Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/4.2.3
4.2.3 Intermezzo; de transparantienorm geldt uitsluitend voor uitgevende instellingen
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS497475:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een insider mag in dat geval geen transacties in financiële instrumenten van de uitgevende instelling verrichten of bewerkstelligen, zie art. 5:56 lid 1 j° lid 2 (voor wat betreft de primaire insiders) onderscheidenlijk art. 5:56 lid 1 j° lid 3 Wft (voor wat betreft de secundaire insiders). Het dilemma waarvoor deze insider zich gesteld ziet, is dus niet — zoals uitgedrukt door de wetgever (vgl. Kamerstukken II, 1996-1997, 25 095, nr. 5, p. 9) — disclose or abstain, maar abstain until disclosed. Anders gezegd: degene die beschikt over koersgevoelige informatie dient zich te onthouden van het verrichten of bewerkstelligen van transacties in financiële instrumenten totdat de uitgevende instelling deze informatie op de wettelijk voorgeschreven wijze openbaar heeft gemaakt. Het staat een willekeurige insider mijns inziens niet vrij om koersgevoelige informatie die rechtstreeks betrekking heeft op een uitgevende instelling openbaar te maken teneinde voor zichzelf aldus de weg vrij te maken een transactie in financiële instrumenten te kunnen verrichten.
Het tipverbod van art. 5:57 Wft is niet alleen van toepassing op de kring van primaire insiders als bedoeld in art. 5:56 lid 2 Wft, maar ook op secundaire insiders. Dat zijn degenen die weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat zij over koersgevoelige informatie beschikken (art. 5:57 lid 2 Wft). Zie voor een restrictieve uitleg van de uitzondering op het tipverbod HvJ EG 22 november 2005, NJ 2006, 336 m.nt. M.R. Mok; JOR 2006/49 m.nt. F.G.H. Kristen (Grongaard c.s.). Vereist wordt dat er een 'nauwe band' bestaat tussen de mededeling van de insider en de normale uitoefening van zijn werk, beroep of functie en dat de mededeling 'strikt noodzakelijk' is voor de uitoefening daarvan.
Zie verder hoofdstuk 8 voor deze bijzondere openbaarmakingsplicht van de uitgevende instelling volgend op een — al dan niet doelbewuste — selectieve openbaarmaking van koersgevoelige informatie.
Op dit uitgangspunt bestaan uiteraard uitzonderingen. Zo behoort het tot de taakuitoefening van diverse overheidsinstanties om besluiten te nemen, en ook bekend te maken, die gevolgen hebben voor uitgevende instellingen. Deze besluiten zullen al spoedig als koersgevoelige infonnatie aangemerkt kunnen worden. Te denken valt bijvoorbeeld aan rechterlijke uitspraken, besluiten van de Europese Commissie waarbij een boete wordt opgelegd of een fusie of overname wordt verboden dan wel een besluit van één van de financiële toezichthouders met gevolgen voor een onder toezicht gestelde financiële onderneming. Gelet op de impact die dit soort besluiten kan hebben, mogen mijns inziens ook de nodige eisen gesteld worden aan de wijze waarop deze overheidsinstanties hun besluiten openbaar maken.
Als voorbeeld wordt door Nieuwe Weme en Stevens het besluit van de Staat aangehaald om zijn prioriteitsaandelen in KPN te verkopen. Zie Schutte-Veenstra, Ondernemingsrecht 2006, p. 27-28.
Zie Nieuwe Weme/Stevens, Serie OO&R, deel 34(2008), p. 193-194.
Toegegeven moet worden dat op bepaalde marktdeelnemers in bijzondere situaties een specifieke openbaarmakingsplicht kan komen te rusten. Gewezen kan bijvoorbeeld worden op hoofdstuk 5.3 (Regels voor het melden van stemmen, kapitaal, zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen) en hoofdstuk 5.5 (Openbaar bod op effecten) van de Wet op het financieel toezicht. Ook kan gewezen worden op de voorgestelde meldingsplicht van bezwaren tegen de strategie van de uitgevende instelling, die zal worden opgelegd aan aandeelhouders met een kapitaalbelang van ten minste 3% in uitgevende instellingen. Zie het voorgestelde art. 5:43a Wft uit de Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet giraal effectenverkeer en het Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Governance van 30 mei 2007 (Kamerstukken II, 2008-2009, 32 014). Dit zijn echter geen gevallen waaruit een algemene en doorlopende openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie voor andere deelnemers aan de effectenmarkt dan uitgevende instellingen kan worden afgeleid.
Met deze Latijnse aanduiding wordt gedoeld op de officiële toestemming van een bisschop uit de Rooms-katholieke kerk die bijvoorbeeld benodigd was voor het drukken van religieuze geschriften.
