Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 juni 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2720.
HR, 22-04-2025, nr. 23/02539
ECLI:NL:HR:2025:580
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-04-2025
- Zaaknummer
23/02539
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Juridische beroepen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:580, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:2720
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:94
ECLI:NL:PHR:2025:94, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:580
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑04‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0167
Uitspraak 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Passieve ambtelijke omkoping door als gerechtsdeurwaarder vrouwen met schulden onder druk te zetten hun financiële zorgen door hem te laten verlichten in ruil voor seks, art. 363.1.3 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Uitleg bestanddeel “in zijn bediening” a.b.i. art. 363.1.3 (oud) Sr. Uit totstandkomingsgeschiedenis van art. 363 (oud) Sr volgt dat art. 363.1.3 (oud) Sr strafbaar stelt het vragen van voordelen i.v.m. dienstverrichtingen die strijdig zijn met ambtsplicht. Deze bepaling is onderdeel van wetgeving die ertoe strekt vertrouwen in openbaar bestuur te beschermen, dat wordt geschaad door laakbaar niet-integer gedrag van personen die bij overheid werken of openbaar ambt bekleden. Zij is niet van toepassing op het vragen van giften, beloften of diensten door deze personen v.zv. dat op geen enkele wijze verband houdt met hun werkzaamheden in ambtelijke dienst. Van het vragen door ambtenaar van gift, belofte of dienst teneinde hem ertoe te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten a.b.i. deze bepaling, kan ook sprake zijn als ambtenaar zich, als tegenprestatie voor de door hem gevraagde gift, belofte of dienst, bereid toont om relatie met hem te doen ontstaan en/of te onderhouden waarbinnen hij voorkeursbehandeling zal kunnen geven (vgl. HR:2017:641). Hof heeft vastgesteld dat verdachte in uitoefening van zijn ambt als gerechtsdeurwaarder bij slachtoffers kwam vanwege schulden die zij hadden en dat verdachte hen in dat verband heeft gevraagd om seksuele diensten waarmee die schulden in natura konden worden betaald of in ruil waarvoor hij iets zou kunnen betekenen, regelen of oplossen wat betreft het verminderen of wegnemen van die schulden. Hof heeft ook vastgesteld dat verdachte als gerechtsdeurwaarder met deze voorstellen om openstaande schulden “op andere wijze” weg te nemen of te verminderen, slachtoffers ertoe heeft willen bewegen hem seksuele diensten te leveren en zo relatie te doen ontstaan waardoor zij van hem voorkeursbehandeling zouden krijgen. Hof heeft o.g.v. deze feitelijke en toereikend gemotiveerde vaststellingen geoordeeld dat voorkeursbehandeling, die verdachte zijn slachtoffers voorstelde als tegenprestatie voor de door hem gevraagde seksuele diensten, kan worden aangemerkt als doen of nalaten “in zijn bediening” als ambtenaar. ‘s Hofs oordeel hof geeft ook niet blijk van onjuiste rechtsopvatting omtrent bestanddeel “in zijn bediening” a.b.i. art. 363.1.3 (oud) Sr. In dat verband is van belang dat contacten van verdachte met slachtoffers steeds voortkwamen uit zijn werkzaamheden als gerechtsdeurwaarder die slachtoffers bezocht teneinde openstaande schulden in te vorderen en dat verdachte die slachtoffers telkens in dat verband om seksuele diensten heeft gevraagd in ruil voor voordelen die bestonden uit hetzij directe vermindering van die schulden, hetzij geld om die schulden te voldoen. Dat denkbaar is dat verdachte ook aan persoon die hij niet bezocht als gerechtsdeurwaarder en/of die niet in zo’n schuldpositie verkeerde had kunnen vragen of deze bereid zou zijn seksuele diensten te verrichten in ruil voor geld, ontneemt aan de door hof vastgestelde context van bewezenverklaarde gedragingen van verdachte niet dat deze hier hebben plaatsvonden “in zijn bediening”. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02539
Datum 22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 juni 2023, nummer 20-002056-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof bij de onder 5 tot en met 8 bewezenverklaarde feiten een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel ‘in zijn bediening’, zoals bedoeld in artikel 363 lid 1, aanhef en onder 3°, (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
2.2.1
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte onder 5 tot en met 8 bewezenverklaard dat:
“5. hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 mei 2005 tot en met 30 november 2006 te [plaats] , als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] B.V. te [plaats] ,
een dienst, te weten
- het hebben van seks met hem, verdachte, en/of
- het verrichten van seksuele handelingen met/bij hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 1] ., teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten.
6. hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 te [plaats] , als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] B.V. te [plaats] ,
een dienst, te weten het
- hebben van (een avondje vrije) seks met hem, verdachte, en/of
- verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 4] , teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.
7. hij op of omstreeks 12 januari 2011 in [plaats] , als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] B.V. te [plaats] , in elk geval als ambtenaar,
een dienst, te weten het
- hebben van seks met hem, verdachte, en/of
- verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 2] , teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.
8. hij op of omstreeks 20 september 2012 in [plaats] , als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] B.V. te [plaats] , in elk geval als ambtenaar,
een dienst, te weten het
- aan hem, verdachte, in natura betalen (door het verrichten van seksuele handelingen met/bij hem, verdachte),
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 3] , teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 mei 2017 (...), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
Op maandag 1 mei 2017 verrichtte ik, [verbalisant 1] , tactisch onderzoek teneinde vast te kunnen stellen of en op welk moment [verdachte] aangesteld was als gerechtsdeurwaarder.
Bij de inbeslaggenomen goederen onder A1.0.1.01.023 trof ik de navolgende bescheiden aan die hierop betrekking hebben:
- Een brief van de Arrondissementsrechtbank te [plaats] , waarin onder andere staat vermeld dat [verdachte] op 28 juni 1995 zijn eed aflegde daar hij bij Koninklijk Besluit d.d. 19 mei 1995 benoemd was tot deurwaarder in vaste dienst bij de Arrondissementsrechtbank te [plaats] en het kantongerecht te [plaats] (bijlage 5);
- Een brief van [getuige ] te [plaats] gericht aan de Minister van Justitie d.d. 14 januari 1995 met het verzoek om de aanwijzing van [verdachte] als kandidaat-deurwaarder bij voornoemd kantoor per 1 februari 1995 goed te keuren (bijlage 9);
- Een brief van [getuige ] te [plaats] gericht aan [verdachte] d.d. 13 februari 1995 inzake de beschikking tot toegevoegd kandidaat-deurwaarder van [verdachte] bij voornoemd kantoor, met bijlagen van het ministerie van justitie, sollicitatiebrieven van [verdachte] en een verklaring omtrent het gedrag van [verdachte] (bijlage 10).
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 31 januari 2017 (...), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige ] :
In 1997 is besloten om samen met [verdachte] een maatschap aan te gaan.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2017 (...), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :
Nadat de Officier van Justitie [...] had medegedeeld dat wij naar aanleiding van een onderzoek naar mogelijke strafbare handelingen van [verdachte] kwamen en dat wij op grond van dit onderzoek een doorzoeking in het bedrijfspand wilden doen, gaf de directeur onder andere het volgende aan:
- Dat [verdachte] op donderdag 12 januari 2017 zijn ontslag heeft ingediend bij de Koninklijke Branche Vereniging Gerechtsdeurwaarders (KBVG).
(…)
5. Het proces-verbaal van de in deze zaak gehouden terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 juni 2023, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Het klopt dat ik in de periode van de mij tenlastegelegde feiten als gerechtsdeurwaarder werkzaam was voor [A] B.V. Het klopt dat ik in 1995 werd beëdigd.
U, voorzitter, houdt mij voor dat uit het dossier blijkt van verschillende vrouwen die hebben verklaard dat ik daar – zonder uitzondering – langskwam omdat ik daar als gerechtsdeurwaarder iets moest doen. Ik zeg u daarop dat dit klopt. Vanuit die hoedanigheid moest ik daar langs. Als ik als gerechtsdeurwaarder langskom is er wat aan de hand. Ik kom daar niet voor de lol en die mensen zien een gerechtsdeurwaarder niet zomaar. Ik kwam soms vanwege grote schulden.
Het klopt dat ik met een aantal van deze vrouwen waar ik als gerechtsdeurwaarder langs kwam seks heb gehad tegen betaling.
U houdt mij voor dat vrouwen in het dossier hebben verklaard dat ik wist dat zij financiële problemen hadden en dat zij bang waren voor de consequenties van het niet tijdig betalen. U houdt mij voor dat ik vrouwen ook heb geïnformeerd over de mogelijke gevolgen daarvan, namelijk dat er beslag zou kunnen worden gelegd. Ik zeg u daarop dat dit klopt en dat dit laatste zou kunnen.
U houdt mij voor dat ik als gerechtsdeurwaarder invloed kon uitoefenen op bijvoorbeeld beslaglegging, uithuiszetting of het moment van betaling. Dat klopt.
U houdt mij voor dat een deurwaarder een bepaald gezag uitstraalt en vraagt mij of ik mij onder de eerder genoemde omstandigheden kan voorstellen dat – wanneer ik een voorstel doe om tegen betaling seks te hebben – de vrouwen dat hebben ervaren als een situatie waarin zij geen andere weg zagen dan op mijn voorstel in te gaan, omdat het in feite kiezen is tussen twee kwaden: enerzijds beslaglegging of uithuiszetting en met kinderen op straat staan en anderzijds iets doen waar je geen zin in hebt. Ik zeg u daarop dat ik mij dat kan voorstellen. Het zou inderdaad zo kunnen zijn dat de vrouwen de link leggen tussen de schulden die zij hebben en hun bereidheid tot seks als ik ze vraag naar hun ruimdenkendheid.
(...)
Het is niet gebruikelijk om als deurwaarder bij mensen naar binnen te gaan, tenzij het bijvoorbeeld hard regent of je ergens al twintig keer bent geweest.
(...)
26. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 17 oktober 2016 (...), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [aangeefster 1] .:
(...)
V: Wat kun je verder vertellen over jouw financiële situatie?
A: Ik had huurschulden, schulden bij postorderbedrijven en schulden uit mijn tweede huwelijk. Alles bij elkaar zal het ongeveer Euro 2.500,- zijn geweest.
V: Hoe ging dat met de deurwaarder?
A: Waarover ik aangifte wil doen, die man ken ik al heel lang. Ik kende hem al omdat hij bij mijn oma kwam, omdat ze denk ik schulden had. Ik heb hem ook een paar keer bij mijn moeder gezien, in de periode dat ik daar woonde. Zij had ook schulden. In oktober 2004 kreeg ik een flatje in [a-straat] in [plaats] . Toen hij bij mij aan de deur stond, heb ik hem binnen gelaten.
V: Hoe kwam het dat je hem binnen liet?
A: Ik was bang dat hij mijn spullen zou meenemen, ik wilde weten wat voor een vordering het was en ik had natuurlijk schaamte, omdat hij op de galerij van de flat stond. Toen hij eenmaal binnen was, vroeg hij of ik nu alleen woonde en of ik niet meer bij mijn moeder woonde.
V: Wat is de naam van die deurwaarder?
A: [verdachte] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [verdachte] ].
(...)
V: Vertel eens verder over hoe het contact met die [verdachte] verliep?
A: Het was dus een bekende van mij, omdat ik hem vaker had gezien bij mijn moeder en oma. Ik vertrouwde hem daarom ook. Daarom liet ik hem binnen. Hij vroeg toen of ik niet eens een avondje uit wilde met een vriend van hem. Ik vroeg toen wat hij daarmee bedoelde. Hij zei dat het gewoon een avondje uit was en misschien wat meer en dat ik dan wat betaald kreeg. Zo kon ik dan van mijn schulden afkomen. Ik vroeg toen aan hem wat hij voor mij bij zich had. Hij gaf mij toen geloof ik een brief over de huurschuld bij de woningstichting. Volgens mij was dat toen een brief om mij op te roepen voor het kantongerecht in [plaats] in verband met de huurschuld. Ik moest voor het kantongerecht komen.
A: De keer erna kwam hij weer binnen en had weer een “stuk” bij zich. Hij vroeg toen aan mij of ik over die vraag had nagedacht. Hij zei toen: “Je hebt zo veel schulden, misschien kan je een paar keer met mij naar bed tegen vergoeding en worden de schulden minder.” Ik ben hier toen op dat moment niet op ingegaan, ik was geschrokken door wat hij zei. Hij zei: “Ik kan je er echt mee helpen, je schulden worden dan minder.” Als er nu aan terug denk dan vind ik dat hij echt flink op mij heeft ingepraat.
V: Hoe ging het toen verder?
A: Hij was toch wel heel specifiek in hoe hij het wilde. Ik heb hem toen gevraagd wat hij eigenlijk wilde. Hij zei toen: “Ik wil dat je naakt op bed gaat liggen, dat ik je overal kan betasten en kutje likken.”
(...)
A: Dat is toen ook gebeurd. Ik kleedde mezelf uit, hij kleedde zichzelf uit. We waren allebei naakt. Dan ging hij naast mij liggen op bed en betaste me. Vervolgens trok hij zich dan zelf klaar. Hij streelde mijn borsten en kuste ze en dat deed hij ook beneden. Achteraf denk ik dat ik toch wel een vertrouwensband met hem had, waardoor hij mij zover heeft kunnen krijgen.
V: Wat is er verder op seksueel gebied tussen jullie gebeurd?
A: Altijd hetzelfde. Wat ik net verteld heb. Hij heeft mij een keer gevraagd of ik hem wilde pijpen en dat is ook gebeurd.
(...)
Het eindigde in november 2006.
V: Je vertelde net dat [verdachte] de eerste keer bij jou thuis kwam rond de kerst in 2004. Hoe lang daarna vond het eerste seksuele contact met hem plaats?
A: Daar heeft toch een aantal maanden tussen gezeten. Ik schat ergens tussen maart en juli 2005. Hij kwam ook niet iedere week en hij heeft van te voren ook nog een tijd op mij ingepraat, voordat ik uiteindelijk seks met hem had.
V: Hoe voelde jij je in die periode over het seksueel contact dat je met [verdachte] had?
A: Niet prettig, omdat hij gezegd had dat ik op die manier van mijn schulden af zou komen. Hij gooide dan Euro 60 op tafel. Ik zei toen: “Ik dacht dat ik hiermee van mijn schulden af zou komen.” Hij zei toen dat hij de rest op kantoor zou regelen, maar hij regelde helemaal niets.
(...)
V: Het is dus een keer of vijf a zes gebeurd en iedere keer kreeg jij Euro 60,- en een keer heb je Euro 80,- gekregen.
A: Ja.
27. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 januari 2017 (...), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
In het proces-verbaal aangifte met proces-verbaalnummer 2016183978-1 van 17 oktober 2016 werd op pagina 1 per abuis een onjuiste pleegdatum en pleegplaats vermeld. De juiste pleegplaats dient te zijn: [a-straat 1] te [plaats] . De juiste pleegdatum dient te zijn: tussen maart 2005 en december 2006.
28. Het proces-verbaal van bevindingen financieel d.d. 28 april 2017 (...), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 3] :
Over de periode 2004 t/m 2016 is er met [aangeefster 1] . 25 keer ambtelijk contact geweest met [verdachte] . In 25 gevallen werd een ambtelijk stuk door [verdachte] betekend, waarvan 7 keer in persoon. (...)
29. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte door de rechter-commissaris in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling en de vordering tot inbewaringstelling d.d. 24 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik heb met ( [aangeefster 1] .) (...) seks gehad. Ik heb ( [aangeefster 1] .) betaald.
30. Het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 27 en 28 juli 2021, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik kende [aangeefster 1] . al lange tijd via haar moeder en oma. Zij heeft mij oraal bevredigd. Ik heb haar toen 60 euro gegeven. Zij begon toen hard te schreeuwen waarop ik nog 20 euro heb neergelegd.
Het kan dat ik zeven keer exploten heb uitgereikt aan haar. Het klopt dat ik papieren meenam, zodat het leek dat ik voor mijn werk kwam.
(...)
31. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 februari 2017 (...), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [aangeefster 4] .:
(...)
Ik ken [verdachte] vanaf het jaar 2008/2009. Mijn toenmalige partner genaamd [betrokkene 1] , is gestorven in het jaar 2008. [betrokkene 1] had een alimentatie achterstand en had bemoeienis met een deurwaarder. Omdat mijn ex-partner was overleden is [verdachte] bij mij terecht gekomen om de vorderingen bij mij te innen. [verdachte] is een aantal keren bij mij aan de deur geweest om deze te innen en we hebben toen een betalingsregeling getroffen. Dit hield volgens mij in dat ik 50 euro per maand moest overmaken naar het kantoor van [A] . [verdachte] is een aantal keren bij mij aan de deur geweest op het moment dat ik niet voldeed aan de betalingsregeling.
(...)
Vermoedelijk is het in het jaar 2009 geweest dat [verdachte] bij mij aan de deur stond en vroeg of hij binnen mocht komen om wat zaken uit te leggen. Ik heb hem binnen gelaten en heb nog gevraagd wat hij wilde drinken. Hij dronk een kop thee en ik een kop koffie. Vervolgens vroeg hij aan mij of ik een moderne ruimdenkende vrouw was en vroeg of ik een avondje vrije seks met hem wilde. Hij vertelde mij dat hij een mooie ruime woning in [naam ] had; dit is een dure wijk in [geboorteplaats] nabij de [...] grens. Hij wilde seks met mij maar geen relatie. Hij kon dan iets voor mij regelen. Ik was direct al heel stellig hierin en had hierop nee gezegd.
V: Wat vond je van deze vraag die [verdachte] voorstelde om seks te hebben?
A: Ik voelde mij heel ongemakkelijk en dacht alleen hoe ik hem de deur uit kreeg. Ik handelde luchtig en lachte dit weg. Dit is een vorm van zelfbescherming. Ik wil natuurlijk nooit mijn onzekerheid laten merken.
V: Heeft hij nog opmerkingen gemaakt over uw uiterlijk?
A: Hij vond mij een mooi uitziende vrouw, dat heeft hij ook gezegd.
V: Wat wist [verdachte] van uw privé situatie?
A: [verdachte] wist dat mijn partner dood was maar ik had hem niet verteld dat ik een nieuwe vriend had.
32. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 20 april 2017 (...), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster 4] :
(...)
Feit: Met ambtsplicht strijdige handelingen, dwang door ambtenaar
Plaats: [b-straat 1] [plaats]
Pleegdatum: In het jaar 2009
(...)
V: Wat zou [verdachte] voor u kunnen regelen als u seks met hem zou hebben?
A: Ik had een schuld openstaan van mijn vorige partner. Ik wilde dat niet betalen. Hij zou wat kunnen regelen, maar daarna heb ik hem gedag gezegd.
V: Wat dacht u dat [verdachte] voor zou kunnen regelen?
A: Dat ik misschien minder hoefde te betalen of een kwijtschelding. Ik moest dan ook naar [naam ] komen waar hij woonde, want hij had daar een mooie woning.
33. Het proces-verbaal van bevindingen financieel d.d. 10 mei 2017 (...), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4] :
[aangeefster 4] komt over de periode oktober 2007 tot en met september 2012 10 keer voor in het repertoire en de administratie van [A] . Over de periode oktober 2007 tot en met september 2012 is 3 keer in persoon door [verdachte] een stuk betekend aan [aangeefster 4]
34. Het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 27 en 28 juli 2021, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik ben bij [aangeefster 4] aan de deur geweest. Ik ben ook in de woning geweest. Ik vroeg of zij een ruimdenkende vrouw was omdat ik misschien wel seks met haar wilde. Het zou inderdaad kunnen dat de vrouwen de link leggen tussen de schulden die zij hebben en hun bereidheid tot seks als ik ze vraag naar hun ruimdenkendheid.
(...)
35. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 februari 2017 (...), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [aangeefster 2] :
(...)
V: Wat was de tijdsperiode?
A: januari 2010. Toen begon hij.
V: Welke schulden had u?
A: In beginsel een schuld van 125 euro en een paar cent. Dat is natuurlijk opgelopen omdat er niet werd betaald. Later is er nog een schuld bijgekomen. Ik kwam toen in de WSNP, de schulden waren zo hoog en deze waren niet mogelijk om zelfstandig af te betalen.
V: Dan komt [verdachte] aan de deur. Hoe loopt dat?
(...)
A: De eerste keer kwam hij aan de deur met de vraag of ik de schuld kon betalen. Desnoods een betalingsregeling treffen.
(...)
Bijvoorbeeld 25 euro per maand. Dat kan allemaal bij de gerechtsdeurwaarder plaatsvinden. De schuld was daar echter niet mee afgelost. Toen kwam hij weer aan de deur en toen kwam hij met het voorstel om het op een andere manier te regelen. Hij zei we kunnen het op een date gooien met z’n tweetjes. Een leuke avond en een leuke nacht. Ik wil seks. Jij jouw plezier, ik mijn plezier. Dan is het opgelost. Hij zou mijn geld geven. Hij zou meteen cash geld geven en dan zou ik daarmee mijn schuld kunnen betalen. Ik dacht meteen: dit klopt niet. Ik heb het meteen afgekapt en gezegd dat ik dat niet wil. Ik wil gewoon betalen. Het is mijn eigen fout. Hij is heel teleurgesteld weggegaan. Toen begon hij opdringerig te worden. Hij reed steeds langs. Op en neer. Ik had er een naar gevoel bij. Ik deed zelfs de lamellen niet open, omdat ik niet wilde dat hij zag dat ik thuis was. Ik was bang. Je staat machteloos. Door zijn uitstraling, hij probeerde gezag uit te stralen. Het kwam bij mij over: Als jij niet doet wat ik wil, dan gebeuren er ergere dingen. In die tijd zijn er meerdere deurwaarders bij mij aan de deur geweest en die gingen op een hele andere manier met mij om.
V: Hij wil jouw cash betalen voor seks, zegt hij dan nog wat?
A: Ja, daar kun je de schulden mee aflossen. Normaal kun je regelen dat het van je loon wordt afgehaald. Of een betalingsregeling treffen met het kantoor. Of je gaat met je cash geld op het kantoor betalen. Er zijn verschillende mogelijkheden om te betalen. Bij één gerechtsdeurwaarder heb ik meegemaakt dat hij het geld elke maand op kwam halen. Hij legde dat ook netjes vast.
Op 12 januari 2011 kwam hij een exploot persoonlijk brengen. Die datum weet ik zeker en toen deed hij mij dat voorstel voor de date. De brieven mag hij ook in de brievenbus doen, maar daarmee kwam hij wel persoonlijk aan de deur. Terwijl dat niet nodig was.
36. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 4 mei 2017 (...), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster 2] :
Plaats delict: [c-straat 1] te [plaats] .
O: Op donderdag 16 februari 2017 hebben we al contact met je gehad en heb je een getuigenverklaring afgelegd [het hof: zie in voorgaand bewijsmiddel aangehaalde getuigenis (...)].
37. Het proces-verbaal van bevindingen financieel d.d. 10 mei 2017 (...), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4] :
[aangeefster 2] komt over de periode augustus 2006 tot en met november 2013 22 keer voor in het repertoire en de administratie van [A] . Over de periode augustus 2006 tot en met november 2013 is 8 keer in persoon door [verdachte] een stuk betekend aan [aangeefster 2] .
38. Een ander geschrift, te weten een deurwaardersexploot d.d. 12 januari 2011 (...), voor zover inhoudende:
Heden, 12 januari 2011, heb ik [verdachte] , wonende te [geboorteplaats] als gerechtsdeurwaarder gevestigd te [plaats] en aldaar kantoorhoudende aan de [d-straat 1] ,
Op verzoek van [B] B.V. en [C] B.V.,
AAN: [aangeefster 2] , wonende te [plaats] , aldaar ten gemelde woonhuize mijn exploot doende en afschrift dezes en van na te melden proces-verbaal latende aan: voormeld adres in gesloten envelop met daarop de vermeldingen als wettelijk voorgeschreven.
BETEKEND: Het op 11 januari 2011 uit krachte van de daarbij gerelateerde executoriale titel executoriaal beslag gelegd onder: [D] te [plaats] .
39. Het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 27 en 28 juli 2021, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik weet wel wie [aangeefster 2] is. Ik ben ook bij haar geweest.
(...)
40. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 maart 2017 (...), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [aangeefster 3] :
(...)
V: Vertel eens wanneer kwam de deurwaarder bij jou aan?
A: Dat weet ik niet precies, aan het begin toen ik aan [e-straat] woonde.
V: Hoe zat het met jouw schulden?
A: Die schuld waar hij voor kwam dat was een schuld van 250 euro. Dat was een of andere boete die was opgelopen.
(...)
V: Hoe ging het toen de deurwaarder aan je deur kwam?
A: Hij belt aan en je doet de deur open en hij vertelt dan wie hij is en waarvoor hij komt. Hij doet heel flirterig. Wat zie je er goed uit zegt hij dan. Een beetje klef eigenlijk. Dan vraagt hij ook een beetje naar je financiële situatie. En dan denk je: het is een deurwaarder, dus dat is niet vreemd. En dan zegt hij: als je het niet kunt betalen, dan kun je ook in natura betalen.
V: Wat gaat er dan door je heen?
A: Ik dacht toen: hij maakt een grapje. Ik schiet in de lach. Ik zie hem staan en ik zei tegen hem: serieus? Meen je dit nu echt? Hij zei dat het serieus was.
V: Wat was jouw situatie toen hij bij jouw aan de deur kwam?
A: Toen zaten we net zonder werk en was net het punt dat we ons koophuis gingen verliezen. Eigenlijk een put ellende. We zijn mijn partner en ik en de kinderen.
V: Was het nodig dat de deurwaarder aan de deur kwam?
A: Ja, de eerste en de tweede keer wel.
O: Je schreef zelf in je mail dat hij je diverse malen heeft benaderd om je schulden in natura te doen verdwijnen.
V: Vertel eens hoe ging dat?
A: Hij is heel gewiekst daarin. Hij gaat met je praten en hij praat heel flirterig. Hij vraagt naar je financiële situatie en zegt ook dat je haar leuk zit. Hij probeert je op een verkeerde manier op je gemak te stellen. En dan doet hij het voorstel.
V: Wat dacht je dat hij daarmee bedoelde?
A: Ik wist meteen wat hij bedoelde. Hij had het over seks. Hij was ook heel erg complimentjes aan het maken.
V: Waarom dacht je dat?
A: Vanwege de complimentjes. Het ging om het hele pakket. Hij vroeg ook of ik alleen was. En in natura is niet dat je een zak aardappelen geeft aan iemand.
(...)
V: Wanneer is de laatste keer dat hij aan je deur is geweest?
A: Ik denk ongeveer vier jaar geleden.
41. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 mei 2017 [het hof begrijpt gelet op de datum van het verhoor: 11 mei 2017] (...), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster 3] :
(...)
O: Op donderdag 16 maart 2017 hebben wij al contact met u gehad en heeft u een getuigenverklaring afgelegd. U vertelde dat de deurwaarder u meerdere malen heeft benaderd om in natura uw schulden te doen laten verdwijnen. Dat u hem heeft uitgelachen en er nooit op ingegaan bent. U vertelde dat de deurwaarder bij u aan de deur kwam in het begin toen u pas op [e-straat] woonde.
O: Volgens onze systemen bent u op 9 juli 2012 op [f-straat 1] op [e-straat] gaan wonen.
V: Klopt dat?
A: Dat klopt.
V: Wanneer had hij het voorstel gedaan?
A: Op [e-straat] .
42. Het proces-verbaal van bevindingen financieel d.d. 17 mei 2017 (...), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4] :
[aangeefster 3] komt over de periode juli 2008 tot en met december 2014 7 keer voor in het repertoire, en de administratie van [A] . Over de periode juli 2008 tot en met december 2014 is 4 keer in persoon door [verdachte] een stuk betekend aan [aangeefster 3]
43. Een ander geschrift, te weten een deurwaardersexploot d.d. 20 september 2012 (...), voor zover inhoudende:
Heden, 20 september 2012, heb ik, [verdachte] , wonende te [geboorteplaats] als gerechtsdeurwaarder gevestigd te [plaats] en aldaar kantoorhoudende aan de [d-straat 1] ,
AAN: [aangeefster 3] , wonende te [geboorteplaats] aan [f-straat 1] aldaar aan haar in persoon:
1e BETEKEND: Een op 13 september 2012 door de Officier van Justitie te Leeuwarden, tegen de gerequireerde in executoriale vorm uitgevaardigd dwangbevel, ten verzoeke van requirant en ten laste van gerequireerde, onder CJIB-nummer: 159221558 uit kracht van voormelde en hierbij betekende titel de gerequireerde.
Mapnummer: 12090513. CJIB-nummer 159221558.
1. Verschuldigd cf. dwangbevel: € 70,00
2. Invorderingskosten exclusief btw: € 45,28
3. Btw over de invorderingskosten: € 8,60
4. Kosten betekening dwangbevel: € 87,24
€ 211,12 totaal tot heden te voldoen inclusief de kosten van dit exploot.
44. Het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 27 en 28 juli 2021, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik kan mij [aangeefster 3] nog herinneren. Zij was getrouwd.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat de verdachte weliswaar ambtenaar was en vroeg om seksuele handelingen van aangeefsters, maar dat niet is gebleken wat hiertegenover stond en – mocht van een tegenprestatie al sprake zijn geweest – dit slechts een betaling betrof waarmee aangeefsters hun schulden konden afbetalen en niet het verrichten van een ambtshandeling. De verdachte heeft niet gezegd dat hij – bijvoorbeeld – exploten zou intrekken, beslagleggingen niet zou uitvoeren of zou zorgen dat papieren van een schuldeiser zouden verdwijnen zodat geen sprake is van ‘doen of nalaten in zijn bediening’, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Concrete tegenprestatie
Het hof ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of voor een bewezenverklaring van het onder 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde vereist is dat sprake is van een concrete tegenprestatie van de zijde van de ambtenaar, of dat volstaat dat sprake is van het doen ontstaan en/of onderhouden van een voorkeursbehandeling in ruil voor het doen van een gift of belofte dan wel het leveren van een dienst aan die ambtenaar.
De strafbaarstelling van de zogenaamde ‘passieve ambtelijke omkoping’ in artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
Met gevangenisstraf (...) wordt gestraft de ambtenaar:
(...)
3°. die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten.
De omgekeerde situatie is strafbaar gesteld in artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht (de zogenaamde actieve ambtelijke omkoping). Dit artikel luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
Met gevangenisstraf (...) wordt gestraft:
1°. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten.
Uit – onder meer – HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641 volgt dat “(...) art. 177 (oud) Sr niet alleen ziet op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, doch ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen”.
Hoewel voornoemd arrest ziet op een ander delict (actieve ambtelijke omkoping) dan tenlastegelegd in de onderhavige strafzaak, ziet het hof gelet op de aard en strekking van de beide delicten geen aanleiding om – bij de beoordeling of sprake is van handelen als bedoeld in artikel 363, eerste lid en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht – een andere maatstaf te hanteren. Bij beide delicten is immers sprake van een wederkerige situatie waarin een ambtenaar in zijn bediening iets zal doen of nalaten in ruil voor een te leveren tegenprestatie (in de vorm van een gift of belofte dan wel een dienst). Dat het initiatief daarbij (bij het in artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht vermelde delict) anders dan bij de ‘actieve ambtelijke omkoping’ als bedoeld in artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht uitgaat van de ambtenaar in kwestie doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af.
Het hof is dan ook van oordeel dat ook in het onderhavige geval niet is vereist dat sprake is van een concrete tegenprestatie maar dat voldoende is dat sprake is van het verlenen van een dienst teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden en zo een voorkeursbehandeling te krijgen.
Voor de invulling daarvan volstaan naar het oordeel van het hof de door de verdachte geuite algemene bewoordingen die de strekking hadden dat door het verlenen van seksuele diensten aan verdachte de schulden minder zouden worden, dat het dan zou worden opgelost, dat hij iets kon regelen, of dat (daarmee) in natura betaald kon worden. Gelet op zijn hoedanigheid als gerechtsdeurwaarder – hetgeen de directe aanleiding was van zijn bezoek aan de vrouwen – moet de verdachte hebben geweten dat door de slachtoffers een relatie zou worden gelegd tussen enerzijds de openstaande schuld en anderzijds zijn opmerkingen daaromtrent. Verdachte heeft – mede gelet op de bewijsmiddelen en hetgeen hierboven is overwogen ter zake van de feiten 1 tot en met 3 – als gerechtsdeurwaarder met zijn ‘voorstellen’ om openstaande schuld(en) op andere wijze zien weg te nemen of te verminderen, de vrouwen ertoe willen bewegen hem (seksuele) diensten te leveren en zo een relatie te doen ontstaan waardoor die vrouwen van hem een voorkeursbehandeling zouden krijgen.
