Rechtbank Rotterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6754.
HR, 29-09-2023, nr. 22/02382
ECLI:NL:HR:2023:1334, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-09-2023
- Zaaknummer
22/02382
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1334, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑09‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:2026, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:180, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2023:180, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑02‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1334, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑05‑2022
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2023/579
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2023-0089
JBPr 2024/8 met annotatie van mr. R.M. Andes
ERF-Updates.nl 2023-0169
Uitspraak 29‑09‑2023
Inhoudsindicatie
Echtscheiding. Verdeling wettelijke gemeenschap van goederen. Procesrecht. Heeft hof terecht akte geweigerd op grond van tweeconclusieregel? Vallen erfrechtelijke verkrijging krachtens buitenlands erfrecht en ontslagvergoeding in de gemeenschap?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/02382
Datum 29 september 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de man,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: M.E. Bruning.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/10/598380 / FA RK 20-4269; C/10/612678 / FA RK 21-893 van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2021;
b. de beschikking in de zaak 200.297.463/01 van het gerechtshof Den Haag van 30 maart 2022.
De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft een verweerschrift tot referte ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de in cassatie bestreden beschikking van het hof Den Haag van 30 maart 2022 en tot verwijzing.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Partijen zijn in 1996 in Nederland met elkaar gehuwd. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en de man heeft de Spaanse nationaliteit. Op hun huwelijksvermogensregime is Nederlands recht van toepassing. Zij hebben geen huwelijkse voorwaarden gemaakt, zodat tussen hen de wettelijke gemeenschap van goederen bestaat.
2.2
Zowel de vrouw als de man heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken. Zij hebben tevens beiden verzocht om de verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door ieder van hen voorgestelde wijze. Voor zover in cassatie nog van belang, is tussen partijen ten aanzien van twee posten in geschil of deze tot de huwelijksgemeenschap behoren, te weten een door de man in 2005 ontvangen bedrag uit de nalatenschap van zijn vader en de door de man in 2011 ontvangen ontslagvergoeding van € 35.000,--, welke ontslagvergoeding is ondergebracht in een spaarregeling die vanaf 2027 tot uitkering komt.
2.3
De rechtbank1.heeft de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Zij heeft geoordeeld dat het bedrag dat is verkregen uit de nalatenschap van de vader van de man geen deel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap en dat de man ter zake een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap. De rechtbank heeft voorts beslist dat de volledige ontslagvergoeding tot de gemeenschap behoort en dat de vrouw bij elke toekomstige uitkering van de ontslagvergoeding recht heeft op de helft daarvan.
2.4
Het hof2.heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover daarin is bepaald dat de man een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft ter zake van de erfrechtelijke verkrijging, en het verzoek van de man te bepalen dat het uit de nalatenschap van zijn vader ontvangen bedrag niet tot de huwelijksgemeenschap behoort alsnog afgewezen. Het hof heeft de beschikking bekrachtigd voor zover daarin is bepaald dat de vrouw bij elke toekomstige uitkering van de ontslagvergoeding recht heeft op de helft daarvan. Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
Gelet op de tweeconclusieregel, slaat het hof geen acht op de akte van de man houdende toelichting bij het hoger beroep, die het hof op 31 januari 2022 heeft ontvangen. (rov. 9)
