HR, 08-08-2025, nr. 24/04693
24/04693
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-08-2025
- Zaaknummer
24/04693
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1122, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑08‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:3238
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑08‑2025
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/1242
Viditax (FutD) 2025080809
FutD 2025-1607
NLF 2025/1677 met annotatie van Jits Berns
V-N 2025/35.23 met annotatie van Redactie
NTFR 2025/1377 met annotatie van mr. E.D. Postema
Belastingblad 2025/349 met annotatie van J.C. Scherff
Uitspraak 08‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Overschrijding van de redelijke termijn; vergoeding immateriële schade door Hof gematigd van € 500 naar € 50.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04693
Datum 8 augustus 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ALKMAAR
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 5 november 2024, nr. 23/7991., op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22/1804) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
De heffingsambtenaar van de gemeente Alkmaar (hierna: de heffingsambtenaar) heeft het bezwaar tegen de aan belanghebbende gegeven WOZ-beschikking en de aan hem opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep van belanghebbende eveneens ongegrond verklaard. Wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting met afgerond vijf maanden heeft de Rechtbank geoordeeld dat de heffingsambtenaar een bedrag van € 500 aan immateriële schade moet vergoeden aan belanghebbende.
3. De oordelen van het Hof
3.1
De heffingsambtenaar heeft in incidenteel hoger beroep subsidiair de stelling ingenomen dat de vergoeding van immateriële schade moet worden gematigd. Het Hof heeft in deze stelling aanleiding gezien de door de Rechtbank toegekende vergoeding te matigen tot € 50.
3.2
Aan deze beslissing heeft het Hof ten grondslag gelegd dat het hier gaat om (i) een zaak die inhoudelijk eenvoudig is, (ii) een zaak met een relatief gering en puur financieel belang, (iii) een zaak die is gebaseerd op een gebruikelijke beschikking met een gelding van korte duur (de WOZ-beschikking is slechts voor één belastingjaar van belang), en (iv) een procedure zonder (risico op) kosten voor belanghebbende (de gemachtigde verleent haar diensten op basis van ‘no cure, no pay’).
3.3
Dit alles in overweging nemende, heeft het Hof geoordeeld dat het vergoeden van de (veronderstelde) psychische schade van belanghebbende naar het tarief van € 500 per half jaar zou leiden tot een evident ongerechtvaardigde overcompensatie. Het Hof heeft zich in dit oordeel gesteund gezien door de wetgever die voor WOZ-zaken een dergelijke overcompensatie ook reeds constateerde (zie Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 8-10 en blz. 13-15).
4. Beoordeling van het middel
4.1
Het middel is gericht tegen de door het Hof toegepaste matiging van de vergoeding van immateriële schade.
4.2.1
Op een verzoek tot toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting dient te worden beslist aan de hand van objectieve maatstaven. Uitzonderingen op die objectieve maatstaven moeten worden beperkt tot bijzondere gevallen.2.Tot die maatstaven behoort de regel dat voor het toekennen van een dergelijke vergoeding als uitgangspunt en behoudens wettelijke uitzonderingen een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.3.Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang. Ook op dat uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt in bijzondere gevallen.4.
4.2.2
In het arrest van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, heeft de Hoge Raad zijn vaste rechtspraak over vergoeding van immateriële schade in belastingzaken waarin de beslechting van het geschil niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, aangepast wat betreft het vereiste van een financieel belang van ten minste € 15. De rechter kan in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, volgens dit arrest volstaan met de constatering daarvan wanneer het financiële belang bij een procedure minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Dit is alleen anders indien, zoals in dit geval, het in dat arrest weergegeven overgangsrecht van toepassing is.5.In zo’n geval kan het beperkte financiële belang van de zaak daarom slechts aanleiding geven om het als een bijzonder geval aan te merken, indien de procedure over een zeer gering financieel belang gaat, dat wil zeggen een belang van niet meer dan € 15.6.In dit geval staan de stukken van het geding geen andere conclusie toe dan dat de procedure gaat over een financieel belang van ten minste € 15. In de omvang van dat belang kon het Hof daarom geen aanleiding vinden om deze zaak aan te merken als een bijzonder geval waarin reden bestaat om af te wijken van het tarief van € 500 per half jaar.