Doen of laten ‘in zijn bediening’
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door de verdachte gedane voorstellen – kort gezegd: het verminderen van schulden, het oplossen van problemen, het regelen of het in natura betalen – kunnen worden aangemerkt als een ‘doen of nalaten in zijn bediening als ambtenaar’.
Het hof beantwoordt ook deze vraag bevestigend. Het bestanddeel ‘in zijn bediening’ vergt niet dat de ambtenaar exclusief bevoegd is tot de diensten die van hem verlangd worden maar alleen dat sprake is van diensten waartoe zijn ambt hem in staat stelt of de gelegenheid biedt. Derhalve is voldoende dat de verdachte ambtenaar was (in casu gerechtsdeurwaarder) en als zodanig in zijn bediening aan de deur kwam bij de slachtoffers. Voor een bewezenverklaring is naar het oordeel van het hof niet vereist dat hetgeen hij zou doen of nalaten (in ruil voor de door de slachtoffers te verlenen seksuele diensten) is voorbehouden aan het ambt van gerechtsdeurwaarder en in zoverre als ambtshandeling heeft te gelden.
De verdachte kwam bij de slachtoffers als gerechtsdeurwaarder aan de deur, legde een relatie met de schulden die de slachtoffers hadden en stelde – kort gezegd – dat hij daarin iets kon betekenen, regelen of oplossen. Mede indachtig hetgeen hiervoor is overwogen, inhoudende dat daarbij geen sprake hoeft te zijn van een concrete tegenprestatie van de zijde van de verdachte, is het hof van oordeel dat kan worden gesproken van een ‘doen of nalaten in zijn bediening’ als bedoeld in artikel 363, eerste lid en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
Schakelbewijs feiten 5, 6, 7 en 8
Voor de bewezenverklaring van het onder 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde acht het hof mede redengevend de uit de bewijsmiddelen van feiten 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair voortvloeiende feiten en omstandigheden, nu de ‘werkwijze’ van de verdachte bij deze feiten op essentiële punten overeenkomt met de wijze waarop het onder 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde is begaan. Immers, de verdachte komt daarbij telkens in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder bij vrouwen aan de deur wegens een of meerdere openstaande schulden. Daarbij wordt het gesprek door de verdachte geleid naar het verrichten van seksuele handelingen of het hebben van seks met de verdachte, waarbij door de verdachte een relatie wordt gesuggereerd tussen die seksuele handelingen of seks en het oplossen van (een deel van) deze schuld(en).”
2.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 363 lid 1, aanhef en onder 3°, (oud) Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘in zijn bediening’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
2.3.2
Artikel 363 lid 1, aanhef en onder 3°, (oud) Sr luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten 5 tot en met 8:
“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de ambtenaar:
(...)
3°. die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten.”
2.3.3
De geschiedenis van de totstandkoming van dit onderdeel van artikel 363 (oud) Sr houdt onder meer in:
- de memorie van toelichting:
“Voor een goed functioneren van de democratische samenleving is het belangrijk dat burgers vertrouwen hebben in het openbaar bestuur. Dit vertrouwen wordt beschaamd indien personen die bij de overheid werkzaam zijn of een openbaar ambt bekleden, zich laakbaar gedragen. (...) Dit wetsvoorstel staat in het licht van het bewaken van de persoonlijke integriteit van de ambtenaar en diens relaties met derden. Het beoogt aanscherping en aanvulling van de regels teneinde waar dat noodzakelijk is adequaat strafrechtelijk te kunnen optreden tegen diegenen die schade toebrengen aan het vertrouwen in het openbaar bestuur.
(...)
In artikel 177, aanhef en onder 1°, Sr wordt straf bedreigd tegen een ieder die een ambtenaar een gift of belofte doet met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten. Deze bepaling betreft de actieve omkoping (...). In de artikelen 362 en 363 Sr zijn vormen van passieve omkoping strafbaar gesteld. (...) Wanneer deze ambtenaar een gift of belofte aanneemt in de wetenschap dat zij hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten in strijd met zijn plicht, hangt hem een zwaardere bestraffing boven het hoofd. Dergelijk gedrag wordt door artikel 363, aanhef en onder 1°, Sr bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
(...)
In haar advies over dit wetsvoorstel brengt de Nederlandse Orde van Advocaten naar voren dat bij de formulering van de voorgestelde artikelen 363 tot en met 364 discussie zou kunnen ontstaan of een gunst privé is gedaan, bijvoorbeeld omdat de ambtenaar in zijn vrije tijd voorzitter is van een duivensportvereniging. Een relevante relatie met de status van ambtenaar of het ambtelijk functioneren is naar de aard van het delict gerechtvaardigd, aldus de Orde. Teneinde deze onzekerheid te doen wegnemen adviseert de Orde om in de artikelen 362 tot en met 364 de woorden ambtenaar (c.q. rechter) te verplaatsen, zodat er een strakkere band ontstaat tussen de begunstiging en de hoedanigheid van de ambtenaar. Dit advies heb ik niet overgenomen, omdat mij uit de praktijk – immers de bestaande strafbepalingen kennen exact dezelfde zinsopbouw – niet is gebleken dat hierover misverstanden kunnen ontstaan.
(...)
Evenals de eerder aan de orde gekomen bepalingen, wordt artikel 363 Sr met enkele bestanddelen aangevuld. Aan «gift of belofte» wordt het begrip «dienst» toegevoegd en als alternatief van het «aannemen» wordt ook «het vragen» van voordelen in verband met dienstverrichtingen die strijdig zijn met de ambtsplicht strafbaar gesteld (de onderdelen 3° en 4°).”
(Kamerstukken II 1998/99, 26469, nr. 3, p. 1, 3, 5 en 15.)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“Onder verwijzing naar blz. 5 van de memorie van toelichting, waarin wordt ingegaan op de vraag in hoeverre discussie kan ontstaan over het feit of een gift of belofte privé is gedaan, vroegen de leden van de fractie van de VVD mij om een nadere verduidelijking op dit punt. Bedoelde passage heb ik in de memorie opgenomen naar aanleiding van een opmerking hierover in het advies van de Nederlandse Orde van Advocaten over dit wetsvoorstel. Uit het advies van de Orde begreep ik dat de vrees bestaat dat de voorgestelde delictsomschrijvingen van de artikelen 362 tot en met 363 Sr, die overigens in opbouw niet verschillen van de huidige strafbepalingen, ook toepassing zouden kunnen vinden wanneer een ambtenaar een gift of belofte aanneemt vanwege zijn inzet als bijvoorbeeld de voorzitter van een duivensportvereniging. Zoals ook uit de memorie van toelichting valt te op te maken, deel ik deze vrees niet. In de delictsomschrijvingen wordt een duidelijk verband gelegd tussen de gift of belofte en de daaraan gerelateerde ambtelijke handeling tijdens de bediening. Dit verband ontbreekt wanneer giften of beloften worden aangenomen wegens werkzaamheden die buiten de ambtelijke dienst, zoals ten behoeve van de duivensportvereniging, hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden. Dergelijke gedragingen vallen derhalve buiten het bereik van de voorgestelde artikelen.”
(Kamerstukken II 1999/2000, 26469, nr. 5, p. 7-8.)
2.4.1
Uit de hiervoor weergegeven totstandkomingsgeschiedenis volgt dat artikel 363 lid 1, aanhef en onder 3°, (oud) Sr strafbaar stelt het vragen van voordelen in verband met dienstverrichtingen die strijdig zijn met de ambtsplicht. Deze bepaling is onderdeel van wetgeving die ertoe strekt het vertrouwen in het openbaar bestuur te beschermen, dat wordt geschaad door laakbaar niet-integer gedrag van personen die bij de overheid werken of een openbaar ambt bekleden. Zij is niet van toepassing op het vragen van giften, beloften of diensten door deze personen voor zover dat op geen enkele wijze verband houdt met hun werkzaamheden in ambtelijke dienst.
2.4.2
Van het vragen door een ambtenaar van een gift, belofte of dienst teneinde hem ertoe te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, zoals bedoeld in deze bepaling, kan ook sprake zijn als de ambtenaar zich, als tegenprestatie voor de door hem gevraagde gift, belofte of dienst, bereid toont om een relatie met hem te doen ontstaan en/of te onderhouden waarbinnen hij een voorkeursbehandeling zal kunnen geven. (Vgl., over artikel 177 (oud) Sr, HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641.)
2.5
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in de uitoefening van zijn ambt als gerechtsdeurwaarder bij de slachtoffers kwam vanwege de schulden die zij hadden en dat de verdachte hen in dat verband heeft gevraagd om seksuele diensten waarmee die schulden in natura konden worden betaald of in ruil waarvoor hij iets zou kunnen betekenen, regelen of oplossen wat betreft het verminderen of wegnemen van die schulden. Het hof heeft ook vastgesteld dat de verdachte als gerechtsdeurwaarder met deze voorstellen om openstaande schulden ‘op andere wijze’ weg te nemen of te verminderen, de slachtoffers ertoe heeft willen bewegen hem seksuele diensten te leveren en zo een relatie te doen ontstaan waardoor zij van hem een voorkeursbehandeling zouden krijgen. Het hof heeft op grond van deze feitelijke en toereikend gemotiveerde vaststellingen geoordeeld dat de voorkeursbehandeling, die de verdachte zijn slachtoffers voorstelde als tegenprestatie voor de door hem gevraagde seksuele diensten, kan worden aangemerkt als een doen of nalaten ‘in zijn bediening’ als ambtenaar.Dat oordeel van het hof geeft ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bestanddeel ‘in zijn bediening’ zoals bedoeld in artikel 363 lid 1, aanhef en onder 3°, (oud) Sr. In dat verband is van belang dat de contacten van de verdachte met de slachtoffers steeds voortkwamen uit zijn werkzaamheden als gerechtsdeurwaarder die de slachtoffers bezocht teneinde openstaande schulden in te vorderen, en dat de verdachte die slachtoffers telkens in dat verband om seksuele diensten heeft gevraagd in ruil voor voordelen die bestonden uit hetzij directe vermindering van die schulden, hetzij geld om die schulden te voldoen. Dat denkbaar is dat de verdachte ook aan een persoon die hij niet bezocht als gerechtsdeurwaarder en/of die niet in zo’n schuldpositie verkeerde had kunnen vragen of deze bereid zou zijn seksuele diensten te verrichten in ruil voor geld, ontneemt aan de door het hof vastgestelde context van de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte niet dat deze hier hebben plaatsvonden ‘in zijn bediening’.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.
Conclusie 11‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Verkrachting (art. 242 (oud) Sr), feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 (oud) Sr) en passieve ambtelijke omkoping (art. 363 (oud) Sr) door deurwaarder. Middelen 1-3 bevatten bewijsklachten over bewezenverklaarde verkrachtingen. Middel 4 gaat over de vraag of de handelingen van de verdachte kunnen worden aangemerkt als ontuchtig in de zin van art. 246 (oud) Sr. Middel 5 keert zich tegen oordeel dat verdachte heeft gehandeld ‘in zijn bediening’ a.b.i. art. 363 (oud) Sr. Het zesde middel heeft betrekking op de toegepaste wettelijke bepaling (oud of nieuw recht) en het strafmaximum na wijziging van art. 363 Sr. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02539
Zitting 11 februari 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 27 juni 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1, 2 en 3 telkens "verkrachting, meermalen gepleegd", 4 “feitelijke aanranding van de eerbaarheid”, 5 “als ambtenaar een dienst vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd” en 6, 7 en 8 telkens “als ambtenaar een dienst vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen en/of na te laten” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft voorts beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.1.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste, tweede en derde middel bevatten bewijsklachten over de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde verkrachtingen. Het vierde middel klaagt dat het onder 4 bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert. Het vijfde middel bevat een rechtsklacht over de in het kader van de feiten 5, 6, 7 en 8 bewezenverklaarde bestanddeel ‘in zijn bediening’. Tot slot klaagt het zesde middel dat het hof bij de strafoplegging ten aanzien van de feiten 5, 6, 7 en 8 is uitgegaan van een te hoog strafmaximum.
4. Bij de bespreking van een groot deel van de middelen is de bewijsconstructie van het hof van belang. Die is omvangrijk. Het hof heeft overwogen dat de in het arrest weergeven bewijsmiddelen als schakelbewijs redengevend zijn voor alle bewezenverklaarde feiten. Het hof heeft tussenkopjes gebruikt om te verduidelijken op welke bewezenverklaarde feiten de bewijsmiddelen in het bijzonder betrekking hebben. De bewijsmiddelen beslaan 23 pagina’s, waarna nog 10 pagina’s met bewijsoverwegingen volgen. Voor een volledige weergave verwijs ik naar het (gepubliceerde (gepseudonimiseerde)) arrest van het hof. Waar dit nodig is voor de bespreking van een klacht, zal ik (delen van) bewijsmiddelen weergeven.
Het eerste, tweede en derde middel
5. De eerste drie middelen keren zich respectievelijk tegen de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde verkrachtingen. De klachten komen er in de kern op neer dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de aangeefsters [aangeefster 1] (feit 1), [aangeefster 2] (feit 2) en [aangeefster 3] (feit 3) psychisch kwetsbaar waren en dat de verdachte daarvan wist. Evenmin zou daaruit – al dan niet in het licht van het ter terechtzitting gevoerde verweer – kunnen volgen dat de aangeefsters kampten met grote financiële problemen (feit 1 en 2) of problematische persoonlijke omstandigheden (feit 3). Met betrekking tot feit 2 en 3 komt daar nog bij dat uit die bewijsmiddelen ook niet volgt dat de aangeefsters een jeugdige leeftijd hadden of naïef en/of labiel waren (en dat de verdachte daarvan wist). Ook wordt geklaagd over het gebruik van schakelbewijs.
6. De middelen bevatten, zoals uit de beschrijving daarvan al blijkt, nuanceverschillen maar lijken niettemin sterk op elkaar. Gelet daarop meen ik dat ze gezamenlijk besproken kunnen worden, al zal ik daarbij wel steeds de omstandigheden van de verschillende aangeefsters afzonderlijk betrekken.
7. Ten laste van de verdachte is onder 1, 2 en 3 bewezenverklaard dat:
“1. hij in de periode van 1 maart 2002 tot en met 1 september 2002 in Nederland, meermalen, door andere feitelijkheden en/of bedreiging met andere feitelijkheden [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1] , te weten het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of de vagina van die [aangeefster 1] , en bestaande die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met die andere
feitelijkheden hierin, dat verdachte
- in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder ( [A] Gerechtsdeurwaarders B.V.) met vorderingen, bij die [aangeefster 1] aan de deur is gekomen en zich aan die [aangeefster 1] heeft voorgesteld en/of bekendgemaakt als gerechtsdeurwaarder,
- wetende dat die [aangeefster 1] kampte met en/of verkeerde in grote financiële problemen en/of psychisch kwetsbaar was en
- (vervolgens) misbruik makend van deze wetenschap en kwetsbare psychische en/of financiële positie van die [aangeefster 1] en de angst van die [aangeefster 1] voor een zwaardere schuldenlast en (vervolgens) misbruik makend van zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en macht als deurwaarder
- tegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij schulden had en (vervolgens)
- tegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij het anders konden regelen en dat zij dit ook in natura kon betalen en dat zij seks met hem, verdachte, kon hebben en dat zij zo geld kon verdienen en de schuld op het deurwaarderskantoor kon betalen en dat hij, verdachte, de spullen van haar ouders in beslag kon laten nemen, omdat zij bij haar ouders woonde,
en aldus telkens voor die [aangeefster 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 1] telkens in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 1] geen weerstand kon bieden.
2. hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2009 in de gemeente [plaats] , meermalen, door andere feitelijkheden en/of bedreiging met andere feitelijkheid [aangeefster 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 2] , te weten het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [aangeefster 2] en/of zijn vingers in de vagina van die [aangeefster 2] , en bestaande die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met die andere feitelijkheden hierin, dat verdachte
- in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder (bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V.) (telkens) bij die [aangeefster 2] aan de deur is gekomen en (vervolgens)
- wetende dat die [aangeefster 2] kampte met en/of verkeerde in grote financiële problemen en haar schulden niet kon betalen en anderszins problematische persoonlijke omstandigheden had en in een psychisch en financieel kwetsbare positie zat en misbruik makend van haar jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit en/of kwetsbare positie en/of zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend (psychisch) overwicht en/of macht als deurwaarder en (vervolgens)
- tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd dat zij een schuld had en dat er een betalingsregeling getroffen moest worden en (vervolgens)
- daarbij papieren heeft vastgehouden en/of getoond en/of overhandigd en (vervolgens)
- tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd dat zij in de problemen zou komen, wanneer zij niet zou betalen en dat er dan een openbare verkoop plaats zou vinden en dat hij, verdachte, terug zou komen met de politie en de slotenmaker om beslag te leggen op haar goederen en dat zij uit het huis gezet zou worden en daardoor haar kinderen kwijt zou raken en misbruik makend van de angst van [aangeefster 2] voor een dergelijke situatie en de gevolgen van het niet kunnen betalen van haar schulden en (vervolgens)
- tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd dat zij op een andere manier van haar schulden af kon komen en dat zij na het hebben van seks met hem, verdachte, van haar schulden af kon komen en haar schulden kleiner zouden worden en dat er na elke keer seks met hem, verdachte, door hem, verdachte, 50 tot 100 euro, althans een geldbedrag, in mindering zou worden gebracht op haar schuld(en) en (vervolgens)
- meermalen die [aangeefster 2] thuis heeft bezocht en seks met haar heeft gehad en (vervolgens)
- als die [aangeefster 2] tegen hem, verdachte, zei dat zij er geen zin meer in had, tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd dat zij aan haar schulden en huishouden moest denken,
en aldus telkens voor die [aangeefster 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of
die [aangeefster 2] telkens in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 2] geen weerstand kon
bieden.
3. hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2009 te [plaats] , meermalen, door andere feitelijkheden en/of bedreiging met andere feitelijkheden [aangeefster 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 3] , te weten het
- duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) en/of tong in de vagina van die [aangeefster 3] en/of
- duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangeefster 3] ,
en bestaande die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met die andere feitelijkheden hierin, dat verdachte
- in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder (bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V.) bij die [aangeefster 3] aan de deur is gekomen en (vervolgens)
- wetende dat die [aangeefster 3] kampte met en/of verkeerde in grote financiële problemen en haar schulden niet kon betalen en anderszins problematische persoonlijke omstandigheden had en in een psychisch en financieel kwetsbare positie zat en misbruik makend van haar jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit en/of kwetsbare positie en/of zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend (psychisch) overwicht en/of macht als deurwaarder en (vervolgens)
- tegen die [aangeefster 3] heeft gezegd dat zij een schuld had en dat die schuld binnen 14 dagen afbetaald moest worden en/of dat hij, verdachte, anders haar spullen uit haar woning zou weghalen en dat hij, verdachte, daartoe gerechtigd was en dat hij hoger dan de politie was en dat hij kon bepalen wat er met haar ging gebeuren en dat hij haar met hulp van de politie buiten kon zetten en dat zij (met haar kinderen) op straat zou komen te staan en (vervolgens)
- tegen die [aangeefster 3] heeft gezegd dat zij het anders konden inkleden en dat zij zijn, verdachtes, vriendinnetje zou kunnen worden en dat hij, verdachte, ervoor zou zorgen dat zij van haar schuld af kwam en dat hij, verdachte, ervoor zou zorgen dat haar schuld weg zou zijn en (vervolgens)
- die [aangeefster 3] (binnen enkele dagen) opnieuw thuis heeft opgezocht en (vervolgens)
- tegen die [aangeefster 3] heeft gezegd, dat zij schulden had en het lastig ging worden om die te betalen en dat hij, verdachte, haar spullen in beslag kon nemen en dat hij, verdachte, de macht had en haar (en haar kinderen) uit haar/hun woning kon zetten en dat hij, verdachte, het beter kon maken en/of dat hij, verdachte, ervoor kon zorgen dat zij van haar schuld af kwam en dat hij, verdachte, de rekening zou betalen, als zij met hem naar bed zou gaan en (vervolgens)
- meermalen, telkens misbruik makend van de angst die [aangeefster 3] had voor de door hem, verdachte, geschetste consequenties van het niet kunnen betalen van haar schulden, seks met die [aangeefster 3] heeft gehad en (vervolgens)
- nadat hij, verdachte, seks had gehad met die [aangeefster 3] , een geldbedrag aan die [aangeefster 3] heeft gegeven en/of in de woning van die [aangeefster 3] heeft achtergelaten en (vervolgens)
- telkens tegen die [aangeefster 3] heeft gezegd dat zij het dan breder en beter zou krijgen en/of dat zij toch goed voor haar kinderen wilde zorgen en/of dat ze het toch voor de kinderen deed en/of aan die [aangeefster 3] heeft toegevoegd de woorden van de strekking: “Ik help je toch” en/of “Je kunt boodschappen doen voor je kinderen” en/of “Je kunt blijven wonen en/of denk aan je schuld en/of ik sta toch niet voor niks aan de deur”,
en aldus telkens voor die [aangeefster 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 3] (telkens) in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 3] geen weerstand kon bieden.”
8. De bewezenverklaring van feit 1, 2 en 3 steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“5. Het proces-verbaal van de in deze zaak gehouden terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 juni 2023, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Het klopt dat ik in de periode van de mij tenlastegelegde feiten als gerechtsdeurwaarder werkzaam was voor [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. Het klopt dat ik in 1995 werd beëdigd.
U, voorzitter, houdt mij voor dat uit het dossier blijkt van verschillende vrouwen die hebben verklaard dat ik daar - zonder uitzondering - langskwam omdat ik daar als gerechtsdeurwaarder iets moest doen. Ik zeg u daarop dat dit klopt. Vanuit die hoedanigheid moest ik daar langs. Als ik als gerechtsdeurwaarder langskom is er wat aan de hand. Ik kom daar niet voor de lol en die mensen zien een gerechtsdeurwaarder niet zomaar. Ik kwam soms vanwege grote schulden.
Het klopt dat ik met een aantal van deze vrouwen waar ik als gerechtsdeurwaarder langs kwam seks heb gehad tegen betaling.
U houdt mij voor dat vrouwen in het dossier hebben verklaard dat ik wist dat zij financiële problemen hadden en dat zij bang waren voor de consequenties van het niet tijdig betalen. U houdt mij voor dat ik vrouwen ook heb geïnformeerd over de mogelijke gevolgen daarvan, namelijk dat er beslag zou kunnen worden gelegd. Ik zeg u daarop dat dit klopt en dat dit laatste zou kunnen.
U houdt mij voor dat ik als gerechtsdeurwaarder invloed kon uitoefenen op bijvoorbeeld beslaglegging, uithuiszetting of het moment van betaling. Dat klopt.
U houdt mij voor dat een deurwaarder een bepaald gezag uitstraalt en vraagt mij of ik mij onder de eerder genoemde omstandigheden kan voorstellen dat - wanneer ik een voorstel doe om tegen betaling seks te hebben - de vrouwen dat hebben ervaren als een situatie waarin zij geen andere weg zagen dan op mijn voorstel in te gaan, omdat het in feite kiezen is tussen twee kwaden: enerzijds beslaglegging of uithuiszetting en met kinderen op straat staan en anderzijds iets doen waar je geen zin in hebt. Ik zeg u daarop dat ik mij dat kan voorstellen. Het zou inderdaad zo kunnen zijn dat de vrouwen de link leggen tussen de schulden die zij hebben en hun bereidheid tot seks als ik ze vraag naar hun ruimdenkendheid.
U houdt mij voor dat er ook sprake was van leeftijdsverschil. Zo was [aangeefster 2] 19 jaar oud toen ik bij haar langskwam en ik 50. Dat klopt.
Het is niet gebruikelijk om als deurwaarder bij mensen naar binnen te gaan, tenzij het bijvoorbeeld hard regent of je ergens al twintig keer bent geweest. (…)
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting, in eerste aanleg d.d. 27 en 28 juli 2021, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Wij ( [aangeefster 1] en ik) hebben verschillende keren een seksafspraak gemaakt. Ik wilde graag contact met haar als ik in de buurt was. Er zijn sms-berichten over en weer gestuurd.
Het klopt dat ik seks met [aangeefster 2] heb gehad. Ik had altijd papieren bij mij als ik aan de deur kwam.
Het klopt dat ik seks met [aangeefster 3] heb gehad. De relatie tussen ons heeft lang geduurd. Ik ben wel eens bij haar geweest voor schulden. Er is bij haar thuis over gesproken. Als ik een afspraak met haar had, gaf ik ook de papieren. Het klopt dat wij ook seks hadden in een leeg appartement. Ik had de sleutel van het appartement via de woningvereniging. Het appartement had een mutatieslot, zodat ik het appartement in kon voor het opmaken van een proces-verbaal van bevindingen. Het appartement was ontruimd. (…)
7. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte door de rechter-commissaris in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling en de vordering tot inbewaringstelling d.d. 24 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik heb contact met [aangeefster 1] gehad en gevraagd of zij seks met mij wilde hebben. We hebben toen ook afgesproken om dat te doen.
Met [aangeefster 2] heb ik seks gehad. Ze vroeg er 100 euro per keer voor. Ik kwam daar al jaren als deurwaarder. Zij en haar vriend zaten in de schuldsanering. (…)
Ik betaalde [aangeefster 3] voor seks.
Voor feit 1 ( [aangeefster 1] ) is in het bijzonder de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen redengevend:
8. Het proces-verbaal informatief gesprek mensenhandel/zeden d.d. 2 februari 2017 (dossierpagina 2062-2067), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster 1]
verklaarde dat:
- Het doen van aangifte geen zin had, omdat zij het nooit zou winnen van [verdachte] . Hij zou altijd sterker staan dan zij;
- zij in die tijd in een scheidingsprocedure zat, zij schulden had en er met haar kind alleen voor stond;
- zij in [plaats] in een blijf-van-mijn-lijfhuis had verbleven;
- zij daarna bij haar ouders was gaan inwonen en nog een aanvraag voor een uitkering moest doen bij het UWV;
- [verdachte] aan de deur bij haar stond met vorderingen waar zij een betalingsregeling voor wilde treffen. Hierop zou [verdachte] gezegd hebben dat zij dit ook in natura kon betalen;
- hij daarmee bedoelde dat zij dan zijn hoertje was en zij hierover moest nadenken;
- [verdachte] haar bang maakte en haar vertelde dat zij anders nog veel dieper in de shit zou raken;
- zij twee keer seks met hem had gehad;
- zij met die ‘klusjes’ 70 euro verdiende en dat zij met dat geld dan vervolgens naar het kantoor moest gaan om haar schuld te betalen;
- zij twee keer bij haar thuis voor seks hadden afgesproken;
- die twee keer seks gebeurde op de manier zoals hij dat wilde;
- zij met seks bedoelde pijpen, vol erop, van voor en van achter;
- wanneer hij de deur uit was zij moest huilen;
- zij zich een keer gewassen had met de inhoud van een fles chloor omdat zij zich zo vies voelde;
- zij op de vraag waarom zij was ingegaan op zijn voorstellen, verklaarde dat zij geen andere keus had;
- zij destijds twee maanden bij haar ouders inwoonde en helemaal geen geld had;
- zij nu nog steeds bang is voor [verdachte] ;
- [verdachte] hierin veel sterker staat dan zij, omdat hij gerechtsdeurwaarder is;
- [verdachte] altijd safe seks had. Hij had altijd condooms bij zich;
- het haar heel hoog zat en deze beelden nu weer terugkwamen (opmerking verbalisanten: wij zagen dat zij heel emotioneel werd en begon te huilen);
- zij hem heel vaak had willen slaan, maar zich heel angstig voelde als ze hem zag;
- zij niet meer op de slaapkamer kon slapen waar dit allemaal gebeurd is;
- dit met [verdachte] allemaal gebeurd was op de slaapkamer van haar ouders van het huis waar ze nu woonde, de [a-straat 1] in [plaats] .
9. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 1 mei 2017 [het hof begrijpt gelet op het moment van aangifte: 2 mei 2017 (dossierpagina 2069-2077), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangeefster 1] :
Datum: 2 mei 2017
V: Vertel eens waarvan je aangifte wil doen?
A: Ik wil aangifte doen van gedwongen seks hebben met een deurwaarder om van dit geld mijn schulden te kunnen betalen. Hij heet [verdachte] . Het was niet [verdachte] ; het was gewoon [verdachte] . (...) Het heeft zich afgespeeld in de periode maart tot september in het jaar dat ik 30 werd. Dit is dus in het jaar 2002. (...) Ik heb naar het Kantoor [A] gebeld met een mededeling dat ik het geld in twee keer moest betalen. Ik vertelde de receptioniste/baliemedewerkster dat ik het niet kon betalen. [verdachte] belde mij terug en vroeg of ik al betaald had omdat mijn termijn verstreken was. Ik vertelde hem dat ik dat echt niet kon betalen. Hij zei mij dat hij morgen wel even langs kwam. Ik dacht dat hij een regeling met mij kon treffen. Maar toen kwam het voorstel dat ik seks met hem moest hebben. Vervolgens is dit ook gebeurd. Ik had toen geen andere keus. (...)
Ik heb nooit seks gehad met [verdachte] zonder condoom. Hij had zelf altijd condooms bij zich. Na de seks legde hij in de gebruikte condoom een knoop en stopte deze vervolgens in een papiertje of tissue en stopte deze in zijn jaszak. Ook de verpakking nam hij mee in zijn jaszak. (...)
De eerste keer dat gerechtsdeurwaarder [verdachte] bij mij aan de deur stond, was toen ik nog bij mijn ex [betrokkene 1] woonde, in [plaats] . Omdat ik ernstig mishandeld werd door [betrokkene 1] , ben ik naar [plaats] gegaan. Ik heb daar in een blijf-van-mijn-lijfhuis gezeten, samen met mijn kind. Ik ben uiteindelijk gescheiden van [betrokkene 1] en bleef met een schuld achter. Ik heb 1,5 jaar in [plaats] gewoond. Daarna ben ik teruggekomen naar mijn ouders. Kort daarna stond [verdachte] voor de deur van mijn ouders en mij. Ik wist dat hij een echte deurwaarder was omdat hij papieren bij zich had en ik hiervan uitging. (...) Hij wist dat ik in de procedure zat van het UWV. Mijn ouders vertelden hem dat ik op dat moment nog geen cent had en nog de bijstandsuitkering moest aanvragen. Hij wist precies in welke situatie ik mij bevond. Hij heeft gezegd dat wij het anders konden regelen. In natura betalen. Ik dacht toen nog “Zorg in Natura”. Ik dacht dat er zo’n potje bestond. Hij vertelde mij dat dit niet was wat hij bedoelde. Hij bedoelde geen relatie, maar het hebben van seks. Zo kon ik geld verdienen en de schuld betalen op kantoor. Dat ik zijn ‘hoertje’ zou zijn, heeft hij niet letterlijk gezegd. Hij zei dat ik zijn seksvriendin was. De reden dat ik uiteindelijk op zijn voorstel bent ingegaan, was om niet dieper in de shit te raken. Met shit bedoel ik de schulden. Het zou kunnen dat ik van de gemeente geld zou krijgen om nieuwe spulletjes te kopen om weer opnieuw te beginnen en dat hij dan zou komen om de spulletjes weg te nemen. Hij vertelde mij dat hij ook de spullen van mijn ouders in beslag kon nemen, omdat ik bij hen woonde, of ik zou via een notariële akte vastgelegd moeten hebben dat de spullen in de woning waar ik verbleef, in eigendom van mijn ouders waren. Deze akte hadden wij niet. Ik voelde mij genoodzaakt om dan toch maar in te gaan op zijn voorstel. Ik dacht dan is de schuld betaald en ben ik ervan af. (...) Hij heeft mij nog jaren lastig gevallen zonder dat ik toegaf seks met hem te hebben.”
(…)
10. Een schriftelijk bescheid, te weten een klacht d.d. 7 december 2005 (dossierpagina 2091-2092), voor zover inhoudende als schrijven van [aangeefster 1] :
[aangeefster 1]
[plaats] , 07 December 2005
Onderwerp: Klacht tegen [verdachte] , gerechtsdeurwaarder te [plaats]
Geachte heer/mevrouw,
Naar aanleiding van mijn gesprek met [betrokkene 2] , van gelijknamig gerechtsdeurwaarders kantoor te [plaats] , en op diens voorstel schrijf ik deze klacht.
