Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 8, 11-13, 39, Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 6, p. 9-10, Kamerstukken I 2005-2006, 30 320, C, p. 1-2.
HR, 20-05-2014, nr. 13/01479
ECLI:NL:HR:2014:1179
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-05-2014
- Zaaknummer
13/01479
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:1179, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 20‑05‑2014; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:418, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:418, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 01‑04‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1179, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑06‑2013
- Vindplaatsen
NJ 2014/330 met annotatie van P. Mevis
SR-Updates.nl 2014-0233
Uitspraak 20‑05‑2014
Inhoudsindicatie
N-O verklaring in h.b. o.g.v. art. 416 Sv. Geen uitgewerkt (stempel)vonnis. Ingevolge de aanhef van art. 395.2 Sv dient het vonnis van de Kr in het p-v tz. te worden aangetekend op de wijze door de Minister van Justitie te bepalen. Van die verplichting tot aantekening van het vonnis in het p-v tz. is ingevolge art. 395.2.c Sv uitgezonderd een vonnis waartegen meer dan drie maanden na de uitspraak een rechtsmiddel is ingesteld en een vonnis a.b.i. art. 410a.1 Sv. Verdachte heeft i.c. binnen drie maanden na de uitspraak van de Kr h.b. ingesteld tegen het vonnis. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het vonnis niet kan worden aangemerkt als een vonnis a.b.i. art. 410a Sv, heeft de Kr ten onrechte volstaan met het doen opmaken van een door hem gewaarmerkte aantekening a.b.i. art. 395a.1 Sv (het zog. stempelvonnis). De stelling dat verdachte ten onrechte in zijn h.b. niet-ontvankelijk is verklaard aangezien het Hof gehouden was “ambtshalve de zaak inhoudelijk te beoordelen” nu de Kr heeft verzuimd het vonnis in het p-v tz. aan te tekenen en voorts heeft verzuimd “een overzicht van de bewijsmiddelen op te stellen” vindt geen steun in het recht en i.h.b. niet in art. 416.2 Sv.
Partij(en)
20 mei 2014
Strafkamer
nr. 13/01479
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag van 18 februari 2013, nummer 22/003921-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.-F. Grégoire, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
2.2.
Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken behoren:
(i) een "aantekening mondeling vonnis" inhoudende dat de verdachte op 19 juni 2012 door de Kantonrechter in de Rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton Delft, bij verstek is veroordeeld tot twee weken hechtenis wegens overtreding van art. 107, eerste lid, WVW 1994;
(ii) een verklaring als bedoeld in art. 451a Sv inhoudende dat op 8 augustus 2012 door de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voornoemd vonnis;
(iii) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 februari 2013 inhoudende dat de verdachte aldaar niet is verschenen en dat het Hof tegen hem verstek heeft verleend.
2.3.
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het heeft daartoe het volgende overwogen:
"De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."
2.4.
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- art. 395, tweede lid, Sv:
"Het vonnis wordt in het proces-verbaal der terechtzitting aangetekend op de wijze door de Minister van Justitie te bepalen
(...)
c. indien een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis is aangewend, tenzij het aanwenden van het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is geschied of sprake is van een vonnis als bedoeld in artikel 410a, eerste lid;
(...)"
- art. 395a, eerste lid, Sv:
"Behoudens het bepaalde in artikel 395, tweede lid, en indien schriftelijk vonnis wordt gewezen, blijft het opmaken van het proces-verbaal der terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen tweemaal vier en twintig uur op een aan het dubbel van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt door de kantonrechter gewaarmerkt."
- art. 410a, eerste lid, Sv:
"Ingeval hoger beroep openstaat en is ingesteld tegen een vonnis betreffende uitsluitend een of meer overtredingen of misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van niet meer dan vier jaren is gesteld, waarbij geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een maximum — of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum — van € 500, wordt het ingestelde hoger beroep slechts ter terechtzitting aanhangig gemaakt en behandeld indien zulks naar het oordeel van de voorzitter in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist."
- art. 416, tweede lid, Sv:
"Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."
2.5.
Ingevolge de aanhef van art. 395, tweede lid, Sv dient het vonnis van de kantonrechter in het proces-verbaal van de terechtzitting te worden aangetekend op de wijze door de Minister van Justitie te bepalen. Van die verplichting tot aantekening van het vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting is ingevolge hetgeen in dat artikellid onder c is vermeld uitgezonderd een vonnis waartegen meer dan drie maanden na de uitspraak een rechtsmiddel is ingesteld en een vonnis als bedoeld in art. 410a, eerste lid, Sv.
2.6.
