Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.4.2.2
VIII.4.2.2 Onttrekking aan het verkeer zonder veroordeling
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596297:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 1954/55, 4034, nr. 3, p. 11. Maar ook nadat reeds vonnis is gewezen kan nog een afzonderlijke vordering worden ingediend, zie HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 263, m.nt. Van Veen.
De wet vereist vaststelling van een strafbaar feit met zoveel woorden bij vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging. Dat een en ander ook geldt voor onttrekking bij afzonderlijke beschikking volgt uit de opsomming van voor onttrekking vatbare voorwerpen in artt. 36c en 36d Sr, en uit HR 16 februari 1982, NJ 1982, 380, m.nt. Melai.
HR 16 februari 1982, NJ 1982, 380, m.nt. Melai; HR 20 maart 2007, NJ 2007, 182; HR 3 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8349; HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:649; HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1201.
HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:649.
HR 20 maart 2007, NJ 2007, 182.
HR 16 februari 1982, NJ 1982, 380, m.nt. Melai.
Vgl. daarover Beije 1994, p. 96-98.
Zie uitdrukkelijk HR 23 juni 2009, NJ 2009, 365.
HR 16 december 1980, NJ 1980, 499; HR 10 maart 2009, NJ 2009, 442. Met het tenlastegelegde feit kan overigens niet bedoeld zijn het feit zoals tenlastegelegd. Anders is de vaststelling daarvan bij fouten in de tenlastelegging evenmin mogelijk. Het gaat om het desbetreffende strafbare feit in meer “geabstraheerde zin”, aldus A-G Spronken, conclusie vóór HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:649.
Vgl. in één van de zeldzame conclusies over de verenigbaarheid van de onttrekking na vrijspraak met de onschuldpresumptie ook A-G Knigge, conclusie vóór HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6579: “[...] weinig twijfel [lijdt] dat een – door een afzonderlijke vordering ingeleide – onttrekking aan het verkeer waarbij wordt geoordeeld dat de gewezen verdachte het feit heeft begaan waarvan hij eerder onherroepelijk is vrijgesproken, in het algemeen in strijd is met art. 6, tweede lid, EVRM.”
A-G Knigge, conclusie vóór HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6579, RvdW 2007, 1066.
Vgl. EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans (Allen/ Verenigd Koninkrijk). Gemeend is ook dat EHRM 9 februari 2005, nr. 44760/98, EHRC 2005/1 m.nt. Fernhout (Del Latte/Nederland) een en ander bevestigt, maar mijns inziens is dat niet het geval. Zie § VI.8.1, voetnoot 244.
Anders ligt dat met betrekking tot de onttrekking aan het verkeer van voorwerpen waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of het algemeen belang. Zou de onttrekking uitsluitend toelaatbaar zijn bij veroordeling wegens een strafbaar feit, dan zou dat de rechter onvoldoende uitrusten om de samenleving te vrijwaren van gevaarlijke, in beslag genomen voorwerpen. De maatregel kan dan ook niet alleen bij een veroordeling (art. 36b lid 1 sub 1 en sub 2) maar ook bij een vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging (art. 36b lid 1 sub 3) worden opgelegd. Ook kunnen voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer bij afzonderlijke beschikking, bijvoorbeeld wanneer geen uitspraak wordt gedaan, omdat de dader onbekend of overleden is.1 Daar zou geen bezwaar tegen bestaan, ware het niet dat de onttrekking steeds de vaststelling van een strafbaar feit vereist.2 De strafrechter moet die constatering in zijn uitspraak expliciteren.3 Onvoldoende is dat het bezit van een voorwerp verboden is,4 dat dat voorwerp geschikt is voor het begaan van een strafbaar feit,5 of dat een redelijk vermoeden van een strafbaar feit bestaat.6 Anders dan bij de TBS en de last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis berust de onttrekking aan het verkeer zonder veroordeling niet op de beslissingen over het tenlastegelegde. Met de grondslagleer strookt dat niet helemaal.7 Maar is het ook in strijd met de onschuldpresumptie?