Het gaat om [verdachte] , van bovengenoemd kantoor, die mij reeds 2 jaar ongewenste en zeer ontoepasselijke sms berichten stuurt en een beschamend voorstel deed in betrekking tot schulden die ik betalen moet. Hij heeft mij meerdere malen voorgesteld dat ik de schulden ook op een andere manier zou kunnen voldoen, in natura, door geslachtsgemeenschap te hebben met hem.
Voor feit 2 ( [aangeefster 2] ) is in het bijzonder de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen redengevend:
11. Het proces-verbaal informatief gesprekmensenhandel/zeden d.d. 16 februari 2017 [het hof begrijpt gelet op de vermelde datum van het gesprek: 20 februari 2017] (dossierpagina 1815-1821), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster 2] :
Datum: 20 februari 2017.
[aangeefster 2] verklaarde:
- dat zij schulden had en een uitkering;
- [verdachte] toen bij haar aan de deur kwam als gerechtsdeurwaarder;
- [verdachte] haar vertelde dat wanneer zij niet zou betalen, zij in de problemen zou komen;
- [verdachte] terug zou komen met de politie en een slotenmaker en dat zij uit het huis gezet kon worden;
- zij daardoor haar kinderen kwijt kon raken;
- zij toen jong en dom was;
- zij toen 18 jaar oud was en op de [b-straat] in [plaats] woonde;
- [verdachte] aan haar vroeg of zij ruimdenkend was en dat ze ook op een ander manier van haar schulden af kon komen;
- zij uiteindelijk hiermee had ingestemd omdat ze haar huis niet wilde kwijt raken;
- hij de politie achter zich had staan;
- zij daarom ingegaan was op zijn voorstel;
- zijn voorstel was dat zij haar schulden kon afbouwen met seks;
- [verdachte] eerst, voordat hij dat voorstel deed, een aantal keren bij haar aan de deur stond om haar bang te maken;
- hij haar bang maakte met de aanmaningen en dagvaardingen;
- zij zich in een hoek gedreven voelde;
- zij destijds vond dat zij geen ander keuze had;
- zij bang was om haar huis en haar kinderen kwijt te raken;
- het alles bij elkaar was;
- hij haar leven kapot zou maken door met de politie terug te komen;
- het heel moeilijk was om van hem af te komen;
- zij het gevoel kreeg dat ze door [verdachte] gestalkt werd;
- er altijd een condoom werd gebruikt dat [verdachte] bij zich had;
- als hij klaar was met de seks, hij altijd het gebruikte condoom mee nam om geen bewijs achter te laten;
- ze echt seks gehad hebben en dat hij zijn penis in haar stopte;
- hij zelf condooms mee nam en deze uit zijn zak van zijn hemd haalde;
- wanneer zij vaker seks met [verdachte] had, de schulden kleiner zouden worden;
- zij de afspraak met [verdachte] had dat er na elke seks met hem door [verdachte] 50 of 100 euro in mindering zou worden gebracht op haar schulden;
- zij na de seks een kwitantie van [verdachte] kreeg dat ze afbetaald had;
- [verdachte] na de eerste keer wekelijks bij haar aan de deur kwam;
- hij altijd brieven, papieren bij zich had;
- zij ontelbare keren seks heeft gehad met [verdachte] ;
- wanneer zij vaker seks met [verdachte] had, de schulden kleiner zouden worden;
- zij de afspraak met [verdachte] had dat er na elke seks met hem door [verdachte] 50 of 100 euro in mindering zou worden gebracht op haar schulden;
- zij na de seks een kwitantie van [verdachte] kreeg dat ze afbetaald had;
- [verdachte] na de eerste keer wekelijks bij haar aan de deur kwam;
- hij altijd brieven, papieren bij zich had;
- zij ontelbare keren seks heeft gehad met [verdachte] ;
- wanneer zij haar schuld had afgelost en weer een nieuwe schuld had gekregen, hij daarom begon te lachen;
- hij haar had gevraagd of zij bereid was om de schulden nog verder af te lossen;
- hij regelmatig voor de deur stond met zijn Mercedes;
- zij op een gegeven moment een wrak werd;
- zij bang was om [verdachte] tegen te komen;
- zij hiervan een ‘Mercedes fobie’ had gekregen;
- als er een Mercedes voor haar deur stond, zij de gordijnen dicht deed;
- (noot verbalisanten: Wij zagen dat [aangeefster 2] begon te huilen.)
- zij niet meer naar de winkel durfde te gaan;
- zij de kinderen niet naar school durfde te brengen
12. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 9 maart 2017 (dossierpagina 1823-1833), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangeefster 2] :
Op 9 maart 2017 heeft [aangeefster 2] aangifte gedaan van verkrachting gepleegd op de [b-straat] te [plaats] .
V: Vertel eens waarvan je aangifte wil doen?
A: Ik wil aangifte doen tegen deurwaarder [verdachte] . Ik was in die tijd een stuk naïever en labieler. Er waren boetes die betaald moesten worden en hij kon mijn leven verwoesten door mij op straat te zetten. Dat is de reden dat ik toch op zijn voorstel ben ingegaan. Wanneer ik er niet op in zou zijn gegaan, zou [verdachte] terugkomen met een slotenmaker en de politie. Dat was voor mij de reden om er op in te gaan toentertijd. Voor mijn gevoel was het dat [verdachte] de seks ging afdwingen. Als ik er niet mee akkoord ging, stond ik op straat. (...) De schulden zijn ontstaan toen ik 18 jaar oud werd en volgens de wet volwassen was. Ik had toen 40.000 euro schuld door mijn ex. Ik was nog geen 16 jaar toen ik mijn ex leerde kennen. Het was een knipperlicht relatie. De relatie escaleerde vaak. Toen ik nog net geen 18 jaar was heb ik gedwongen in de prostitutie gewerkt. Ik ben daarna op de [b-straat] te [plaats] gaan wonen. (...) [verdachte] stond diverse malen als gerechtsdeurwaarder aan mijn deur. Ik heb echte seks gehad met de deurwaarder, ik ben op zijn penis gaan zitten. We hebben gemeenschap gehad. Ik heb hem gepijpt. (...) Hij kwam mij melden dat ik schulden had en dat er een betalingsregeling getroffen moest worden. Hij stelde zich voor als gerechtsdeurwaarder [A] / [verdachte] . Hij had papieren in zijn hand waarop stond dat ik een wanbetaler was en dat er een betalingsregeling getroffen moest worden. Hij had altijd papieren in zijn hand. Hij zei: je weet toch wat de consequenties zijn als je niet betaalt, dat je in de problemen komt en dat er dan een openbare verkoop zal plaatsvinden. Verder zou hij genoodzaakt zijn met de politie en slotenmaker terug te komen om beslag te leggen op mijn goederen. Ik voelde me toen met de rug tegen de muur gezet. Ik moest betalen of een betalingsregeling treffen of ik werd uit mijn huis gezet. Hij vroeg of ik ruimdenkend was. Ik weet niet meer precies hoe hij dat vroeg, maar het kwam erop neer om in natura te betalen. Te betalen met seks. Ik heb ingestemd met het voorstel dat er iedere keer 50 of 100 euro van mijn schuld zou worden afgeschreven in ruil voor seks. Ik stemde in omdat hij zei dat hij met de politie terug zou komen. Ik was dom en naïef. Ik was bang om mijn huis en daardoor mijn kinderen kwijt te raken. Dat ik instemde met zijn voorstel, was eigenlijk niet vrijwillig. Ik bevond mij in een zodanige positie dat ik geen andere keus had. Ik heb hem ook vaker gezegd dat ik er helemaal geen zin meer in had. Hij zei mij dan dat ik aan mijn schulden en huishouden moest denken.
V: Wat zou er volgens jou gebeurd zijn als je hier niet mee ingestemd had?
A: Dat ik mede dankzij hem op straat was komen te staan. Als ik niet kon betalen. Ik vond de seks met [verdachte] nog veel erger dan de seks die ik had als prostituee, omdat hij in de naam van de koningin aan de deur kwam en dat als ik niet zou ingaan op zijn seks, hij terug zou komen met politie en slotenmaker. Wat voor keus had ik dan. [verdachte] wist van alles over mij en mijn financiële situatie en gezinssituatie. (...) Ik durfde niet naar de politie te gaan. En wie geloven ze nou. Een koninklijke gerechtsdeurwaarder of een meisje met een strafblad; een crimineel verleden. (...)
Ik kan me herinneren dat ik mij na de eerste keer seks vies voelde en mij schaamde. Ik zakte door de grond. Ik wilde mij zo snel mogelijk douchen omdat ik mij heel vies voelde. Ik voelde mij vernederd. (...) Hij nam zijn condoom ook altijd mee. Hij legde een knoop in het gebruikte condoom en nam deze mee. (...) Hij had dan een reeds uitgeprinte kwitantie bij zich. Op deze kwitantie stond al het afgesproken bedrag, de naam [A] / [verdachte] , datum en dat het bedrag voldaan was.
Tevens zijn handtekening. Hij had dat zogenaamd gevorderd en gekregen van mij. Hij overhandigde de kwitantie na de seks. (...) Ik had kunnen weigeren, maar ik wist wat er op het spel stond. Ik werd voor het blok gesteld, anders zou ik op straat komen te staan. (...) Na de eerste keer seks. zag ik dat hij het condoom van zijn penis afhaalde en dat hij een knoop in het condoom maakte. Daarna deed hij het gebruikte condoom terug, in de verpakking waar hij hem uitgehaald had en stopte deze in zijn broekzak of in zijn borstzak van zijn blouse. (...) Ik herinner me zijn
Mercedes. (...) Ik wist dat de schulden minder werden, omdat ik kwitanties kreeg. En ik heb ook wel eens overzichten gezien waaruit bleek dat de schulden minder werden. (...)
V: Hoeveel tijd zat er tussen die eerste keer dat jullie seks met elkaar hadden en de tweede keer?
A: Binnen twee weken was hij terug voor de tweede keer seks. Ik heb vervolgens jaren, bijna wekelijks seks met die [verdachte] gehad.
13. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 16 maart 2017 (dossierpagina 1835-1843), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangeefster 2] :
Soms wilde hij mij vingeren. Hij stopte zijn vinger dan in mijn vagina met de bedoeling deze vochtig te maken. (...) Soms zei hij dat hij het zo fijn vond dat we het zo konden regelen en dat ik het deed voor mijn kindje, mijn spulletjes en mijn schulden. (...) Op de kwitantie stond een bedrag tussen de 50 en 100 euro. (...)
Hij belde of hij stond gewoon voor de deur voor het maken van een afspraak.
V: Hoe vaak heb jij seksueel contact gehad met die gerechtsdeurwaarder [verdachte] ?
A: Veel te vaak.
V: In welke periode vond dit plaats?
A: Toen de schuld begon ik denk in 2004/2005. Ik was net wel of net niet 19 jaar oud. Ik denk dat de eerste periode ongeveer een jaar heeft geduurd totdat deze schuld was afgelost, We hadden dan een tijdje geen contact. Totdat ik weer een nieuwe schuld had dankzij mijn ex (...) dus kwam [verdachte] weer aan mijn deur.
V: Hoe vaak heb je zo'n periode met [verdachte] gehad?
A: Ik denk wel 3 of 4 verschillende periodes van schulden.
(...) Meestal kwam hij tweemaal in de maand. (...) Hij kwam altijd in diensttijd aan de deur en niet in privétijd. Hij kwam altijd onder kantooruren. Hij had altijd een brief bij zich van het bedrijf van de gerechtsdeurwaarderskantoor [A] / [verdachte] [het hof begrijpt: [A] Gerechtsdeurwaarders B.V.]. Dat wil niet zeggen dat de brief voor mij persoonlijk bedoeld was. Hij had gewoon papieren bij zich. (...) De laatste keer dat ik seksueel contact had met [verdachte] weet ik niet maar ik denk dat ik nu acht of negen jaar geen seksueel contact heb gehad met [verdachte] . [verdachte] was lastig de laatste maanden. Hij stond bijna dagelijks bij mij voor de deur. Ik had hem al vaker gezegd dat hij mij niet moest stalken. (...) Ik heb [verdachte] wel eens afgetrokken en gepijpt. (...) Ik heb in mijn hoofd letsel opgelopen door dat seksuele contact met [verdachte] . Ik heb me opgesloten in mijn woning. Ik kwam niet meer buiten. Ik voelde me ongemakkelijk. Ik was bang [verdachte] tegen te komen en was bang dat mensen mij nakeken. Ik schaamde mij. Het is toch aan het licht gekomen in de buurt waar ik woonde. Ik voelde me bekeken in de winkel.
14. Het proces-verbaal van bevindingen financieel betrokkene [aangeefster 2] d.d. 17 mei 2017 (dossierpagina 1899-1903), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Ten aanzien van de betrokkene [betrokkene 3] kan het navolgende uit de gevorderde financiële en administratieve bescheiden worden gerelateerd:
- Betrokkene [betrokkene 3] komt over de periode 2005 t/m 2014 6 keer voor in het repertoire en de administratie van het deurwaarderskantoor [A] en [verdachte] .
- In 4 dossiers is door [verdachte] een ambtelijk stuk betekend of uitgereikt, waarvan 1 keer in persoon.
- Er is bij de betrokkene [betrokkene 3] sprake van een aanzienlijke schuldenlast dan wel schuldpositie over de periode 2005 t/m 2014.”
Voor feit 3 ( [aangeefster 3] ) is in het bijzonder de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen redengevend:
15. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 maart 2017 (dossierpagina 1964-1978), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangeefster 3] :
Op 28 maart 2017 heeft [aangeefster 3] aangifte gedaan van verkrachting gepleegd door [verdachte] op de [c-staat 1] of [c-staat 2] te [plaats] , binnen de gemeente [plaats] , en de [d-straat 1] in de gemeente [plaats] . Zij verklaarde onder meer als volgt:
Ik doe aangifte tegen [verdachte] . [verdachte] is gerechtsdeurwaarder. Toen ik hem voor het eerst leerde kennen, was dat door een schuld die ik had bij CZ. Hij kwam bij mij aan de deur met een schuld die ik binnen 14 dagen af moest betalen. Ik kon dat niet betalen. Uiteindelijk heeft hij in ons eerste gesprek gevraagd of ik een vriend had en of ik kinderen had. Ik heb [verdachte] gevraagd om de schuld in termijnen te kunnen betalen en hij vroeg of ik werkte. Ik werkte toen enkele uurtjes in de huishouding en de rest werd aangevuld door de sociale dienst. Dit was nooit
genoeg om de schuld af te betalen. Hij vertelde mij toen dat we het op een andere manier konden inkleden. Ik vroeg wat hij daarmee bedoelde. Hij vertelde mij dat ik zijn vriendinnetje zou kunnen worden en dat hij er voor zou zorgen dat ik van mijn schuld af kwam. Hij zou er voor zorgen dat mijn schuld weg zou zijn. (...) Ik wil jullie vertellen dat ik op 15-jarige leeftijd het huis had verlaten. Ik ben toen de vader van mijn kinderen tegen gekomen. Hij heeft mij mishandeld in deze 10 jaar. Het heeft heel wat gedaan bij mij dat ik daar uiteindelijk ben vertrokken en terug ging naar mijn ouders met de kinderen naar [plaats] . Ik heb dan voor het eerst een appartement gekregen en ik was heel dom met het geld. Ik had nog nooit een rekening hoeven te betalen en wist niet met geld om te gaan. Dit verhaal had ik ook gedeeld met [verdachte] . (...) Mijn gehele schuld zat toen rond de 10.000 euro. (...) Toen hij bij mij aan de deur stond, stelde hij zich voor als gerechtsdeurwaarder [verdachte] . Ik heb de stukken gezien waarop stond dat ik een schuld had. Hij liet deze snel zien. Hij vertelde mij dat ik een schuld had van 700 euro bij CZ en dat deze schuld binnen twee weken afgelost moest worden, anders zou hij mijn spullen uit mijn woning weghalen en hij zei dat hij daartoe gerechtigd was. Hij stond binnen enkele dagen weer aan de deur. Hij vroeg toen of ik erover nagedacht had om zijn vriendinnetje te worden. Ik had er niet over nagedacht. Ik wist ook niet of hij dit serieus bedoelde. Hij heeft toen gezegd dat als ik met hem naar bed zou gaan hij de rekening zou betalen. Ik weet zeker dat ik toen nog een keer de vraag en het antwoord herhaald heb naar hem. Als ik een keer met jou naar bed ga, betaal jij mijn rekening? Hierop antwoordde hij dat ik mij daar geen zorgen over hoefde te maken. (...) Toen zei hij dat ik schulden had en dat het lastig ging worden om dit te betalen. Hij kon het beter maken. Hij vertelde mij dat hij mijn spullen in beslag kon nemen en ik werd toen wel heel bang. Ik had twee kinderen om voor te zorgen. Hij schetste twee werelden. Of ik koos voor zijn vriendinnetje te worden en dat ik mij nergens meer zorgen over hoefde te maken en dat mijn schulden zouden verdwijnen of de keerzijde dat hij met de politie terug zou komen en dat hij alles in beslag ging nemen. Ik had geen keus. Ik had alleen maar in mijn hoofd dat ik voor mijn kinderen moest zorgen. Ik voelde mij zo machteloos en kon naar mijn mening geen kant op. Ik kende hem niet en het was iemand met gezag. (...) De volgende ontmoeting was drie of vier dagen daarna. Hij belde mij of ik thuis was. Hij is na het telefoontje naar mij gekomen en ik heb hem binnen gelaten. Hij had weer een document bij zich wat hij op tafel legde en waar niet mijn naam op stond. Hij vroeg of ik erover nagedacht had. Ik vroeg hem nog dat hij ervoor zou zorgen dat de rekening weg was wanneer ik seks met hem had. Hij zei dat hij alles zou regelen en dat ik het breder zou krijgen. Hij zou mij gaan helpen op deze manier. Uiteindelijk heb ik ja gezegd tegen zijn voorstel. We zijn op mijn slaapkamer beland. Hij heeft mij van onder gelikt. Uiteindelijk heeft hij een condoom omgedaan en hebben wij seks gehad. Het condoom dat hij had gebruikt, draaide hij in een tissue. Ik zei nog dat de prullenbak in de keuken stond en hij zei: “Nee, die neem ik mee.” Ik weet nog dat hij 100 euro op het nachtkastje gooide. Ik vroeg nog: “Waarvoor is dat?” Hij zei dat dat was voor het breder te hebben. Ik vroeg nog dat hij toch zou zorgen voor de rekening. Hij zei dat ik me daar geen zorgen over hoefde te maken. Hij liep naar de woonkamer en zei tot de volgende keer. (...) Met seks bedoel ik dat ik voelde dat hij met zijn penis in mijn vagina kwam. De condoom haalde hij uit zijn broekzak en legde deze op mijn nachtkastje. (...) Gevoelsmatig was het niet vrijwillig. Het was een beslissing om een stukje veiligheid te creëren voor mij en mijn kinderen. Het was noodgedwongen omdat hij anders mijn spullen kwam weghalen en dat ik met mijn kinderen op straat zou komen te staan. Het seksuele contact is nooit vrijwillig geweest. Hij zei iedere keer: “Ik help je toch, jij bent de enige, je kunt boodschappen doen voor je kinderen. Je kunt blijven wonen.” Het was voor mij psychische dwang. Als hij op seksbezoek wilde komen, kon ik dit niet weigeren want hij zei dan meestal dat hij er al was en dan begon hij weer over mijn schuld. Hij zei dat hij niet voor niets hier bij mij aan de deur stond. (...) Mijn moeder is er, volgens mij in het derde jaar, achter gekomen dat ik [verdachte] kende. Dat ik contact had met een deurwaarder. In die tijd belde [verdachte] mij op een gegeven moment op. [verdachte] vertelde mij dat hij bij mijn ouders moest zijn voor een schuld. [verdachte] zei tegen mij dat ik niet bang hoefde te zijn en natuurlijk zou hij dit wel regelen, het waren tenslotte mijn ouders. De seks met [verdachte] ging door. (...) Ik zag hem een keer in de week en soms twee keer per week op zijn verzoek. (...) Er is nooit iets anders gebeurd dan likken, vingeren, penetreren, betasten en ik heb hem wel eens moeten pijpen. Hij gebruikte altijd een condoom. Na gebruik legde hij hier een knoopje in, frommelde het in een tissue en stopte het terug in zijn borstzak. (...) Ik durfde geen nee te zeggen omdat ik bang was voor de consequenties. Hij wist van mijn verleden en speelde daar gewoon op in. (...) In die periode zat ik met leefgeld met twee kinderen op 42 euro per week. (...) Het heeft vier jaar geduurd. (...) Hij had een hondje, een terriër, die bleef altijd in de auto zitten. (...) In het bed heb ik altijd geslapen totdat [verdachte] bij mij over de vloer kwam. Ik heb daarna nooit meer in mijn bed geslapen. Ik kon het gewoon niet meer. Ik heb heel lang op de bank geleefd. (...) Door het toedoen van [verdachte] heb ik mij opgesloten gevoeld in mijn eigen huis. Ik was toen al een emotioneel wrak.
(…)
16. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 30 maart 2017 (dossierpagina 1980-1989), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangeefster 3] :
Het is geen grote man, maar op de manier hoe hij sprak, de intonatie en hoe hij overkwam, was hij overweldigend. Hij had altijd een antwoord klaar. Hij was goed in woorden. Overweldigend is niet het goede woord. Hij stond altijd boven mij. Ik was ondergeschikt aan hem. Ik voelde mij zo nederig tegenover hem. (...) Ik heb zijn aanwijzingen altijd als een robot opgevolgd. Ik voelde dat dit niet klopte en dat mijn lichaam weerstand ging bieden. Het heeft ook heel lang geduurd voordat ik excuses gingen zoeken zodat ik niet met hem seks hoefde te hebben. Dit heeft twee jaar geduurd. Als er werd gebeld of geklopt keek ik heel voorzichtig in het kijkgaatje in de voordeur en als ik hem zag dan liep ik heel voorzichtig terug zodat hij mij niet hoorde. Ik had in die tijd de gordijnen dicht van de woonkamer. Wanneer ik heel stil was, vertrok hij op een gegeven moment. Toen begon [verdachte] op de deuren te kloppen. Eerst kwam hij altijd aan de voordeur maar na een tijdje kwam hij ook achterom. (...) Hij heeft niet altijd geld achter gelaten. (...) Wij hebben een keer seks gehad op een andere plek dan in mijn woning aan de [c-staat ] in [plaats] . Dit was in een appartementencomplex op de [d-straat] te [plaats] . We hadden daar seks omdat ik herhaaldelijk had gezegd dat we in mijn woning geen seks konden hebben. Dit was een smoes in de hoop dat het niet doorging. We liepen de trappen op en van één van die appartementen opende hij de deur met een van de sleutels die hij bij zich had. Het hele appartement was leeg. Overal was beton en er waren geen gordijnen. Ik vroeg hem nog: “Wil je het hier doen, er hangt niets voor de ramen.” Hij lachte toen vies en zei nee kom maar mee. We gingen door het gangetje van de keuken naar de deur van de badkamer. In deze badkamer waren geen ramen; alleen een luikje boven de deur. Ik heb een aantal keren nee, nee gezegd maar ik ging uiteindelijk weer akkoord omdat ik naar huis wilde. Ik had mijn handen op de rand van de badkuip staan en was met de rug naar hem toe gekeerd. Daarbij, stond ik gebukt haar voren. Hij is achter mij komen te staan en zo hebben we gemeenschap gehad. (...) De relatie is begonnen ergens vanaf 2004/2005 en in 2010 [Het hof begrijpt blijkens de GBA-bevraging: 2009] heb ik mij ingeschreven in [plaats] en stopte de relatie. De relatie duurde vier of vijf jaar. (...) Ik durfde niet eerder met deze informatie naar de politie te stappen. De reden daarvoor was dat hij altijd liet merken dat een gerechtsdeurwaarder hoger was dan de politie. Hij bepaalde wat er met mij ging gebeuren en hij kon mij buiten zetten met hulp van de politie. De politie hielp hem alleen maar. Hij had de macht. In die tijd geloofde ik dat. Hij zei vaker: “Ik heb de macht en ik kan je eruit zetten.” Ik ben uiteindelijk naar [plaats] verhuisd. Ik deed dit omdat dit in mijn ogen de enige manier was om van [verdachte] af te komen.
(…)
18. Het proces-verbaal van bevindingen financieel d.d. 10 mei 2017 (dossierpagina 2004-2008), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Betrokkene [aangeefster 3] komt over de periode 2004 t/m 2009 25 keer voor in het repertoire en de administratie van het deurwaarderskantoor [A] .
- Over de periode 2004 t/m 2009 is 7 keer in persoon door de deurwaarder [verdachte] een stuk betekend aan de betrokkene [aangeefster 3]
- Er is bij de betrokkene [aangeefster 3] sprake van een aanzienlijke schuldenlast dan wel schuldpositie over de periode 2004 t/m 2009.”
9. Het hof heeft ten aanzien van deze feiten onder meer het volgende overwogen:
“(…) Daar komt bij dat ook uit de bewijsmiddelen ter zake van de andere feiten - in onderling verband en samenhang beschouwd - een duidelijk patroon naar voren komt waarbij de verdachte uit zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder vrouwen thuis bezoekt, ze met hun schulden confronteert en daarvoor vervolgens een oplossing biedt ‘in ruil’ voor seksuele diensten.
(…)
Ten aanzien van feit 1
Het hof stelt vast dat [aangeefster 1] in 2002 samen met haar kind bij haar ouders woonde in [plaats] . Daarvoor woonde zij in een blijf-van-mijn-lijfhuis vanwege huiselijk geweld gepleegd door haar partner. Haar financiële situatie was slecht. Verdachte kwam toen in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder met vorderingen bij [aangeefster 1] aan de deur. Toen zij haar betalingsregeling niet kon nakomen, heeft zij het deurwaarderkantoor [A] gebeld. Zij had immers nog geen financiële middelen en was nog bezig met het aanvragen van een uitkering. Verdachte belde haar terug en zei dat hij de volgende dag langs zou komen. Hij kende [aangeefster 1] al sinds 2000 en wist van haar persoonlijke en financiële problemen. Als verdachte bij haar ouders aan de deur staat, doet verdachte [aangeefster 1] een voorstel. Hij stelt haar voor om het anders te regelen en haar schuld in natura te betalen. Als zij seks met hem heeft, kan ze geld verdienen en met dat geld de schuld op het deurwaarderskantoor afbetalen. Hij vertelt haar dat zij anders veel dieper in de schulden zou raken. Hij kan niet alleen haar spullen maar ook die van haar ouders in beslag nemen omdat zij bij hen woont. [aangeefster 1] voelt zich gedwongen om in te gaan op het voorstel van verdachte en heeft tweemaal seks gehad met verdachte in de periode van maart tot en met september 2002. Zij had geen andere keus omdat zij geen geld had, niet verder in de schulden wilde raken en niet wilde dat er beslag op spullen van haar ouders werd gelegd.
Het hof acht bovengenoemde omstandigheden bewezen op grond van de aangifte, het informatieve gesprek van [aangeefster 1] , het verweerschrift van verdachte op de klacht van aangeefster en de stukken waaruit volgt dat verdachte gerechtsdeurwaarder was.
Het dossier bevat geen ander bewijsmateriaal dat verdachte [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het verrichten van seksuele handelingen. Het hof is desalniettemin van oordeel dat de verklaringen van [aangeefster 1] voldoende worden ondersteund door ander bewijs. Allereerst vindt het hof die steun in de verklaring van verdachte zelf. Hij heeft bevestigd dat hij [aangeefster 1] kent en dat hij seks wilde met [aangeefster 1] Het hof ziet daarnaast ook steunbewijs in de verklaringen van de aangeefsters [aangeefster 2] en [aangeefster 3] Deze aangeefsters verklaren weliswaar alleen over hun eigen seksuele contact met de verdachte, maar zijn toch bruikbaar voor het steunbewijs. De verklaringen komen immers in de kern overeen. Zij verklaren allen over eenzelfde modus operandi van verdachte, te weten: dat verdachte bij hen aan de deur kwam als gerechtsdeurwaarder, zij schulden hadden, verdachte hen een voorstel deed om seks te hebben in ruil voor schuldenverlaging, druk zette door te dreigen met de machtsmiddelen die hij zou hebben als gerechtsdeurwaarder zoals de inboedel in beslag nemen en huisuitzetting en dat verdachte macht en overwicht had. Ook kwam hij altijd aan de deur met papieren en onder werktijd. Daarnaast verklaren ook [aangeefster 2] en [aangeefster 3] dat verdachte na de seks een knoopje in het condoom legde en het condoom in een tissue of papiertje deed of terug in de verpakking stopte. Vervolgens nam hij het condoom en de verpakking hiervan mee in zijn jaszak of borstzak. Verdachte heeft deze handelswijze ook bevestigd. Het hof ziet laatst genoemde omstandigheid als doorslaggevend punt voor het feit dat [aangeefster 1] seks heeft gehad met de verdachte. Zij kon dit niet weten als zij geen seks met hem had gehad. Het is een opvallende verrichting die niet algemeen bekend was.
Het hof dient vervolgens een oordeel te geven over de vraag of het seksueel contact tussen verdachte en [aangeefster 1] gekwalificeerd kan worden als verkrachting. Het hof neemt de volgende omstandigheden in ogenschouw.
Verdachte wist van de financiële en psychische situatie van [aangeefster 1] Zij was een alleenstaande gescheiden moeder komend uit een gewelddadige relatie met financiële problemen. Het was voor hem duidelijk dat zij de schulden niet kon betalen en dat het water haar aan de lippen stond. Vervolgens maakte hij misbruik van deze kwetsbaarheid door in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder haar een voorstel te doen om seks met hem te hebben in ruil voor geld om haar schulden te kunnen betalen. Als zij niet op dit voorstel zou ingaan, zou haar situatie alleen maar erger worden; er zouden meer schulden volgen en ook zouden haar spullen en die van haar ouders in beslag worden genomen. [aangeefster 1] stond met haar rug tegen de muur en zag geen andere uitweg. Van keuzevrijheid was daardoor geen sprake. Verdachte heeft, misbruik makend van zijn ambt als deurwaarder, [aangeefster 1] voorgehouden welke machtsmiddelen hij zou kunnen inzetten als ze geen seks met hem zou hebben. Daarbij maakte verdachte eveneens misbruik van de slechte financiële positie waarin [aangeefster 1] zich bevond en haar psychische kwetsbaarheid. Verdachte heeft met zijn handelen bewust een zodanig bedreigende situatie gecreëerd dat [aangeefster 1] niet anders kon dan capituleren en de seksuele handelingen ondergaan.
De omstandigheid dat verdachte daadwerkelijk geld heeft achtergelaten na de seks, maakt niet dat er sprake was van vrijwilligheid binnen een ‘gewone’ overeenkomst waarbij de een seksuele dienst verleent en de ander daarvoor betaalt.
In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte met bovengenoemde feitelijkheden en dreiging met feitelijkheden [aangeefster 1] heeft gedwongen tot seksuele handelingen. Het opzet van verdachte ligt in de door hem gepleegde handelingen besloten. Dit maakt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. (…)
Ten aanzien van feit 2
Het hof stelt vast dat [aangeefster 2] in 2004 of 2005 met verdachte in aanraking kwam in zijn functie als gerechtsdeurwaarder. Op dat moment had zij een schuld van 40.000 euro. Zij was net 19 jaar oud, kwam uit een tumultueuze periode van gedwongen prostitutie en een moeizame relatie, had een kind gekregen en woonde alleen in een huis in [plaats] . In haar verklaringen noemt ze zichzelf jong, dom, naïef en labiel. Verdachte stond meerdere keren in zijn functie als gerechtsdeurwaarder met aanmaningen en dagvaardingen bij [aangeefster 2] aan de deur om te melden dat zij schulden had en er een betalingsregeling getroffen moest worden. Verdachte wist van haar financiële situatie en gezinssituatie. Hij zei dat als zij niet zou betalen, hij genoodzaakt was met de politie en slotenmaker terug te komen om beslag te leggen op haar goederen. Ook zou er een openbare verkoop plaatsvinden. Hij kon haar leven verwoesten door haar op straat te zetten. Hij maakte haar daarmee bang en zij voelde zich in een hoek gedreven. Vervolgens vroeg hij of ze ruimdenkend was. Zij kon op een andere manier van haar schulden afkomen. In ruil voor seks met verdachte zou er iedere keer 50 tot 100 euro in mindering worden gebracht op haar schuld. Zij stemde in omdat hij zei dat hij met de politie terug zou komen. Ze was bang om haar huis en kinderen kwijt te raken. Vervolgens heeft verdachte [aangeefster 2] jarenlang veelvuldig thuis bezocht en seks met haar gehad. Er zijn drie of vier verschillende periodes van schulden geweest. In die periodes hadden zij seks. Als [aangeefster 2] tegen verdachte zei dat zij er geen zin meer in had, dan zei hij haar dat zij aan haar schulden en huishouden moest denken. Zij had angst om op straat komen te staan en haar kinderen kwijt te raken
Het hof dient te beoordelen of het seksuele contact gekwalificeerd kan worden als verkrachting. Het hof neemt in dit geval de volgende omstandigheden in ogenschouw.