Op grond van art. 1:94 lid 1 BW, zoals dat luidde ten tijde van de huwelijkssluiting, vallen goederen die één van de echtgenoten krachtens erfrecht verkrijgt in de gemeenschap van goederen, met uitzondering van de goederen waarvan bij uiterste wilsbeschikking is bepaald dat deze buiten de gemeenschap van goederen vallen. Ter beantwoording van de vraag of en zo ja, in hoeverre krachtens buitenlands erfrecht zonder uitsluitingsclausule verkregen goederen in de Nederlandse huwelijksgoederengemeenschap vallen, moet onderzocht worden of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat die verkrijging tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoort. (rov. 24) Op de echtgenoot die zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beroept, rust de stelplicht en bewijslast van de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. (rov. 25) De vader van de man heeft vanaf 1965 ruim dertig jaar in Nederland gewoond en was gehuwd met een Nederlandse vrouw, uit welk huwelijk drie kinderen zijn geboren die allen in Nederland zijn opgegroeid en daar zijn gebleven. Verder was de vader van de man directeur van de Nederlandse vestiging van een Spaans transportbedrijf, was hij in Nederland verzekerd, was hij in Nederland belastingplichtig en had hij daar recht op een AOW-uitkering. Gelet op het feit dat de vader van de man zijn gehele werkzame leven feitelijk in Nederland heeft gewoond en gewerkt, was hij bekend met of had hij bekend kunnen zijn met het destijds in Nederland geldende huwelijksvermogensregime van gemeenschap van goederen. Het had naar het oordeel van het hof dan ook op zijn weg gelegen om zich in 2000 bij het opstellen van zijn testament in Spanje te laten voorlichten over de gevolgen van dit testament in het licht van het Nederlandse huwelijksvermogensregime. Dit geldt temeer nu in ieder geval een van zijn zonen – namelijk de man – in Nederland zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden met een Nederlandse vrouw was gehuwd. De man heeft zijn stelling dat zijn vader niet bedoeld heeft dat de erfrechtelijke verkrijging in de huwelijksgoederengemeenschap zou vallen omdat de verstandhouding tussen de vader en zijn schoondochter slecht zou zijn, onvoldoende onderbouwd. Het hof acht de verklaringen die de man heeft overgelegd om de gestelde slechte relatie tussen zijn vader en de vrouw te onderbouwen, niet representatief en doorslaggevend, omdat het merendeel van die verklaringen pas ten tijde van het feitelijke uiteengaan van partijen en de echtscheidingsprocedure is opgemaakt door personen die zich aan de zijde van de man bevinden. De door de man aangedragen omstandigheden zijn daarom onvoldoende om tot de conclusie te komen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de krachtens het Spaanse testament verkregen geldsom in de huwelijksgoederengemeenschap valt. (rov. 28)
Uit de door de man overgelegde brief van 16 juni 2021 van zijn voormalige werkgever blijkt dat de man op 14 juli 2011 een eenmalige ontslagvergoeding ter hoogte van een jaarsalaris is toegekend die op een geblokkeerde bankrekening is gestort ten behoeve van een toekomstig recht op periodieke uitkeringen. Voorts blijkt daaruit dat die toekomstige periodieke uitkeringen kwalificeren als te derven loon en dat geen sprake is van een regeling vervroegde uittreding. (rov. 41) Omdat de eenmalige vergoeding is verkregen als compensatie voor gederfd loon in de periode die ligt voor de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, is er geen enkele reden voor het aannemen van verknochtheid en dient de vergoeding in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap te worden betrokken. (rov. 42)
3. Beoordeling van het middel
3.1.1
Onderdeel 3-I van het middel is gericht tegen de beslissing van het hof, in rov. 9, geen acht te slaan op de akte van de man van 31 januari 2022, gelet op de tweeconclusieregel. Het klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat de tweeconclusieregel zich niet verzet tegen een nadere akte waarin geen nieuwe grief of nieuw verweer wordt aangevoerd, en dat de man in de akte is gebleven binnen het lopende debat en heeft gereageerd op de door de vrouw overgelegde producties.
3.1.2
De klacht is gegrond. De tweeconclusieregel staat er niet aan in de weg dat reeds eerder aangevoerde grieven, stellingen of verweren nader worden uitgewerkt of gepreciseerd.3.
De akte van de man van 31 januari 2022 kan niet anders worden uitgelegd dan als een reactie op producties van de vrouw waarop de man niet eerder kon reageren en een nadere precisering van reeds eerder door hem aangevoerde stellingen. Het hof had deze akte dan ook niet op grond van de tweeconclusieregel mogen weigeren.
De overige klachten van onderdeel 3 behoeven geen behandeling.
