Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.6.1:4.4.6.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.6.1
4.4.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581899:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 4.4.4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande paragrafen is, met als uitgangspunt het rolrichtlijnen-arrest, een aantal aspecten van rechtersregelingen behandeld. Hierbij bleek dat rechtersregelingen in verschillende opzichten duidelijke overeenkomsten met (bestuurlijke) beleidsregels vertonen. Bestuur en rechter beschikken beide in veel gevallen over beslissingsruimte, die kan worden onderscheiden in beleidsruimte enerzijds, en interpretatieruimte anderzijds. Hoewel deze ruimte in het algemeen (mede) gegeven is om recht te doen aan de omstandigheden van het individuele geval, dient de invulling daarvan steeds plaats te vinden met machmeming van algemene rechtsbeginselen als het gelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel. Gelet daarop zijn zowel het bestuur als de rechter in beginsel bevoegd te achten algemene regels - beleidsregels respectievelijk rechtersregelingen - vast te stellen, die aangeven op welke wijze een bepaalde vorm van beslissingsruimte in toekomstige gevallen zal worden ingevuld. Wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan kunnen beleidsregels het bestuur, en rechtersregelingen de rechter, bovendien binden. Voorts heeft de Hoge Raad inmiddels beide soorten regels aangemerkt als recht in de zin van art. 79 RO, waardoor de uitleg en toepassing daarvan ook in cassatie ter discussie kunnen worden gesteld. De ratio hiervan lijkt in beide gevallen dezelfde te zijn: aldus kan door de hoogste rechter worden toegezien op een eenvormige uitleg en toepassing van regels die - gegeven het feit dat zij voor de daarbij betrokkenen bindend zijn - voor de bestuurs-, respectievelijk de rechtspraktijk van (groot) praktisch belang zijn.
Gezien deze overeenkomsten is in het voorgaande, bij de behandeling van een aantal vragen die rijzen met betrekking tot rechtersregelingen, voorshands aansluiting gezocht bij gedachten die ten aanzien van beleidsregels reeds waren ontwikkeld. Zo is bijvoorbeeld de vraag naar de bevoegdheid tot vaststelling van rechtersregelingen beantwoord op basis van een vergelijkbare redenering als in het verleden voor de bevoegdheid tot vaststelling van beleidsregels werd gevolgd.1 Tussen bestuur en rechter bestaan echter ook verschillen, zoals bijvoorbeeld op het punt van hun positie in het staatsbestel. Thans dient dan ook te worden bezien, in hoeverre deze verschillen wellicht aan een analoge behandeling van rechtersregelingen en beleidsregels in de weg staan.