De verdachte heeft binnen drie maanden na de uitspraak van de Kantonrechter hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het vonnis niet kan worden aangemerkt als een vonnis als bedoeld in art. 410a Sv, heeft de Kantonrechter ten onrechte volstaan met het doen opmaken van een door hem gewaarmerkte aantekening als bedoeld in art. 395a, eerste lid, Sv (het zogenoemde stempelvonnis).
2.7.
In het middel wordt gesteld dat de verdachte ten onrechte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard aangezien het Hof gehouden was "ambtshalve de zaak inhoudelijk te beoordelen" nu de Kantonrechter heeft verzuimd het vonnis in het proces-verbaal der terechtzitting aan te tekenen en voorts heeft verzuimd "een overzicht van de bewijsmiddelen op te stellen". Deze stelling vindt evenwel geen steun in het recht en in het bijzonder niet in
art. 416, tweede lid, Sv. Opmerking verdient dat verzuimen als in het middel bedoeld niet eraan in de weg staan dat de verdachte een schriftuur houdende grieven indient en/of ter terechtzitting in hoger beroep mondeling zijn bezwaren opgeeft. Nu de verdachte evenwel noch het een noch het ander heeft gedaan, was het Hof in het onderhavige geval niet gehouden ambtshalve de zaak inhoudelijk te beoordelen.
2.8.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2014.
Conclusie 01‑04‑2014
Inhoudsindicatie
N-O verklaring in h.b. o.g.v. art. 416 Sv. Geen uitgewerkt (stempel)vonnis. Ingevolge de aanhef van art. 395.2 Sv dient het vonnis van de Kr in het p-v tz. te worden aangetekend op de wijze door de Minister van Justitie te bepalen. Van die verplichting tot aantekening van het vonnis in het p-v tz. is ingevolge art. 395.2.c Sv uitgezonderd een vonnis waartegen meer dan drie maanden na de uitspraak een rechtsmiddel is ingesteld en een vonnis a.b.i. art. 410a.1 Sv. Verdachte heeft i.c. binnen drie maanden na de uitspraak van de Kr h.b. ingesteld tegen het vonnis. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het vonnis niet kan worden aangemerkt als een vonnis a.b.i. art. 410a Sv, heeft de Kr ten onrechte volstaan met het doen opmaken van een door hem gewaarmerkte aantekening a.b.i. art. 395a.1 Sv (het zog. stempelvonnis). De stelling dat verdachte ten onrechte in zijn h.b. niet-ontvankelijk is verklaard aangezien het Hof gehouden was “ambtshalve de zaak inhoudelijk te beoordelen” nu de Kr heeft verzuimd het vonnis in het p-v tz. aan te tekenen en voorts heeft verzuimd “een overzicht van de bewijsmiddelen op te stellen” vindt geen steun in het recht en i.h.b. niet in art. 416.2 Sv.
Nr. 13/01479 Zitting: 1 april 2014 | Mr. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep van het vonnis van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (kantonrechter) waarbij verdachte wegens overtreding van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 is veroordeeld tot twee weken hechtenis.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummer 13/01220 en 13/01479. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. J.F. Grégoire, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel houdt in dat het Hof ambtshalve had moeten beslissen om de zaak inhoudelijk te behandelen nu de kantonrechter in eerste aanleg in strijd met het bepaalde in art. 395 lid 2 onder c Sv heeft verzuimd het vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting aan te tekenen.
5. Het middel stelt terecht dat de kantonrechter heeft verzuimd het vonnis overeenkomstig het bepaalde in art. 395 lid 2 onder c Sv in het proces-verbaal van de terechtzitting aan te tekenen. Het hoger beroep is immers binnen drie maanden na de uitspraak ingesteld terwijl hier geen sprake is van een vonnis als bedoeld in art. 410a lid 1 Sv nu de verdachte bij dat vonnis is veroordeeld tot het twee weken hechtenis.
6. Verdachte heeft in persoon hoger beroep ingesteld. Het kan hem dus niet hebben verrast dat hij in hoger beroep werd gedagvaard. De dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt ter griffie van de Rechtbank nadat de dagvaarding was aangeboden op het GBA-adres van de verdachte en aldaar werd medegedeeld dat de verdachte daar niet woonachtig was. Verdachte klaagt niet over de deugdelijkheid van deze betekening van de dagvaarding in hoger beroep. Er moet dus van worden uitgegaan dat hij bij het instellen van hoger beroep gelegenheid heeft gehad grieven in te dienen en/of ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen om bezwaren tegen het beroepen vonnis in te brengen.
7. Aan het middel ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat het Hof bij gebreke van aantekening van het vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting niet goed heeft kunnen beoordelen of het vonnis in stand kon blijven.