Die vraag laat zich niet in het algemeen beantwoorden. Zo is in elk geval van belang of bij de beslissing tot onttrekking daderschap van de verdachte wordt vastgesteld. Het vastgestelde strafbaar feit hoeft immers niet door de gewezen verdachte te zijn begaan.8 Dat een strafbaar feit door een ander is begaan, raakt het vermoeden van onschuld vanzelfsprekend niet. Gelet op de belangrijkste grondslagen voor het verbod op bejegening als schuldige na afloop van de beslissing over de strafzaak ten gronde, te weten het gezag en de exclusiviteit van de strafprocedure, is daarnaast relevant of en hoe over het strafbare feit is beslist. Ten aanzien van een niet-vervolgd feit waarvoor ook niet meer vervolgd zal worden, is meer toelaatbaar dan ten aanzien van de strafbare feiten waarvan de verdachte is vrijgesproken, zo blijkt uit de Straatsburgse rechtspraak. De onttrekking bij afzonderlijke beschikking is in dat opzicht minder kwetsbaar dan de op artikel 36b onder 1, 2 of 3 Sr gebaseerde onttrekking. In laatstgenoemde gevallen moet het voorwerp namelijk worden onttrokken wegens een tenlastegelegd strafbaar feit.9 Extra reden tot zorg over de verdragsconformiteit van deze onttrekkingen is daarnaast dat het EHRM in meerdere opzichten veel waarde hecht aan de bij een beslissing gekozen formulering. Van groot belang is om die reden het verschil tussen het uiten van resterende verdenking en het uiten van een schuldoordeel. Ook is relevant of de rechter met zijn vaststellingen het oog heeft op de strafrechtelijke schuld aan de gebeurtenis. Als gezegd is voor onttrekking aan het verkeer vaststelling van een feitenbeeld dat mogelijk als strafbaar feit te kwalificeren zou zijn onvoldoende. Het mag bovendien niet blijven bij een vermoeden. De rechter moet een strafbaar feit vaststellen.
Oordeelt de rechter dat de verdachte het feit waarvan hij onherroepelijk is vrijgesproken wel heeft begaan, dan zal dit in zijn algemeenheid een verdragsschending opleveren.10 Knigge heeft nog de vraag opgeworpen of de reden van vrijspraak een nuancerende factor zijn kan. Een ‘technische’ vrijspraak wegens een misslag in de tenlastelegging zou zich dan wel met onttrekking verdragen, omdat het oordeel van de rechter dan valt te rijmen met het oordeel dat de verdachte dat ‘feit’ wel heeft begaan.11 Voor een dergelijke nuance is sporadisch steun te vinden in de rechtspraak van het EHRM. Dat gebeurt echter spaarzaam en onregelmatig.12 In het algemeen is het ontoelaatbaar na vrijspraak nog uit te spreken dat de verdachte wel zou zijn veroordeeld als de tenlastelegging anders was vormgegeven of niet wegens onrechtmatigheden in het vooronderzoek tot bewijsuitsluiting was gekomen. In dit verband moet in het oog worden gehouden dat de onschuldpresumptie niet alleen het gezag van het vrijsprekend oordeel beschermt door te voorkomen dat de ene rechter de andere tegenspreekt. Ook beoogt het EHRM te beletten dat een soort tweederangs vrijspraken ontstaan die erop neerkomen dat de verdachte het feit waarvan hij is vrijgesproken wel heeft gepleegd.
Voor zover uit de onttrekkingsbeslissing volgt dat het strafbare feit niet (noodzakelijk) door de verdachte is begaan, of een ander feit betreft dan waarover reeds is geprocedeerd, zullen daartegen niet gauw verdragsrechtelijke bezwaren bestaan. De conformiteit met artikel 6 lid 2 EVRM is echter twijfelachtig waar de onttrekking is gekoppeld aan de vaststelling van het eerder tenlastegelegde feit terwijl de vrijgesproken verdachte wel de dader moet zijn geweest. Aangezien het vermoedelijk niet louter het uiten van restverdenking betreft, maar een finding of guilt, lijkt ook na een anders dan door vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging zonder veroordeling geëindigde strafzaak voorzichtigheid geboden.