Dat was het geval in HR 7 december, ECLI:NL:HR:2004:AR4196, HR 3 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8393 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3222.
HR, 08-04-2025, nr. 23/02314
ECLI:NL:HR:2025:535
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-04-2025
- Zaaknummer
23/02314
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:535, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑04‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1960
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:105
ECLI:NL:PHR:2025:105, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑01‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:535
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑09‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0134
Uitspraak 08‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Openlijke geweldpleging tegen 2 personen (A en B), art. 141.1 Sr. Omvang hoger beroep, art. 404.5 Sv. Kon hof oordelen dat tlgd. moet worden gezien als 1 feit, zodat gehele tll. aan oordeel van hof is onderworpen? Verdachte heeft tegen vonnis Rb (veroordeling t.z.v. openlijke geweldpleging tegen B, vrijspraak voor openlijke geweldpleging tegen A) onbeperkt h.b. ingesteld. Uit p-v van tz. in h.b. volgt dat raadsvrouw heeft aangevoerd dat h.b. van verdachte niet is gericht tegen vrijspraak in eerste aanleg van tlgd. m.b.t. A en dat in zoverre sprake is van “beschermde vrijspraak”. Middel berust op stelling dat sprake is van impliciet cumulatieve tll., waarin openlijk plegen van geweld tegen A en B is tlgd. en dat daardoor sprake is van “beschermde vrijspraak” van openlijke geweldpleging m.b.t. B. Daarmee wordt kennelijk bedoeld dat hof de verdachte o.g.v. art. 404.5 Sv in zoverre n-o had moeten verklaren in zijn h.b. Hof heeft geoordeeld dat tlgd. openlijke geweldpleging moet worden gezien als 1 feit en dat daarom gehele tll. van dit feit aan zijn oordeel was onderworpen. Hof heeft daarbij betrokken dat door strafbaarstelling in art. 141 Sr beschermd belang primair openbare orde is en dat in tll. 1 overtreding van art. 141 Sr is opgenomen ondanks daarin te onderscheiden geweldshandelingen. Dit oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat hier gaat om strafbaarstelling die betrekking kan hebben op meervoud van gedragingen maar dat daaruit niet voortvloeit dat bewezenverklaring van zo’n meervoud van gedragingen ook leidt tot meervoudige kwalificatie van dat feit (vgl. HR:2017:1113). Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02314
Datum 8 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 juni 2023, nummer 20-001461-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het tenlastegelegde moet worden gezien als één feit en de gehele tenlastelegging daarom aan het oordeel van het hof is onderworpen.
2.2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 9 november 2021 te [plaats] , met een ander of anderen op of aan de openbare weg, [a-straat] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit:
- het (meerdere malen) slaan en/of stompen tegen/op/in het gezicht en/of tegen/op het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
- het (meerdere malen) schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 november 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door
- (meerdere malen) te slaan en/of te stompen tegen/op/in het gezicht en/of tegen/op het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of
- (meerdere malen) te schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] .”
2.2.2
De rechtbank heeft daarvan bewezenverklaard dat de verdachte:
“op 9 november 2021 te [plaats] , met anderen, aan de openbare weg, [a-straat] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit
- het slaan tegen het gezicht en tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en
- het schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] .”
2.2.3
De verdachte heeft tegen het vonnis van de rechtbank – onbeperkt, zoals blijkt uit de daarvan opgemaakte akte – hoger beroep ingesteld. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2023 volgt dat de raadsvrouw heeft aangevoerd dat het hoger beroep van de verdachte niet is gericht tegen de vrijspraak in eerste aanleg van het tenlastegelegde met betrekking tot [slachtoffer 2] en dat in zoverre sprake is van een “beschermde vrijspraak”.
2.2.4
Het bestreden arrest houdt onder meer in:
“Zoals hiervoor onder ‘Hoger beroep’ is vermeld is de verdachte vrijgesproken ter zake van het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, te weten tegen [slachtoffer 2] . Bij appelschriftuur d.d. 13 juli 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte te kennen gegeven dat het hoger beroep niet is gericht tegen de vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde dat betrekking heeft op [slachtoffer 2] .
Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde dat betrekking heeft op [slachtoffer 2] een beschermde vrijspraak betreft. Het door de strafbaarstelling in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht beschermd belang is, zoals de naam van Titel V leert, primair de openbare orde. Dat daarmee ook enig recht op lichamelijke integriteit wordt beschermd doet daar niet aan af. Naar aanleiding hiervan is het hof van oordeel dat het tenlastegelegde dient te worden gezien als één feit en derhalve dat er geen sprake is van een beschermde vrijspraak. Gelet hierop is de gehele tenlastelegging aan het oordeel van het hof onderworpen.”
2.2.5
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 9 november 2021 te [plaats] , met anderen aan de openbare weg, [a-straat] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit:
- het meerdere malen slaan tegen/in het gezicht, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en
- het schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] .”
2.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 141 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), geplaatst in Titel V van Boek 2 (“Misdrijven tegen de openbare orde”). De bepaling luidt:
“Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.”
2.3.2
“1. Tegen de vonnissen betreffende misdrijven, door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek ter terechtzitting gegeven, staat hoger beroep open voor de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, en voor de verdachte die niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken.5. Zijn in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank onderworpen, dan kan de verdachte alleen hoger beroep instellen van die gevoegde zaken waarin hij niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken.”
2.4.1
Het cassatiemiddel berust op de stelling dat sprake is van een impliciet cumulatieve tenlastelegging, waarin het openlijk plegen van geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is tenlastegelegd en dat daardoor sprake is van een “beschermde vrijspraak” van de openlijke geweldpleging met betrekking tot [slachtoffer 2] . Daarmee wordt kennelijk bedoeld dat het hof de verdachte op grond van artikel 404 lid 5 Sv in zoverre niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn hoger beroep.
2.4.2
Het hof heeft geoordeeld dat de tenlastegelegde openlijke geweldpleging moet worden gezien als één feit, en dat daarom de gehele tenlastelegging van dit feit aan zijn oordeel was onderworpen. Het hof heeft daarbij betrokken dat het door de strafbaarstelling in artikel 141 Sr beschermde belang primair de openbare orde is en dat in de tenlastelegging één overtreding van artikel 141 Sr is opgenomen ondanks de daarin te onderscheiden geweldshandelingen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het hier gaat om een strafbaarstelling die betrekking kan hebben op een meervoud van gedragingen, maar dat daaruit niet voortvloeit dat bewezenverklaring van zo’n meervoud van gedragingen ook leidt tot meervoudige kwalificatie van dat feit (vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1113, rechtsoverweging 2.4).
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2025.
Conclusie 28‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Klacht i.v.m. omvang hoger beroep. Art. 404 lid 5 Sv. Politierechter had verdachte veroordeeld voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen (art. 141 Sr), maar sprak vrij van deel van tenlastegelegde geweld. Gelet op aard delict is oordeel hof dat sprake was van één feit en dus niet van beschermde vrijspraak als bedoeld in art. 404 lid 1 en 5 Sv niet onbegrijpelijk. Conclusie strekt tot verwerping.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02314
Zitting 28 januari 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 14 juni 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf afgewezen.
1.2
Namens de verdachte heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte heeft veroordeeld voor het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer 1] , nu ten aanzien van dit impliciet cumulatief tenlastegelegde feit sprake was van een beschermde vrijspraak.
De relevante delen van de processtukken
2.2
Aan de verdachte is (primair) tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 9 november 2021 te [plaats] , met een ander of anderen op of aan de openbare weg, [a-straat] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit:
- het (meerdere malen) slaan en/of stompen tegen/op/in het gezicht en/of tegen/op het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of
- het (meerdere malen) schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ;”
2.3
Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen:
“Vonnis waarvan beroep; beschermde vrijspraak?
Zoals hiervoor onder ‘Hoger beroep’ is vermeld is de verdachte vrijgesproken ter zake van het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, te weten tegen [slachtoffer 1] . Bij appelschriftuur d.d. 13 juli 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte te kennen gegeven dat het hoger beroep niet is gericht tegen de vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde dat betrekking heeft op [slachtoffer 1] .
Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde dat betrekking heeft op [slachtoffer 1] een beschermde vrijspraak betreft. Het door de strafbaarstelling in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht beschermd belang is, zoals de naam van Titel V leert, primair de openbare orde. Dat daarmee ook enig recht op lichamelijke integriteit wordt beschermd doet daar niet aan af. Naar aanleiding hiervan is het hof van oordeel dat het tenlastegelegde dient te worden gezien als één feit en derhalve dat er geen sprake is van een beschermde vrijspraak. Gelet hierop is de gehele tenlastelegging aan het oordeel van het hof onderworpen.
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.”
Het juridische kader
2.4
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Op grond van art. 404 lid 1 Sv staat voor de verdachte hoger beroep open tegen vonnissen betreffende misdrijven, tenzij hij “van de gehele telastlegging is vrijgesproken”. Als sprake is van een gevoegde behandeling van verschillende zaken (of eigenlijk: feiten) en de rechtbank de verdachte van één of meer van de (cumulatief tenlastegelegde) feiten vrijspreekt, kan de verdachte tegen dat deel van het vonnis geen hoger beroep instellen, zo is vastgelegd in art. 404 lid 5 Sv. Art. 407 lid 2 Sv houdt in dat het hoger beroep kan worden beperkt voor zover het een of meer gevoegde feiten betreft. De situatie kan zich echter voordoen dat de verdachte onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis waarbij hij niet alleen voor één of meer feiten is veroordeeld, maar ook van één of meer feiten is vrijgesproken. Gelet op art. 404 lid 5 Sv zal het hof de verdachte dan niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep moeten verklaren voor zover dat ziet op de vrijspraken. In dat verband kan de vraag aan de orde komen of wel of niet sprake is van een cumulatieve tenlastelegging.1.Het is aan de feitenrechter om een oordeel te vellen over de uitleg van de tenlastelegging. De Hoge Raad kan in cassatie toetsen of die uitleg van de tenlastelegging niet onverenigbaar is met de bewoordingen daarvan.2.
2.5
Bij die beoordeling moet in deze zaak met het volgende rekening worden gehouden. Of een gedraging dan wel een samenstel van gedragingen één of meer feiten oplevert, is mede afhankelijk van de aard van het aan de orde zijnde delict, zoals die onder meer blijkt uit de delictsomschrijving en de strekking van de strafbaarstelling.3.Art. 141 Sr strekt primair tot bescherming van de openbare orde. Dat kenmerk onderscheidt art. 141 Sr van delicten als medeplegen van mishandeling of vernieling. De strafbepaling beschermt ook andere belangen, zoals de lichamelijke integriteit en het recht op eigendom, maar de bescherming van die belangen is dus niet de voornaamste bestaansgrond van de strafbaarstelling. Art. 141 Sr moet daarom zo worden opgevat dat het als één delict strafbaar stelt de door verschillende personen uit een groep op dezelfde plaats en tijd gepleegde geweldshandelingen. Deze verschillende handelingen maken namelijk deel uit van een en dezelfde verstoring van de openbare orde.4.Hierbij past dat art. 141 Sr meervoudig is geformuleerd: “het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen”.5.
De beoordeling van het middel
2.6
Aan de verdachte is in deze zaak tenlastegelegd, kort gezegd, dat hij openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . De politierechter veroordeelde de verdachte in eerste aanleg voor “het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, maar sprak de verdachte daarbij vrij van het onderdeel van de tenlastelegging dat inhield dat geweld zou zijn gepleegd tegen [slachtoffer 1] . De verdachte heeft tegen het vonnis van de politierechter onbeperkt hoger beroep ingesteld. Het hof oordeelde vervolgens dat de hele tenlastelegging aan het oordeel van het hof was onderworpen. Het cassatiemiddel keert zich tegen dit oordeel van het hof.