Blijkens art. 5:25i Wft geldt de algemene en doorlopende verplichting tot openbaarmaking van koersgevoelige informatie voor uitgevende instellingen. Een dergelijke verplichting geldt niet ook voor andere deelnemers aan de effectenmarkt. Aan het uitgangspunt dat een dergelijke doorlopende transparantienorm uitsluitend voor uitgevende instellingen geldt, wordt in de wettelijke regeling strikt de hand gehouden.
Het systeem van de wettelijke regeling is aldus dat anderen dan de uitgevende instelling die — al dan niet bevoegd — beschikken over koersgevoelige informatie die rechtstreeks betrekking heeft op de uitgevende instelling niet verplicht zijn deze informatie openbaar te maken.1 Het is wettelijk zelfs uitdrukkelijk verboden om voorwetenschap aan een derde mee te delen, tenzij dit gebeurt in de normale uitoefening van werk, beroep of functie (art. 5:57 lid 1 onderdeel a Wft).2 Indien koersgevoelige informatie in de normale uitoefening van werk, beroep of functie aan een derde wordt meegedeeld door (een vertegenwoordiger van) de uitgevende instelling en geen geheimhoudingsverplichting met die derde is of wordt overeengekomen, dan ontstaat daardoor voor de uitgevende instelling alsnog de plicht tot openbaarmaking van die informatie (art. 5:25i lid 5 Wft).3 Ten slotte dient gewezen te worden op het bestaan van de regeling voor uitstel van openbaarmaking van koersgevoelige informatie, waarvan een wezenlijk onderdeel is dat de uitgevende instelling de vertrouwelijkheid van achtergehouden koersgevoelige informatie moet kunnen waarborgen (art. 5:25i lid 3 onderdeel c Wft) (zie § 5.11 e.v.). Uit het samenstel van deze bepalingen zou mijns inziens dan ook zelfs de conclusie mogen worden getrokken dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het een ander dan de uitgevende instelling niet is toegestaan koersgevoelige informatie die rechtstreeks betrekking heeft op de uitgevende instelling openbaar te maken.4
In de doctrine is de vraag opgeworpen of het niet wenselijk zou zijn om de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie uit te breiden tot anderen dan de uitgevende instelling. Het zou immers mogelijk zijn dat de uitgevende instelling zelf niet over koersgevoelige informatie beschikt, maar een derde, zoals bijvoorbeeld een grootaandeelhouder wel.5 Een dergelijke uitbreiding van de openbaarmakingsplicht zou inderdaad bepleit kunnen worden als het streven erop gericht is volledige transparantie te bereiken, zodat alle informatie over de uitgevende instelling voor het beleggend publiek beschikbaar komt. In die visie zou op elke marktdeelnemer, of zelfs een ieder, een openbaarmakingsplicht behoren te rusten.
Terecht wordt echter onderkend dat aan een dergelijke, voor een ieder geldende openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie belangrijke bezwaren verbonden zijn. Een eerste bezwaar is dat het lastig is hiervoor een rechtvaardiging te vinden. Nieuwe Weme en Stevens6 wijzen er bijvoorbeeld op dat de uitgevende instelling het initiatief heeft genomen om de door haar uitgegeven financiële instrumenten publiekelijk te doen verhandelen, zodat zij ook primair verantwoordelijk is voor het ontstaan van de informatiebehoefte van beleggers. Op goede gronden is de openbaarmakingsplicht dan ook neergelegd bij de uitgevende instelling. Een argument tegen aanvaarding van een algemene openbaarmakingsplicht behoort mijns inziens echter ook te zijn dat bepaalde op een uitgevende instelling betrekking hebbende informatie waarover met name institutionele beleggers zullen beschikken bevoorrechte handelsinformatie is, die — behoudens enkele wettelijke uitzonderingen7 — niet met andere marktdeelnemers gedeeld behoeft te worden.
Een tweede bezwaar tegen aanvaarding van een algemene en doorlopende openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie voor alle marktdeelnemers is dat de uitgevende instelling bij uitstek in staat is om aan de openbaarmakingsplicht te voldoen. Zij beschikt over de meeste informatie en overziet bovendien het gehele speelveld, aldus Nieuwe Weme en Stevens. Ik voeg daar nog aan toe dat uitsluitend met berichtgeving die is voorzien van het zogeheten imprimatur8 van de uitgevende instelling, mogelijk misleidende mededelingen over de uitgevende instelling voorkomen kan worden. Andere marktdeelnemers beschikken namelijk hooguit over slechts een deel van de informatie betreffende de uitgevende instelling, terwijl de betrouwbaarheid daarvan bovendien niet altijd verzekerd is. Zonder de betrokkenheid van de uitgevende instelling bij de naleving van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie lijkt het niet goed mogelijk de informatievoorziening aan het beleggend publiek op een betrouwbare leest te schoeien.
De slotsom luidt dan ook dat op goede gronden ervoor is gekozen om uitsluitend de uitgevende instelling zelf te belasten met de naleving van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie. Het is mijns inziens gewenst noch noodzakelijk deze keuze te heroverwegen.