Verdachte wist van de financiële en persoonlijke situatie van [aangeefster 2] Zij was een 19-jarige alleenstaande moeder, ontsnapt uit de prostitutie, met grote schulden. Het was voor verdachte duidelijk dat zij de schulden niet kon afbetalen en dat het water haar aan de lippen stond. Vervolgens maakte hij misbruik van deze kwetsbaarheid door in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder haar een voorstel te doen om seks te hebben in ruil voor 'schuldenverlichting. Om dit voorstel kracht bij te zetten voerde hij de psychische druk op door meerdere keren tegen haar te zeggen dat als zij niet akkoord zou gaan met zijn voorstel, hij terug zou komen met de politie en slotenmaker, haar spullen in beslag zou nemen, hij haar (en dus haar kinderen) uit huis zou zetten en er een openbare verkoop zou plaatsvinden. Hij maakte haar daarmee bang. Zij voelde zich met de rug tegen de muur gezet en ervoer dat zij geen andere keus had. Naar de politie durfde zij niet omdat zij dacht dat zij toch niet geloofd zou worden. Zij moest kiezen tussen twee kwaden, waarbij het hof begrijpt dat het op straat komen te staan met haar kinderen de meest kwade optie was. Zij is overstag gegaan en het seksuele contact heeft jaren gespeeld. In die tijd herinnerde verdachte haar telkens aan de consequenties als zij wilde stoppen met het ondergaan van de seksuele handelingen. (…) [aangeefster 2] voelde zich volledig afhankelijk van hem. Naast dat er sprake was van een overwicht als gerechtsdeurwaarder, had verdachte ook in leeftijd overwicht. Hij was begin 50 en zij was net 19 jaar oud geworden. Verdachte heeft met zijn handelen bewust een zodanig bedreigende situatie gecreëerd dat [aangeefster 2] niet anders kon dan capituleren en de seksuele handelingen ondergaan. Dat het seksuele contact tussen verdachte en [aangeefster 2] vrijwillig is geweest zoals de verdachte heeft gesteld, acht het hof dus onaannemelijk. De omstandigheid dat verdachte kwitanties heeft achtergelaten (en naar mag worden aangenomen die bedragen heeft afgedragen aan de schuldeisers) na de seks, maakt niet dat er sprake was van vrijwilligheid binnen een ‘gewone’ overeenkomst waarbij de een seksuele dienst verleent en de ander daarvoor betaalt.
In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte met bovengenoemde feitelijkheden en dreiging met feitelijkheden [aangeefster 2] heeft gedwongen tot seksuele handelingen. Het opzet van verdachte ligt in de door hem gepleegde handelingen besloten. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan verkrachting. (…)
Het hof verwerpt eveneens de stelling dat het seksuele contact tussen verdachte en [aangeefster 2] los stond van zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder. Uit de verklaringen van [aangeefster 2] , [aangeefster 1] en [aangeefster 3] volgt immers dat verdachte altijd tijdens kantooruren langskwam en dat hij altijd papieren bij zich had. Dat hij weleens geen ambtelijke stukken uitreikte, doet daar niets aan af. Doorslaggevend is verder de verklaring van [aangeefster 2] dat zij alleen seks hadden in de periodes dat verdachte een schuld kwam innen. Verdachte zette in die periodes telkens in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder weer druk op [aangeefster 2] om het seksuele contact weer te herstellen en te behouden. Die druk bestond uit het schermen met bevoegdheden van een deurwaarder, zoals ontruiming en inbeslagname.
Ten aanzien van feit 3
Het hof stelt vast dat [aangeefster 3] in 2004, in aanraking komt met verdachte in zijn hoedanigheid als gerechtsdeurwaarder. [aangeefster 3] Zij had toen een schuldenlast van 10.000 euro, kwam uit een gewelddadige relatie van tien jaar, woonde in een appartement met haar kinderen en had nooit geleerd om met geld om te gaan. Zij heeft haar situatie met verdachte gedeeld.
Verdachte kwam bij haar aan de deur met de mededeling dat zij een schuld had bij CZ en dat deze schuld binnen veertien dagen afbetaald moest worden, anders zou hij haar spullen uit haar woning laten halen. Hij gaf aan dat hij daartoe gerechtigd was. Hij was hoger dan de politie en hij kon bepalen wat er met haar ging gebeuren. Hij kon haar met behulp van de politie buiten zetten en dan zou zij, met haar kinderen, op straat komen te staan. Hij zei haar vervolgens dat ze het anders konden inkleden. Als zij zijn vriendinnetje zou worden dan zou hij ervoor zorgen dat zij van haar schuld af kwam. Hij zou er voor zorgen dat haar schuld weg zou zijn. Hij heeft haar vervolgens binnen enkele dagen weer opnieuw thuis opgezocht en haar gevraagd of zij erover had nagedacht. Hij heeft vervolgens gezegd dat als zij met hem naar bed zou gaan, hij de rekening zou betalen. Zij hoefde zich daarover geen zorgen te maken. Vervolgens zei hij haar dat het lastig ging worden voor haar om de schulden te betalen en dat hij het beter kon maken. Hij schetste twee werelden: of zij zou zijn vriendin worden waarbij zij zich nergens meer zorgen over hoefde te maken en haar schulden zouden verdwijnen, of hij zou terugkomen met de politie en alles in beslagnemen. Hij had de macht om haar (en haar kinderen) uit haar woning te zetten. Zij was bang en had alleen maar in haar hoofd dat zij voor haar kinderen moest zorgen en voelde zich machteloos. Ze kon naar haar mening geen kant op. Ze kende hem niet en hij was iemand met gezag. Nadat zij instemde met zijn voorstel, hadden zij seks. Daarna gooide hij 100 euro op haar nachtkastje. Waar zij dacht maar een keer seks met hem te hoeven hebben, was dit niet het geval. Er volgden nog vele keren, waarbij hij in de meeste gevallen een geldbedrag aan [aangeefster 3] gaf na de seks. Telkens zei hij tegen haar dat ze het breder en beter zou krijgen en dat zij toch goed voor haar kinderen wilde zorgen. Hij zei dan dat hij haar toch hielp, zij boodschappen kon doen voor de kinderen, zij in haar woning kon blijven, zij aan haar schuld moest denken en dat hij toch niet voor niks aan de deur stond. Het seksuele contact vond een of twee keer per week plaats en duurde voort totdat zij verhuisde naar [plaats] in juni 2009.
Het hof neemt voor de vraag of het seksuele contact tussen verdachte en [aangeefster 3] kan worden gekwalificeerd als verkrachting, de volgende omstandigheden in overweging.
Verdachte wist van de financiële en persoonlijke situatie van [aangeefster 3] Zij was een alleenstaande moeder, ontsnapt uit een gewelddadige relatie en achtergebleven met grote schulden. Hij heeft vervolgens gebruik gemaakt van deze kwetsbaarheid om haar in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder het voorstel te doen om zijn seksvriendin te worden en er zo voor te zorgen dat haar schulden minder zouden worden en zouden verdwijnen. Ook hier zette hij dit voorstel kracht bij door haar bang te maken door te dreigen met de politie, inbeslagname van spullen en ontruiming van de woning indien zij zijn voorstel niet zou accepteren. Zij moest kiezen tussen twee kwaden, waarbij het hof begrijpt dat het op straat komen te staan met haar kinderen de meest kwade optie was. Verdachte heeft met zijn handelen bewust een zodanig bedreigende situatie gecreëerd dat [aangeefster 3] niet anders kon dan capituleren en de seksuele handelingen ondergaan. Ook voor dit feit acht het hof de verklaringen van [aangeefster 1] en [aangeefster 2] van belang. Zij ondersteunen de verklaringen van [aangeefster 3] met betrekking tot de modus operandi van de verdachte en hoe het contact met de verdachte werd ervaren. Het hof verwijst naar hetgeen zij hierover heeft geschreven onder feit 1.
In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte met bovengenoemde feitelijkheden en/of dreiging met feitelijkheden [aangeefster 2] heeft gedwongen tot seksuele 1 handelingen. Het opzet van verdachte ligt in de door hem gepleegde handelingen besloten. Dit maakt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. (…)
Het hof verwerpt eveneens de stelling dat het seksuele contact tussen verdachte en [aangeefster 3] los stond van zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen daaromtrent is overwogen ten aanzien van feit 2.”
10. Voordat ik de middelen bespreek merk ik het volgende op. De klachten hebben steeds betrekking op de bewezenverklaarde invulling van het dwangbegrip van artikel 242 (oud) Sr. Het hof heeft ten aanzien van elk feit bewezenverklaard dat de aangeefsters zijn gedwongen “door andere feitelijkheden en/of bedreiging met andere feitelijkheden”.2.In dat verband is van belang dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘door andere feitelijkheden heeft gedwongen’ zijn gebruikt in de betekenis die die woorden hebben in artikel 242 (oud) Sr. Van door een ‘feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam’ van het slachtoffer als bedoeld in die bepaling kan slechts sprake zijn als de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn/haar wil heeft ondergaan. Van door een feitelijkheid dwingen als hiervoor bedoeld kan sprake zijn als de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of die dwang zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.3.
11. Wat betreft de psychische kwetsbaarheid van de aangeefsters, geldt dat deze in alle drie de gevallen uit de bewijsmiddelen is af te leiden. Ik beperk mij tot de hoofdlijnen daarvan. Ten aanzien van [aangeefster 1] (feit 1) heeft het hof, kort gezegd, vastgesteld dat zij na een kennelijk gewelddadige relatie was gescheiden van haar partner en, na verblijf in een blijf-van-mijn-lijfhuis ten tijde van het tenlastegelegde met haar kind inwoonde bij haar ouders. De aangeefster heeft verklaard (bewijsmiddel 9) dat de verdachte ook al in verband met schulden langskwam toen zij en haar ex-partner nog samen waren. Uit die verklaring volgt ook dat de verdachte “precies [wist] in welke situatie” de aangeefster zich bevond. Ook de destijds 19-jarige [aangeefster 2] (feit 2) heeft verklaard dat de verdachte alles over haar, haar financiële situatie en haar gezinssituatie wist (bewijsmiddel 12). Uit de (mede op die verklaring gebaseerde) vaststellingen van het hof volgt dat zij in de periode van het tenlastegelegde feit ‘jong en dom’, dan wel naïever en labieler was, uit een knipperlichtrelatie kwam die vaak escaleerde en een geschiedenis in de gedwongen prostitutie had. Dat het hof de jeugdige leeftijd daarbij heeft betrokken (kennelijk mede in aanmerking genomen de leeftijd van de verdachte), is niet onbegrijpelijk. In het geval van [aangeefster 3] (feit 3) geldt eveneens dat zij jarenlang werd mishandeld door haar ex-partner met wie zij een kind had, toen bij hem is weggegaan, een eigen appartement heeft gekregen maar niet met geld om kon gaan en vreesde dat ze met haar kinderen op straat zou komen te staan. Ook zij heeft verklaard (bewijsmiddel 15) dat zij dit met de verdachte heeft gedeeld, zodat ook in dit geval niet onbegrijpelijk is dat het hof heeft aangenomen dat de verdachte van de psychische kwetsbaarheid op de hoogte was. Dat het hof hier de leeftijd (25 jaar) van de aangeefster in aanmerking heeft genomen, is niet direct evident. Onbegrijpelijk vind ik het gelet op de concrete omstandigheden echter niet. Het hof heeft daarbij kennelijk het oog gehad op het grote leeftijdsverschil (bijna dertig jaar) tussen de verdachte en [aangeefster 3] en haar persoonlijke situatie.4.Ik meen tot slot in alle gevallen tussen de regels door te lezen dat het hof de psychische kwetsbaarheid van de aangeefsters niet los heeft gezien van de financiële problemen – en de problematische gevolgen die als gevolg daarvan zouden kunnen ontstaan voor de leef- en gezinssituatie waarop de verdachte hen kennelijk soms heeft gewezen – waarop de verdachte heeft ingespeeld door de macht van zijn functie, mede door zijn fysieke aanwezigheid en decorum van papieren, aan te wenden. In alle gevallen ligt het oordeel dat de aangeefsters psychisch kwetsbaar waren voldoende duidelijk in de bewijsvoering besloten.
12. Wat betreft de wetenschap van de (grote) schulden van de aangeefsters geldt het volgende. Ook dit kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Ik wijs in de eerste plaats op de in bewijsmiddel 5 neergelegde verklaring van de verdachte zelf, waarin is opgenomen dat de verdachte heeft verklaard dat er wel “wat aan de hand is” als er een gerechtsdeurwaarder langskomt en dat dit “niet zomaar” is maar soms vanwege grote schulden. Ook de aangeefsters hebben verklaard dat de verdachte op de hoogte was – niet alleen van de persoonlijke omstandigheden maar ook, als onderdeel daarvan – van de financiële situatie van de aangeefsters. Uit de verklaring van [aangeefster 1] (feit 1, bewijsmiddel 9) volgt bovendien dat zij ‘geen cent had’ en nog een uitkering moest aanvragen. Zij beschikte niet over inkomen of vermogen, maar wel over schulden die maakten dat zich een deurwaarder bij haar meldde. Ook zonder precieze cijfers over de schuldenlast is het niet onbegrijpelijk dat het hof dit heeft aangemerkt als grote financiële problemen. Wat betreft [aangeefster 2] (feit 2) en [aangeefster 3] (feit 3) staat de hoogte van de schuld wel vast: een schuld van 40.000,- (bewijsmiddel 12) respectievelijk een schuld van 10.000,-, (bewijsmiddel 15). In beide gevallen volgt ook uit de bewijsmiddelen (bewijsmiddel 14 respectievelijk 18) dat de aangeefsters te maken hadden met een ‘aanzienlijke schuldenlast’. Wat betreft de wetenschap van de verdachte heeft het hof wat betreft [aangeefster 2] kennelijk nog relevant geacht dat de verdachte - volgens [aangeefster 2] - tegen haar heeft gezegd dat ze in de problemen zou komen als ze niet zou betalen en dat hij zei - als zij aangaf dat zij ‘er helemaal geen zin meer in had’ - dat ze aan haar schulden en haar huishouden moest denken en soms “dat hij het zo fijn vond dat we het zo konden regelen en dat ik [VS: [aangeefster 2] ] het deed voor mijn kindje, mijn spulletjes en mijn schulden”. Ten aanzien van [aangeefster 3] wordt de wetenschap van de verdachte kennelijk (onder meer) afgeleid uit bewijsmiddel 15 waaruit blijkt dat de verdachte volgens de aangeefster heeft gezegd “Ik help je toch, (…) je kunt boodschappen doen voor je kinderen. Je kunt blijven wonen”. Ook in deze gevallen is daarom niet onbegrijpelijk - ook niet in het licht van hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd - dat het hof heeft geoordeeld dat de aangeefsters een grote schuld hadden en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.
13. Tot slot nog het volgende. Voor zover wordt geklaagd over het gebruik van schakelbewijs geldt dat daarover in cassatie enkel is aangevoerd dat het gebruik daarvan tot cassatie moet leiden met het oog op de ontoereikende motivering van de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3. Alleen al omdat die oordelen wat mij betreft in stand blijven, kan ook dit onderdeel van de middelen niet tot cassatie leiden.
14. Al met al meen ik dat het mede op de hier betwiste omstandigheden gebaseerde oordeel dat de verdachte de aangeefsters [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] heeft gedwongen “door andere feitelijkheden en/of bedreiging met andere feitelijkheden”, niet onbegrijpelijk is.
15. De middelen falen.
Het vierde middel
16. Het vierde middel bevat verschillende klachten over de bewezenverklaring van feit 4 en het oordeel van het hof dat sprake is van ‘ontuchtige handelingen’.
17. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat hij:
“op 15 juni 2016 te [plaats] , door een andere feitelijkheid te weten door
- in zijn, verdachtes, hoedanigheid van deurwaarder de woning van een persoon genaamd [aangeefster 4] binnen te treden en (vervolgens)
- tegen die [aangeefster 4] te zeggen dat hij, verdachte, een dwangbevel bij zich had dat bestemd was voor [naam] en (vervolgens)
- aan die [aangeefster 4] te vragen of zij een partner en een relatie had en aan die [aangeefster 4] toe te voegen de woorden van de strekking: “Luister, maar ik wil ook seks met jou” en/of “Ik zou met jou ook wel seks willen hebben” en (vervolgens)
- tegen die [aangeefster 4] te zeggen dat hij, verdachte, best [naam] wilde zijn en dat [naam] maar bofte met zo’n vrouw als zij en (vervolgens)
- tegen die [aangeefster 4] te zeggen dat hij, verdachte, seks met haar wilde en dat, als zij seks met [naam] had, zij ook seks met hem, verdachte, kon hebben en aan die [aangeefster 4] toe te voegen de woorden van de strekking: “Ik wil seks met jou” en (vervolgens)
- het onverhoeds vastpakken en/of vasthouden van die [aangeefster 4] en/of het (onverhoeds) kietelen in de zij van die [aangeefster 4] en/of (vervolgens)
- het met zijn, verdachtes, hand vasthouden boven een borst van die [aangeefster 4] en het (vervolgens) duwen en/of vast en/of klem zetten van die [aangeefster 4] tegen de ijskast en/of een glazen deur,
die [aangeefster 4] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen en een zodanige situatie heeft doen ontstaan, dat die [aangeefster 4] een of meer ontuchtige handelingen niet kon verhinderen en voorkomen.”
18. Het hof heeft ten aanzien van dit feit overwogen:
“Ten aanzien van feit 4
Over de gepleegde handelingen door verdachte - het kietelen, aanraken en betasten – heeft alleen [aangeefster 4] verklaard. Verdachte heeft ontkend dit te hebben gedaan en de getuigen hebben de handelingen zelf niet gezien. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of haar verklaring in voldoende mate steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
Het hof overweegt daaromtrent het navolgende.
In deze zaak is het hof van oordeel dat de verklaringen van [aangeefster 4] voldoende worden ondersteund door ander bewijs. Allereerst vindt het hof steunbewijs in de verklaring van verdachte zelf. Hij bevestigt de verklaring van [aangeefster 4] dat hij op die dag bij haar in de woning is geweest, een stuk had voor [naam] , hij en [aangeefster 4] een discussie hadden, hij meermalen heeft gezegd dat hij wel een seksrelatie met [aangeefster 4] zou willen hebben en dat er een situatie ontstond dat hij handgebaren naar haar maakte. Naast deze verklaring vindt het hof steunbewijs in de getuigenverklaringen van [betrokkene 4] en de zus van [aangeefster 4] . Deze verklaringen zijn weliswaar te herleiden tot dezelfde bron, te weten [aangeefster 4] zelf, maar zijn toch bruikbaar voor het steunbewijs. Zij verklaren dat [aangeefster 4] hen heeft verteld dat de deurwaarder seks met haar wilde en dat hij haar vervolgens klem zette in een hoek en haar vastpakte/met haar stoeide. Het feit dat deze getuigen dit meteen na het voorval van [aangeefster 4] hebben gehoord in combinatie met de emoties die zij op dat moment bij [aangeefster 4] zien, sterkt het hof in haar oordeel dat het voorval zich zo heeft afgespeeld als [aangeefster 4] heeft verklaard. Het hof acht dus
bewezen dat verdachte [aangeefster 4] heeft gekieteld, aangeraakt en betast.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze handelingen kunnen worden aangemerkt als ontuchtig. Hoewel kietelen, aanraken en betasten niet per definitie ontuchtig hoeven te zijn, acht het hof dit in deze zaak wel ontuchtige handelingen. Verdachte was als gerechtsdeurwaarder bij [aangeefster 4] in de woning, hij heeft meermalen tegen haar gezegd wel een seksrelatie met haar te willen en heeft, nadat aangeefster hem had uitgemaakt voor een ‘vieze man’ gezegd: “Wat zei jij: een vies oud mannetje? Ik zal jou eens laten zien wat ik nog kan” haar vervolgens in een hoek van de keuken klemgezet. Het vervolgens kietelen, aanraken en betasten (onder meer boven de borst) van [aangeefster 4] krijgt in deze context een seksuele lading en is daarmee ontuchtig. Uit haar verklaring volgt dat aangeefster dit ook als zodanig heeft ervaren.
Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [aangeefster 4] heeft aangerand.”
19. In de toelichting wordt in de eerste plaats geklaagd dat het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte [aangeefster 4] heeft gedwongen tot het dulden van ‘ontuchtige handelingen’, terwijl daaraan onvoldoende feitelijke betekenis toekomt en het hof aldus ten onrechte heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde een strafbaar feit oplevert. Dat aan een enkele verwijzing naar ‘ontuchtige handelingen’ onvoldoende feitelijke betekenis toekomt, is op zichzelf juist.5.Gelezen in samenhang met de bewijsoverweging moet de bewezenverklaring kennelijk zo worden begrepen dat de handelingen genoemd in de laatste twee gedachtestreepjes - in de bewijsoverweging samengevat als het kietelen, aanraken en betasten - door het hof als ontuchtige handelingen worden gezien. Voor zover het middel van iets anders uitgaat, berust het op een onjuiste lezing van het arrest.
20. In de toelichting wordt voorts betoogd dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is, omdat het hof bewezen heeft verklaard dat sprake is geweest van “het onverhoeds vastpakken en/of vasthouden van die [aangeefster 4] en/of het (onverhoeds) kietelen in de zij van die [aangeefster 4] en/of (vervolgens) het met zijn, verdachtes, hand vasthouden boven een borst van die [aangeefster 4] ”. Daardoor heeft het hof kennelijk niet uitgesloten dat één of meer gedragingen niet bewezen zijn verklaard zodat niet duidelijk is welke ‘feitelijkheden’ en ‘ontuchtige handeling(en)’ bewezen is/zijn verklaard, aldus de stellers van het middel.
21. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat de rechter in de bewezenverklaring onderscheiden alternatieven mag openlaten wanneer de alternatieven strafrechtelijk en in het bijzonder voor de kwalificatie niet van belang zijn.6.Elk van die alternatieven zal dan wel door bewijsmiddelen dienen te worden ondersteund.7.
22. Over de klacht kan ik tegen die achtergrond kort zijn. De door de stellers van het middel bedoelde alternatieven zijn voor de strafrechtelijke betekenis niet van belang. Een keuze zou immers niet tot een andere kwalificatie leiden. Hoewel daarover niet wordt geklaagd, merk ik op dat alle alternatieve gedragingen uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. En bezien in samenhang met de overwegingen van het hof, is duidelijk dat het hof kort gezegd bewezen acht dat de verdachte [aangeefster 4] heeft gekieteld, aangeraakt en betast. Van onduidelijkheid is mijns inziens geen sprake.
23. Tot slot wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat door in de zij kietelen en boven de borst aanraken sprake is van ontuchtige handelingen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
24. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op artikel 246 (oud) Sr. Deze bepaling luidde tot 1 juli 2024:
“Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
25. ‘ ‘Ontuchtig’ als bedoeld in artikel 246 (oud) Sr is volgens de wetgever “seksueel contact althans contact van seksuele aard in strijd met de sociaal-ethische norm”.8.Het gaat om seksuele handelingen die onder de gegeven omstandigheden als ‘oneerbaar’ kunnen worden gekarakteriseerd. Of sprake is van een ontuchtige handeling hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de verhouding tussen de betrokkenen en de omgeving waarin zij voorvalt.9.De seksuele intentie van de verdachte is niet zonder meer bepalend, maar kan dat onder omstandigheden wel zijn. Dit kan het geval zijn wanneer de seksuele strekking van de handeling niet direct blijkt uit de uiterlijke verschijningsvorm. Bij handelingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm een seksueel karakter hebben komt aan de seksuele intentie geen of in ieder geval een minder grote rol toe.10.
26. Ik wijs in dit verband op een aantal uitspraken van de Hoge Raad. In HR 9 januari 1968, NJ 1969/24 overwoog de Hoge Raad dat het door een man knijpen in de knie van een fietsende vrouw niet noodzakelijkerwijs een ontuchtig karakter heeft, maar dit op een zodanige wijze en met zodanige bedoeling kan gebeuren, dat dit als ontuchtig moet worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelde dat daarvan sprake was omdat het een blote knie betrof en de verdachte kort voor het knijpen zei “Meid, meid, wat heb jij dikke dijen. Wat zou ik hem daar graag tussen duwen”.
27. In HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:BX4288, NJ 2012/573 m.nt. Schalken had de 13-jarige verdachte een samen met een vriendje de billen van een onbekende passerende 24-jarige vrouw aangeraakt. Het hof had overwogen dat, hoewel de billen niet worden aangemerkt als een geslachtsorgaan, het aanraken van de billen in onderhavige omstandigheden naar uiterlijke verschijningsvorm het karakter van een ontuchtige handeling heeft. Dat is ook zo ervaren door de aangeefster en dat de seksuele intentie wellicht ontbrak bij de verdachte doet daaraan niet af, aldus het hof. De Hoge Raad casseerde omdat het oordeel van het hof dat het mogelijk ontbreken van “de seksuele intentie” bij de verdachte niet afdoet aan het ontuchtige karakter van het aanraken van de billen, gelet op de feitelijke vaststelling van het hof blijk geeft van een te ruime, dus onjuiste, uitleg van de in artikel 246 (oud) Sr voorkomende uitdrukking ‘ontuchtige handelingen’.
28. In de zaak die leidde tot HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3209 was bewezenverklaard dat de verdachte de aangeefster onverhoeds over haar nek en onder haar kleding op haar rug had gewreven, hetgeen het hof als ontuchtige handelingen had aangemerkt. Toenmalig advocaat-generaal Vegter merkte op dat het wrijven over nek en rug in veel gevallen geen ontucht zal opleveren, maar dat onder omstandigheden wel kan zijn. Daarvoor kan bijvoorbeeld relevant zijn of over kleding dan over huid wordt gewreven. Uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid dat de verdachte meerderjarig was, de aangeefster minderjarig en dat verdachte in zekere zin een functioneel rolmodel was. Het hof heeft voorts overwogen dat de strekking van de handeling, volgens de verdachte onder meer een aaiende over de hele rug, niet louter troostend of bemoedigend was. Voorts had het hof in aanmerking genomen dat de aangeefster vervolgens boos was weggelopen en de verdachte onmiddellijk en ook later excuses heeft aangeboden. Het slachtoffer was dezelfde avond niet in staat om te vertellen wat was voorgevallen, terwijl de verdachte over de telefoon timide en beduusd klonk en naar voren kwam dat hij stom was geweest. Eerder had hij ook al over de telefoon gezegd dat nooit had mogen gebeuren wat was gebeurd. Dat het hof had geoordeeld dat sprake was van het dulden van ontucht, vond advocaat-generaal Vegter niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad deed de zaak af onder verwijzing naar artikel 81 RO.
29. In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte als deurwaarder bij [aangeefster 4] voor de deur stond, met een dwangbevel voor een ander dan [aangeefster 4] . De verdachte liep, hoewel dat niet gebruikelijk is voor een deurwaarder, de woning in, bekeek [aangeefster 4] van top tot teen en begon direct seksuele toespelingen te maken waaronder vrij directe opmerkingen met de strekking dat hij seks met [aangeefster 4] wilde hebben. Nadat [aangeefster 4] hem had uitgemaakt voor “vieze (oude) man” liep de verdachte op haar af en maakte een opmerking met de strekking “Wat zei jij, een vies oud mannetje? Ik zal je eens laten zien wat ik nog kan”. Vervolgens zette hij haar klem in de keuken. Dat het hof heeft geoordeeld dat het vervolgens kietelen, aanraken en onder meer boven de borst betasten van [aangeefster 4] in deze omstandigheden een seksuele lading krijgt en ontuchtig is, vind ik niet onbegrijpelijk.
30. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
31. Terzijde merk ik op dat op 1 juli 2024 de Wet seksuele misdrijven in werking is getreden.11.Sindsdien heet titel XIV van het Wetboek van Strafrecht niet meer ‘Misdrijven tegen de zeden’, maar ‘Seksuele misdrijven’. Artikel 246 (oud) Sr als zodanig bestaat niet meer. In de nieuwe artikelen 239 en 240 Sr zijn strafbaarstellingen van schuld- en opzetaanranding opgenomen. De begrippen ontucht en ontuchtige handelingen komen daarin niet terug.12.Anders dan de wetgever eind jaren tachtig van de vorige eeuw13., is de wetgever thans van mening dat betoogd kan worden dat alle seksuele handelingen, onder de in nieuwe artikelen omschreven omstandigheden, in zichzelf reeds in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, aldus de memorie van toelichting.14.In de nieuwe titel wordt telkens het bestanddeel ‘seksuele handelingen’ gebruikt. Onder ‘seksuele handelingen’ wordt verstaan: handelingen van seksuele aard. Een inhoudelijke wijziging lijkt hiermee niet beoogd. De toelichting op de Wet Seksuele misdrijven houdt hierover het volgende in:
“Hierbij valt in de eerste plaats te denken aan aanraking(en) van seksuele lichaamsdelen als borsten, billen en geslachtsdelen. Hierbij kan het gaan om aanraking(en) over de kleding of van het naakte lichaam. In de tweede plaats kan worden gedacht aan dergelijke aanrakingen van andere lichaamsdelen die in het licht van de context waarin zij plaatsvinden een seksuele strekking krijgen. Een voorbeeld hiervan is het aanraken van een bovenbeen tijdens rijles. Als «seksuele handelingen» is ook aan te merken seksuele penetratie van het lichaam die bestaat uit orale, vaginale of anale penetratie. Seksuele penetratie kan plaatsvinden met een geslachtsdeel, een ander lichaamsdeel, met een voorwerp of met betrokkenheid van een dier. De meeste vormen hiervan kunnen ook worden aangemerkt als (strafverhogende) handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Onder «seksuele handelingen» vallen geen handelingen die niet primair van seksuele aard zijn, zoals noodzakelijke medische handelingen. Het bestanddeel laat ruimte aan het OM en de rechter om in een concrete zaak te beoordelen of sprake is van handelingen van seksuele aard en daarbij ook rekening te houden met de context waarbinnen de handelingen plaatsvinden.”15.
Het vijfde middel
32. Het vijfde middel klaagt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel ‘in zijn bediening’ zoals voorkomend in de bewezenverklaringen van de feiten 5, 6, 7 en 8.
33. Ten laste van de verdachte is onder 5, 6, 7 en 8 bewezenverklaard dat:
“5. hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 mei 2005 tot en met 30 november 2006 te [plaats] , als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [plaats] , een dienst, te weten
- het hebben van seks met hem, verdachte, en/of
- het verrichten van seksuele handelingen met/bij hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 5] , teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten.
6. hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 te [plaats] , als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [plaats] , een dienst, te weten het
- hebben van (een avondje vrije) seks met hem, verdachte, en/of
- verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 6] , teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.
7. hij op of omstreeks 12 januari 2011 in de gemeente [plaats] , als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [plaats] , in elk geval als ambtenaar, een dienst, te weten het
- hebben van seks met hem, verdachte, en/of
- verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 7] , teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.
8. hij op of omstreeks 20 september 2012 in de gemeente [plaats] , als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [plaats] , in elk geval als ambtenaar, een dienst, te weten het
- aan hem, verdachte, in natura betalen (door het verrichten van seksuele handelingen met/bij hem, verdachte),
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 8] , teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.”
34. Het hof heeft ten aanzien van deze feiten het volgende overwogen:
“Overwegingen ten aanzien van de feiten 5, 6, 7 en 8
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegd. Daartoe is - kort weergegeven - aangevoerd dat de verdachte weliswaar ambtenaar was en vroeg om seksuele handelingen van aangeefsters, maar dat niet is gebleken wat hiertegenover stond en - mocht van een tegenprestatie al sprake zijn geweest - dit slechts een betaling betrof waarmee aangeefsters hun schulden konden afbetalen en niet het verrichten van een ambtshandeling. De verdachte heeft niet gezegd dat hij - bijvoorbeeld - exploten zou intrekken, beslagleggingen niet zou uitvoeren of zou zorgen dat papieren van een schuldeiser zouden verdwijnen zodat geen sprake is van ‘doen of nalaten in zijn bediening’, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Concrete tegenprestatie
Het hof ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of voor een bewezenverklaring van het onder 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde vereist is dat sprake is van een concrete tegenprestatie van de zijde van de ambtenaar, of dat volstaat dat sprake is van het doen ontstaan en/of onderhouden van een voorkeursbehandeling in ruil voor het doen van een gift of belofte dan wel het leveren van een dienst aan die ambtenaar.
