Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/8.2.1.2
8.2.1.2 Natrekking
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90832:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
De gevolgen van natrekking voor het (voorbehouden) pandrecht zijn vergelijkbaar met de gevolgen voor het eigendomsvoorbehoud.
HR 14 augustus 2015, NJ 2016/263 (Zalco), r.o. 3.7.5.
Steneker in zijn noot onder HR 14 augustus 2015, JOR 2015/252 (Zalco); Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/140; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/69.
Wichers 2002, p. 127.
Spath 2010, nr. 104; Wichers 2002, p. 271, 309-311; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/511; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/69.
Zie voor een mogelijke vordering uit hoofde van een onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking van de derde die zijn eigendom verliest, Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/70.
Vgl. HR 14 augustus 2015, NJ 2016/263 (Zalco).
Steneker 2012, nr. 22.
Wordt een onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak van de leverancier verbonden met een zaak van de koper en ontstaat er één zaak op grond van art. 3:4 BW, dan bepalen de regels van eigendomstoewijzing bij natrekking in art. 5:14 BW zoals gezegd de gevolgen voor het eigendomsvoorbehoud van de leverancier. In dit verband zijn drie situaties te onderscheiden: (1) de leverancier is eigenaar van de hoofdzaak; (2) de leverancier is eigenaar van een zaak die een bestanddeel wordt van een hoofdzaak; (3) er is geen hoofdzaak aan te wijzen.1
Het draait dus om de vraag of een hoofdzaak valt aan te wijzen en, zo ja, welke van de zaken de hoofdzaak is. Art. 5:14 lid 3 BW geeft hiervoor twee criteria: het waardecriterium en de verkeersopvatting.
Het waardecriterium wijst een zaak aan als hoofdzaak indien deze zaak een aanmerkelijk hogere waarde heeft dan de andere zaak of zaken. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een aanmerkelijk waardeverschil niet te snel mag worden aangenomen bij vermenging van gelijksoortige zaken, omdat dit het verlies van een zakenrechtelijk recht met betrekking tot het ‘bestanddeel’ tot gevolg heeft.2 Dit geldt eveneens voor natrekking van gelijksoortige zaken.3 Tussen vermenging en natrekking bestaat een nauw verband.4 Voor beide situaties gelden deze regels van eigendomstoewijzing in art. 5:14 BW en dient men aan de hand van de criteria in art. 5:14 lid 3 BW te bepalen of sprake is van een hoofdzaak. Het oordeel van de Hoge Raad met betrekking tot deze criteria geldt dus ook voor natrekking.
Bij natrekking en vermenging van ongelijksoortige zaken zal het waardecriterium uit art. 5:14 lid 3 BW eenzelfde restrictieve invulling hebben. In deze gevallen speelt echter ook de verkeersopvatting een rol bij het aanwijzen van een hoofdzaak. De verkeersopvatting wijst één van de zaken als de hoofdzaak aan, indien deze zaak de functie, de bestemming of het gebruik van de eenheidszaak bepaalt.5 Over de vraag of de verkeersopvatting in navolging van het waardecriterium ook restrictief moet worden ingevuld zoals het waardecriterium bij natrekking van gelijksoortige zaken heeft de Hoge Raad zich (nog) niet uitgelaten.
Wordt de door de leverancier geleverde zaak als de hoofdzaak aangewezen op grond van het waardecriterium of de verkeersopvatting, dan vervalt het eigendomsvoorbehoud niet. De leverancier is eigenaar van de hoofdzaak inclusief haar bestanddelen totdat de koper de koopprijsvordering heeft betaald (art. 5:3 jo. 5:14 lid 1 BW). Er is anders dan de tekst van art. 5:14 lid 1 BW suggereert geen sprake van een originaire eigendomsverkrijging.6 De eigendom van de hoofdzaak omvat de bestanddelen.7
In de spiegelbeeldige situatie verliest de leverancier zijn voorbehouden eigendom. De onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak wordt een bestanddeel van een hoofdzaak die eigendom is van een derde. De geleverde zaak houdt juridisch gezien op te bestaan als een zelfstandige zaak waardoor de leverancier zijn eigendom onder ontbindende voorwaarde verliest.
Naast deze twee situaties kan zich de situatie voordoen waarin geen van de zaken als de hoofdzaak is aan te merken. De verbonden zaken worden ieder een bestanddeel van de nieuwe zaak volgens art. 5:14 lid 2 BW. De oorspronkelijke zaken gaan als rechtsobject verloren en daarmee ook de eigendomsrechten en beperkte rechten die erop rusten. De leverancier verliest dus zijn eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde. Vervolgens wijst de wet de eigendom van deze nieuwe zaak toe aan de oorspronkelijke eigenaren. Zij verkrijgen een aandeel in de nieuwe zaak die is ontstaan door natrekking, evenredig aan de waarde van de oorspronkelijk aan ieder van hen toebehorende zaak.
De eigendomstoewijzing op grond van art. 5:14 lid 2 BW is in feite een continuering van de oorspronkelijke eigendomsverhoudingen tot de nieuwe zaak. Dit kan ook worden afgeleid uit het Zalco-arrest waarin de Hoge Raad besliste dat een pandrecht op een oorspronkelijke zaak komt te rusten op het met deze zaak corresponderende aandeel in de nieuwe zaak.8 Deze continuering heeft tot gevolg dat de leverancier die zich de eigendom van de geleverde zaak had voorbehouden, een aandeel onder dezelfde ontbindende voorwaarde verkrijgt in de nieuwe zaak. Over dit aandeel kan hij zelfstandig beschikken. Hij kan het aandeel bijvoorbeeld overdragen aan een deelgenoot of een derde (art. 3:175 lid 3 BW).9 De leverancier kan ook verdeling van de gemeenschap vorderen, zodat hij vervolgens vrij over zijn deel kan beschikken (art. 3:178 lid 1 BW). Hij is hierbij gebonden aan de bepalingen over gemeenschap.
De leverancier verliest dus alleen zijn voorrangspositie als de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak wordt nagetrokken door een hoofdzaak. In de andere situatie ziet hij de door hem onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak uitgebreid tot de bestanddelen die zijn toegevoegd aan zijn hoofdzaak of verliest hij zijn voorbehouden eigendom op de oorspronkelijke zaak, maar verkrijgt hij op grond van substitutie een aandeel onder dezelfde ontbindende voorwaarde in de nieuwe eenheidszaak.