NJ 2025/124
Geen impliciet cumulatieve tenlastelegging die een partiële niet-ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep tot gevolg zou moeten hebben.
HR 08-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:535
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
8 april 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.E.M. Röttgering, T.B. Trotman
- Zaaknummer
23/02314
- Conclusie
A-G mr. D.J.M.W. Paridaens
- Noot
Red. Aant.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD10935:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:535, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:105, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑01‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑09‑2023
- Wetingang
Essentie
De verdachte wordt vervolgd voor openlijke geweldpleging in vereniging tegen slachtoffer 1 en slachtoffer 2 en wordt ten aanzien van slachtoffer 2 in eerste aanleg vrijgesproken. Het hof overweegt dat de gehele tenlastelegging van openlijke geweldpleging aan zijn oordeel is onderworpen — dus ook voor zover deze slachtoffer 2 betreft — omdat het ten laste gelegde moet worden gezien als één feit. De in cassatie tegen dat oordeel gerichte klacht faalt.
Samenvatting
Het hof heeft geoordeeld dat de tenlastegelegde openlijke geweldpleging moet worden gezien als één feit, en dat daarom de gehele tenlastelegging van dit feit aan zijn ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.