De strafbaarstelling van de zogenaamde ‘passieve ambtelijke omkoping’ in artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
Met gevangenisstraf (...) wordt gestraft de ambtenaar:
(..)
3°. die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten.
De omgekeerde situatie is strafbaar gesteld in artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht (de zogenaamde actieve ambtelijke omkoping). Dit artikel luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
Met gevangenisstraf(...) wordt gestraft:
1°. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten.
Uit - onder meer - HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641 volgt dat “(...) art. 177 (oud) Sr niet alleen ziet op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, doch ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen”.
Hoewel voornoemd arrest ziet op een ander delict (actieve ambtelijke omkoping) dan tenlastegelegd in de onderhavige strafzaak, ziet het hof gelet op de aard en strekking van de beide delicten geen aanleiding om - bij de beoordeling of sprake is van handelen als bedoeld in artikel 363, eerste lid en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht - een andere maatstaf te hanteren. Bij beide delicten is immers sprake van een wederkerige situatie waarin een ambtenaar in zijn bediening iets zal doen of nalaten in ruil voor een te leveren tegenprestatie (in de vorm van een gift of belofte dan wel een dienst). Dat het initiatief daarbij (bij het in artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht vermelde delict) anders dan bij de ‘actieve ambtelijke omkoping’ als bedoeld in artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht uitgaat van de ambtenaar in kwestie doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af.
Het hof is dan ook van oordeel dat ook in het onderhavige geval niet is vereist dat sprake is van een concrete tegenprestatie maar dat voldoende is dat sprake is van het verlenen van een dienst teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden en zo een voorkeursbehandeling te krijgen.
Voor de invulling daarvan volstaan naar het oordeel van het hof de door de verdachte geuite algemene bewoordingen die de strekking hadden dat door het verlenen van seksuele diensten aan verdachte de schulden minder zouden worden, dat het dan zou worden opgelost, dat hij iets kon regelen, of dat (daarmee) in natura betaald kon worden. Gelet op zijn hoedanigheid als gerechtsdeurwaarder - hetgeen de directe aanleiding was van zijn bezoek aan de vrouwen - moet de verdachte hebben geweten dat door, de slachtoffers een relatie zou worden gelegd tussen enerzijds de openstaande schuld en anderzijds zijn opmerkingen daaromtrent. Verdachte heeft - mede gelet op de bewijsmiddelen en hetgeen hierboven is overwogen ter zake van de feiten 1 tot en met 3 - als gerechtsdeurwaarder met zijn ‘voorstellen’ om openstaande schuld(en) op andere wijze zien weg te nemen of te verminderen, de vrouwen ertoe willen bewegen hem (seksuele) diensten te leveren en zo een relatie te doen ontstaan waardoor die vrouwen van hem een voorkeursbehandeling zouden krijgen.
Doen of laten ‘in zijn bediening’
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door de verdachte gedane voorstellen - kort gezegd: het verminderen van schulden, het oplossen van problemen, het regelen of het in natura betalen - kunnen worden aangemerkt als een ‘doen of nalaten in zijn bediening als ambtenaar’.
Het hof beantwoordt ook deze vraag bevestigend. Het bestanddeel ‘in zijn bediening’ vergt niet dat de ambtenaar exclusief bevoegd is tot de diensten die van hem verlangd worden maar alleen dat sprake is van diensten waartoe zijn ambt hem in staat stelt of de gelegenheid biedt. Derhalve is voldoende dat de verdachte ambtenaar was (in casu gerechtsdeurwaarder) en als zodanig in zijn bediening aan de deur kwam bij de slachtoffers. Voor een bewezenverklaring is naar het oordeel van het hof niet vereist dat hetgeen hij zou doen of nalaten (in ruil voor de door de slachtoffers te verlenen seksuele diensten) is voorbehouden aan het ambt van gerechtsdeurwaarder en in zoverre als ambtshandeling heeft te gelden.
De verdachte kwam bij de slachtoffers als gerechtsdeurwaarder aan de deur, legde een relatie met de schulden die de slachtoffers hadden en stelde - kort gezegd - dat hij daarin iets kon betekenen, regelen of oplossen. Mede indachtig hetgeen hiervoor is overwogen, inhoudende dat daarbij geen sprake hoeft te zijn van een concrete tegenprestatie van de zijde van de verdachte, is het hof van oordeel dat kan worden gesproken van een ‘doen of nalaten in zijn bediening’ als bedoeld in artikel 363, eerste lid en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
Schakelbewijs feiten 5, 6, 7 en 8
Voor de bewezenverklaring van het onder 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde acht het hof mede redengevend de uit de bewijsmiddelen van feiten 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair voortvloeiende feiten en omstandigheden, nu de ‘werkwijze’ van de verdachte bij deze feiten op essentiële punten overeenkomt met de wijze waarop het onder 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde is begaan. Immers, de verdachte komt daarbij telkens in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder bij vrouwen aan de deur wegens een of meerdere openstaande schulden. Daarbij wordt het gesprek door de verdachte geleid naar het verrichten van seksuele handelingen of het hebben van seks met de verdachte, waarbij door de verdachte een relatie wordt gesuggereerd tussen die seksuele handelingen of seks en het oplossen van (een deel van) deze schuld(en).”
35. De eerste drie bewezenverklaarde feiten zien op situaties waarin de verdachte als gerechtsdeurwaarder vrouwen heeft gedwongen seks met hem te hebben door hen, kort gezegd, in het vooruitzicht te stellen dat daarmee hun schulden konden worden weggenomen of verminderd. De feiten 5, 6, 7 en 8 betreffen situaties waarin de ‘voorstellen’ van de verdachte min of meer vergelijkbaar waren, maar (kennelijk) geen sprake was van voldoende dwang dan wel de betreffende vrouwen (kennelijk) niet zijn overgegaan tot het daadwerkelijk leveren van seksuele diensten. Dit is tenlastegelegd en bewezenverklaard als (passieve) ambtelijke omkoping.
36. In de toelichting op het middel worden de pijlen gericht op de overwegingen van het hof dat “[h]et bestanddeel ‘in zijn bediening’ [niet] vergt […] dat de ambtenaar exclusief bevoegd is tot de diensten die van hem verlangd worden maar alleen dat sprake is van diensten waartoe zijn ambt hem in staat stelt of de gelegenheid biedt. Derhalve is voldoende dat de verdachte ambtenaar was (in casu gerechtsdeurwaarder) en als zodanig in zijn bediening aan de deur kwam bij de slachtoffers” en dat “[v]oor een bewezenverklaring […] naar het oordeel van het hof niet [is] vereist dat hetgeen hij zou doen of nalaten (in ruil voor de door de slachtoffers te verlenen seksuele diensten) is voorbehouden aan het ambt van gerechtsdeurwaarder en in zoverre als ambtshandeling heeft te gelden.” Volgens de stellers van het middel getuigen deze overwegingen van een onjuiste rechtsopvatting, omdat uit de bewijsmiddelen wel zal moeten kunnen volgen dat de ambtenaar een ander een gift, belofte of dienst heeft gevraagd teneinde hem (de ambtenaar) te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten. Duidelijk zal immers moeten zijn dat de ambtenaar op zijn minst de redelijke verwachting heeft gewekt dat hij een aan hem toegekend recht/bevoegdheid op een bepaalde wijze zal uitoefenen, aldus de stellers van het middel.
37. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op artikel 363 (oud).16.Het eerste lid van dat artikel luidt:
“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de ambtenaar:
(…)
3° die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;
(…).”
38. Artikel 363, lid 1, aanhef en onder 3 (oud) Sr stelde aldus strafbaar de ambtenaar die een dienst vraagt teneinde hem te bewegen “om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten”. Het bestanddeel ‘in zijn bediening’ geeft aan dat de gift, belofte of dienst betrekking moet hebben op ambtelijk gedrag, een doen of nalaten in het kader van het vervullen van een ambtelijke functie.17.Door een gift, belofte of dienst aan te nemen in ruil voor een ‘ambtsgedraging’, maakt de ambtenaar misbruik van zijn ambt. Door het bestanddeel ‘in zijn bediening’ wordt aldus uitdrukking gegeven aan het verband met de ambtsuitoefening en daarmee het beschermde rechtsgoed. De doelstelling van de strafbaarstelling van ambtsdelicten is immers het tegengaan van misbruik van overheidsgezag en het waarborgen van een integere ambtsuitoefening.18.‘In zijn bediening’ geeft ook het onderscheid met de privésfeer aan. Het verband tussen gift, belofte of dienst en een daaraan gerelateerde ambtelijke handeling ontbreekt wanneer deze betrekking heeft op “werkzaamheden die buiten de ambtelijke dienst, zoals ten behoeve van de duivensportvereniging, hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden”.19.De woorden ‘in zijn bediening’ slaan op de tegenprestatie. Het is niet noodzakelijk dat de ambtenaar de gift, belofte of dienst tijdens de uitoefening van zijn ambt aanneemt. Het feitelijk aannemen kan ook in de particuliere sfeer plaatsvinden.20.
39. Het middel presenteert zich als een rechtsklacht, die ziet op de uitleg van het bestanddeel ‘in zijn bediening’. Het middel stelt dat uit de bewijsmiddelen zal moeten kunnen volgen dat de ambtenaar een ander een gift, belofte of dienst heeft gevraagd teneinde hem (de ambtenaar) te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten. Als ik het goed begrijp, stelt het middel aan de orde dat sprake moet zijn van een zekere concreetheid, in die zin dat – uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat – de ambtenaar de redelijke verwachting moet hebben gewekt dat hij een aan hem toegekend recht/toegekende bevoegdheid op een bepaalde wijze zal uitoefenen.21.Dit raakt aan de vraag of de woorden ‘in zijn bediening’ in formele of feitelijke zin moeten worden opgevat. Handelt de ambtenaar alleen in zijn bediening als hij de grenzen van een bevoegdheid die hij heeft overschrijdt of ook als hij zich een bevoegdheid aanmatigt waarover hij helemaal niet beschikt?
40. De rechtspraak en literatuur zijn hierover duidelijk. Doorenbos schrijft dat het ambt de verdachte tot het gedrag in staat hebben moet gesteld of hem daartoe de gelegenheid moet hebben geboden. Of de ambtenaar bevoegd is tot de gedragingen waarop de gift of belofte betrekking heeft is irrelevant.22.Sikkema komt in zijn proefschrift uit 2005 op basis van jurisprudentie van de Hoge Raad vanaf 1904 tot een soortgelijke conclusie: “Uit de behandelde rechtspraak volgt dat op grond van de woorden ‘in zijn bediening’ vereist is dat de ambtenaar door zijn ambt tot de betreffende tegenprestatie in staat is gesteld of dat dit ambt hem daartoe de gelegenheid heeft geboden. Of de ambtenaar ook bevoegd is tot het verrichten die gedraging is irrelevant. Het gaat er met andere woorden om dat het bekleden van het ambt het de ambtenaar feitelijk mogelijk maakt om de verlangde dienst te leveren.”23.Ook latere rechtspraak van de Hoge Raad bevestigt deze feitelijke benadering. Zo oordeelde de Hoge Raad in 2012 dat “[v]oor een ambtsdelict als art. 361 Sr […] met de term ‘in zijn bediening’ slechts tot uitdrukking [wordt] gebracht dat het ambt van de verdachte hem tot de verweten, in de desbetreffende bepaling strafbaar gestelde gedragingen in staat heeft gesteld; of die bediening rechtmatig of onrechtmatig was, is daarvoor niet van belang”.24.
41. Het middel raakt ook aan de vraag naar de concreetheid van de tegenpresentatie. De Hoge Raad heeft in dat kader reeds beslist dat ‘in zijn bediening doen of nalaten’ niet alleen ziet op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift en een concrete tegenprestatie maar ook op het doen van giften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen.25.Advocaat-generaal Aben merkte hierover op dat tussen partijen de concrete tegenprestatie vaak onuitgesproken zal blijven hangen op een algemene verstandhouding van ‘voor wat hoort (straks) wat’, hetgeen de strafwaardigheid geenszins vermindert.26.
42. Tegen deze achtergrond is het middel gedoemd te falen. Door te stellen dat de ambtenaar de redelijke verwachting moet hebben gewekt dat hij een aan hem toegekend recht/bevoegdheid op een bepaalde wijze zal uitoefenen wordt een eis gesteld die het recht niet kent. Dat (mogelijk) geen sprake is van een toegekend recht of toegekende bevoegdheid is immers irrelevant en staat aan een bewezenverklaring niet in de weg. En ook wat betreft de bepaaldheid van de tegensprestatie stelt het middel te hoge eisen. Wel is juist dat uit de bewijsmiddelen zal moeten volgen waaruit het ‘in zijn bediening doen of nalaten’ heeft bestaan, maar dat heeft het hof ook niet miskend. Een beweerdelijk onjuiste rechtsopvatting daaromtrent lees ik in de overwegingen van het hof niet terug.
43. Het hof heeft voor het bewijs onder meer de verklaring van de verdachte zelf gebruikt die inhoudt - kort gezegd - dat hij bij de vrouwen uit het dossier langskwam in zijn hoedanigheid van deurwaarder. Niet – om met de wetgever te spreken – als lid van de duivensportvereniging of een andere privéhoedanigheid. Uit de bewijsmiddelen kan voorts worden afgeleid dat de verdachte als deurwaarder aan de deur kwam in verband met schulden en dat de in de bewezenverklaringen genoemde vrouwen door de verdachte in de veronderstelling werden gebracht dat de door hem gevraagde seksuele diensten een positieve invloed zouden kunnen hebben op het verminderen van die schulden.
44. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
Het zesde middel
45. Het zesde middel bevat de klacht dat uit het bestreden arrest niet kan worden afgeleid dat het hof ten aanzien van de feiten 5, 6, 7 en 8 rekening heeft gehouden met het lagere strafmaximum dat ten tijde van het plegen van de feiten op artikel 343 (oud) Sr was gesteld.
46. De bewezenverklaringen van de feiten 5, 6, 7 en 8 zijn hiervoor onder 33 vermeld. Voor de overwegingen ten aanzien van het bewijs verwijs ik naar 34 De door het hof gehanteerde kwalificaties staan onder randnummer 1.
47. Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:
“Op te leggen straf
(…)
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich in de eerste plaats meermalen schuldig heeft gemaakt aan ‘verkrachting, meermalen gepleegd’ (feiten 1, 2 primair en 3 primair). Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid’ (feit 4 primair), aan het ‘als ambtenaar een dienst vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd’ (feit 5) en aan het meermalen ‘als ambtenaar een dienst vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen en/of na te laten’ (feiten 6, 7 en 8).
Door aldus te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van zijn slachtoffers. Zij waren - reeds vanwege hun schulden - kwetsbaar en afhankelijk. Bovendien kampten sommige slachtoffers tevens met (niet-financiële) persoonlijke problematiek, die soms ook weer samenhang vertoonde met de financiële problemen.
De verdachte heeft bij enkele slachtoffers, soms met zeer jonge kinderen, gesuggereerd over te zullen gaan tot inbeslagneming, huisuitzetting en uithuiszetting waardoor zij geen andere uitweg zagen dan tegemoet komen aan de wensen van de verdachte. Hij heeft de gevolgen voor zijn slachtoffers daarbij volledig ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen lustgevoelens.
Voorts heeft de verdachte in de periode van 2002 tot en met 2016 misbruik gemaakt van zijn ambt als gerechtsdeurwaarder, niet alleen bij de feiten 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair, maar ook bij de feiten 5, 6, 7 en 8. Hij heeft daardoor niet alleen strafbaar gehandeld, maar ook schade toegebracht aan het ambt van gerechtsdeurwaarder. Juist doordat de verdachte gerechtsdeurwaarder was, kwam hij bij de slachtoffers - die openstaande schulden hadden - aan de deur. Hij heeft van zijn positie gedurende meerdere jaren - haast stelselmatig - misbruik gemaakt door de vrouwen in een vrijwel onmogelijke positie te brengen: de negatieve gevolgen van het niet tijdig betalen van schulden - die op dat moment in zijn macht lagen - accepteren of seksuele handelingen met hem verrichten zodat de schulden konden worden afbetaald en zij weer (even) lucht hadden. Het hof rekent het de verdachte dan ook bijzonder zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 april 2023, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in verband met een juiste normhandhaving en vanuit het perspectief van vergelding en speciale preventie, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere of lichtere sanctie dan eén straf die langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in beginsel de oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht rechtvaardigt. Het hof acht echter gelet op het tijdsverloop een gevangenisstraf voor de duur van 6,5 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
In hetgeen overigens nog is aangevoerd door de verdediging, ziet het hof geen reden om de op te leggen straf verder te matigen.
Redelijke termijn
Ten slotte heeft het hof geconstateerd dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. Deze is aangevangen op 19 januari 2017 met een doorzoeking ter inbeslagneming van de woning van de verdachte, en geëindigd op 11 augustus 2021 met het vonnis van de rechtbank. De redelijke termijn van 24 maanden is in eerste aanleg derhalve overschreden met ongeveer 2 jaren en 7 maanden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.
In hoger beroep is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.
Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6,5 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend, en geboden hebben geacht. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, zal het hof de verdachte echter veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. (…)”
48. Het bestreden arrest houdt voorts in:
“Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 242, 246 en 363 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.”
49. Artikel 363, lid 1, aanhef en onder 3 Sr luidde tot 1 januari 2015:
“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de ambtenaar:
(…)
3°
die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten; (…)”
50. Vanaf 1 januari 2015 luidt artikel 363, lid 1, aanhef en onder 3 Sr:27.
“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de ambtenaar:
(…)
3°
die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten; (…)”
50. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat in de onderhavige zaak artikel 343 (oud) Sr had moeten worden toegepast, maar het hof blijkens de in de bewijsoverweging geciteerde wettekst kennelijk het huidige artikel 343 Sr heeft toegepast. De stellers van het middel zullen steeds artikel 363 Sr bedoelen.
51. Dat in de onderhavige zaak op grond van artikel 1, lid 2, Sr artikel 363 (oud) moet worden toegepast lijkt mij niet voor discussie vatbaar. Het strafmaximum van het oude artikel is voor de verdachte gunstiger dan die van het nieuwe artikel.
52. In de onderhavige zaak is niet helemaal duidelijk wat het hof voor ogen heeft gehad. De tenlastelegging en bewezenverklaring van de feiten 5, 6, 7 en 8 zijn gebaseerd op artikel 363 (oud) Sr, aangezien zij het bestanddeel ‘in strijd met zijn plicht’ bevatten. Het in de bewijsoverweging geciteerde artikel 363 Sr bevat dat bestanddeel niet, zodat het zou kunnen dat het hof daar kennelijk abusievelijk het huidige artikel 363 Sr heeft geciteerd. Ook de kwalificaties vermelden niet dat is gehandeld ‘in strijd met zijn plicht’, wat lijkt te wijzen in de richting van het huidige artikel 363 Sr. De vermelding van de wettelijke voorschriften schept geen helderheid. Het is aldus mogelijk dat het hof bij de strafmotivering met een onjuist strafmaximum voor artikel 363 (oud) Sr rekening heeft gehouden. Het is echter de vraag waartoe dat zou moeten leiden.
53. In HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1683 had het hof ten onrechte artikel 341 (oud) Sr toegepast in plaats van artikel 344a Sr dat een lager strafmaximum kent. Vergelijkbaar met het hof in de onderhavige zaak overwoog het hof in die zaak dat het bij de strafoplegging had “gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum”. De Hoge Raad oordeelde dat de strafoplegging ontoereikend was gemotiveerd en de bestreden uitspraak werd op dat onderdeel vernietigd en teruggewezen naar het hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw werd berecht en afgedaan.
54. Het komt mij voor dat de uitkomst in de onderhavige zaak toch anders zal kunnen zijn. In de zaak uit 2018 was sprake van één strafbaar feit. De strafoplegging steunde dus op één feit waarbij het hof ten onrechte geen toepassing had gegeven aan het verlaagde strafmaximum. In de onderhavige zaak zijn zes feiten, waarvan meerdere meermalen gepleegd, bewezenverklaard. Drie daarvan betreffen meerdere verkrachtingen met een strafmaximum van twaalf jaren. Zoals het hof terecht heeft aangenomen door artikel 57 Sr aan te halen, is dus sprake van meerdaadse samenloop. Het strafmaximum in deze zaak wordt dus niet zozeer bepaald door artikel 363 (oud) Sr, maar door artikel 57 Sr in verbinding met artikel 242 Sr. Dat strafmaximum van zestien jaren is ongewijzigd gebleven. Ingevolge artikel 57, lid 2, Sr betekent dat dat het hof maximaal zestien jaar gevangenisstraf had kunnen opleggen. Met een gevangenisstraf van zes jaren is het hof daar ver onder gebleven. In het licht van het voorgaande behoeft de schending van artikel 1 lid 2 Sr in de thans voorliggende zaak bij gebrek aan voldoende belang van de verdachte niet tot cassatie te leiden.
56. Het middel leidt niet tot cassatie.
Slotsom
57. De middelen 1, 2, 3, 4 en 6 lenen zich voor afdoening met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende formulering.28.
58. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding geven.
59. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑2025
En dus niet geweld of bedreiging met geweld.
Zie o.a. HR 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:865 en HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494.
Voor zover nog wordt geklaagd dat de naïviteit en of labiliteit van de aangeefster niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, meen ik dat dit zo dicht tegen de psychische kwetsbaarheid aanzit dat ook dit oordeel niet onbegrijpelijk is.
Zie o.a. HR 21 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0623, NJ 1989/668, m.nt. ’t Hart. Zie ook Machielse in Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, Titel XIV Misdrijven tegen de zeden. Art. 246 Sr (oud tot 1 juli 2024), aant. 5 (bijgewerkt t/m 1 augustus 2024).
A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 315-316. Zie ook de noot van De Jong onder HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8108, NJ 2007/397.
Vgl. bijv. HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8315, NJ 2004/439 en HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:227, NJ 2017/137 m.nt. Kooijmans.
Kamerstukken II 1988/89, 20 930, nr. 3, p. 2. Zie voorts Kamerstukken II 1988/89, 20 930, nr. 5, p. 4.
Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, Titel XIV Misdrijven tegen de zeden. Oud tot 1-7-2024, art. 246, aant. 5 (bijgewerkt t/m 1-8-2024). Zie ook HR 7 november 2006, ECLI:NL:HR:LJNAY8880.
Zie de conclusies van voormalig advocaat-generaal Vegter voor HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3209 en HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:241 en de daar genoemde verwijzingen.
Wet van 20 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en andere wetten in verband met de modernisering van de strafbaarstelling van verschillende vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, Stb. 2024, 59.
Een veel belangrijkere wijziging is dat in de delictsomschrijvingen het woord dwang niet meer voorkomt. Een ontbrekende wil met betrekking tot seksueel contact is het uitgangspunt voor strafbaarheid geworden.
Kamerstukken II 1988/89, 20 930, nr. 3, p. 2. Zie voorts Kamerstukken II 1988/89, 20 930, nr. 5, p. 4 en Kamerstukken II 2022/23, 36 222, nr. 3, p. 70. Zie voor de geschiedenis van de strafbaarstelling van ‘ontucht’ ook K. Lindenberg en A.A. van Dijk, Herziening van de zedendelicten? Een analyse van Titel XIV, Tweede Boek, Wetboek van Strafrecht met het oog op samenhang, complexiteit en normstelling, Zutphen: 2016, p. 38.
Kamerstukken II 2022/23, 36 222, nr. 3, p. 70-71.
Met de inwerkingtreding van de Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit (Stb. 2014, 445) per 1 januari 2015 (Stb. 2014, 513) is artikel 363 Sr gewijzigd, in die zin dat - voor zover hier van belang - het strafmaximum is verhoogd van vier naar zes jaren (zie middel zes) en het bestanddeel ‘in strijd met zijn plicht’ is komen te vervallen. Met dat laatste is geen inhoudelijke wijziging beoogd, zie T.R. van Roomen en E. Sikkema, Corruptiedelicten, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 147.
D. Doornbos, ‘Ambtelijke corruptie’, DD 1998, p. 351. Zie ook HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ8891, NJ 2012/101.
E. Sikkema, Ambtelijke corruptie in het strafrecht. Een studie over omkoping en andere ambtsdelicten (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2005, p. 269.
Vgl. E. Sikkema, Ambtelijke corruptie in het strafrecht. Een studie over omkoping en andere ambtsdelicten (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2005, p. 270.
Hoewel aan het bestanddeel ‘in zijn bediening’ op zichzelf voldoende feitelijke betekenis toekomt (HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4313, NJ 2011/436), wreekt zich hier enigszins dat in de tenlastelegging niet is geëxpliciteerd wat de verdachte in zijn bediening zou doen of nalaten. Doorenbos lijkt te impliceren dat ‘iets te doen of na te laten’ onvoldoende feitelijke betekenis heeft en in de tenlastelegging nader uitgewerkt dient te zijn, vgl. D. Doorenbos, ‘Ambtelijke corruptie’, DD 1998, p. 351.
D. Doornbos, ‘Ambtelijke corruptie’, DD 1998, p. 351.
E. Sikkema, Ambtelijke corruptie in het strafrecht. Een studie over omkoping en andere ambtsdelicten (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2005, p. 273, met verwijzing naar onder meer Doorenbos. Zie ook T.R. van Roomen en E. Sikkema, Corruptiedelicten, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 78.
Vgl. HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:BQ8891, NJ 2012/101.
HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:AT8318; HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:AW3584, NJ 2006/380 en HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425 m.nt. Keulen. Zie ook de conclusie van (toen nog) advocaat-generaal Bleichrodt voor HR 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:2157, NJ 2018/481, overwegingen 121-123.
Conclusie Aben voor HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4313, NJ 2011/436.
Artikel 363 Sr is met ingang van 1 januari 2020 wederom gewijzigd, maar die wijziging is hier niet relevant.
Het advies om ook het vijfde middel met een aan art. 81 RO ontleende motivering af te doen, blijft hier om de volgende reden achterwege. De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van feit 5 tot en met 8 maar in hoger beroep voor deze feiten veroordeeld. Omdat in cassatie met een rechtsklacht tegen de veroordeling voor deze feiten wordt opgekomen en niet (direct) over de bewezenverklaring wordt geklaagd, betreft het hier strikt genomen niet een geval als bedoeld in HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. Keijzer (post-Jaddoe). Aangezien de rechtsklacht evenwel betrekking heeft op een delictsbestanddeel en omdat langs die weg de vaststelling van feiten van groot belang is, meen ik dat hier een verkorte afdoening niet op zijn plaats is.
Beroepschrift 15‑04‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Betekening aanzegging: 27 februari 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20230273
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 27 juni 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard. Reeds nu zij opgemerkt dat de verdachte in eerste aanleg nog voor de feiten 5, 6, 7 en 8 was vrijgesproken.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 242 Sr, 359 jo 415 Sv, en wel om het volgende.
In het arrest heeft het hof ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde bewezen verklaard, dat verdachte (verkort zakelijk weergegeven, voor zover in dit kader relevant) in de periode van 1 maart 2002 tot en met 1 september 2002 in Nederland, meermalen, door andere feitelijkheden en/of bedreiging met andere feitelijkheden [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1], te weten het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of de vagina van die [aangeefster 1], en bestaande die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met die andere feitelijkheden hierin, dat verdachte in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder (van [A] Gerechtsdeurwaarders B.V.) met vorderingen, bij die [aangeefster 1] aan de deur is gekomen en zich aan die [aangeefster 1] heeft voorgesteld en/of bekendgemaakt als gerechtsdeurwaarder, wetende dat die [aangeefster 1] kampte met en/of verkeerde in grote financiële problemen en/of psychisch kwetsbaar was en (vervolgens) misbruik makend van deze wetenschap en kwetsbare psychische en/of financiële positie van die [aangeefster 1] en de angst van die [aangeefster 1] voor een zwaardere schuldenlast en (vervolgens) misbruik makend van zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en macht als deurwaarder en aldus telkens voor die [aangeefster 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 1] telkens in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 1] geen weerstand kon bieden.
Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft het hof een aantal bewijsmiddelen gebruikt. Uit de bewijsmiddelen kan niet althans niet zonder meer volgen dat [aangeefster 1] ‘psychisch kwetsbaar’ was.
Uit de bewijsmiddelen kan in ieder geval niet volgen dat verdachte wist dat [aangeefster 1] psychisch kwetsbaar was zoals bewezen is verklaard zodat reeds hierom de bewezenverklaring niet in stand kan blijven. Dat [aangeefster 1] kampte met en/of in grote financiële problemen verkeerde blijkt ook niet althans niet zonder meer uit de bewijsmiddelen. Omtrent de omvang de financiële problemen is niets vastgesteld; uit de bewijsmiddelen kan slechts volgen dat aangeefster in 2002 weer bij haar ouders is komen wonen maar dat op dat moment de UWV-uitkering nog niet was aangevraagd en dat aangeefster rond 2002 contact heeft opgenomen met het deurwaarderkantoor die haar heeft gezegd dat zij de schuld in 2 termijnen moest afbetalen, hetgeen toch niet kan worden aangemerkt als ‘grote financiële problemen’. Dit klemt te meer nu de verdediging — door argumenten onderbouwd — heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een grote schuldenlast en van dwang met een feitelijkheid zoals tenlaste is gelegd en het dossier daarvoor ook onvoldoende steun biedt terwijl aangeefster kennelijk ook in staat is geweest een dure crèche te betalen.
Het arrest, althans de bewezenverklaring kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting:
1.1
Aan verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd, dat:
‘hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2002 tot en met 1 september 2002 in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond (en) uit of mede bestond (en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1], te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens) duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of de vagina en/of de anus van die [aangeefster 1], en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin, dat verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- —
in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder (van [A] Gerechtsdeurwaarders B.V.) (telkens) met een of meer vordering(en), althans papier(en) bij die [aangeefster 1] aan de deur is gekomen en/of zich aan die [aangeefster 1] heeft voorgesteld en/of bekendgemaakt als gerechtsdeurwaarder,
- —
wetende dat die [aangeefster 1] kampte met en/of verkeerde in (grote) financiële problemen en/of psychisch kwetsbaar was en/of
- —
(vervolgens) misbruik makend van deze wetenschap en/of kwetsbare psychische en/of financiële positie van die [aangeefster 1] en/of de angst van die [aangeefster 1] voor een zwaardere schuldenlast en/of (vervolgens) misbruik makend van zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of macht als deurwaarder,
- —
tegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij (een) schuld(en) had en/of (vervolgens) — tegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij het anders konden regelen en/of dat zij dit ook in natura kon betalen en/of dat zij seks met hem, verdachte, kon hebben en/of dat zij zo geld kon verdienen en de schuld op het deurwaarderskantoor kon betalen en/of dat zij anders nog veel dieper in de shit zou raken en/of dat hij, verdachte, de spullen van haar ouders in beslag kon laten nemen, omdat zij bij haar ouders woonde en/of dat hij, verdachte, zijn mannen had en dat wanneer hij, verdachte, zijn geld niet kreeg, hij mannen inhuurde die hij, verdachte, erop afstuurde en/of dat hij, verdachte, ook zo iemand op haar af kon sturen,
en/of (aldus) (telkens) voor die [aangeefster 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 1] (telkens) in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 1] geen weerstand kon bieden en/of een zodanige feitelijke situatie heeft doen ontstaan dat die [aangeefster 1] dat binnendringen niet kon of wist te verhinderen en/of te voorkomen.’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 juni 2023 is onder meer gerelateerd:
‘Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte het volgende.
(…)
U houdt mij voor dat de vrouwen die in het dossier naar voren komen als aangeefster, naast financiële problemen in de vorm van schulden, soms ook andere problemen hadden zoals de zorg voor kinderen waarbij zij vaak ook alleenstaand waren. U vraagt mij of ik vind dat die vrouwen daarmee ook een bepaalde kwetsbaarheid hebben of dat ik dat niet zo zie. Ik zeg u daarop dat ik dat een moeilijke vraag vind. Ik kan dat niet beoordelen. (…)
De raadsvrouw pleit overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota, welke als bijlage 4 aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
(…)’
1.3
In de betreffende pleitnota is onder meer aangevoerd:
- ‘20.