8. Zoals de parlementaire geschiedenis van de Wet stroomlijnen hoger beroep laat zien1.gaat de wetgever ervan uit dat Openbaar Ministerie en verdachte kenbaar maken welke bezwaren zij hebben tegen de uitspraak waarvan zij in beroep zijn gekomen. Het hoger beroep hoeft noch het Openbaar Ministerie noch de verdachte te beschermen tegen eigen inactiviteit. Daar staat tegenover dat de rechter niettemin de vrijheid houdt tot behandeling over te gaan en dan tot een ander oordeel te komen2.en ambtshalve geconstateerde fouten te herstellen. De appelrechter behoudt immers volledig de eigen verantwoordelijkheid voor een juiste beantwoording van alle vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.3.Gelet op die verantwoordelijkheid zal de rechter in hoger beroep, ook al ontbreken grieven of bezwaren tegen het beroepen vonnis en is de verdachte in hoger beroep niet verschenen, het vonnis waarvan beroep ambtshalve dienen te onderzoeken op een juiste beantwoording van alle vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Onder omstandigheden kan die verantwoordelijkheid meebrengen dat hij de zaak inhoudelijk ter terechtzitting moet behandelen, namelijk wanneer bedoeld onderzoek hem aanwijzingen oplevert dat een of meer vragen van de artikelen 348 en 350 Sv door de rechter in het vonnis waarvan beroep in zijn ogen niet juist zijn beantwoord en hij daar zijn antwoord voor in de plaats zal moeten stellen.
9. Voor de deugdelijkheid van bedoeld onderzoek is niet steeds noodzakelijk dat het vonnis is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting. De rechter in hoger beroep beschikt immers ook over de stukken van het geding. Het Hof heeft dan ook in het ontbreken van de aantekening van het vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting geen aanleiding behoeven te zien – en ook niet gezien - de zaak inhoudelijk ter terechtzitting in hoger beroep te behandelen.
10. Het middel faalt.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑04‑2014
HR 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:15, rov. 2.4, tweede volzin.
Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 8, nr. 6, p. 9-10.
Beroepschrift 21‑06‑2013
Hoge Raad der Nederlanden
Postbus 20303
2500 EH 's‑GRAVENHAGE
Inzake: [verdachte]/HR
zaaknummer S13/01479
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDEL VAN CASSATIE
inzake
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats], wonende aan de [adres] te [postcode] [woonplaats], requirant van cassatie van een hem betreffend arrest in hoger beroep van het Gerechtshof Den Haag, uitgesproken op 18 februari 2013 (rolnummer 22-003921-12).
Cassatiemiddel
Er is sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen zoals bedoeld in artikel 79 Wet op de rechterlijke organisatie. Het gerechtshof heeft requirant ten onrechte op grond van artikel 416 lid 2 Sv. niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het gerechtshof had ambtshalve moeten beslissen om de zaak inhoudelijk te behandelen in hoger beroep, nu de kantonrechter in eerste aanleg in strijd met het bepaalde in artikel 395 lid 2 sub c Sv. heeft verzuimd het vonnis in het proces-verbaal der terechtzitting aan te tekenen. Bovendien heeft de kantonrechter verzuimd een overzicht van de bewijsmiddelen op te stellen, zodat de bewezenverklaring niet is gemotiveerd althans onbegrijpelijk is.
Toelichting
Deze zaak is in eerste aanleg behandeld door de kantonrechter (Rechtbank 's‑Gravenhage, sector kanton Delft) op 19 juni 2012. Tijdens de zitting is verstek verleend tegen de niet verschenen requirant en is er enkel een ‘aantekening mondeling vonnis’ opgesteld. Er is echter geen proces-verbaal der terechtzitting (met daarin het vonnis) opgesteld terwijl dit — gelet op artikel 395 lid 2 sub c Sv. — wel had gemoeten aangezien requirant op 10 augustus 2012, derhalve binnen drie maanden na de uitspraak, hoger beroep (zijnde een gewoon rechtsmiddel) heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.
Het gerechtshof had, hoewel requirant in hoger beroep niet was verschenen en tegen hem verstek is verleend, dit verzuim ambtshalve moeten constateren en inhoudelijk behandelen.
Conclusie
Het gerechtshof heeft requirant ten onrechte niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, door niet ambtshalve de zaak inhoudelijk te beoordelen, gelet op de schending van artikel 395 lid 2 sub c Sv. De zaak moet derhalve worden terugverwezen naar het hof.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr J.-F. Grégoire, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, kantoorhoudende te 's‑Gravenhage aan de Groot Hertoginnelaan 26, die bij deze verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant tot cassatie.
's‑Gravenhage, 21 juni 2013
J.-F. Grégoire