3.2
Reeds het slagen van de klacht van onderdeel 3-I brengt mee dat de door de onderdelen 1 en 2 bestreden oordelen van het hof over – kort gezegd – de erfrechtelijke verkrijging van de man en de verknochtheid van de ontslagvergoeding niet in stand kunnen blijven. Hetgeen de man heeft aangevoerd in zijn door het hof geweigerde akte heeft immers betrekking op beide geschilpunten. De onderdelen 1 en 2 behoeven daarom geen behandeling.
3.3
Bij de beoordeling na verwijzing van de verknochtheid van de ontslagvergoeding dient tot uitgangspunt dat voor zover een ontslagvergoeding, dan wel een aanspraak die hiervoor in de plaats treedt, strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten in de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, deze niet in de gemeenschap valt.4.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 30 maart 2022;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 29 september 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 29‑09‑2023
Gerechtshof Den Haag 30 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2026.
Zie onder meer HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301, rov. 3.9 en HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:984, rov. 3.1.3.
Vgl. HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, rov. 3.4, HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, rov. 3.3.3 en HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, rov. 4.1.4
Conclusie 10‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Huwelijksvermogensrecht. Valt erfrechtelijke verkrijging, zonder uitsluitingsclausule, krachtens Spaans testament in gemeenschap van goederen van het Nederlandse recht?; art. 1:94 lid 1 (oud) BW; maatstaf; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:276. Ontslagvergoeding ondergebracht in ‘Gouden Handdruk Spaarregeling’ verknocht in zin art. 1:94 lid 3 (oud) BW?; maatstaf. Tweeconclusieregel.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02382
Zitting 10 februari 2023
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[de man]
(hierna: de man)
tegen
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
In deze zaak komt de vraag aan de orde of hetgeen de man op grond van een Spaans testament (zonder uitlsuitingsclausule) krachtens Spaans erfrecht heeft verkregen, deel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap waarin de man met de vrouw was gehuwd. Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verkregen geldsom valt in de gemeenschap van goederen. Ook is het cassatiemiddel gericht tegen het oordeel van het hof dat een ontslagvergoeding die de man heeft gekregen en die is ondergebracht in een Gouden Handdruk Spaarregeling, niet is verknocht. Het middel klaagt verder dat het hof de tweeconclusieregel onjuist heeft toegepast.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan, kort samengevat, van de volgende feiten worden uitgegaan.1.Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] op 2 september 1996. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en de man heeft de Spaanse nationaliteit. Zij hebben geen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Op hun huwelijksvermogensregime is van toepassing de Nederlandse wettelijke gemeenschap van goederen.
1.2
De vrouw heeft op 16 juni 2020 de rechtbank Rotterdam verzocht de echtscheiding uit te spreken. Bij verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek heeft de man ook verzocht de echtscheiding uit te spreken. Voor zover in cassatie van belang hebben beide partijen verzocht om de verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door ieder van hen voorgestelde wijze. In het kader van die verdeling heeft de vrouw verzocht de man te veroordelen tot betaling van een bedrag aan de vrouw ter hoogte van de helft van een door de man in 2011 ontvangen ontslagvergoeding van € 35.000,-, welke ontslagvergoeding is ondergebracht in een Gouden Handdruk Spaarregeling. De man heeft verzocht dat de rechtbank bepaalt dat het door hem in 2005 krachtens Spaans erfrecht ontvangen bedrag van € 88.259,13 uit de nalatenschap van zijn Spaanse vader niet tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap behoort en dat hij ter zake een vergoedingsrecht heeft op de huwelijksgemeenschap.
1.3
Bij beschikking van 12 mei 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Ten aanzien van hetgeen is verkregen uit de buitenlandse nalatenschap heeft de rechtbank geoordeeld dat het door de man ontvangen bedrag geen deel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen en dat hij ter zake een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap (rov. 2.9.30). De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de volledige ontslagvergoeding tot de gemeenschap behoort en dat de vrouw bij elke toekomstige uitkering van de ontslagvergoeding recht heeft op de helft daarvan (rov. 2.9.39).