4.2.3
Ook voor de overige door het Hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden geldt dat zij, noch op zichzelf beschouwd noch in onderling verband bezien, de conclusie rechtvaardigen dat zich hier een bijzonder geval voordoet waarin aanleiding bestaat af te wijken van de regel dat de mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden, niet van belang is voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade.
4.2.4
Het middel slaagt daarom.
4.3
Gelet op wat hiervoor in 4.2.4 is beslist, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven voor zover deze de vergoeding van immateriële schade betreft. De Hoge Raad kan de zaak afdoen door de uitspraak van de Rechtbank wat betreft de vergoeding van immateriële schade te bevestigen.
5. Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De heffingsambtenaar zal alsnog worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof voor zover die kosten het incidentele hoger beroep betreffen.
6. Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
6.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm,7.gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1175.
6.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 6.1 bedoelde beoordeling te maken.
6.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op haar rustende bewijslast. Het College zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.
7. Beslissing
De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 6.3 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑08‑2025
Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, rechtsoverweging 2.2.4.
Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.10.1, HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverwegingen 3.2.1 en 3.4.6, en HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299, rechtsoverwegingen 5.4.1 tot en met 5.4.3.
Vgl. HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461, rechtsoverweging 2.6.2.
Vgl. HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1758, rechtsoverweging 4.2.1.
Vgl. HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1758, rechtsoverwegingen 4.3 en 4.6.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Beroepschrift 08‑08‑2025
Onderwerp: beroep in cassatie
Ons kenmerk: 2021 — 112549
Procedurenummer gerechtshof: BK-AMS 23/799
Edelhoogachtbare,
Hierbij teken ik namens mijn cliënt, [X], beroep in cassatie aan tegen de uitspraak van in de procedure die oorspronkelijk gericht was tegen (onder meer) de WOZ-waarde van [a-straat 1] te [Q]. Een machtiging treft u als bijlage aan (bijlage 1). Ik verzoek u de nota griffierecht op te nemen in de rekening-courantverhouding met debiteurnummer [0001] t.n.v. [A].
Feiten:
- 1.
Op 01-01-2021 was mijn cliënt belastingplichtige voor het object [a-straat 1]. Uit hoofde hiervan heeft belastingplichtige een aanslag gemeentelijke belastingen ontvangen met mede daarop vermeld de WOZ-beschikking.
- 2.
Hiertegen is namens de belastingplichtige bezwaar aangetekend.
- 3.
Bij brief van 25-01-2022 heeft de heffingsambtenaar van de Samenwerkingsverband Cocensus uitspraak op bezwaar gedaan.
- 4.
Tegen dit besluit is namens onze cliënt beroep aangetekend bij de rechtbank.
- 5.
Rechtbank Noord-Holland (Haarlem) heeft bij brief van 28-07-2023 de uitspraak op dit beroep toegezonden.
- 6.
Bij brief van 01-09-2023 is hoger beroep aangetekend tegen de onder het voorgaande punt bedoelde uitspraak.
- 7.
Het gerechtshof zond bij brief van 12-11-2024 de uitspraak (bijlage 2) op het hoger beroep toe.
Cassatiemiddelen:
Er is sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen, omdat het hof ten onrechte de immateriële schadevergoeding heeft gemaximeerd op € 50 per zes maanden overschrijding.
Standpunt belanghebbende:
Met deze uitspraak van kan mijn cliënt zich niet verenigen, om de hierboven, onder ‘cassatiemiddelen’ verkort weergegeven redenen. Hierna zullen de cassatiemiddelen alsmede de toelichting daarop uiteen worden gezet.
Cassatiemiddel I
Op grond van art. 6 EVRM en art. 17 Gw moet een procedure binnen een redelijke termijn zijn afgerond. Als dat niet lukt, is sprake van overschrijding van de redelijke termijn waarbij immateriële schade wordt verondersteld (HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775).