Nu er in casu geen sprake is van geweld of bedreiging met geweld moet de vraag beantwoord worden of er dan wel sprake is van andere feitelijkheden of bedreiging met andere feitelijkheden waardoor er dwang is ontstaan tot het ondergaan van seksuele handelingen. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de HR van 12 december 2006. Daaruit volgt dat van door een andere feitelijkheid dwingen tot het plegen dan wel dulden van ontuchtige handelingen slechts sprake kan zijn indien een verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft gepleegd dan wel geduld. De feitelijkheid moet zodanig zijn dat de capitulatie van het slachtoffer normaal te verwachten was.
(…)
- 27.
De recherche confronteert haar met het feit dat uit onderzoek is gebleken dat [verdachte] vanaf 2005 nog 6 maal een stuk aan haar in persoon heeft betekend maar zij verklaart dat hij na 2002 nooit meer iets aan haar heeft betekend.
(…)
- 29.
Onderzoek naar de dossiers die [verdachte] van [aangeefster 1] in behandeling heeft gehad levert op dat hij inderdaad na 2005 nog een aantal maal in persoon betekeningen heeft gedaan bij [aangeefster 1] en dat er in april 2006 (blz 2165 van het dossier) zelfs beslag is gelegd op een groot deel van de inboedel van [aangeefster 1] die toen woonde aan de [a-straat 1] in [a-plaats].
- 30.
Er is tevens onderzoek gedaan naar de contacten op zakelijk gebied van voor 2005 en daar komen slechts twee schulden naar boven. In de staat die hieronder is overgenomen uit het dossier blijkt dat op 12 januari 2004 kennelijk contant door [aangeefster 1] aan [verdachte] een bedrag is betaald van 300 euro en dat [verdachte] dit geld mee heeft genomen naar kantoor en daar heeft afgestort. Dit bedrag is over alle zaken die liepen afgeboekt.
(…)
- 35.
Op blz 13 van het vonnis stelt de rechtbank een aantal zaken vast op basis van alleen de verklaringen van [aangeefster 1] Hoewel de rechtbank overweegt dat deze zaken ook volgen uit het verweerschrift van [verdachte] op de klacht van [aangeefster 1] en uit stukken waaruit blijkt dat hij gerechtsdeurwaarder is neemt de rechtbank zonder enige twijfel de verklaringen van [aangeefster 1] aan als waarheid. Met name daar waar [verdachte] gezegd zou hebben tegen [aangeefster 1] dat wanneer zij haar schuld niet afbetaalt zij veel dieper in de schulden zou raken omdat hij niet alleen haar spullen maar ook die van haar ouders in beslag kan nemen omdat zij bij hen woont is dat enkel en alleen gebaseerd op de verklaring van [aangeefster 1] en wordt dit nergens en door niemand ondersteund.
(…)
- 42.
Dat geldt ook voor het stukje verklaring waarin zij aangeeft dat haar ex altijd alles regelde en zij geen idee had hoe alles reilde en zeilde. Pas na 2 x seks kwam ze erachter dat ze een betalingsregeling kon treffen rechtstreeks met de schuldeiser en de deurwaarder buiten spel kon blijven. Dat strookt niet met het feit dat zij verklaart naar het kantoor van de deurwaarder te bellen wanneer zij haar betalingsregeling (die zij dus kennelijk al had getroffen) niet kon nakomen waarna [verdachte] de volgende dag voor de deur staat met zijn voorstel voor seks in ruil voor geld. In diezelfde re verklaring zegt zij dat toen zij twee weken bij haar ouders woonde [verdachte] al voor de deur stond en omdat hij haar kennelijk leuk vond elke week kwam.
- 45.
Opvallend is ook dat haar ouders een eigen bedrijf hebben maar die wil zij niet om hulp vragen omdat haar vader van de oude kern is en dat betekent dat ze haar eigen boontjes maar moet doppen. Ze heeft enige tijd een uitkering en daarvoor kreeg ze leefgeld van de opvang, 45 gulden per week. Ze kan haar schulden dus niet betalen maar verklaart dan wel dat die keer dat [verdachte] bij haar thuis komt voor seks haar ouders er niet zijn en haar zoontje was naar de crèche. Ook dat is gek want een crèche is gierend duur en zij werkt niet en is de hele dag thuis, waarom zou je dan voor heel veel geld je kind naar een crèche brengen?
- 46.
Kortom, de verklaringen die zijn afgelegd zijn op veel punten wisselend, inconsistent en deels ongeloofwaardig of aantoonbaar onjuist. In ieder geval moeten deze verklaringen met grote terughoudendheid worden bekeken en gewogen. De verklaring bij de rechter-commissaris wordt door de rechtbank ook niet voor het bewijs gebruikt en dat heeft zeker een reden want deze verklaring spreekt de aangifte op punten tegen. Nu de verklaringen van [aangeefster 1] naar het oordeel van de verdediging niet bruikbaar zijn als wettig bewijs verzoek ik uw Hof alleen al om die reden [verdachte] vrij te spreken van feit 1.
(…)
- 47.
Mocht uw Hof evenals de rechtbank deze verklaringen wel bruikbaar achten en daarbij tevens mee gaan met het geringe steunbewijs zoals door de rechtbank opgesomd dan komt de vraag aan de orde of het seksueel contact tussen [aangeefster 1] en [verdachte] gekwalificeerd kan worden als verkrachting.
- 48.
De rechtbank meent van wel en begeeft zich daarbij weer op hetzelfde glibberige pad als hiervoor: de eenzijdige verklaring van [aangeefster 1] als waarheid en vaststaand feit bestempelen daar waar zij verklaart dat ze niet anders kon dan ingaan op het voorstel van [verdachte] omdat als zij dat niet zou doen haar situatie alleen maar erger zou worden. De rechtbank meent dat [verdachte] inderdaad gezegd zou hebben dat hij anders haar spullen of erger nog de spullen van haar ouders in beslag zou nemen. Alleen [aangeefster 1] verklaart dit, [verdachte] ontkent dit ooit te hebben gezegd en niemand heeft gehoord dat dit gezegd zou zijn.
- 50.
Hoezo was er geen andere keuze dan meegaan in dit voorstel, ik heb mij dit serieus afgevraagd. Wat zou ik zelf doen in een dergelijke situatie? Voor de snelste weg kiezen en ingaan op het voorstel of denken dat dit een brug te ver was en kijken of ik een baantje zou kunnen krijgen om in ieder geval aan mijn maandelijkse betalingsregeling te kunnen voldoen (die zij kennelijk wel had afgesloten dus zo hulpbehoevend was zij toen niet meer). Thuiszorg, schoonmaakwerk, ook in die periode was daar werk in te vinden en haar kind was toch al naar de crèche dus het had een optie geweest
- 53.
Nu de rechtbank de feitelijkheid ophangt aan het machtsmisbruik door [aangeefster 1] voor te houden welke machtsmiddelen hij zou kunnen inzetten als ze geen seks met hem zou hebben kan alleen al daarom deze constructie geen stand houden nu alleen [aangeefster 1] verklaart dat [verdachte] dit gezegd zou hebben en hij dat pertinent ontkent. Dat de rechtbank de overtuiging had die nodig is voor het bewijs bleek volgens client al ruim tijdens de zitting maar met overtuiging alleen kom je er niet.
- 54.
Ik verzoek uw Hof daarom [verdachte] vrij te spreken van de tenlaste gelegde verkrachting. Primair omdat het bewijs voornamelijk rust op de verklaringen van [aangeefster 1] die door de verdediging als inconsistent en niet echt betrouwbaar worden gezien. Het steunbewijs wat door de rechtbank wordt opgevoerd is te mager. En daarnaast zou de verkrachting berusten op dwingen met een feitelijkheid of bedreiging met een andere feitelijkheid en daarvan is hier geen sprake. De verklaring dat er geen keuze was omdat er anders beslag gelegd zou worden op haar spullen of de spullen van haar ouders en zij daardoor nog meer in de schulden zou komen wordt betwist en vindt geen steun in andere bewijs. Dat is te mager om die dwang met een feitelijkheid op aan te kunnen nemen.
(…)
Maar ook wanneer uw Hof meent dat er wel seks tussen hen is geweest was voor [verdachte] in ieder geval niet duidelijk dat de andere partij zijn optreden als dwang heeft ervaren. Dat komt door de wijze waarop, als er al seks zou zijn geweest, dit tot stand is gekomen, te weten het doen van een voorstel, bedenktijd, wel of niet accepteren en het overeenkomen van een prijs. En niet in de laatste plaats hem weg sturen wanneer de andere partij zich bedacht heeft en geen seks meer wil.
- 57.
Dat in combinatie met het feit dat [verdachte] met klem ontkent uitlatingen te hebben gedaan in de zin dat er beslag zou worden gelegd op de spullen van [aangeefster 1] of van haar ouders maakt dat de vereiste opzet aan de zijde van [verdachte] niet aanwezig is geweest.’
1.3
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘hij in de periode van 1 maart 2002 tot en met 1 september 2002 in Nederland, meermalen, door andere feitelijkheden en/of bedreiging met andere feitelijkheden [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1], te weten het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of de vagina van die [aangeefster 1], en bestaande die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met die andere feitelijkheden hierin, dat verdachte
- —
in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder (van [A] Gerechtsdeurwaarders B.V.) met vorderingen, bij die [aangeefster 1] aan de deur is gekomen en zich aan die [aangeefster 1] heeft voorgesteld en/of bekendgemaakt als gerechtsdeurwaarder,
- —
wetende dat die [aangeefster 1] kampte met en/of verkeerde in grote financiële problemen en/of psychisch kwetsbaar was en
- —
(vervolgens) misbruik makend van deze wetenschap en kwetsbare psychische en/of financiële positie van die [aangeefster 1] en de angst van die [aangeefster 1] voor een zwaardere schuldenlast en (vervolgens) misbruik makend van zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en macht als deurwaarder
- —
tegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij schulden had en (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij het anders konden regelen en dat zij dit ook in natura kon betalen en dat zij seks met hem, verdachte, kon hebben en dat zij zo geld kon verdienen en de schuld op het deurwaarderskantoor kon betalen en dat hij, verdachte, de spullen van haar ouders in beslag kon laten nemen, omdat zij bij haar ouders woonde,
en aldus telkens voor die [aangeefster 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 1] telkens in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 1] geen weerstand kon bieden.’
1.4
Verkrachting, zoals strafbaar gesteld in art. 242 Sr, vereist dwang. De kern van dwang in de zin van art. 242 Sr is dat degene die eraan blootstaat iets ondergaat wat hij of zij zonder die dwang niet zou hebben laten gebeuren.1. Een dergelijke dwang is aan de orde, wanneer de geweldshandelingen of andere feitelijkheden die van de verdachte uitgaan zijn gericht op het bewerkstelligen van seksueel contact en dat deze van een zodanig kaliber zijn dat de ander zich daartegen redelijkerwijs niet heeft kunnen verzetten2. en dat de verdachte door die feitelijkheden of geweld opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn/haar wil heeft ondergaan.3. Met het opnemen van ‘andere feitelijkheden’ in de artikelen 242 en 246 Sr werd beoogd de strafbaarheid uit te breiden tot situaties die ‘even bedreigend kunnen zijn als geweld of bedreiging met geweld’. Als voorbeeld werd genoemd dat iemand die onder invloed van drugs verkeert, zo bedreigend kan overkomen dat men zich niet durft te verzetten. Voor personen onder invloed zou hetzelfde gelden. Een ander genoemd voorbeeld van het door enig andere feitelijkheid creëren van een bedreigende situatie was het afsluiten van de deur van een vertrek in een verlaten woning.4. Van door een feitelijkheid dwingen kan sprake zijn indien de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of zulk een dwang zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.5. Volgens Machielse wordt de ‘andere feitelijkheid’, met name waar het om afhankelijke en kwetsbare personen gaat, meer dan eens omschreven als het misbruik maken van een bepaald overwicht, als het uitoefenen van psychische druk, als het misbruik maken van een afhankelijkheidssituatie.6. Met het bestaan van een ‘andere feitelijkheid’ is niet automatisch ook de dwang tot het seksueel binnendringen gegeven. Niet voldoende voor het bestaan van die dwang is bijvoorbeeld dat de verdachte door misbruik van zijn uit feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht op het slachtoffer en/of door misleiding van het slachtoffer, deze heeft bewogen de handelingen te ondergaan.7. Evenmin kan deze dwang worden afgeleid uit enkel de tussen de verdachte en zijn patiënt of cliënt bestaande afhankelijkheidsrelatie en het daarmee verband houdende overwicht van de verdachte op zijn patiënt of cliënt. Voor een veroordeling ter zake van art. 242 Sr is dan vereist dat komt vast te staan dat het slachtoffer binnen die afhankelijkheidsrelatie door bepaalde gedragingen van de verdachte waardoor een bedreigende sfeer is ontstaan, is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan.8.
1.5
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard dat de ‘andere feitelijkheid’ of ‘bedreiging met andere feitelijkheid’ onder meer heeft bestaan uit de wetenschap dat ‘die [aangeefster 1] kampte met en/of verkeerde in grote financiële problemen en/of psychisch kwetsbaar was en dat verdachte (vervolgens) misbruik makend van deze wetenschap en kwetsbare psychische en/of financiële positie van die [aangeefster 1] en de angst van die [aangeefster 1] voor die [aangeefster 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 1] telkens in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 1] geen weerstand kon bieden. Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft het hof een aantal bewijsmiddelen gebruikt. Uit de bewijsmiddelen kan niet althans niet zonder meer volgen dat [aangeefster 1] ‘psychisch kwetsbaar’ was. Uit de bewijsmiddelen kan in ieder geval niet volgen dat verdachte wist dat [aangeefster 1] psychisch kwetsbaar was zoals bewezen is verklaard zodat reeds hierom de bewezenverklaring niet in stand kan blijven. Dat [aangeefster 1] kampte met en/of in grote financiële problemen verkeerde blijkt ook niet althans niet zonder meer uit de bewijsmiddelen. Omtrent de omvang de financiële problemen is niets vastgesteld; uit de bewijsmiddelen kan slechts volgen dat aangeefster in 2002 weer bij haar ouders is komen wonen maar dat op dat moment de UWV-uitkering nog niet was aangevraagd en dat aangeefster rond 2002 contact heeft opgenomen met het deurwaarderkantoor die haar heeft gezegd dat zij de schuld in 2 termijnen moest afbetalen, hetgeen toch niet kan worden aangemerkt als ‘grote financiële problemen.’ Dit klemt te meer nu de verdediging -door argumenten onderbouwd- heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een grote schuldenlast en van dwang met een feitelijkheid zoals tenlaste is gelegd en het dossier daarvoor ook onvoldoende steun biedt terwijl aangeefster kennelijk ook in staat is geweest een dure crèche te betalen.
1.6
Nu het hof ten aanzien van de overige bewezenverklaarde feiten het onder feit 1 bewezenverklaarde redengevend heeft geacht, betekent dit dat de bewezenverklaring van de overige feiten eveneens onvoldoende met redenen zijn omkleed.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 242 Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
In het arrest heeft het hof onder meer feit 2 bewezen verklaard, te weten dat verdachte (verkort weergegeven, voor zover in dit kader relevant) in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2009 in de gemeente [gemeente], meermalen, door andere feitelijkheden en/of bedreiging met andere feitelijkheid [aangeefster 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 2], te weten het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [aangeefster 2] en/of zijn vingers in de vagina van die [aangeefster 2], en bestaande die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met die andere feitelijkheden hierin, dat verdachte in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder (telkens) bij die [aangeefster 2] aan de deur is gekomen en (vervolgens) wetende dat die [aangeefster 2] kampte met en/of verkeerde in grote financiële problemen en haar schulden niet kon betalen en anderszins problematische persoonlijke omstandigheden had en in een psychisch en financieel kwetsbare positie zat en misbruik makend van haar jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit en/of kwetsbare positie en/of zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend (psychisch) overwicht en/of macht als deurwaarder (telkens) voor die [aangeefster 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 2] (telkens) in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 2] geen weerstand kon bieden en/of een zodanige feitelijke situatie heeft doen ontstaan dat die [aangeefster 2] dat binnendringen niet kon of wist te verhinderen en/of te voorkomen.
Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft het hof een aantal bewijsmiddelen gebruikt. Dat aangeefster in een psychisch kwetsbare positie zat zoals het hof bewezen heeft verklaard blijkt daar niet uit. Zo blijkt uit de bewijsmiddelen bijvoorbeeld niet dat aangeefster destijds vanwege psychische problemen in behandeling was of iets dergelijks. Dat verdachte daarvan af heeft gewezen zoals ook bewezen is verklaard blijkt in ieder geval niet uit de bewijsmiddelen. Aangeefster was ten tijde van het bewezenverklaarde meerderjarig. Dat aangeefster een ‘jeugdige’ leeftijd had kan dus niet althans niet zonder meer uit de bewijsmiddelen volgen. Zelfs indien dat anders is kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de ‘jeugdige leeftijd’ van aangeefster. Aangeefster was immers ten tijde van het feit handelingsbekwaam terwijl ze een huis, een baan en ook kinderen had. Dat aangeefster naïef of labiel was blijkt ook niet uit de bewijsmiddelen. Dat verdachte daarvan op de hoogte was en misbruik heeft gemaakt van de naïviteit en/of labiliteit van aangeefster blijkt in ieder geval niet uit de bewijsmiddelen. Gelet hierop kan de bewezenverklaring dan ook niet in stand blijven.
Dat aangeefster kampte met ‘grote financiële problemen’ en verdachte voor die [aangeefster 2] vanwege een ‘financieel kwetsbare positie’ een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 2] telkens in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 2] geen weerstand kon bieden is voorts in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de financiële positie, te weten dat uit het onderzoek is gebleken dat uit het overzicht van de schulden die [aangeefster 2] had lopen bij het kantoor van [verdachte] slechts blijkt dat er voor 2009 (het jaar waarin de seks met [verdachte] eindigde) sprake is van een schuld 1273,88 (schuld uit 2005) en 194,51 (schuld uit 2008) terwijl aangeefster een baan en inkomen had onbegrijpelijk. Ook hierom kan de bewezenverklaring niet in stand blijven.
Voorts is van belang dat het hof ten aanzien van het bewijs gebruik heeft gemaakt van schakelbewijs, in die zin dat hetgeen het hof ten aanzien van de overige feiten bewezen heeft verklaard mede redengevend wordt beschouwd ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde. Zoals uit de hierboven en hieronder staande klachten blijkt zijn de bewezenverklaringen van de overige feiten eveneens onvoldoende met redenen omkleed zodat ook hierom de bewezenverklaring niet in stand kan blijven.
Toelichting
2.1
Aan verdachte is onder feit 2 tenlastegelegd, dat:
‘2. primair
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2009 in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 2], te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens) duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [aangeefster 2] en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [aangeefster 2], en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin, dat verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- —
in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder (bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V.) (telkens) bij die [aangeefster 2] aan de deur is gekomen en/of (vervolgens)
- —
wetende dat die [aangeefster 2] kampte met en/of verkeerde in (grote) financiële problemen en/of haar schulden niet kon betalen en/of relatieproblemen en/of anderszins problematische persoonlijke omstandigheden had en/of in een psychisch en/of financieel kwetsbare positie zat en/of misbruik makend van haar jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit en/of kwetsbare positie en/of zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend (psychisch) overwicht en/of macht als deurwaarder en/of (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd dat zij (een) schuld(en) had en dat er een betalingsregeling getroffen moest worden en/of (vervolgens)
- —
(daarbij) (telkens) één of meer aanmaning(en) en/of dagvaarding(en) en/of papier(en) en/of brie(f)(ven) heeft vastgehouden en/of getoond en/of overhandigd en/of (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd dat zij in de problemen zou komen, wanneer zij niet zou betalen en/of dat er dan een openbare verkoop plaats zou vinden en/of dat hij, verdachte, terug zou komen met de politie en de slotenmaker om beslag te leggen op haar goederen en/of dat zij uit het huis gezet zou worden en/of (daardoor) haar kind(eren) kwijt zou raken en/of (telkens) misbruik makend van de angst van [aangeefster 2] voor een dergelijke situatie en/of de gevolgen van het niet (kunnen) betalen van haar schulden en/of (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd dat zij op een andere manier van haar schulden af kon komen en/of dat zij na het hebben van seks met hem, verdachte, van haar schulden af kon komen en/of haar schulden kleiner zouden worden en/of dat er na elke keer seks met hem, verdachte, door hem, verdachte, 50 tot 100 euro, althans een geldbedrag, in mindering zou worden gebracht op haar schuld(en) en/of (vervolgens)
- —
meermalen, althans eenmaal, (telkens) die [aangeefster 2] thuis heeft bezocht en seks met haar heeft gehad en/of (vervolgens)
- —
(telkens) als die [aangeefster 2] tegen hem, verdachte, zei dat zij er geen zin meer in had, tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd dat zij aan haar schulden en huishouden en/of kind(eren) moest denken en/of dat zij op straat zou komen te staan en/of haar kind(eren) kwijt zou raken,
en/of (aldus) (telkens) voor die [aangeefster 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 2] (telkens) in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 2] geen weerstand kon bieden en/of een zodanige feitelijke situatie heeft doen ontstaan dat die [aangeefster 2] dat binnendringen niet kon of wist te verhinderen en/of te voorkomen;
2. subsidiair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 mei 2005 tot en met 31 december 2009 te [gemeente], in elk geval in Nederland, als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], in elk geval als ambtenaar, (telkens) een gift of belofte dan wel een dienst, te weten
- —
het aan hem, verdachte, betalen in natura en/of
- —
het hebben van seks met hem, verdachte en/of
- —
het verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon, te weten [aangeefster 2], teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten.’
2.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 juni 2023 is onder meer gerelateerd:
‘Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte het volgende.
(…)
U houdt mij voor dat de vrouwen die in het dossier naar voren komen als aangeefster, naast financiële problemen in de vorm van schulden, soms ook andere problemen hadden zoals de zorg voor kinderen waarbij zij vaak ook alleenstaand waren. U vraagt mij of ik vind dat die vrouwen daarmee ook een bepaalde kwetsbaarheid hebben of dat ik dat niet zo zie. Ik zeg u daarop dat ik dat een moeilijke vraag vind. Ik kan dat niet beoordelen.
(…)
U vraagt mij of het klopt dat ik ten aanzien van [aangeefster 2] (griffier: feit 2) zeg dat ik ongeveer 2 tot 3 keer seks met haar heb gehad. Ik zeg u daarop dat dit klopt. Dat was op haar verzoek. Het kwam ter sprake naar aanleiding van de vraag die ik eigenlijk altijd stel: ‘Wat doe je voor werk?’ Daarop antwoordde ze dat ze in een club werkte. Toen ik vroeg of ze dat werk ook thuis deed zei ze dat dat niet het geval was.
(…)
De raadsvrouw pleit overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota, welke als bijlage 4 aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.’
2.3
In de betreffende pleitnota is onder meer aangevoerd:
- ‘63.
Er zijn overzichten opgevraagd bij het kantoor van [verdachte] met betrekking tot de schuldenlast. Daaruit blijkt dat [verdachte] over een lange periode 6 x iets heeft betekend of beslag heeft gelegd waarvan slechts 1 keer in persoon. Het historisch overzicht toont dat [aangeefster 2] regelmatig zelf aan de balie van kantoor kwam betalen of dat er iemand namens haar kwam betalen.
(…)
- 65.
Een jaar later stond hij bij haar thuis aan de deur in verband met haar schulden. Nadat er een betalingsregeling was getroffen die ze op enig moment niet meer kon nakomen deed [verdachte] haar het voorstel. Daar heeft ze 3 weken over nagedacht. In die 3 weken was er geen contact met [verdachte]. Ze verklaart nu dat ze dacht dat het voorstel van [verdachte] eigenlijk niet kon en ze heeft de wijkagent er over aangesproken. Die zei: het is jouw woord tegen het zijne. Ze had toen een huurschuld maar dat liep bij een andere deurwaarder. Als ze een deel van de schuld had betaald aan [verdachte] kreeg ze een kwitantie.
(…)
- 74.
Had ze eerst [verdachte] maar 1 keer gezien in club [B] en was ze voor hem gewaarschuwd, bij de rechter-commissaris verklaart ze in [B] een keer seks met hem te hebben gehad en dat hij dan 1 jaar later bij haar aan de deur komt en haar dan dat voorstel doet van seks in ruil voor schuldenbetaling. Van de genoemde kwitanties blijkt niets en ze heeft ze ook niet meer gevonden of opgevraagd bij de bewindvoering.
- 75.
Nergens blijkt uit het betalingsoverzicht van het deurwaarderskantoor dat [verdachte] contante stortingen deed op haar naam, maar er is wel genoteerd dat zij zelf of iemand namens haar (niet zijnde [verdachte]) een betaling kwam doen. Daarnaast was de schuldenlast verdeeld onder veel deurwaarders, had zij kennelijk een huurschuld die niet via [verdachte] liep en is een dreiging met beslag nu eenmaal inherent aan het vak van deurwaarder, want als je niet aan je verplichtingen voldoet kan er beslag worden gelegd.
(…)
- 79.
De feitelijkheid ligt volgens de rechtbank besloten in de combinatie van een gekregen voorstel en vreselijke gevolgen wanneer dat voorstel niet zou worden gevolgd, zodanig dat [aangeefster 2] niet kon weigeren. Maar is dat ook zo? [aangeefster 2] zegt zelf hierover: ik kreeg een voorstel, daar heb ik 3 weken over nagedacht. En toen besloot ik dat voorstel te accepteren. Had ze nee kunnen zeggen? Volgens de rechtbank niet en dat kwam door de angst om haar huis en spullen kwijt te raken. Maar er was een betalingsregeling getroffen en de staat die is overgelegd door het deurwaarderskantoor laat zien dat er betaald werd op die regeling, door haar en mensen namens haar. Ze had een baan in die tijd en een inkomen, mogelijk niet hoog, maar er was inkomen en een regeling is snel getroffen. Haar partner verklaart dat hij op enig moment haar schulden is gaan aflossen. Ze waren een stel vanaf 2007 maar daarvoor was hij al in beeld en paste op de kinderen als zij werkte. Er was dus een alternatief al zegt [aangeefster 2] zelf van niet.
- 80.
Daarnaast was er altijd de keus nee te zeggen en te kijken wat er dan zou gebeuren. Droop [verdachte] dan af (zoals hij deed bij andere vrouwen die niet ingingen op zijn voorstel) of kwam hij daadwerkelijk terug met de politie en een slotenmaker. Dan had er altijd nog een klacht tegen hem kunnen worden ingediend en zou het kantoor bij het horen van hetgeen er gebeurd zou zijn echt wel met haar een regeling zijn gaan treffen. Ook is van belang het feit dat [aangeefster 2] nadat het gestopt was met [verdachte] op eigen houtje bewind geregeld heeft en vrijwillige schuldhulpverlening. Die opties waren er in 2004 ook.
(….)
- 82.
Ik licht nog iets opvallends uit het voorstel, en afwijkend van hetgeen bij de feiten 1 en 3 is gebeurd. Dat betreft het feit dat er geen geld door [verdachte] betaald zou zijn, maar er zouden kwitanties worden overgelegd en elke keer zou hij hebben laten zien dat haar schuld lager werd. Wanneer je toch overstag gaat om seks met een deurwaarder te hebben om zo je schuldenlast af te betalen mag je op z'n minst verwachten dat je dan heel goed in de gaten houdt wanneer je afbetaald hebt en niet met een half oog kijkt en denkt dat het wel goed zal zijn. Dat is volkomen ongeloofwaardig.
- 83.
Een ander relevant punt is dat uit het overzicht van de schulden die [aangeefster 2] had lopen bij het kantoor van [verdachte] er voor 2009 (het jaar waarin de seks met [verdachte] eindigde) we uit komen op een bedrag van 1273,88 (schuld uit 2005) en 194,51 (schuld uit 2008). Andere dossiers uit de periode waarin de seks zou hebben plaats gevonden zijn er niet. Dat strookt niet met de torenhoge schulden waarover [aangeefster 2] spreekt, althans niet bij deze deurwaarder. In ieder geval geen schulden die niet op te lossen zouden zijn met een betalingsregeling en geen schulden waarvoor de slotenmaker zou moeten komen om je uit je huis te zetten. Dit gegeven doet zeker afbreuk aan de door [aangeefster 2] genoemde druk.
(…)
- 85.
Is er alles bij elkaar genomen dan voldoende bewijs om te komen tot dwang middels een feitelijkheid of bedreiging met een feitelijkheid? Is er sprake van onvrijwilligheid aan de zijde van [aangeefster 2]? Zelf zegt ze van wel, ze wilde eigenlijk helemaal geen seks met [verdachte]. Ze deed dit om haar schulden af te betalen en uit angst voor beslagname en het kwijt raken van haar huis.
- 86.
Maar naar de mening van de verdediging waren er ook toen alternatieven, waarvoor echter niet is gekozen. Hoewel [aangeefster 2] stelt gevoelsmatig met haar rug tegen de muur te staan is haar besluit genomen na een bedenktijd van ruim 3 weken en is er een hele onderhandeling aan vooraf gegaan. Dat ziet niet op een situatie waarin geen verzet mogelijk was tegen de gevoelde dwang noch dat er zodanig een afhankelijkheidsrelatie was ontstaan dat zij niet anders kon dan toegeven aan [verdachte].
- 87.
Derhalve geen onvrijwilligheid noch onvermijdbaarheid. Mocht uw Hof daar anders over denken dan meent de verdediging dat onder de hiervoor geschetste omstandigheden het [verdachte] niet voldoende duidelijk was dat de seksuele handelingen tegen de wil van [aangeefster 2] werden verricht. Nadat [aangeefster 2] na een ruime bedenktijd akkoord is gegaan is er daarna door haar geen mondeling of fysiek verzet getoond jegens [verdachte]. Noch is op enig moment gebleken dat [verdachte] wist dat het voor [aangeefster 2] heel moeilijk was om de seksuele handelingen af te slaan. Ze had kunnen weigeren, dat is inherent aan het doen van een voorstel, je weigert of je accepteert. Dat maakt dat tevens het opzet van [verdachte] ontbreekt en vrijspraak moet volgen.
- 88.
Resumerend ten aanzien van feit 2 primair verzoek ik uw Hof om client vrij te spreken van verkrachting. Er is een aangifte die naar het oordeel van de verdediging inconsistent is op belangrijke onderdelen en daardoor op het punt van de betrouwbaarheid uiterst voorzichtig moet worden bekeken. De dwang waarover gesproken wordt komt alleen uit de mond van aangeefster. Dit is met niemand gedeeld, de angst is gelet op de aard van de schulden en de hoogte niet reëel en de wijze waarop de zakelijke afspraak met [verdachte] tot stand is gekomen helt over naar een zakelijke overeenkomst waarover nagedacht is en waarbinnen ruimte was voor onderhandelingen.
- 89.
De verklaring van client is geen kale ontkenning maar een invulling van hetgeen in zijn visie heeft plaats gevonden en hij geeft toe seks met [aangeefster 2] te hebben gehad maar koppelt dit los van zijn functie als deurwaarder. Hij kwam in zijn vrije tijd en zij is ingegaan op zijn voorstel zodat ze meer geld te besteden had. Hij stelt ook te hebben betaald, net als hij bij andere vrouwen deed en van het bestaan van de kwitanties zoals door [aangeefster 2] is verklaard is niets gebleken.
- 90.
Is de onvrijwilligheid voldoende vast gesteld? En de onvermijdbaarheid en de opzet zoals het wetsartikel vereist? De verdediging meent van niet. Ook om die reden vrijspraak. (…)’
2.4
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2009 in de gemeente [gemeente], meermalen, door andere feitelijkheden en/of bedreiging met andere feitelijkheid [aangeefster 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 2], te weten het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [aangeefster 2] en/of zijn vingers in de vagina van die [aangeefster 2], en bestaande die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met die andere feitelijkheden hierin, dat verdachte
- —
in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder (bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V.) (telkens) bij die [aangeefster 2] aan de deur is gekomen en (vervolgens)
- —
wetende dat die [aangeefster 2] kampte met en/of verkeerde in grote financiële problemen en haar schulden niet kon betalen en anderszins problematische persoonlijke omstandigheden had en in een psychisch en financieel kwetsbare positie zat en misbruik makend van haar jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit en/of kwetsbare positie en/of zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend (psychisch) overwicht en/of macht als deurwaarder en (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd dat zij een schuld had en dat er een betalingsregeling getroffen moest worden en (vervolgens)
- —
daarbij papieren heeft vastgehouden en/of getoond en/of overhandigd en (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd dat zij in de problemen zou komen, wanneer zij niet zou betalen en dat er dan een openbare verkoop plaats zou vinden en dat hij, verdachte, terug zou komen met de politie en dé slotenmaker om beslag te leggen op haar goederen en dat zij uit het huis gezet zou worden en daardoor haar kinderen kwijt zou raken en misbruik makend van de angst van [aangeefster 2] voor een dergelijke situatie en de gevolgen van het niet kunnen betalen van haar schulden en (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd dat zij op een andere manier van haar schulden af kon kómen en dat zij na het hebben van seks met hem, verdachte, van haar schulden af kon komen en haar schulden kleiner zouden worden en dat er na elke keer seks met hem, verdachte, door hem, verdachte, 50 tot 100 euro, althans een geldbedrag, in mindering zou worden gebracht op haar schuld(en) en (vervolgens)
- —
meermalen die [aangeefster 2] thuis heeft bezocht en seks met haar heeft gehad en (vervolgens)
- —
als die [aangeefster 2] tegen hem, verdachte, zei dat zij er geen zin meer in had, tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd dat zij aan haar schulden en huishouden moest denken,
en aldus telkens voor die [aangeefster 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 2] telkens in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 2] geen weerstand kon bieden.’