1.4
De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag. Zij heeft, voor zover thans van belang, verzocht dat het hof bepaalt dat de door de man ontvangen erfenis behoort tot de gemeenschap van goederen en dat de man ter zake geen vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap. De man heeft verzocht de vrouw in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoek te ontzeggen. In incidenteel hoger beroep heeft de man verzocht dat de Gouden Handdruk Spaarregeling wegens verknochtheid aan hem buiten de verdeling tussen partijen blijft en geheel aan hem toekomt. De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd en verzocht de man in zijn incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit af te wijzen.
1.5
Het hof heeft de mondelinge behandeling bepaald op 11 februari 2022. Op 31 januari 2022 is bij het hof een ‘Akte houdende nadere toelichting bij hoger beroep’ van de man ingekomen. Tijdens de mondelinge behandeling op 11 februari 2022 heeft het hof aan partijen meegedeeld dat het gelet op de tweeconclusieregel geen acht zal slaan op deze akte.
1.6
Bij beschikking van 30 maart 2022 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover daarin is bepaald dat de man een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft ter zake van de erfrechtelijke verkrijging tot het bedrag van € 88.259,13 en het desbetreffende verzoek van de man in eerste aanleg alsnog afgewezen. Het hof heeft de beschikking bekrachtigd voor zover daarin is bepaald dat de vrouw bij elke toekomstige uitkering van de ontslagvergoeding recht heeft op de helft daarvan.
1.7
De man heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof. De vrouw heeft geconcludeerd tot referte.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel valt uiteen in drie onderdelen.
2.2
Onderdeel 1 valt uiteen in vijf subonderdelen (genummerd 1-I t/m 1-V). De klachten zijn gericht tegen rov. 21-29, 56 en het dictum van de bestreden beschikking. In de kern genomen keert het onderdeel zich tegen het oordeel van het hof dat de door de man krachtens Spaans erfrecht (zonder uitsluitingsclausule) verkregen geldsom in de door Nederlands recht beheerste huwelijksgemeenschap valt.
2.3
Onderdeel 1-I klaagt over de feitenvaststelling van het hof. Volgens het onderdeel is de feitenvaststelling van het hof onvoldoende met betrekking tot, kort gezegd, de bedoeling van de Spaanse erflater (de vader van de man) gelet op de uitleg van het testament. Het onderdeel klaagt dat het hof de kennelijke bedoeling van de erflater met het testament goeddeels onbesproken heeft gelaten, omdat het hof het testament in het geheel niet uitlegt of zelfs maar bespreekt.
2.4
De feitenvaststelling is aan het hof als feitenrechter voorbehouden en kan in cassatie niet worden bestreden met de klacht dat de feitenvaststelling onvoldoende (of onvolledig) is. Een cassatieklacht over de feitenvaststelling kan slechts slagen indien wordt geklaagd dat een bepaald vastgesteld feit door het hof in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is.2.Dat laatste wordt niet met dit onderdeel aangevoerd. De klacht faalt daarom.
2.5
Voor zover het onderdeel nog betoogt dat het hof de kennelijke bedoeling van de erflater niet onbesproken had mogen laten, loopt het onderdeel vooruit op onderdeel 1-II.