Bij overschrijding van de redelijke termijn was het vast lijn van de Hoge Raad om €500 per half jaar overschrijding toe te kennen. Met ingang van 14 juni 2024 gelden er nieuwe regels over de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit geldt echter niet voor zaken waarin belanghebbende vóór 14 juni 2024 om een vergoeding heeft verzocht en waarin de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure op deze datum is overschreden (HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). Deze eerbiedigende werking geldt ook voor zaken waarin de redelijke termijn op 14 juni 2024 al was overschreden en waarin de rechter gehouden is om vanwege die overschrijding ambtshalve een vergoeding van immateriële schade toe te kennen (HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299).
De Hoge Raad heeft in rechtsoverweging 3.2.1, tweede alinea, van het arrest van 14 juni 2024 zijn rechtspraak vermeld op grond waarvan voor de hoogte van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als uitgangspunt, en behoudens wettelijke uitzonderingen, een tarief moet worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Blijkens de rechtsoverwegingen 3.4.1 tot en met 3.4.6 van dat arrest heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien terug te komen van deze rechtspraak. Dat betekent dat de Hoge Raad ook geen aanleiding ziet voor een afwijking van deze rechtspraak in die zin dat de vergoeding van immateriële schade mag of moet worden gebonden aan een maximum, bijvoorbeeld het pleitbare financiële belang dat de belanghebbende bij de procedure heeft. Hierbij heeft de Hoge Raad een voorbehoud gemaakt dat de wetgever anders kan bepalen.
Uit de Prejudiciële beslissing van 27-09-2024 wordt ook duidelijk dat de Hoge Raad het bedrag van de immateriële schadevergoeding niet beperkt tot €50 per half jaar. De vraag die beantwoord werd luidt als volgt: 4. Dient de vergoeding voor immateriële schade in procedures over de WOZ (en eventueel andere heffingen) te worden gemaximeerd op € 50 per zes maanden overschrijding?
De Hoge Raad heeft dit beantwoord met de volgende woorden:
‘gelet op hetgeen hiervoor in 5.4.1 en 5.4.2 is overwogen, wordt op de prejudiciële vragen 3 en 4 geantwoord dat de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet is gemaximeerd op het pleitbare financiële belang bij de procedure, en die vergoeding in zaken die een bepaalde belasting, heffing of beschikking betreffen, niet is beperkt tot € 50 per half jaar waarmee de termijn is overschreden, voor zover de wet niet anders bepaalt.’
Met andere woorden, er geldt een bedrag van €500, voor zover de wetgever niet anders bepaalt. Het is bijzonder dat het hof haar oordeel baseert op dezelfde overwegingen als in zijn uitspraak van 4 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1524, terwijl de Hoge Raad reeds anders heeft beslist. Het hof gaat geheel niet in op de prejudiciële beslissing van 27-09-2024.
Graag verwijs ik tot slot nog naar een recente uitspraak van gerechtshof 's Hertogenbosch die mijns inziens de wet juist toepast; ECLI:NL:GHSHE:2024:699.
‘De omstandigheid dat met ingang van 1 januari 2024 de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507, in werking is getreden, maakt het hiervoor overwogene niet anders, omdat artikel IV van die wet voor een geval als het onderhavige een eerbiedigende werking inhoudt. Het vorenoverwogene houdt in dat Het Hof in de onderhavige zaak, voor wat betreft de hoogte van het bedrag van de vergoeding voor immateriële schade, geen reden ziet om van het overzichtsarrest af te wijken. Gegeven de door de rechtbank vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn — welke op zichzelf niet in geschil is — betekent dit dat aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade had moeten worden toegekend van (2 × € 500 =) € 1.000.’
Conclusie:
Op basis van de bovenstaande grieven verzoek ik u:
- 1.
Het beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- 2.
De uitspraak van het gerechtshof, de rechtbank en de heffingsambtenaar te vernietigen;
- 3.
Het geding te verwijzen naar gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak;
- 4.
Verweerder te veroordelen tot een proceskostenvergoeding voor de kosten zoals gemaakt in de bezwaarfase op grond van art. 7:15 Awb;
- 5.
Verweerder te veroordelen tot een proceskostenvergoeding voor de kosten zoals gemaakt in de (hoger-) beroepsfase op grond van artikel 8:75 Awb en conform het arrest van de Hoge Raad d.d. 27 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2022:752).
Hoogachtend,