2.5
Zoals hierboven (1.5) al (uitvoeriger) is aangevoerd vereist verkrachting, zoals strafbaar gesteld in art. 242 Sr, dwang. Met het opnemen van ‘andere feitelijkheden’ in de artikelen 242 en 246 Sr werd beoogd (verkort weergegeven) de strafbaarheid uit te breiden tot situaties die ‘even bedreigend kunnen zijn als geweld of bedreiging met geweld’. Voor een veroordeling ter zake van art. 242 Sr is dan vereist dat komt vast te staan dat het slachtoffer binnen die afhankelijkheidsrelatie door bepaalde gedragingen van de verdachte waardoor een bedreigende sfeer is ontstaan, is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan.9.
2.6
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard dat de ‘andere feitelijkheid’ of ‘bedreiging met andere feitelijkheid’ onder meer heeft bestaan uit de wetenschap dat ‘die [aangeefster 2] kampte met en/of verkeerde in grote financiële problemen en/of psychisch kwetsbaar was en anderszins problematische persoonlijke omstandigheden had en in een psychisch en financieel kwetsbare positie zat en misbruik makend van haar jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit en/of kwetsbare positie en/of zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend (psychisch) overwicht en/of macht als deurwaarder en (vervolgens) en dat verdachte misbruik makend van deze wetenschap en kwetsbare psychische en/of financiële positie van die [aangeefster 2] en de angst van die [aangeefster 2] voor die [aangeefster 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 2] telkens in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 2] geen weerstand kon bieden. Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft het hof een aantal bewijsmiddelen gebruikt.10. Dat aangeefster in een psychisch kwetsbare positie zat zoals het hof bewezen heeft verklaard blijkt daar niet uit. Zo blijkt uit de bewijsmiddelen bijvoorbeeld niet dat aangeefster destijds vanwege psychische problemen in behandeling was of iets dergelijks. Dat verdachte daarvan af heeft gewezen zoals ook bewezen is verklaard blijkt in ieder geval niet uit de bewijsmiddelen. Aangeefster was ten tijde van het bewezenverklaarde meerderjarig. Dat aangeefster een ‘jeugdige’ leeftijd had kan dus niet althans niet zonder meer uit de bewijsmiddelen volgen. Zelfs indien dat anders is kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de ‘jeugdige leeftijd’ van aangeefster. Aangeefster was immers ten tijde van het feit handelingsbekwaam terwijl ze een huis, een baan en ook kinderen had. Dat aangeefster naïef of labiel was blijkt ook niet uit de bewijsmiddelen; aangeefster heeft in het voor een voor het bewijs gebruikte verklaring11. slechts verklaard dat zij destijds ‘een stuk naïever en labieler ’ was hetgeen iets anders is dan dat zij destijds dus naïef en labiel was. Dat verdachte daarvan op de hoogte was en misbruik heeft gemaakt van de naïviteit en/of labiliteit van aangeefster blijkt in ieder geval niet uit de bewijsmiddelen. Gelet hierop kan de bewezenverklaring dan ook niet in stand blijven.
2.7
Dat aangeefster kampte met ‘grote financiële problemen’ en verdachte voor die [aangeefster 2] vanwege een ‘financieel kwetsbare positie’ een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 2] telkens in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 2] geen weerstand kon bieden is voorts in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de financiële positie, te weten dat uit het onderzoek is gebleken dat uit het overzicht van de schulden die [aangeefster 2] had lopen bij het kantoor van [verdachte] slechts blijkt dat er voor 2009 (het jaar waarin de seks met [verdachte] eindigde) sprake is van een schuld 1273,88 (schuld uit 2005) en 194,51 (schuld uit 2008) terwijl aangeefster een baan en inkomen had onbegrijpelijk. Ook hierom kan de bewezenverklaring niet in stand blijven.
2.8
Voorts is van belang dat het hof ten aanzien van het bewijs gebruik heeft gemaakt van schakelbewijs, in die zin dat hetgeen het hof ten aanzien van de overige feiten bewezen heeft verklaard mede redengevend wordt beschouwd ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde. Zoals uit de hierboven en hieronder staande klachten blijkt zijn de bewezenverklaringen van de overige feiten eveneens onvoldoende met redenen omkleed zodat ook hierom de bewezenverklaring niet in stand kan blijven.
Middel III
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 242 Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
In het arrest heeft het hof ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde bewezen verklaard dat verdachte (verkort weergegeven, voor zover in dit kader van belang) in de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2009 te [c-plaats], in de gemeente [gemeente], meermalen, door andere feitelijkheden en/of bedreiging met andere feitelijkheden [aangeefster 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 3], en bestaande die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met die andere feitelijkheden hierin, dat verdachte in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder (bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V.) bij die [aangeefster 3] aan de deur is gekomen en (vervolgens) wetende dat die [aangeefster 3] kampte met en/of verkeerde in grote financiële problemen en haar schulden niet kon betalen en anderszins problematische persoonlijke omstandigheden had en in een psychisch en financieel kwetsbare positie zat en misbruik makend van haar jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit en/of kwetsbare positie en/of zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend (psychisch) overwicht en/of macht als deurwaarder, en/of (aldus) (telkens) voor die [aangeefster 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 3] (telkens) in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 3] geen weerstand kon bieden en/of een zodanige feitelijke situatie heeft doen ontstaan dat die [aangeefster 3] dat binnendringen niet kon of wist te verhinderen en/of te voorkomen.
Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft het hof een aantal bewijsmiddelen gebruikt. Hieruit volgt niet althans onvoldoende dat [aangeefster 3] ‘problematische persoonlijke omstandigheden’ had zoals wel bewezen is verklaard. In ieder geval blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat verdachte daarvan af heeft geweten. Dat aangeefster in een ‘psychisch kwetsbare positie’ zat zoals bewezen is verklaard blijkt ook niet uit de bewijsmiddelen; dat verdachte daarvan wetenschap heeft gehad blijkt ook (en in ieder geval) niet uit de bewijsmiddelen. Dat [aangeefster 3] een jeugdige leeftijd had blijkt ook niet uit de bewijsmiddelen. Uit de bewijsmiddelen valt immers slechts af te leiden dat [aangeefster 3] destijds ouder was dan 25 jaar, 2 kinderen en een vriend en een baan had. Dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit blijkt ook niet uit de bewijsmiddelen; uit de bewijsmiddelen blijkt niet eens van een jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit. Gelet hierop is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Voorts is van belang dat het hof ten aanzien van het bewijs gebruik heeft gemaakt van schakelbewijs, in die zin dat hetgeen het hof ten aanzien van de overige feiten bewezen heeft verklaard mede redengevend wordt beschouwd ten aanzien van het onder feit 3 bewezenverklaarde. Zoals uit de hierboven en hieronder staande klachten blijkt zijn de bewezenverklaringen van de overige feiten eveneens onvoldoende met redenen omkleed zodat ook hierom de bewezenverklaring niet in stand kan blijven.
Toelichting
3.1
Aan verdachte is onder feit 3 tenlastegelegd, dat:
‘3. primair
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2009 te [c-plaats], in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 3], te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- —
duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) en/of tong in de vagina van die [aangeefster 3] en/of
- —
duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangeefster 3],
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin, dat verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- —
in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder (bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V.) bij die [aangeefster 3] aan de deur is gekomen en/of (vervolgens),
- —
wetende dat die [aangeefster 3] kampte met en/of verkeerde in (grote) financiële problemen en/of haar schulden niet kon betalen en/of anderszins problematische persoonlijke omstandigheden had en/of in een psychisch en/of financieel kwetsbare positie zat en/of misbruik makend van haar jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit en/of kwetsbare positie en/of zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend (psychisch) overwicht en/of macht als deurwaarder en/of (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 3] heeft gezegd dat zij (een)schuld(en) had en/of dat die schuld(en) binnen 14 dagen afbetaald moest(en) worden en/of dat hij, verdachte, anders haar spullen uit haar woning zou weghalen en/of dat hij, verdachte, daartoe gerechtigd was en/of dat hij hoger dan de politie was en/of dat hij kon bepalen wat er met haar ging gebeuren en/of dat hij haar met hulp van de politie buiten kon zetten en/of dat zij (met haar kinderen) op straat zou komen te staan en/of (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 3] heeft gezegd dat zij het anders konden inkleden en/of dat zij zijn, verdachtes, vriendinnetje zou kunnen worden en dat hij, verdachte, ervoor zou zorgen dat zij van haar schuld af kwam en/of dat hij, verdachte, ervoor zou zorgen dat haar schuld weg zou zijn en/of (vervolgens)
- —
die [aangeefster 3] (binnen enkele dagen) opnieuw thuis heeft opgezocht en/of (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 3] heeft gezegd, dat zij schulden had en het lastig ging worden om die te betalen en/of dat hij, verdachte, haar spullen in beslag kon nemen en/of dat hij, verdachte, de macht had en/of haar (en haar kinderen) uit haar/hun woning kon zetten en/of dat hij, verdachte, het beter kon maken en/of dat hij, verdachte, ervoor kon zorgen dat zij van haar schuld af kwam en/of dat hij, verdachte, de rekening zou betalen, als zij met hem naar bed zou gaan en/of (vervolgens)
- —
wekelijks, in elk geval meermalen, althans eenmaal, (telkens) misbruik makend van de angst die [aangeefster 3] had voor de door hem, verdachte, geschetste consequenties van het niet kunnen betalen van haar schulden, seks met die [aangeefster 3] heeft gehad en/of (vervolgens)
- —
(telkens) nadat hij, verdachte, seks had gehad met die [aangeefster 3], 100 euro, althans een geldbedrag, aan die [aangeefster 3] heeft gegeven en/of in de woning van die [aangeefster 3] heeft achtergelaten en/of (vervolgens)
- —
(telkens) tegen die [aangeefster 3] heeft gezegd dat zij het dan breder en beter zou krijgen en/of dat zij toch goed voor haar kinderen wilde zorgen en/of dat ze het toch voor de kinderen deed en/of aan die [aangeefster 3] heeft toegevoegd (de) woorden (van de strekking): ‘Ik help je toch’ en/of ‘Je kunt boodschappen doen voor je kinderen’ en/of ‘Je kunt blijven wonen en/of denk aan je schuld en/of ik sta toch niet voor niks aan de deur’,
en/of (aldus) (telkens) voor die [aangeefster 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 3] (telkens) in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 3] geen weerstand kon bieden en/of een zodanige feitelijke situatie heeft doen ontstaan dat die [aangeefster 3] dat binnendringen niet kon of wist te verhinderen en/of te voorkomen;
3. subsidiair
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 mei 2005 tot en met 30 juni 2009 te [c-plaats], in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], in elk geval als ambtenaar,
(telkens) een gift of belofte dan wel een dienst, te weten het
- —
worden van zijn, verdachtes, vriendinnetje en/of
- —
het hebben van seks met verdachte en/of
- —
het verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 3], teneinde hem, verdachte, te bewegen om in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.’
3.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 juni 2023 is onder meer gerelateerd:
‘Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte het volgende.
(…)
U houdt mij voor dat de vrouwen die in het dossier naar voren komen als aangeefster, naast financiële problemen in de vorm van schulden, soms ook andere problemen hadden zoals de zorg voor kinderen waarbij zij vaak ook alleenstaand waren. U vraagt mij of ik vind dat die vrouwen daarmee ook een bepaalde kwetsbaarheid hebben of dat ik dat niet zo zie. Ik zeg u daarop dat ik dat een moeilijke vraag vind. Ik kan dat niet beoordelen.
(…)
U houdt mij voor dat [aangeefster 3] een vrouw is waarmee ik langer contact heb gehad. U ' houdt mij voor dat ik daarover ter terechtzitting in eerste aanleg heb verklaard: ‘Ik vond het wel verstandig om ook als gerechtsdeurwaarder bij haar aan de deur te komen; ik moet ook mijn werk doen. Als ik een afspraak had met haar, gaf ik ook de papieren.’ U houdt mij voor dat u met ‘een afspraak hebben’ begrijpt ‘een afspraak om seks te hebben’. Ik zeg u daarop dat ik daar heel vaak geweest ben. Soms kwam er weleens een proces-verbaal met een vordering binnen. Ik beschouwde haar als vriendin maar kreeg dan wel vorderingen voor haar binnen.
(…)
De raadsvrouw pleit overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota, welke als bijlage 4 aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.’
3.3
In de betreffende pleitnota is onder meer aangevoerd:
- ‘101.
[verdachte] heeft ter zitting verklaart dat het juist is dat hij seks heeft gehad met [aangeefster 3] Hij spreekt van een relatie die lang heeft geduurd. Volgens [verdachte] kwam hij niet bij [aangeefster 3] als deurwaarder de eerste keer maar via iemand in de flat waar zij woonde die hen in contact heeft gebracht. Hij is wel eens bij haar thuis geweest voor schulden en er is over schulden gesproken maar zo is het niet begonnen volgens hem. Hij ontkent gezegd te hebben dat zij om haar kinderen moest denken en dat hij haar uit huis zou kunnen zetten. Dat kon ook helemaal niet want er was geen ontruimingsvonnis. Er was naar zijn idee geen sprake van psychische dwang. De seks was op haar initiatief, zij wilde mij, aldus [verdachte].
(…)
- 111.
Het is de verklaring van [aangeefster 3] waarin staat dat ze zelf meende geen keus te hebben omdat [verdachte] haar constant zei dat ze aan haar spulletjes en haar kinderen moest denken. Om die reden kon ze niet terug. Maar we hébben net gezien dat met de betaling voor de seks de schulden kennelijk niet werden betaald. Klopt haar verklaring dan wel of vertelt [verdachte] de waarheid wanneer hij zegt dat zij zijn vriendinnetje was, weliswaar tegen betaling, maar zonder enige dreiging met huisuitzetting of beslag op spullen.
- 112.
Er zijn redenen om te twijfelen aan hetgeen [aangeefster 3] verklaart, onder meer door wat ik hiervoor heb opgemerkt. Maar ook waar zij zegt dat [verdachte] ook wel eens kwam zonder dat er seks was, als zijn vriend ziek was of er was iets met zijn moeder. Dan spraken zij hier over. Dat gaat toch eerder richting een vriendschap, friends with benefits zoals dat tegenwoordig heet, maar geen verkrachting.
- 113.
Wist [verdachte] dat [aangeefster 3] geen seks met hem wilde, had hij dat kunnen weten? Dat blijkt niet uit de stukken. In zijn beleving was [aangeefster 3] meer dan de andere vrouwen die voorkomen in het dossiér. Als ze had laten merken dat ze walgde van seks met hem heeft ze dat in zijn optiek goed verborgen gehouden. En niet onbelangrijk: [verdachte] ontkent dat hij ooit gezegd heeft dat ze op straat zou komen te staan. Het geld wat hij achterliet werd ook niet aangewend om de schulden af te lossen maar was een aanvulling op een heel beperkt budget.
- 114.
Op grond van het hiervoor overwogene verzoek ik uw Hof ook ten aanzien van feit 3 primair [verdachte] vrij te spreken.’
3.4
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2009 te [c-plaats], in de gemeente [gemeente], meermalen, door andere feitelijkheden en/of bedreiging met andere feitelijkheden [aangeefster 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 3], te weten het
- —
duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) en/of tong in de vagina van die [aangeefster 3] en/of
- —
duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangeefster 3],
en bestaande die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met die andere feitelijkheden hierin, dat verdachte
- —
in de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder (bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V.) bij die [aangeefster 3] aan de deur is gekomen en (vervolgens) — wetende dat die [aangeefster 3] kampte met en/of verkeerde in grote financiële problemen en haar schulden niet kon betalen en anderszins problematische persoonlijke omstandigheden had en in een psychisch en financieel kwetsbare positie zat en misbruik makend van haar jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit en/of kwetsbare positie en/of zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend (psychisch) overwicht en/of macht als deurwaarder en (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 3] heeft gezegd dat zij een schuld had en dat die schuld binnen 14 dagen afbetaald moest worden en/of dat hij, verdachte, anders haar spullen uit haar woning zou weghalen en dat hij, verdachte, daartoe gerechtigd was en dat hij hoger dan de politie was en dat hij kon bepalen wat er met haar ging gebeuren en dat hij haar met hulp van de politie buiten kon zetten en dat zij (met haar kinderen) op straat zou komen te staan en (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 3] heeft gezegd dat zij het anders konden inkleden en dat zij zijn, verdachtes, vriendinnetje zou kunnen worden en dat hij, verdachte, ervoor zou zorgen dat zij van haar schuld af kwam en dat hij, verdachte, ervoor zou zorgen dat haar schuld weg zou zijn en (vervolgens)
- —
die [aangeefster 3] (binnen enkele dagen) opnieuw thuis heeft opgezocht en (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 3] heeft gezegd, dat zij schulden had en het lastig ging worden om die te betalen en dat hij, verdachte, haar spullen in beslag kon nemen en dat hij, verdachte, de macht had en haar (en haar kinderen) uit haar/hun woning kon zetten en dat hij, verdachte, het beter kon maken en/of dat hij, verdachte, ervoor kon zorgen dat zij van haar schuld af kwam en dat hij, verdachte, de rekening zou betalen, als zij met hem naar bed zou gaan en (vervolgens)
- —
meermalen, telkens misbruik makend van de angst die [aangeefster 3] had voor de door hem, verdachte, geschetste consequenties van het niet kunnen betalen van haar schulden, seks met die [aangeefster 3] heeft gehad en (vervolgens)
- —
nadat hij, verdachte, seks had gehad met die [aangeefster 3], een geldbedrag aan die [aangeefster 3] heeft gegeven en/of in de woning van die [aangeefster 3] heeft achtergelaten en (vervolgens)
- —
telkens tegen die [aangeefster 3] heeft gezegd dat zij het dan breder en beter zou krijgen en/of dat zij toch goed voor haar kinderen wilde zorgen en/of dat ze het toch voor de kinderen deed en/of aan die [aangeefster 3] heeft toegevoegd de woorden van de strekking: ‘ik help je toch.’ en/of ‘Je kunt boodschappen doen voor je kinderen’ en/of ‘Je kunt blijven wonen en/of denk aan je schuld en/of ik sta toch niet voor niks aan de deur’,
en aldus telkens voor die [aangeefster 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 3] (telkens) in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 3] geen weerstand kon bieden.’
3.5
Zoals hierboven (1.5) al (uitvoeriger) is aangevoerd vereist verkrachting, zoals strafbaar gesteld in art. 242 Sr, dwang. Met het opnemen van ‘andere feitelijkheden’ in de artikelen 242 en 246 Sr werd beoogd (verkort weergegeven) de strafbaarheid uit te breiden tot situaties die ‘even bedreigend kunnen zijn als geweld of bedreiging met geweld’. Voor een veroordeling ter zake van art. 242 Sr is dan vereist dat komt vast te staan dat het slachtoffer binnen die afhankelijkheidsrelatie door bepaalde gedragingen van de verdachte waardoor een bedreigende sfeer is ontstaan, is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan.12.
3.6
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard dat de ‘andere feitelijkheid’ of ‘bedreiging met andere feitelijkheid’ onder meer heeft bestaan uit de wetenschap dat ‘die [aangeefster 3] kampte met en/of verkeerde in grote financiële problemen en/of psychisch kwetsbaar was en anderszins problematische persoonlijke omstandigheden had en in een psychisch en financieel kwetsbare positie zat en misbruik makend van haar jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit en/of kwetsbare positie en/of zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend (psychisch) overwicht en/of macht als deurwaarder en (vervolgens) en dat verdachte misbruik makend van deze wetenschap en kwetsbare psychische en/of financiële positie van die [aangeefster 3] en de angst van die [aangeefster 3] voor die [aangeefster 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of die [aangeefster 3] telkens in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 3] geen weerstand kon bieden. Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft het hof een aantal bewijsmiddelen gebruikt.13. Hieruit volgt niet althans onvoldoende dat [aangeefster 3] ‘problematische persoonlijke omstandigheden’ had zoals wel bewezen is verklaard. In ieder geval blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat verdachte daarvan af heeft geweten. Dat aangeefster in een ‘psychisch kwetsbare positie’ zat zoals bewezen is verklaard blijkt ook niet uit de bewijsmiddelen; dat verdachte daarvan wetenschap heeft gehad blijkt ook (en in ieder geval) niet uit de bewijsmiddelen. Dat [aangeefster 3] een jeugdige leeftijd had blijkt ook niet uit de bewijsmiddelen. Uit de bewijsmiddelen valt immers slechts af te leiden dat [aangeefster 3] destijds ouder was dan 25 jaar14., 2 kinderen en een vriend en een baan had. Dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit blijkt ook niet uit de bewijsmiddelen; uit de bewijsmiddelen blijkt niet eens van een jeugdige leeftijd en/of naïviteit en/of labiliteit. Gelet hierop is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
3.7
Voorts is van belang dat het hof ten aanzien van het bewijs gebruik heeft gemaakt van schakelbewijs, in die zin dat hetgeen het hof ten aanzien van de overige feiten bewezen heeft verklaard mede redengevend wordt beschouwd ten aanzien van het onder feit 3 bewezenverklaarde. Zoals uit de hierboven en hieronder staande klachten blijkt zijn de bewezenverklaringen van de overige feiten eveneens onvoldoende met redenen omkleed zodat ook hierom de bewezenverklaring niet in stand kan blijven.
Middel IV
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 246 Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
In het arrest heeft het hof ten aanzien van het onder feit 4 tenlastegelegde bewezen verklaard, dat verdachte (verkort weergegeven) [aangeefster 4] op 15 juni 2016 te [d-plaats], door een andere feitelijkheid te weten door haar onverhoeds vast te pakken en/of vast te houden en/of het (onverhoeds) kietelen in de zij van die [aangeefster 4] en/of (vervolgens) het met zijn, verdachtes, hand vasthouden boven een borst van die [aangeefster 4], heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen en een zodanige situatie heeft doen ontstaan, dat die [aangeefster 4] een of meer ontuchtige handelingen niet kon verhinderen en voorkomen.
In het arrest heeft het hof derhalve bewezen verklaard dat verdachte door een ‘andere feitelijkheid’, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven, die [aangeefster 4] heeft gedwongen tot het dulden van ‘ontuchtige handelingen’ en een zodanige situatie heeft doen ontstaan, dat die [aangeefster 4] ‘een of meer ontuchtige handelingen’ niet kon verhinderen en voorkomen. Aan wettelijke termen zoals ‘seksuele gedraging’ en ‘plegen van ontuchtige handeling’ komt onvoldoende feitelijke betekenis toe zodat het hof ten onrechte van oordeel is geweest dat het bewezenverklaarde een strafbaar feit oplevert zodat het arrest niet in stand kan blijven.
Zelfs indien de Hoge Raad van oordeel is dat de bewezenverklaring zo moet worden gelezen dat bedoeld is de bewezenverklaarde ‘feitelijkheden’ als de bewezenverklaarde ‘ontuchtige handelingen’ te beschouwen is de bewezenverklaring nog steeds onbegrijpelijk. Nu bewezen is verklaard dat sprake is geweest van het onverhoeds vastpakken en/ of vasthouden van die [aangeefster 4] en/ of het (onverhoeds) kietelen in de zij van die [aangeefster 4] en/ of (vervolgens) het met zijn, verdachtes, hand vasthouden boven een borst van die [aangeefster 4] heeft het hof immers kennelijk niet uitgesloten dat één of meerdere gedragingen niet bewezen zijn verklaard zodat niet helder is welke ‘feitelijkheden’ en/of ‘ontuchtige handeling(en)’ bewezen is/zijn verklaard. Gelet hierop is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Indien geoordeeld moet worden dat bewezen is verklaard dat verdachte aangeefster in de zij heeft gekieteld en aangeefster met een hand boven haar borst heeft aangeraakt getuigt het oordeel van het hof dat sprake is van ontuchtige handelingen overigens nog steeds van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de bewezenverklaring/kwalificatiebeslissing onvoldoende met redenen omkleed nu het aanraken van dergelijke lichaamsdelen geen ontucht opleveren.
Toelichting
4.1
Aan verdachte is onder feit 4 tenlastegelegd, dat:
‘4. primair
hij op of omstreeks 15 juni 2016 te [d-plaats], in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door het meermalen, althans eenmaal,
- —
in zijn, verdachtes, hoedanigheid van deurwaarder de woning van een persoon genaamd [aangeefster 4] binnen te treden en/of (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 4] te zeggen dat hij, verdachte, een dwangbevel bij zich had dat bestemd was voor [betrokkene 5] en/of (vervolgens)
- —
aan die [aangeefster 4] te vragen of zij een partner en/of een relatie had en/of aan die [aangeefster 4] (herhaaldelijk) toe te voegen (de) woorden (van de strekking): ‘Luister, maar ik wil ook seks met jou’ en/of ‘Ik zou met jou ook wel seks willen hebben’ en/of (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 4] te zeggen dat hij, verdachte, best [betrokkene 5] wilde zijn en/of dat [betrokkene 5] maar bofte met zo'n vrouw als zij en/of (vervolgens)
- —
(opnieuw) (herhaaldelijk) tegen die [aangeefster 4] te zeggen dat hij, verdachte, seks met haar wilde en/of dat, als zij seks met [betrokkene 5] had, zij ook seks met hem, verdachte, kon hebben en/of aan die [aangeefster 4] (herhaaldelijk) toe te voegen (de) woorden (van de strekking): ‘Ik wil seks met jou’ en/of (vervolgens)
- —
het (onverhoeds) vastpakken en/of vasthouden van die [aangeefster 4] en/of het (onverhoeds) kietelen in de zij van die [aangeefster 4] en/of (vervolgens)
- —
het met zijn, verdachtes, hand vasthouden boven een borst van die [aangeefster 4] en/of het (vervolgens) duwen en/of vast en/of klem zetten van die [aangeefster 4] tegen de ijskast en/of een glazen deur,
die [aangeefster 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen en/of die [aangeefster 4] in een situatie heeft gebracht, waarin die [aangeefster 4] geen weerstand kon bieden en/of een zodanige situatie heeft doen ontstaan, dat die [aangeefster 4] een of meer ontuchtige handelingen niet kon of wist te verhinderen en/of te voorkomen, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens) kietelen aan en/of aanraken en/of betasten van de zij van die [aangeefster 4];
4. subsidiair
hij op of omstreeks 15 juni 2016 te [d-plaats], in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], in elk geval als ambtenaar, (telkens) een gift of belofte dan wel een dienst, te weten het
- —
hebben van seks met hem, verdachte, en/of
- —
verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 4], teneinde hem, verdachte, te bewegen om in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.’
4.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 juni 2023 is onder meer gerelateerd dat de raadsvrouw het woord heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Hierin is onder meer aangevoerd:
- 130.
Daarmee staat niet vast dat [aangeefster 4] daadwerkelijk door [verdachte] is aangeraakt nu zij daarin alleen staat met haar verklaring. [verdachte] stelt te hebben gewapperd met zijn handen nu zij nogal fel reageerde en er een discussie ontstond. Hij sluit niet uit dat hij haar daardoor per ongeluk heeft aangeraakt maar dat is iets anders dan kietelen en een hand boven de borst plaatsen. Daarvoor ontbreekt voldoende wettig bewijs en zal een vrijspraak moeten volgen.
- 131.
Indien uw Hof daar anders over denkt en meegaat met de rechtbank is de vraag of dat kietelen op zich onder de omstandigheden een aanranding oplevert. Er is een vergelijkbare uitspraak waarin in tegenstelling tot de rechtbank niet wordt gekomen tot een bewezenverklaring van aanranding. Ik noem in dit kader een wat oudere uitspraak van de rechtbank Rotterdam die in eerste aanleg ook is aangehaald. De uitspraak is van 18 april 2014. ECLI:NL:RBROT:2013:BZ7889.
Hier betrof het een gymleraar die in de kleedkamer een leerling had gekieteld. De rechtbank overwoog dat kietelen onder deze omstandigheden geen seksuele lading had en als ontuchtig kon worden aangemerkt.
- 132.
Is dat hier anders? Is het kietelen, als dat al gebeurd is, een handeling met een seksuele strekking die in strijd is met de sociaal-ethische norm? Grensoverschrijdend, dat is het zeker. Het kietelen in combinatie met de uitlatingen dat [verdachte] wel seks met haar zou willen is absoluut een grens over die je niet zou verwachten wanneer een deurwaarder aan de deur komt. Mr Zuketto verwees in zijn pleitnota in eerste aanleg naar een uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2491. Daar werd het kussen van iemand op de wang en het wrijven over iemands been niet als ontuchtig gezien. Als dat al niet ontuchtig is dan hetgeen hier zou zijn gebeurd al helemaal niet.
- 133.
Heeft aangeefster dan het gedrag van [verdachte] ervaren als ontuchtig? Dat blijkt niet uit hetgeen zij in haar aangifte zegt wanneer de recherche vraagt waarvan zij aangifte wil doen. Dat sluit ook aan op hetgeen [verdachte] hier over zegt, namelijk dat ze duidelijk aangaf niet van hem gediend te zijn en fel tegen hem was waarna hij de deur uitgezet werd. Dat [aangeefster 4] overdonderd was door de opmerkingen van [verdachte] wil ik geloven en dat je daar een nare smaak van in de mond krijgt ook, maar dat leidt nog niet tot aanranding.
- 134.
Op grond van al het hiervoor overwogene verzoek ik uw Hof om [verdachte] vrij te spreken van het onder 4 primair ten laste gelegde. (…)’
4.3
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat verdachte:
‘4. primair
op 15 juni 2016 te [d-plaats], in de gemeente [gemeente], door een andere feitelijkheid te weten door
- —
in zijn, verdachtes, hoedanigheid van deurwaarder de woning van een persoon genaamd [aangeefster 4] binnen te treden en (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 4] te zeggen dat hij, verdachte, een dwangbevel bij zich had dat bestemd was voor [betrokkene 5] en (vervolgens)
- —
aan die [aangeefster 4] te vragen of zij een partner en een relatie had en aan die [aangeefster 4] toe te voegen de woorden van de strekking: ‘Luister, maar ik wil ook seks met jou’ en/of ‘Ik zou met jou ook wel seks willen hebben’ en (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 4] te zeggen dat hij, verdachte, best [betrokkene 5] wilde zijn en dat [betrokkene 5] maar bofte met zo'n vrouw als zij en (vervolgens)
- —
tegen die [aangeefster 4] te zeggen dat hij, verdachte, seks met haar wilde en dat, als zij seks met [betrokkene 5] had, zij ook seks met hem, verdachte, kon hebben en aan die [aangeefster 4] toe te voegen de woorden van de strekking: ‘Ik wil seks met jou’ en (vervolgens)
- —
het onverhoeds vastpakken en/of vasthouden van die [aangeefster 4] en/of het (onverhoeds) kietelen in de zij van die [aangeefster 4] en/of (vervolgens)
- —
het met zijn, verdachtes, hand vasthouden boven een borst van die [aangeefster 4] en het (vervolgens) duwen en/of vast en/of klem zetten van die [aangeefster 4] tegen de ijskast en/of een glazen deur,
die [aangeefster 4] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen en een zodanige situatie heeft doen ontstaan, dat die [aangeefster 4] een of meer ontuchtige handelingen niet kon verhinderen en voorkomen.’