2.6
Onderdeel 1-II betoogt dat het hof de in eerste aanleg aangevoerde stellingen omtrent de uitdrukkelijke bedoeling van de erflater niet onbesproken had mogen laten en deze stellingen kenbaar mede in zijn beoordeling had moeten betrekken, omdat alle omstandigheden van het geval bepalend zijn voor de vraag of het in de gemeenschap vallen van de nalatenschap van de erflater naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, waaronder juist hetgeen de kennelijke bedoeling is geweest van wat de erflater met het Spaanse testament heeft beoogd te regelen. Het onderdeel klaagt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend, hetzij geen inzicht in zijn gedachtegang dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Het onderdeel beroept zich op de volgende stellingen:
(i) De man heeft niet alleen gesteld dat de erflater de Spaanse nationaliteit had, in Spanje getrouwd is en in 1990 volgens Spaans recht is gescheiden, maar ook dat de erflater vanaf 1990 weer in Spanje woonde, zo ook ten tijde van het opstellen van het testament in 2000, welk testament door de man in eerste aanleg als bijlage in het geding is gebracht;
(ii) de man heeft in eerste aanleg expliciet verwezen naar het feit dat de erflater heel specifiek heeft aangegeven wie zijn erfgenamen zijn en sloot daarmee uitdrukkelijk alle anderen, bijvoorbeeld ook zijn dochter en de kleinkinderen van zijn jongste zoon uit;
(iii) de man heeft in eerste aanleg expliciet gewezen op het belang dat de erflater toekende aan het hebben van zijn geslachtsnaam en de Spaanse nationaliteit. Voorts is in dat kader tevens expliciet verwezen naar overgelegde verklaringen van de advocaat van de erflater en van zijn voormalige echtgenote, waaruit blijkt dat de erflater uitgesproken negatief was over de vrouw en haar familie en daarom zeker niet gewild zou hebben dat zijn nalatenschap op welke wijze dan ook aan de vrouw ten goede zou komen.
2.7
Bij de bespreking van dit onderdeel stel ik het volgende voorop. Ingevolge art. 1:94 lid 1 (oud) BW, zoals dat luidde ten tijde van de huwelijkssluiting in 1996, geldt onder meer dat goederen die één van de echtgenoten krachtens erfrecht verkrijgt in de gemeenschap van goederen vallen, met uitzondering van de goederen waarvan bij uiterste wilsbeschikking is bepaald dat deze buiten de gemeenschap van goederen vallen (zie ook rov. 24 van de bestreden beschikking).
2.8
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 februari 20173.bepaald dat voor de beantwoording van de vraag of een erfrechtelijke verkrijging, zonder uitsluitingsclausule, van een niet-Nederlandse erflater al dan niet in een Nederlandse huwelijksgemeenschap valt, moet worden onderzocht of toepassing van art. 1:94 lid 1 (oud) BW (thans art. 1:94 lid 2 BW) met betrekking tot geërfde zaken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gelet op de omstandigheid dat op de erfrechtelijke verkrijging van die zaken buitenlands recht van toepassing is dat op het punt van het huwelijksvermogensrecht anders luidt dan het Nederlandse recht. Volgens de Hoge Raad zijn in dat verband de volgende aspecten onder meer van belang: (i) of de buitenlandse erflater bedacht kon zijn geweest op de toepasselijkheid van Nederlands huwelijksvermogensrecht en de gevolgen daarvan, (ii) of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij niet heeft gewenst dat die zaken door huwelijk zouden komen te vallen in een gemeenschap van goederen waarin de verkrijger is gehuwd of gaat huwen, en (iii) of de echtgenoot die voor het huwelijk krachtens erfrecht naar buitenlands recht goederen heeft verkregen, redelijkerwijs in staat is geweest om door het opmaken van huwelijkse voorwaarden te zorgen dat die goederen overeenkomstig de (veronderstelde) wil van de erflater niet door boedelmenging in een huwelijksgemeenschap vallen. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat op de echtgenoot die zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beroept, de stelplicht en bewijslast van de daartoe redengevende feiten en omstandigheden rust en dat de enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, in dat verband niet volstaat.
