Einde inhoudsopgave
RvdW 2022/129
Profijtontneming. OM-cassatie. Hof heeft ontnemingsvordering afgewezen op de grond dat onvoldoende concrete aanwijzingen aanwezig zijn dat voordeel afkomstig is uit concreet gronddelict gerelateerd aan illegale hennepteelt. Gebondenheid ontnemingsrechter aan oordeel strafrechter. Heeft hof zich in ontnemingsprocedure ten onrechte niet gebonden geacht aan ’s hofs oordeel in strafzaak dat het bij betrokkene aangetroffen contante geldbedrag van ongeveer € 100.000 afkomstig is uit eerdere door hem begane soortgelijke misdrijven? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 6 juli 2021, NJ 2021/299, m.nt. Vellinga en HR 12 oktober 2021, RvdW 2021/1035 m.b.t. het gebruik van een eenvoudige kasopstelling bij toepassing van art. 36e lid 2 (oud) Sr en HR 29 september 2020, NJ 2021/46, m.nt. Reijntjes m.b.t. de rol van de onschuldpresumptie bij de vaststelling van ‘voldoende aanwijzingen’ a.b.i. art. 36e lid 2 (oud) Sr. Anders dan de steller van het middel meent, heeft hof i.c. tot uitgangspunt genomen dat in de strafzaak is geoordeeld dat ‘de aangetroffen contante gelden ter hoogte van ongeveer € 100.000 (…) uit eigen misdrijf afkomstig zijn nu het aannemelijk is dat betrokkene al gedurende langere tijd actief is in het criminele circuit dat zich bezighoudt met de illegale hennepteelt’. Maar omdat hof betrokkene in de strafzaak heeft vrijgesproken van de verkoop van hennepstekken en/of hennepplanten en het telen van hennep, heeft hof in de ontnemingszaak niettemin geoordeeld dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn voor een concreet aan illegale hennepteelt gerelateerd (grond)delict waaruit dat geldbedrag als voordeel afkomstig is. Opvatting dat het oordeel in de strafzaak dat het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een geldbedrag van ongeveer € 100.000 niet kan worden gekwalificeerd als witwassen omdat dat geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is, z.m. met zich brengt dat vaststaat dat dit geldbedrag (geheel) is verkregen d.m.v. of uit de baten van feiten a.b.i. art. 36e lid 2 (oud) Sr, vindt geen steun in het recht. Het is immers aan ontnemingsrechter om vast te stellen of dergelijke feiten buiten redelijke twijfel kunnen worden vastgesteld. ’s Hofs oordeel dat ook anderszins niet voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene feiten in de zin van art. 36e lid 2 (oud) Sr heeft begaan door middel waarvan of uit de baten waarvan w.v.v. is verkregen, berust op een aan hof voorbehouden waardering van de feiten en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
HR 11-01-2022, ECLI:NL:HR:2022:4
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
11 januari 2022
- Magistraten
Mrs. J. de Hullu, M.J. Borgers, C. Caminada
- Zaaknummer
20/00373
- Conclusie
A-G mr. B.F. Keulen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Opiumwet
Strafprocesrecht / Bijzondere onderwerpen
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Sancties
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2022:4, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 11‑01‑2022
ECLI:NL:PHR:2021:1251, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑11‑2021
Essentie
Profijtontneming. OM-cassatie. Hof heeft ontnemingsvordering afgewezen op de grond dat onvoldoende concrete aanwijzingen aanwezig zijn dat voordeel afkomstig is uit concreet gronddelict gerelateerd aan illegale hennepteelt. Gebondenheid ontnemingsrechter aan oordeel strafrechter. Heeft hof zich in ontnemingsprocedure ten onrechte niet gebonden geacht aan ’s hofs oordeel in strafzaak dat het bij betrokkene aangetroffen contante geldbedrag van ongeveer € 100.000 afkomstig is uit eerdere door hem begane soortgelijke misdrijven? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 6 juli 2021, NJ 2021/299, m.nt. Vellinga en HR 12 oktober 2021, RvdW 2021/1035 m.b.t. het gebruik van een eenvoudige kasopstelling bij ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.