Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/577
Medeplegen (poging tot) verkopen van hennep, meermalen gepleegd (art. 3 onder B Opiumwet), medeplegen aanwezig hebben van hennep (art. 3 onder C Opiumwet) en voortgezette handeling van medeplegen uitvoeren van hennep naar Duitsland (art. 3 onder A Opiumwet) en medeplegen verkopen van grote hoeveelheid hennep (art. 3 onder B jo. 11 lid 2 en 11 lid 5 Opiumwet). 1. Tallon-criterium, verbod op uitlokking. Verweer (strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging dan wel bewijsuitsluiting) dat in Werken Onder Dekmantel-traject is gehandeld in strijd met instigatieverbod. 2. Post-Keskin. Kon hof verklaringen van getuige voor bewijs gebruiken, nu verdediging door beroep op verschoningsrecht geen effectieve mogelijkheid heeft gehad om ondervragingsrecht uit te oefenen? Ad 1. O.g.v. art. 126i Sv mag opsporingsambtenaar bij uitvoering van bevel om goederen af te nemen verdachte niet tot andere strafbare feiten brengen dan waarop opzet van verdachte al tevoren was gericht. Voorschrift strekt mede tot bescherming van het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces. HR herhaalt relevante overwegingen uit rechtspraak EHRM m.b.t. vraag wanneer bijzondere opsporingsmethoden in strijd zijn met recht op eerlijk proces en rechterlijke toetsing i.g.v. beroep door verdediging op instigatieverbod. Hof heeft geoordeeld dat leveren van hennep ‘corebusiness’ was van verdachte en dat bij verdachte al voorafgaand aan eerste pseudokoop sprake was van opzet op verkoop en uitvoer van hennep, zodat verdachte niet is gebracht tot begaan van andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet al tevoren was gericht. Dit oordeel is toereikend gemotiveerd. Ad 2. In gevallen waarin rechter voor bewijs gebruik wil maken van een door getuige afgelegde verklaring, terwijl verdediging (ondanks het nodige initiatief) niet behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om t.a.v. die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet rechter nagaan of proces als geheel eerlijk is verlopen. Als uitoefening van ondervragingsrecht niet of slechts in beperkte mate wordt gerealiseerd, moet rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door verdediging ondervonden beperkingen bij onderzoek naar betrouwbaarheid van verklaring van getuige, waarmee ook deugdelijkheid van bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Hof heeft door getuige bij politie afgelegde verklaringen voor bewijs gebruikt. Hof heeft verzoek van verdediging om getuige te horen toegewezen. Bij dat verhoor heeft getuige zich beroepen op verschoningsrecht. Getuige heeft echter wel (mede n.a.v. vragen van raadsman) verklaard dat hij blijft bij ‘latere verklaringen, waarin ik openheid van zaken heb gegeven’ en dat die bij politie afgelegde verklaringen ‘de waarheid’ betreffen. Daaruit volgt dat mogelijkheid tot uitoefenen van ondervragingsrecht niet volledig heeft ontbroken a.g.v. beroep op verschoningsrecht, maar dat uitoefening van ondervragingsrecht slechts in beperkte mate is gerealiseerd. Uit bewijsvoering volgt dat hof in bewezenverklaring opgenomen gedragingen van verdachte heeft aangenomen o.g.v. meerdere andere bewijsmiddelen, die steun geven aan hiervoor genoemde verklaringen van getuige. Daaruit volgt ook dat hof betrouwbaarheid van betreffende verklaringen van getuige en bruikbaarheid daarvan voor bewijs in onderlinge samenhang met door anderen afgelegde verklaringen heeft beschouwd. Volgt verwerping.
HR 28-05-2024, ECLI:NL:HR:2024:770
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28 mei 2024
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, T.B. Trotman
- Zaaknummer
21/05305
- Conclusie
A-G mr. T.N.B.M. Spronken
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:770, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑05‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:122, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑02‑2024
Essentie
Medeplegen (poging tot) verkopen van hennep, meermalen gepleegd (art. 3 onder B Opiumwet), medeplegen aanwezig hebben van hennep (art. 3 onder C Opiumwet) en voortgezette handeling van medeplegen uitvoeren van hennep naar Duitsland (art. 3 onder A Opiumwet) en medeplegen verkopen van grote hoeveelheid hennep (art. 3 onder B jo. 11 lid 2 en 11 lid 5 Opiumwet). 1. Tallon-criterium, verbod op uitlokking. Verweer (strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging dan wel bewijsuitsluiting) dat in Werken Onder Dekmantel-traject is gehandeld in strijd met instigatieverbod. 2. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.