Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/8.2.1.1
8.2.1.1 Bestanddeelvorming
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90802:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Tweehuysen 2016, nr. 183.
Ik schreef dit eerder in Bartels & Geurts, TvAr 2016/03, p. 136. Ook Ploeger 1997, nr. 45; Wichers 2002, p. 98; Heyman & Bartels 2012/19; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/67. Anders: Fikkers, NTBR 1999/6, p. 172. Stel dat het tweede lid alleen een fysieke toets inhoudt, dan kan het kostenelement een gezichtspunt zijn bij de invulling van de verkeersopvatting van het eerste lid.
Fikkers, 1999, nr. 42-43; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/12; Snijders/Rank-Berenschot 2017/37.
HR 28 februari 2003, NJ 2003/272 (Steiger); HR 6 december 2012, JOR 2013/65 (Groutankers).
Andere voorbeelden zijn art. 8:1 lid 3 en 4 BW en art. 8:3a lid 2 BW.
Rogmans 2007/13 en 22.
HR 15 november 1991, NJ 1993/316 (Dépex). Vgl. HR 11 december 1953, NJ 1954/115 (Stafmateriaalarrest); HR 27 november 1992, NJ 1993/317 (Ontvanger/Rabobank); HR 28 juni 1996, NJ 1997/397 (Straalcabine); HR 6 december 2012, JOR 2013/65 (Groutankers). Hijma, AA1992/5, p. 287; Ploeger 1997, nr. 45; Fikkers 1999, nr. 46; Wichers 2002, p. 84-86; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/12; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/67; Snijders/Rank-Berenschot 2017/37.
Wichers 2002, p. 6-20; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/65. Deze overwegingen liggen ook ten grondslag aan het leerstuk van natrekking, zie Wichers 2002, p. 120-121.
Wanneer de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak wordt verbonden met een andere zaak en hierdoor een bestanddeel wordt in de zin van art. 3:4 BW, houdt de geleverde zaak juridisch gezien op te bestaan. Het bestanddeel en de zaak zijn samen één zaak en dus één rechtsobject. Op de eenheidszaak rust één eigendomsrecht op grond van art. 5:1 jo. art. 5:3 BW.1 Het eigendomsrecht van de zaak omvat de (toegevoegde) bestanddelen (art. 5:3 jo. art. 3:4 BW).
Aan de hand van de twee nevengeschikte criteria in art. 3:4 BW wordt beoordeeld of een zaak een bestanddeel wordt van een andere zaak. Dit zijn de verkeersopvatting (lid 1) en het hechte-verbindingscriterium (lid 2).
Een zaak wordt bestanddeel van een andere zaak op grond van het tweede lid indien zij zodanig met de hoofdzaak is verbonden, dat zij hiervan niet kan worden afgescheiden zonder beschadiging van betekenis aan een der zaken toe te brengen. Gedacht kan worden aan tafelpoten die alleen kunnen worden verwijderd door ze af te zagen van het tafelblad.
Door voortschrijdende technische mogelijkheden kan tegenwoordig vrijwel elk object zonder beschadiging worden verwijderd als kosten noch moeite worden gespaard. De zaken die op grond van een hechte fysieke verbinding bestanddeel zijn van een andere zaak zijn dan ook gering. Ik meen dat het tweede lid niet alleen een fysieke, maar ook een zekere economische toets vereist. Als losmaking technisch gezien zonder of met geringe fysieke beschadiging mogelijk is, maar dit onevenredig hoge kosten meebrengt, is ook sprake van een tot bestanddeelvorming leidende hechte verbinding.2
Naast het hechte-verbindingscriterium kan de zaak ook een bestanddeel zijn op grond van de verkeersopvatting (art. 3:4 lid 1 BW). Men moet toetsen of in het maatschappelijk verkeer (al dan niet in specifieke kring) een samengestelde zaak als één zaak of als meerdere zelfstandige zaken wordt gezien.3 Dit wordt beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.4 Soms zijn er concrete aanknopingspunten voor de invulling van de verkeersopvatting. Een voorbeeld is art. 8:3a lid 2 BW op grond waarvan de vliegtuigmotoren bestanddelen zijn van het vliegtuig, ongeacht of ze aangebracht zijn of tijdelijk afgescheiden.5 Ook de rechtsliteratuur en de rechtspraak kunnen een vindplaats zijn van verkeersopvattingen.6
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan in het algemeen worden afgeleid dat de beoordeling op grond van de verkeersopvatting doorgaans neerkomt op de vraag of de hoofdzaak als incompleet moet worden beschouwd zonder het bestanddeel en niet beantwoordt aan haar economische of maatschappelijke bestemming.7 Hieraan doet niet af dat het bestanddeel eenvoudig en zonder hoge kosten kan worden verwijderd of vervangen. Een motor is daarom een bestanddeel van de auto, evenals de sleutel van een slot en de navigatieapparatuur in een schip.
Is sprake van bestanddeelvorming op grond van het eerste of tweede lid van art. 3:4 BW, dan is er juridisch gezien één samengestelde zaak ontstaan waarop één eigendomsrecht rust. Er kunnen geen eigendomsrechten rusten op de onzelfstandige delen. Dit dient ter voorkoming van een te vergaande versnippering van het eigendomsrecht van zaken. Aangenomen wordt dat dit het soepel verloop van het handelsverkeer faciliteert, leidt tot rechtszekerheid voor derden en kapitaalvernietiging tegengaat.8 De gevolgen voor de voorrangspositie worden vervolgens bepaald aan de hand van de regels van eigendomstoewijzing bij natrekking in art. 5:14 BW, die ik uiteenzet in paragraaf 8.2.1.2.
Het is ook mogelijk dat op grond van art. 3:4 BW wordt geconcludeerd dat de zaak géén bestanddeel is van de andere zaak. Niet elke vereniging van zaken heeft namelijk tot gevolg dat er een eenheidszaak ontstaat. De zaken kunnen dan zonder beschadiging van betekenis van elkaar losgemaakt worden en de hoofdzaak is niet incompleet zonder het bestanddeel. Verdedigbaar is bijvoorbeeld dat een fietskrat geen bestanddeel van een fiets is. De zaken blijven juridisch gezien zelfstandige zaken. De goederenrechtelijke rechten blijven op de afzonderlijke zelfstandige zaken rusten. De leverancier behoudt in dat geval zijn voorrangspositie op de geleverde zaak.