2.7
Het hof heeft overwogen dat het door de strafbaarstelling in art. 141 Sr beschermde belang primair de openbare orde is. Dat daarmee ook enig recht op lichamelijke integriteit wordt beschermd, doet daar volgens het hof niet aan af. Op basis hiervan heeft het hof geoordeeld dat het tenlastegelegde dient te worden gezien als één feit en dat daarom geen sprake is van een beschermde vrijspraak (zoals bedoeld in art. 404 lid 1 en 5 Sv). Gezien dat wat ik onder 2.5 heb overwogen en gelet op de formulering van de tenlastelegging, getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. De door het hof aan de tenlastelegging gegeven uitleg is niet onverenigbaar met de bewoordingen daarvan, zodat het middel faalt.
3. Slotsom
3.1
Het middel faalt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑01‑2025
Vgl. bijvoorbeeld HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2521, NJ 2018/60 m.nt. P.A.M. Mevis, en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3222.
Zie J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 75-95 en 566-568 en F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling. Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren (diss. Amsterdam VU), Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 38-40.
Zo merkte mijn voormalig ambtgenoot Knigge op in zijn conclusie van 12 oktober 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2474, onder 8-10.
De Hoge Raad heeft eerder overwogen dat bij een strafbepaling die betrekking heeft op een meervoud van voorwerpen of gedragingen, als uitgangspunt heeft te gelden dat in geval van bewezenverklaring van het – gelijktijdig en op dezelfde plaats – handelen in strijd met die bepaling sprake is van een uit de delictsomschrijving voortvloeiende enkelvoudige kwalificatie (dus niet: ‘meermalen gepleegd’). Voorbeelden zijn het voorhanden hebben van munitie in de zin van art. 26 Wet wapens en munitie en het dwingen tot het ondergaan van handelingen als vermeld in art. 242 Sr (zie HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1113, NJ 2019/11 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.4).
Beroepschrift 27‑09‑2023
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
Hoge Raad der Nederlanden
Afdeling strafzaken
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
In de zaak van de heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats], requirant van cassatie, te dezer zake domicilie kiezende aan de Parkstraat 10 te (4818 SJ) Breda, ten kantore van TDNL Strafrechtadvocaten, van wie mr. J.J.J. van Rijsbergen bepaaldelijk is gevolmachtigd deze cassatieschriftuur op te maken, te ondertekenen en in te dienen, tegen het hem betreffende arrest met het parketnummer 20/001461-22 van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 14 juni 2023.
Middel I
Schending en/of verkeerde toepassing van recht en/of verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven of de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder van art. 404 lid 1 Sv, doordat het gerechtshof requirant heeft veroordeeld voor het openlijk en in vereniging plegen van geweld jegens [slachtoffer 2], terwijl ten aanzien van dit impliciet cumulatief ten laste gelegd feit sprake is van een beschermde vrijspraak.
Toelichting
Op pagina 1–2 van het arrest heeft het hof ten aanzien van de omvang van het geding in hoger beroep het navolgende overwogen:
‘Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het openlijk in verenging geweld plegen tegen personen, te weten [slachtoffer 1], veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De vrijspraak van wat meer of anders is tenlastegelegd omvat het openlijk in vereniging geweld plegen tegen [slachtoffer 2].
Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-200148-20 heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 39 dagen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de politierechter uitgesproken vrijspraak ten aanzien van [slachtoffer 2] geen beschermde vrijspraak betreft, maar toch gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen ten aanzien van de bewezenverklaring en vernietigen ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Met betrekking tot de vordering tot de
tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-200148-20, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vordering zal toewijzen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrijspraak door de politierechter ten aanzien van het tenlastegelegde met betrekking tot [slachtoffer 2] een beschermde vrijspraak betreft. Indien het hof van oordeel is dat de gehele tenlastelegging in hoger beroep aan de orde is, heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-200148-20, heeft de verdediging bepleit dat het hof deze vordering zal afwijzen.
Vonnis waarvan beroep; beschermde vrijspraak?
Zoals hiervoor onder ‘Hoger beroep’ is vermeld is de verdachte vrijgesproken ter zake van het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, te weten tegen [slachtoffer 2]. Bij appelschriftuur d.d. 13 juli 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte te kennen gegeven dat het hoger beroep niet is gericht tegen de vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde dat betrekking heeft op [slachtoffer 2].
Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde dat betrekking heeft op [slachtoffer 2] een beschermde vrijspraak betreft. Het door de strafbaarstelling in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht beschermd belang is, zoals de naam van Titel V leert, primair de openbare orde. Dat daarmee ook enig recht op lichamelijke integriteit wordt beschermd doet daar niet aan af. Naar aanleiding hiervan is het hof van oordeel dat het tenlastegelegde dient te worden gezien als één feit en derhalve dat er geen sprake is van een beschermde vrijspraak. Gelet hierop is de gehele tenlastelegging aan het oordeel van het hof onderworpen.
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.’
Vervolgens is het hof op pagina 3 van het arrest tot de navolgende bewezenverklaring gekomen:
‘Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
‘hij op 9 november 2021 te [a-plaats], gemeente [gemeente], met anderen aan de openbare weg, [a-straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit:
- —
het meerdere malen slaan tegen/in het gezicht, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en
- —
het schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1].’
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.’
Blijkens pagina 2–3 van het arrest was de tekst van de tenlastelegging als volgt:
‘Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
‘hij op of omstreeks 9 november 2021 te [a-plaats], gemeente [gemeente], met een ander of anderen op of aan de openbare weg, [a-straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit:
- —
het (meerdere malen) slaan en/of stompen tegen/op/in het gezicht en/of tegen/op het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
- —
het (meerdere malen) schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2];
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 november 2021 te [a-plaats], gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door
- —
(meerdere malen) te slaan en/of te stompen tegen/op/in het gezicht en/of tegen/op het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of
- —
(meerdere malen) te schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2].’’
Het door het hof bewezen verklaarde is door het hof op pagina 8 van het arrest als volgt gekwalificeerd:
‘Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.’
Art. 404 lid 1 Sv bepaalt dat:
‘Tegen de vonnissen betreffende misdrijven, door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek ter terechtzitting gegeven, staat hoger beroep open voor de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, en voor de verdachte die niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken.’
Het gerechtshof heeft in hetgeen hiervoor is geciteerd ten onrechte overwogen dat geen sprake is van een beschermde vrijspraak. De voorgeciteerde tenlastelegging moet immers worden gezien als een impliciet cumulatieve tenlastelegging, waarin zowel de openlijke geweldpleging c.q. mishandeling jegens [slachtoffer 1] als jegens [slachtoffer 2] ten laste is gelegd. Nu requirant integraal is vrijgesproken terzake het ten laste gelegde jegens [slachtoffer 2] en de officier van justitie geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, gaat het voor zover het betreft het ten laste gelegde geweld jegens [slachtoffer 2], waarin sprake is van een impliciet cumulatieve tenlastelegging, om een beschermde vrijspraak. Het gerechtshof heeft dit in hoger beroep miskend en in hoger beroep requirant alsnog veroordeeld terzake het openlijk en in vereniging plegen van geweld jegens [slachtoffer 2].
Requirant heeft belang bij beoordeling van het onderhavige cassatiemiddel. In eerste aanleg is requirant slechts veroordeeld terzake openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer 1]. De politierechter in eerste aanleg heeft een taakstraf van 120 uren opgelegd. In hoger beroep heeft het gerechtshof requirant veroordeeld terzake openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. In hoger beroep heeft requirant een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden gekregen. Het voorgaande maakt duidelijk dat de veroordeling voor twee in plaats van één openlijke geweldpleging ten aanzien van de strafoplegging behoorlijk veel gewicht in de schaal heeft gelegd. Indien het hof het recht juist had toegepast, had hooguit een bewezenverklaring kunnen volgen terzake één openlijke geweldpleging, meer specifiek die tegen [slachtoffer 1]. In dat geval had requirant een aanzienlijk lagere straf, meer specifiek een werkstraf in plaats van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf gekregen, reden waarom requirant een groot belang heeft bij de beoordeling van het onderhavige cassatiemiddel. Voor requirant staat immers een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op het spel.
Met conclusie
Op voormelde grond concludeer ik namens requirant tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof.
Breda, 27 september 2023
J.J.J. van Rijsbergen