelijk beperkt. Het komt mij voor dat het beginsel bij het algemene publiek niet zo vanzelfsprekend op instemming kan rekenen als beginselen van gelijkheid, rechtszekerheid en machtenscheiding bijvoorbeeld. Er zijn echter meer beginselen die een wat uitvoeriger uitleg en verdediging behoeven, maar desalniettemin die verdediging over langere tijd waard blijken.11 Rozemond heeft over het legaliteitsbeginsel bijvoorbeeld opgemerkt dat het een bondig geformuleerd beginsel betreft, waarachter een complexe argumentatie schuilgaat, die verwijst naar en gefundeerd is in theorieën over onder meer de scheiding der machten en de plaats van de rechter in een democratische rechtsstaat.12 Ook de presumptie van onschuld heeft zo’n complexe, achterliggende argumentatie. Daarbij wordt een vanzelfsprekende overtuigingskracht verder belemmerd doordat de bondige formulering ervan verwarring creëert. Een recht ‘voor onschuldig te worden gehouden’ wekt vooral in de sfeer van de behandelingsdimensie de indruk een zo ver strekkende inhoud te hebben dat daarmee moeilijk in te stemmen valt.13
De algemeenheid van de onschuldpresumptie is wel uitvoerig gebleken. Zij valt uiteen in twee dimensies en ook die zijn nog niet rechtstreeks toepasbaar. Uit de dimensies zijn (sub)normen afleidbaar die zelf ook weer als optimalisatiegeboden te begrijpen zijn. Hun werking is evenwel te herkennen in tal van rechtsregels. Te denken valt natuurlijk in de eerste plaats aan de rechtsregels die het meest rechtstreeks gebaseerd zijn op de positiefrechtelijke codificatie van het beginsel. Dat zijn de in de rechtspraak van het EHRM en het VN Mensenrechtencomité uit artikel 6 lid 2 EVRM en artikel 14 lid 2 IVBPR afgeleide regels en de bepalingen van de richtlijn. Op internationaal niveau manifesteert het beginsel zich daarnaast in de uitleg van het verbod op vernederende behandeling,14 het recht op vrijheid,15 en in de verhouding tussen het recht op vrije meningsuiting en het recht op een onbezoedelde reputatie.16 En ook op nationaal niveau zijn er diverse rechtsregels die – al dan niet bewust – uitdrukking geven aan de grondgedachte dat eenieder de onschuldpresumptie toekomt.17
Doordat de onschuldpresumptie niet de conditionele structuur van een rechtsregel heeft, is het ook niet steeds goed mogelijk gebleken te toetsen in hoeverre het Nederlandse strafprocesrecht eraan voldoet. Een optimalisatiegebod kan meer of minder gewicht toekomen, daarmee kan meer of minder spanning bestaan en de eerbiediging ervan kan meer of minder volmaakt plaatsvinden. Anders dan een rechtsregel biedt de onschuldpresumptie geen hapklare oplossingen, waaraan het strafproces wel of niet beantwoordt. Uiteraard is nagegaan in hoeverre het strafprocesrecht voldoet aan de concretisering van het beginsel in regels van internationaal recht, maar daarnaast kon tevens worden onderzocht in welke mate aan het beginsel als zodanig in de Nederlandse strafrechtspleging gewicht wordt toegekend.
Aan de onschuldpresumptie tegengestelde belangen en beginselen zijn te identificeren en dat leidt soms tot afweging die ten nadele van de onschuldpresumptie uitvalt. Een ontwikkeling in die richting is bijvoorbeeld zichtbaar bij de dadelijke tenuitvoerlegging van door de strafrechter opgelegde, nog niet onherroepelijke sancties. Andere belangen en beginselen dan de onschuldpresumptie hebben kennelijk de afgelopen periode aan belang gewonnen, nu op het daaraan uitdrukking gevende uitgangspunt van artikel 557 Sv in toenemende mate uitzonderingen worden gemaakt.18 Dat het beginsel niet steeds doorslaggevend is, betekent echter niet dat de rol ervan is uitgespeeld in de afwegingen van zowel de wetgever die over nieuwe uitzonderingen dient te beslissen, als de rechter die de dadelijke executie van een sanctie daadwerkelijk beveelt.
De onschuldpresumptie voldoet aldus in ruime mate aan de in de literatuur onderkende kenmerken van een beginsel. Van een rechtsbeginsel kan derhalve worden gesproken.