Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.9:4.9 De gevolgen van vernietiging van de beschikking waarbij het onderzoek is gelast voor de onderzoekskosten
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.9
4.9 De gevolgen van vernietiging van de beschikking waarbij het onderzoek is gelast voor de onderzoekskosten
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS455472:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
P.M. Storm, annotatie bij HR 9 juli 2010 , Ondernemingsrecht 2010/105, p. 509-514 (ASMI). De reden dat deze vraag opkwam was dat de onderzoekers de Ondernemingskamer niet hadden verzocht tussentijds, voor de uitspraak van de Hoge Raad, hun kosten vast te stellen (vgl. § 4.6.4).
De (summiere) wetsgeschiedenis heb ik weergegeven in § 4.1.2.3.
OK 28 juli 2014, ARO 2014/148 (KLM), r.o. 3.6.
Zie § 4.6.2.
Zo ook Storm 2014, p. 164.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar aanleiding van de ASMI-zaak heeft Storm de vraag opgeworpen wat de gevolgen zijn voor de kosten van het onderzoek van een vernietiging door de Hoge Raad van de beschikking waarbij de Ondernemingskamer het onderzoek heeft gelast.1 Dat heeft uiteindelijk geleid tot het in de Wet aanpassing enquêterecht aan artikel 2:359 BW toegevoegde tweede lid.2 Toegespitst op de onderzoeker komt deze bepaling erop neer dat indien de Hoge Raad de beschikking vernietigt waarbij het onderzoek is gelast, de door de Ondernemingskamer aan de onderzoekers toegekende vergoeding geacht wordt “niet onverschuldigd te zijn”. De bepaling geeft evenwel ook het al voordien geldende recht weer.3
De formulering van de bepaling is slordig. Op het moment dat de Hoge Raad de beschikking van de Ondernemingskamer vernietigt, heeft de Ondernemingskamer de vergoeding van de onderzoekers nog niet vastgesteld. Dat pleegt zij immers pas te doen nadat de onderzoekers het onderzoeksverslag ter griffie hebben ingeleverd.4 Bij letterlijke lezing van de bepaling zou de Ondernemingskamer na de vernietiging van de beschikking waarbij het onderzoek is gelast, de vergoeding van de onderzoekers niet meer kunnen vaststellen. Dat is echter niet de bedoeling van de bepaling. Een redelijke interpretatie hiervan brengt daarom mee dat de Ondernemingskamer ook na de vernietiging van de beschikking het bedrag van de vergoeding van de onderzoekers kan vaststellen, echter tot maximaal het bedrag van het onderzoeksbudget.5 De Ondernemingskamer heeft niet meer de bevoegdheid het onderzoeksbudget te verhogen als een verzoek daartoe na de vernietiging door de Hoge Raad is ingediend. Ofschoon niet erg waarschijnlijk, is het denkbaar dat nadat de Hoge Raad de beschikking van de Ondernemingskamer heeft vernietigd, de onderzoekers aansprakelijk worden gesteld. Ook dan komen die kosten ten laste van de rechtspersoon.