4.4
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen:
‘Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze handelingen kunnen worden aangemerkt als ontuchtig. Hoewel kietelen, aanraken en betasten niet per definitie ontuchtig hoeven te zijn, acht het hof dit in deze zaak wel ontuchtige handelingen. Verdachte was als gerechtsdeurwaarder bij [aangeefster 4] in de woning, hij heeft meermalen tegen haar gezegd wel een seksrelatie met haar te willen en heeft, nadat aangeefster hem had uitgemaakt voor een ‘vieze man’ gezegd: ‘Wat zei jij: een vies oud mannetje? Ik zal jou eens laten zien wat ik nog kan’ haar vervolgens in een hoek van de keuken klemgezet. Het vervolgens kietelen, aanraken en betasten (onder meer boven de borst) van [aangeefster 4] krijgt in deze context een seksuele lading en is daarmee ontuchtig. Uit haar verklaring volgt dat aangeefster dit ook als zodanig heeft ervaren.
Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [aangeefster 4] heeft aangerand.’
4.5
Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid.’
4.6
‘Ontuchtige handelingen’ als bedoeld in art. 246 Sr zijn handelingen gericht op seksueel contact althans contact van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.15. Of een handeling kan worden gekwalificeerd als seksueel en strijdig met de sociaal-ethische norm hangt onder meer af van de omstandigheden van het geval, zoals de verhouding tussen de betrokkenen en de omgeving waarin zij voorvalt.16. Ook de wijze waarop en het lichaamsdeel waarop iemand een ander aanraakt, lijken relevant.17. Het lichaamsdeel dat is aangeraakt, de aard van de aanraking en de wijze waarop dat is geschied — denk naast het aanraken van de billen aan het knijpen in een blote knie of het aaien, strelen of betasten van een bloot been — zijn factoren die betrokken kunnen worden bij de beoordeling.18. Aan de intentie of de bedoeling van de verdachte kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, aangezien deze slechts een indicatie voor ontucht kan opleveren.19. Een handeling kan door de context waarin deze is verricht, zoals door het uiten van begeleidende woorden, een ontuchtig karakter krijgen waarop het opzet was gericht.20. Zo kan het geven van een klap tegen een bil en het zeggen ‘hé schatje’ een ontuchtige handeling als bedoeld in art. 246 Sr opleveren;21. het geven van een tik tegen de bil zonder seksuele intentie lever dat nog niet op.22.
4.7
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte door een ‘andere feitelijkheid’, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven, die [aangeefster 4] heeft gedwongen tot het dulden van ‘ontuchtige handelingen’ en een zodanige situatie heeft doen ontstaan, dat die [aangeefster 4] ‘een of meer ontuchtige handelingen’ niet kon verhinderen en voorkomen. Aan wettelijke termen zoals ‘seksuele gedraging’ en ‘plegen van ontuchtige handeling’ komt onvoldoende feitelijke betekenis toe zodat het hof ten onrechte van oordeel is geweest dat het bewezenverklaarde een strafbaar feit oplevert zodat het arrest niet in stand kan blijven.23.
4.8
Zelfs indien de Hoge Raad van oordeel is dat de bewezenverklaring zo moet worden gelezen dat bedoeld is de bewezenverklaarde ‘feitelijkheden’ als de bewezenverklaarde ‘ontuchtige handelingen’ te beschouwen24. is de bewezenverklaring nog steeds onbegrijpelijk. Nu bewezen is verklaard dat sprake is geweest van het onverhoeds vastpakken en/ of vasthouden van die [aangeefster 4] en/ of het (onverhoeds) kietelen in de zij van die [aangeefster 4] en/ of (vervolgens) het met zijn, verdachtes, hand vasthouden boven een borst van die [aangeefster 4] heeft het hof immers kennelijk niet uitgesloten dat één of meerdere gedragingen niet bewezen zijn verklaard zodat niet helder is welke ‘feitelijkheden’ en ‘ontuchtige handeling(en)’ bewezen is/zijn verklaard. Gelet hierop is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
4.9
Indien geoordeeld moet worden dat bewezen is verklaard dat verdachte aangeefster in de zij heeft gekieteld en aangeefster met een hand boven haar borst heeft aangeraakt getuigt het oordeel van het hof dat sprake is van ontuchtige handelingen overigens nog steeds van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed nu het aanraken van dergelijke lichaamsdelen geen ontucht opleveren.
Middel V
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 363 (oud) Sr, 359 jo 415 Sv, en wel om het volgende.
In eerste aanleg is verdachte van het onder 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde vrijgesproken. In het arrest heeft het hof ten aanzien van het onder 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde bewezen verklaard dat verdachte (zeer verkort weergeven) telkens als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder een dienst, te weten het hebben van seks met hem, verdachte, en/of verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte, heeft gevraagd aan een de in de bewezenverklaring bedoelde personen teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.
In het arrest heeft het hof expliciet vastgesteld dat het bestanddeel ‘in zijn bediening’ niet vergt dat de ambtenaar exclusief bevoegd is tot de diensten die van hem verlangd worden maar slechts dat sprake is van diensten waartoe zijn ambt hem in staat stelt of de gelegenheid biedt zodat voldoende is dat de verdachte ambtenaar was (in casu gerechtsdeurwaarder) en als zodanig in zijn bediening aan de deur kwam bij de slachtoffers. Voorts heeft het hof overwogen/geoordeeld dat voor een bewezenverklaring niet is vereist dat hetgeen verdachte zou doen of nalaten (in ruil voor de door de slachtoffers te verlenen seksuele diensten) is voorbehouden aan het ambt van gerechtsdeurwaarder en in zoverre als ambtshandeling heeft te gelden.
Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting nu uit de bewijsmiddelen wel zal moeten kunnen volgen dat de ambtenaar een ander een gift/belofte dan wel een dienst heeft gevraagd teneinde hem (de ambtenaar) te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten. Duidelijk zal immers moeten zijn dat de ambtenaar minstgenomen de redelijke verwachting heeft gewekt dat hij ‘een aan hem toegekend recht/bevoegdheid op een bepaalde wijze zal uitoefenen’. Gelet hierop kan het arrest/bewezenverklaring niet in stand blijven.
Toelichting
5.1
Aan verdachte is onder feiten 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegd, dat:
- ‘5.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 mei 2005 tot en met 30 november 2006 te [c-plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.v. te [b-plaats], in elk geval als ambtenaar, (telkens) een gift of belofte dan wel een dienst, te weten
- —
het uitgaan met hem, verdachte, en/of
- —
het hebben van seks met hem, verdachte, en/of
- —
het verrichten van seksuele handelingen met/bij hem, verdachte, heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 5], teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten.
- 6.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 te [e-plaats], in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], in elk geval als ambtenaar, een gift of belofte dan wel een dienst, te weten het
- —
hebben van (een avondje vrije) seks met hem, verdachte, en/of
- —
verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 6], teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.
- 7.
hij op of omstreeks 12 januari 2011 in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], in elk geval als ambtenaar, (telkens) een gift of belofte dan wel een dienst, te weten het
- —
hebben van seks met hem, verdachte, en/of
- —
verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 7], teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.
- 8.
hij op of omstreeks 20 september2012 in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], in elk geval als ambtenaar, (telkens) een gift of belofte dan wel een dienst, te weten het
- —
aan hem, verdachte, in natura betalen (door het verrichten van seksuele handelingen met/bij hem, verdachte),
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 8], teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.’
5.2
In eerste aanleg is verdachte vrijgesproken. De rechtbank heeft daartoe overwogen/geoordeeld:
‘Ten aanzien van feit 5, feit 6, feit 7 en feit 8
Verdachte wordt onder de feiten 5 tot en met 8 verweten dat hij als ambtenaar aan de aangeefsters [aangeefster 5], [aangeefster 6], [aangeefster 7] en [aangeefster 8] een gift of belofte dan wel een dienst heeft gevraagd, te weten seksuele handelingen, teneinde hem te bewegen om (in strijd met zijn plicht) in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.
Op grond van het procesdossier is vast komen te staan dat verdachte als gerechtsdeurwaarder bij voornoemde aangeefsters aan de deur kwam met stukken van het deurwaarderskantoor. Op het moment dat bleek dat de aangeefsters de afbetaling van hun schulden niet meer konden nakomen, stelde verdachte aan hen voor iets te kunnen regelen. Zo heeft aangeefster [aangeefster 5] verklaard dat verdachte zei dat als zij tegen een vergoeding met de verdachte naar bed gaat, haar schulden minder zullen worden en heeft aangeefster [aangeefster 6] verklaard dat de verdachte zei dat als zij een avondje vrije seks met hem heeft, hij iets voor haar kon regelen. Aangeefster [aangeefster 7] heeft verklaard dat hij haar een voorstel deed om het op een andere manier te regelen; ze konden het op een date gooien met zijn tweetjes, een leuke avond en leuke nacht. Hij zou haar meteen cash geld geven om haar schuld te kunnen betalen. En aangeefster [aangeefster 8] heeft verklaard dat de verdachte haar voorstelde om in natura te betalen. Haar schulden zouden dan verdwijnen.
De rechtbank acht de vraagstelling van verdachte zeer ongepast. Aangeefsters geven aan zich hierdoor onbehaaglijk te hebben gevoeld. Verdachte heeft als ambtenaar door misbruik van zijn gezag geprobeerd de aangeefsters iets te laten doen, te weten het verrichten van seksuele handelingen. Dergelijk gedrag is in artikel 365 Sr strafbaar gesteld. Dit artikel is verdachte echter niet tenlastegelegd. Hem wordt passieve omkoping (artikel 363 lid 1 sub 3 Sr) verweten. Daarvoor moet bewezen worden dat hij als ambtenaar een gift, belofte of dienst heeft gevraagd aan de aangeefsters teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten. Dat de verdachte als ambtenaar seksuele handelingen van de aangeefsters heeft gevraagd staat wel vast. De rechtbank verwijst hiervoor naar de vele min of meer gelijkluidende aangiftes die in grote lijnen sporen met de gang van zaken in de feiten 1 tot en 4. Wat daarentegen naar het oordeel van de rechtbank op grond van het dossier onvoldoende is komen vast te staan, is wat verdachte als tegenprestatie zou verrichten en of hij dit in zijn bediening doet of nalaat. De aangeefsters [aangeefster 5], [aangeefster 6] en [aangeefster 8] verklaren niet te weten wat de verdachte in zijn bediening zou doen of laten om ervoor te zorgen dat hun schulden minder zouden worden of zouden verdwijnen. Verdachte heeft geïmpliceerd iets te doen of na te laten voor de aangeefsters, maar laat in het midden welke ambtshandeling dat zal zijn. In tegenstelling tot de verklaringen van de aangeefsters in de zaken 1 tot en met 4 dreigt verdachte hier niet met inbeslagname en/of huisuitzetting. In het geval van [aangeefster 7] is dit wat anders. Tegen haar heeft verdachte aangegeven contant geld te geven zodat zij haar schulden kan betalen. Die handeling van verdachte is echter op zichzelf geen handeling die hij pleegt in zijn bediening.
De officier van justitie heeft gesteld dat de Hoge Raad in het geval van actieve omkoping (artikel 177 Sr.), heeft geoordeeld dat er van een concrete tegenprestatie geen sprake hoeft te zijn en dat de gift, belofte of dienst ook kan zien op het creëren van een relatie met de ambtenaar met als doel het krijgen van een voorkeursbehandeling. Volgens de officier van justitie is deze redenering ook toepasbaar op passieve omkoping. Als het al zo zou zijn dat deze bepaling ook op passieve omkoping van toepassing is, dan maakt dit het oordeel van de rechtbank niet anders. Ook een voorkeursbehandeling impliceert immers dat verdachte iets zal doen of nalaten in zijn bediening en juist de omstandigheid dat de verdachte in zijn bediening een tegenprestatie zal verrichten en wat die dan zou inhouden is in dit dossier onvoldoende vast te stellen.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de feiten 5 tot en met 8.’
5.3
Tegen het vonnis heeft verdachte en de Officier van Justitie hoger beroep ingesteld. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 juni 2023 is onder meer gerelateerd dat de verdediging het woord heeft gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnota. Hierin is onder meer aangevoerd:
- ‘139.
Het zal u niet verbazen dat de verdediging zich volledig kan vinden in het oordeel van de rechtbank op dit punt. Ook ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 subsidiair verzoek ik uw Hof vrij te spreken met dezelfde redenering als voor de feiten 5 t/m 8. De appelschriftuur van het openbaar ministerie is een herhaling van hetgeen ter zitting al uitgebreid naar voren is gebracht en door de rechtbank gemotiveerd is verworpen. Dat zou nu wederom de uitkomst moeten zijn. [verdachte] was ambtenaar, dat is juist en vroeg seksuele handelingen van aangeefsters. Maar als er al iets tegenover stond was dat een betaling waar hij bij zei dat ze hiermee hun schulden konden afbetalen, wat niet iedereen overigens heeft gedaan. Maar hij heeft niet gezegd dat hij een exploot zou intrekken of een eventuele beslaglegging niet zou uitvoeren of bv zou zorgen dat de papieren van een schuldeiser zouden verdwijnen. Daarvan zou je nog kunnen vinden dat hij iets doet of nalaat in zijn bediening in tegenstelling tot hetgeen hij nu zou hebben gedaan.’
5.4
In het arrest heeft het hof bewezenverklaard dat:
- ‘5.
hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 mei 2005 tot en met 30 november 2006 te [c-plaats], gemeente [gemeente], als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], een dienst, te weten
- —
het hebben van seks met hem, verdachte, en/of
- —
het verrichten van seksuele handelingen met/bij hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 5], teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten.
- 6.
hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 te [e-plaats], in de gemeente [gemeente], als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], een dienst, te weten het
- —
hebben van (een avondje vrije) seks met hem, verdachte, en/of
- —
verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 6], teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.
- 7.
hij op of omstreeks 12 januari 2011 in de gemeente [gemeente], als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], in elk geval als ambtenaar, een dienst, te weten het
- —
hebben van seks met hem, verdachte, en/of
- —
verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 7], teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.
- 8.
hij op of omstreeks 20 september 2012 in de gemeente [gemeente], als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], in elk geval als ambtenaar, een dienst, te weten het
- —
aan hem, verdachte, in natura betalen (door het verrichten van seksuele handelingen met/bij hem, verdachte),
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 8], teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.’
5.5
Voor het bewijs van feit 5 heeft het hof onder meer gebruikt verklaringen van aangeefster [aangeefster 5] waaruit blijkt dat verdachte tegen betaling seks met haar heeft gehad en haar (slechts) heeft medegedeeld dat aangeefster daarmee schulden kon afbetalen (bewijsmiddelen 26). Voorts heeft het hof als bewijsmiddel (28) gebruikt:
‘28. Het proces-verbaal van bevindingen financieel d.d. 28 april 2017 (dossierpagina 1772–1777), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant F. Assendelft:
Over de periode 2004 t/m 2016 is er met betrokkene [aangeefster 5] 25 keer ambtelijk contact geweest met de deurwaarder [verdachte]. In 25 gevallen werd een ambtelijk stuk door [verdachte] betekend, waarvan 7 keer in persoon. De betekeningen in persoon waren op de datums’
5.6
Ten aanzien van het bewezenverklaarde heeft het hof overwogen:
‘Overwegingen ten aanzien van de feiten 5, 6, 7 en 8
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde. Daartoe is — kort weergegeven — aangevoerd dat de verdachte weliswaar ambtenaar was en vroeg om seksuele handelingen van aangeefsters, maar dat niet is gebleken wat hiertegenover stond en — mocht van een tegenprestatie al sprake zijn geweest — dit slechts een betaling betrof waarmee aangeefsters hun schulden konden afbetalen en niet het verrichten van een intrekken, beslagleggingen niet zou uitvoeren of zou zorgen dat papieren van een schuldeiser zouden verdwijnen zodat geen sprake is van ‘doen of nalaten in zijn bediening’, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Concrete tegenprestatie
Het hof ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of voor een bewezenverklaring van het onder 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde vereist is dat sprake is van een concrete tegenprestatie van de zijde van de ambtenaar, of dat volstaat dat sprake is van het doen ontstaan en/of onderhouden van een voorkeursbehandeling in ruil voor het doen van een gift of belofte dan wel het leveren van een dienst aan die ambtenaar.
De strafbaarstelling van de zogenaamde ‘passieve ambtelijke omkoping’ in artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
Met gevangenisstraf (…) wordt gestraft de ambtenaar:
(…)
- 3°.
die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten.
De omgekeerde situatie is strafbaar gesteld in artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht (de zogenaamde actieve ambtelijke omkoping). Dit artikel luidt, voor zover hier relevant, als volgt:.
Met gevangenisstraf (…) wordt gestraft:
- 1°.
hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten:
Uit- onder meer- HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641 volgt dat ‘(…) art. 177 (oud) Sr niet alleen ziet op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, doch ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen’.
Hoewel voornoemd arrest ziet op een ander delict (actieve ambtelijke omkoping) dan tenlastegelegd in de onderhavige strafzaak, ziet het hof gelet op de aard en strekking van de beide delicten geen aanleiding om — bij de beoordeling of sprake is van handelen als bedoeld in artikel 363, eerste lid en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht — een andere maatstaf te hanteren. Bij beide delicten is immers sprake van een wederkerige situatie waarin een ambtenaar in zijn bediening iets zal doen of nalaten in ruil voor een te leveren tegenprestatie (in de vorm van een gift of belofte dan wel een dienst). Dat het initiatief daarbij (bij het in artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht vermelde delict) anders dan bij de ‘actieve ambtelijke omkoping’ als bedoeld in artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht uitgaat van de ambtenaar in kwestie doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af.
Het hof is dan ook van oordeel dat ook in het onderhavige geval niet is vereist dat sprake is van een concrete tegenprestatie maar dat voldoende is dat sprake is van het verlenen van een dienst teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden en zo een voorkeursbehandeling te krijgen.
Voor de invulling daarvan volstaan naar het oordeel van het hof de door de verdachte geuite algemene bewoordingen die de strekking hadden dat door het verlenen van seksuele diensten aan verdachte de schulden minder zouden worden, dat het dan zou worden opgelost, dat hij iets kon regelen, of dat (daarmee) in natura betaald kon worden. Gelet op zijn hoedanigheid als gerechtsdeurwaarder — hetgeen de directe aanleiding was van zijn bezoek aan de vrouwen — moet de verdachte hebben geweten dat door, de slachtoffers een relatie zou worden gelegd tussen enerzijds de openstaande schuld en anderzijds zijn opmerkingen daaromtrent. Verdachte heeft — mede gelet op de bewijsmiddelen en hetgeen hierboven is overwogen ter zake van de feiten 1 tot en met 3 — als gerechtsdeurwaarder met zijn ‘voorstellen’ om openstaande schuld(en) op andere wijze zien weg te nemen of te verminderen, de vrouwen ertoe willen bewegen hem (seksuele) diensten te leveren en zo een relatie te doen ontstaan waardoor die vrouwen van hem een voorkeursbehandeling zouden krijgen.
Doen of laten ‘in zijn bediening’
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door de verdachte gedane voorstellen — kort gezegd: het verminderen van schulden, het oplossen van problemen, het regelen of het in natura betalen — kunnen worden aangemerkt als een ‘doen of nalaten in zijn bediening als ambtenaar’.
Het hof beantwoordt ook deze vraag bevestigend. Het bestanddeel ‘in zijn bediening’ vergt niet dat de ambtenaar exclusief bevoegd is tot de diensten die van hem verlangd worden maar alleen dat sprake is van diensten waartoe zijn ambt hem in staat stelt of de gelegenheid biedt. Derhalve is voldoende dat de verdachte ambtenaar was (in casu gerechtsdeurwaarder) en als zodanig in zijn bediening aan de deur kwam bij de slachtoffers. Voor een bewezenverklaring is naar het oordeel van het hof niet vereist dat hetgeen hij zou doen of nalaten (in ruil voor de door de slachtoffers te verlenen seksuele diensten) is voorbehouden aan het ambt van gerechtsdeurwaarder en in zoverre als ambtshandeling heeft te gelden.
De verdachte kwam bij de slachtoffers als gerechtsdeurwaarder aan de deur, legde een relatie met de schulden die de slachtoffers hadden en stelde — kort gezegd — dat hij daarin iets kon betekenen, regelen of oplossen. Mede indachtig hetgeen hiervoor is overwogen, inhoudende dat daarbij geen sprake hoeft te zijn van een concrete tegenprestatie van de zijde van de verdachte, is het hof van oordeel dat kan worden gesproken van een ‘doen of nalaten in zijn bediening’ als bedoeld in artikel 363, eerste lid en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.’
(…)’
5.7
Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
‘Het onder 5 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
‘als ambtenaar een dienst vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.’
Het onder 6 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
‘als ambtenaar een dienst vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.’
Het onder 7 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
‘als ambtenaar een dienst vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.’
Het onder 8 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
als ambtenaar een dienst vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.’
5.8
De volgende wettelijke bepalingen voor zover in dit kader van belang) zijn van belang:
Art. 177 Sr luidt:
- ‘1.
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:
- 1°
hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten;
- 2°
hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten.
(…)’
Art. 363 Sr luidt:
- ‘1.
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de ambtenaar:
- 1°
die een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten;
- 2°
die een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten;
- 3°
die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten;
- 4°
die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten.
(…)’
Art.365 Sr luidt:
‘De ambtenaar die door misbruik van gezag iemand dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.’
5.9
Ten aanzien van art. 177 Sr, actieve omkoping, heeft de Hoge Raad al eerder dan in 2017 geoordeeld dat dit artikel niet alleen ziet op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, doch ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen.25. Daarbij is van belang dat (telkens ook was vastgesteld) dat een ambtenaar — naar uit de aard van het ambtenaarschap voortvloeit — in zijn taakuitoefening eerlijk, nauwgezet en neutraal dient te zijn en alle belanghebbenden gelijkelijk dient te behandelen en dat het geven van een voorkeursbehandeling op die grond [is] verboden.26. In alle gevallen bleek uit de bewijsmiddelen ook ten behoeve van welk specifiek project/aanbesteding de voorkeursbehandeling werd nagestreefd.27.
5.10
De in art. 363 Sr opgenomen woorden ‘in zijn bediening (iets te doen of na te laten)’ vereisen ‘dat de ambtenaar door zijn ambt tot de betreffende tegenprestatie is staat is gesteld of dat dit ambt hem daartoe de gelegenheid heeft geboden.’28. Bij passieve omkoping heeft de Hoge Raad ten aanzien van het met het Nederlandse art. 363 Sr corresponderende art. 132 SrNA nog in 2019 bijvoorbeeld wel geoordeeld dat indien vast komt te staan dat (de gemachtigde van) een de betrokken persoon (‘kiezer’) een gift en/of een belofte aanneemt en daarbij, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, de redelijke verwachting wekt dat hij aan hem toegekende recht op een bepaalde wijze zal uitoefenen, bewezen kan worden verklaard dat hij zich heeft laten ‘omkopen’ als bedoeld in voormeld art. 132 SrNA.29. In zijn conclusie voorafgaande aan het arrest wees A-G Harteveld er ook op dat niet vereist is dat betrokkene (kiezer) middels een gift of belofte daadwerkelijk is overgehaald tot het stemmen op een andere kandidaat dan hij eerder voornemens was te doen en evenmin moet blijken dat het door de omkoper beoogde resultaat van het (op bepaalde wijze) uitoefenen van het stemrecht is bereikt.
Het delict is voltooid wanneer de partijen tot een — niet per se rechtsgeldige — verbintenis zijn gekomen. Vereist is wel dat sprake is van het aannemen van een gift of belofte.
5.11
In het arrest heeft het hof expliciet vastgesteld dat het bestanddeel ‘in zijn bediening’ niet vergt dat de ambtenaar exclusief bevoegd is tot de diensten die van hem verlangd worden maar slechts dat sprake is van diensten waartoe zijn ambt hem in staat stelt of de gelegenheid biedt zodat voldoende is dat de verdachte ambtenaar was (in casu gerechtsdeurwaarder) en als zodanig in zijn bediening aan de deur kwam bij de slachtoffers. Voorts heeft het hof overwogen/geoordeeld dat voor een bewezenverklaring niet is vereist dat hetgeen verdachte zou doen of nalaten (in ruil voor de door de slachtoffers te verlenen seksuele diensten) is voorbehouden aan het ambt van gerechtsdeurwaarder en in zoverre als ambtshandeling heeft te gelden. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting nu uit de bewijsmiddelen wel zal moeten kunnen volgen dat de ambtenaar een ander een gif/belofte dan wel een dienst heeft gevraagd teneinde hem (de ambtenaar) te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten. Duidelijk zal immers moeten zijn dat de ambtenaar minstgenomen de redelijke verwachting heeft gewekt dat hij 'een aan hem toegekend recht/bevoegdheid op een bepaalde wijze zal uitoefenen. Hierbij is overigens ook nog van belang dat de ambtenaar ook weet moet hebben van de relatie tussen de gift of belofte en de gedragingen die van hem verlangd worden of waarvoor hij beloond wordt30. en dat voor de strafbaarheid moet komen vast te staan dat de ambtenaar heeft moeten begrijpen dat het voordeel hem met een bepaald doel is verschaft.31. Gelet hierop kan het arrest/bewezenverklaring niet in stand blijven.
Middel VI
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 7 EVRM, 1 en 363 (oud) Sr, 359 jo. 415 Sv, en wel omdat uit het bestreden arrest niet kan worden afgeleid dat het hof ten aanzien van het onder feiten 5, 6 en 7 bewezenverklaarde rekening heeft gehouden met het lagere strafmaximum dat ten tijde van het plegen van de feiten op art. 343 (oud) was gesteld. Gelet hierop kan het arrest/strafoplegging niet in stand blijven.
Toelichting
6.1
In het arrest heeft het hof bewezenverklaard dat:
- ‘5.
hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 mei 2005 tot en met 30 november 2006 te [c-plaats], gemeente [gemeente], als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], een dienst, te weten
- —
het hebben van seks met hem, verdachte, en/of
- —
het verrichten van seksuele handelingen met/bij hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 5], teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten.
- 6.
hij in de periode van i januari 2009 tot en met 31 december 2009 te [e-plaats], in de gemeente [gemeente], als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], een dienst, te weten het
- —
hebben van (een avondje vrije) seks met hem, verdachte, en/of
- —
verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd C.M., teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.
- 7.
hij op of omstreeks 12 januari 2011 in de gemeente [gemeente], als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], in elk geval als ambtenaar, een dienst, te weten het
- —
hebben van seks met hem, verdachte, en/of
- —
verrichten van seksuele handelingen bij/met hem, verdachte,
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 7], teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.
- 8.
hij op of omstreeks 20 september 2012 in de gemeente [gemeente], als ambtenaar, te weten als gerechtsdeurwaarder bij [A] Gerechtsdeurwaarders B.V. te [b-plaats], in elk geval als ambtenaar, een dienst, te weten het
- —
aan hem, verdachte, in natura betalen (door het verrichten van seksuele handelingen met/bij hem, verdachte),
heeft gevraagd aan een persoon genaamd [aangeefster 8], teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.’
6.2
In het arrest heeft het hof ten aanzien van het bewezenverklaarde onder meer overwogen:
‘Concrete tegenprestatie
Het hof ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of voor een bewezenverklaring van het onder 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde vereist is dat sprake is van een concrete tegenprestatie van de zijde van de ambtenaar, of dat volstaat dat sprake is van het doen ontstaan en/of onderhouden van een voorkeursbehandeling in ruil voor het doen van een gift of belofte dan wel het leveren van een dienst aan die ambtenaar.
De strafbaarstelling van de zogenaamde ‘passieve ambtelijke omkoping’ in artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
Met gevangenisstraf (…) wordt gestraft de ambtenaar:
(…)
- 3°.
die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten.
De omgekeerde situatie is strafbaar gesteld in artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht (de zogenaamde actieve ambtelijke omkoping). Dit artikel luidt, voor zover hier relevant, als volgt:.
Met gevangenisstraf (…) wordt gestraft:
- 1°.
hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten.
6.3
Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
‘Het onder 5 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
‘als ambtenaar een dienst vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.’
Het onder 6 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
‘als ambtenaar een dienst vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.’
Het onder 7 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
‘als ambtenaar een dienst vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.’
Het onder 8 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
‘als ambtenaar een dienst vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.’
6.4
Ten aanzien van de toepasselijke wettelijke voorschriften heeft het hof in het arrest onder meer verwezen naar de artt. 57, 242, 246 en 363 van het Wetboek van Strafrecht, ‘zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.’
6.5
Art. 343 Sr luidde tot 1 januari 2015:
- ‘1.
Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de ambtenaar:
(…)
- 3°.
die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;’
6.6
Thans en ten tijde van het wijzen van het arrest luidt art. 343 Sr32.:
- ‘1.
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de ambtenaar:
(…)
- 3°.
die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten;
(…)’
6.7
Na het plegen van de feiten is de wet in voor verdachte ongunstige zin gewijzigd nu het op het feit gestelde straf in aanzienlijke mate is verzwaard. Hoewel het hof in het arrest ten aanzien van de ‘toepasselijke wettelijke voorschriften’ in algemene zin heeft vermeld dat het hof gelet heeft op een aantal wetsartikelen, waaronder art. 343 Sr, ‘zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden’ volgt uit de in het arrest door het hof geciteerde wetstekst dat het hof kennelijk slechts het oog heeft gehad op art. 343 Sr zoals dat na het begaan van de feiten in voor verdachte ongunstige zin is gewijzigd. Gelet hierop is het arrest, althans de strafoplegging onvoldoende met redenen omkleed.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 15 april 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 15‑04‑2024
Kamerstukken II, 1988/89, 20 930, nr. 5, p. 17. Zie verder ook bijv. HR 23 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1375, NJ 1999/419 en HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188, NJ 2004/78. Zie in verband met het belang van de omstandigheden van het geval in het bijzonder HR 10 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3365, NJ 2002/500, HR 22 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0862, NJ 2007/315 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1379.
HR 16 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1653, NJ 2000/125, HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8315, NJ 2004/439 en HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7767, NJ 2007/422 m.nt. Buruma.
TK 1988/89, 20 930, nr. 5, p. 11.
HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1301; HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494, rov. 4.2.1.
Noyon-Langemeijer-Remmelink Strafrecht, aant. 2 bij art. 242.
Vgl. HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7767, NJ 2007/422 m.nt. Y. Buruma en HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3627, NJ 2013/438 m.nt. N. Keijzer.
HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188, NJ 2004/78, r.o. 3.4.
HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188, NJ 2004/78, r.o. 3.4.
Het betreft volgens het hof met name de bewijsmiddelen 11 tot en met 14.
Bewijsmiddel 12.
HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188, NJ 2004/78, r.o. 3.4.
Het betreft volgens het hof met name de bewijsmiddelen 15–18.
Bewijsmiddel 15.
Kamerstukken II 1988/89, 20 930, nr. 3 (MvT), p. 2.
HR 7 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8880 (inzake ontuchtige handelingen als bedoeld in art. 247 Sr)
CAG Knigge vóór HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4288, NJ 2012/573 m.nt. Schalken (PHR:2012:BX4288) met een verwijzing naar HR 4 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3321 (het Hof ‘s-Hertogenbosch nam dit mede in overweging in de motivering van een vrijspraak, waarover in cassatie door het OM is geklaagd met een middel dat de Hoge Raad met een aan art. 81 RO ontleende motivering heeft afgedaan).
Zie hiervoor CAG Hofstee 18 september 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1255.
Aant. 5 bij art. 246 Sr. Zie voorts K. Lindenberg en A. A. van Dijk, Herziening van de zedendelicten, Paris: Zutphen 2016, p. 49–50 CAG Vegter vóór HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2578, NJ 2016/132, m.nt. Rozemond.
HR 13 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4825.
HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2578, NJ 2016/132, m.nt. N. Rozemond.
HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4288, NJ 2012/573, m.nt. T.M. Schalken.
Vgl. o.m. HR 1 december 1998, NJ 1999/181 en HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3710, NJ 2004/684;
Zie in dit verband HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:900.
Vgl. o.m. HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:AT8318 en HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:A W 3584, NJ 2006/380.
Zie ook HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8330 (rov. 3.3).
Zie bijvoorbeeld CAG Van Wees 19 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1186.
Randnummer 4.6. CAG Knigge 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ8891, waarin verwezen wordt naar E. Sikkema, Ambtelijke corruptie in het strafrecht, Boom Juridische Uitgevers, 2005, p. 269–273; en HR 2 juni 1909, W 8890 (dat betrekking heeft op art. 177 Sr), HR 26 juni 1916, NJ 1916/916, en HR 26 mei 1919, NJ 1919/653.
HR 4 juni 2029, NJ 2019/242.
Kamerstukken //1998–1999, 26 469, nr. 3 (MvT), p. 7.
Kamerstukken //1998–1999, 26 469, nr. 3 (MvT), p. 7.
Gewijzigd op 1 januari 2015, Stb. 2014, 445. In 2019 is lid 2 nog gewijzigd. Verder in casu niet van belang.