2.9
In de zaak die thans in cassatie aan de orde is, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2017, geoordeeld dat de door de man ontvangen geldsom uit de nalatenschap van zijn Spaanse vader geen deel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen en dat de man ter zake een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap. Hierbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de wetenschap en de bedoeling van de erflater aspecten zijn die als gevolg van het arrest van de Hoge Raad in aanmerking moeten worden genomen bij het aanleggen van de toets van de redelijkheid en billijkheid. Voorts heeft de rechtbank in rov. 2.9.30 het volgende overwogen:
‘2.9.30. (…) De vader van de man had de Spaanse nationaliteit en hij woonde in Spanje toen hij naar Spaans recht trouwde met de Nederlandse moeder van de man. Tussen de ouders van de man was sprake van een gescheiden huwelijksvermogen. De ouders van de man hebben in Nederland gewoond. De ouders van de man zijn in 1990 naar Spaans recht gescheiden en de vader van de man woonde vanaf de scheiding in 1990 weer in Spanje, ook tijdens het opstellen van het testament. De vader van de man werkte tijdens het huwelijk in Nederland als expat voor een Spaanse werkgever, hij was niet ingeburgerd in Nederland en hoefde dat ook niet. Ook blijkt uit het testament dat de vader van de man belang toekende aan het hebben van zijn geslachtsnaam en de Spaanse nationaliteit. De nalatenschap van de vader van de man wordt beheerst door het Spaanse erfrecht. Dat recht kent geen uitsluitingsclausule. Gelet op deze omstandigheden onderbouwt de man voldoende dat zijn vader tijdens het opmaken van zijn testament niet op de hoogte was of redelijkerwijs behoorde te zijn van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht en erfrecht, ook al was hij gehuwd met een vrouw met de Nederlandse nationaliteit met wie hij in Nederland heeft gewoond en geleefd. De rechtbank volgt daarom de stelling van de man dat zijn vader in zijn testament heeft aangegeven wie zijn erfgenamen zijn, met – zoals gebruikelijk in Spanje – uitsluiting van alle anderen. In het onderhavige geval is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de erfrechtelijke verkrijging van de man in de huwelijksgemeenschap valt. Dit leidt tot de conclusie dat het bedrag van € 88.259,13 privévermogen van de man betreft en dat hij ter zake een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap, in die zin dat voormeld bedrag in mindering strekt op de overwaarde van de woningen.’ (mijn cursiveringen, A-G)
2.10
Uit deze overweging volgt dat de rechtbank het merendeel van de door het onderdeel aangevoerde stellingen heeft meegewogen in haar oordeel. In hoger beroep heeft de vrouw tegen dit oordeel van de rechtbank gegriefd. Het hof heeft in rov. 22 het standpunt van de vrouw weergegeven en in rov. 23 het verweer van de man. Noch in de grief van de vrouw, noch in het verweer van de man wordt gerept van het testament in het kader van de bedoeling van de erflater.
2.11
Nadat het hof in rov. 24 en 25 de maatstaf heeft vermeld die volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2017, heeft het in rov. 26 overwogen dat – anders dan in de zaak die ten grondslag heeft gelegen aan het genoemde arrest van de Hoge Raad – in dit geval geen sprake is van een erfrechtelijke verkrijging vóór het huwelijk. Ook is gesteld noch gebleken dat partijen in verband met de erfrechtelijke verkrijging staande huwelijk hebben overwogen om huwelijkse voorwaarden te maken en dit bewust hebben nagelaten. Deze overweging van het hof ziet op het derde aspect dat de Hoge Raad van belang heeft geacht bij het aanleggen van de toets van de redelijkheid en billijkheid (zie hierboven onder 2.8). De overige twee aspecten die de Hoge Raad van belang heeft geacht bij het aanleggen van de toets, heeft het hof in rov. 27 in aanmerking genomen, te weten de wetenschap en de bedoeling van de erflater. Vervolgens is het hof in rov. 28 tot de volgende conclusie gekomen:
‘Vast staat dat de vader van de man vanaf 1965 ruim 30 jaar in Nederland heeft gewoond en gehuwd was met een Nederlandse vrouw, uit welk huwelijk drie kinderen zijn geboren die allen in Nederland zijn opgegroeid en daar zijn gebleven. Verder staat vast dat de vader van de man directeur was van de Nederlandse vestiging van een Spaans transportbedrijf, dat hij in Nederland verzekerd was, daar belastingplichtig was en recht had op een AOW-uitkering. Gelet op het feit dat de vader van de man zijn gehele werkzame leven feitelijk in Nederland heeft gewoond en gewerkt, was hij bekend met of had hij bekend kunnen zijn met het destijds in Nederland geldende huwelijksvermogensregime van gemeenschap van goederen. Het had naar het oordeel van het hof dan ook op zijn weg gelegen om zich in 2000 bij het opstellen van zijn testament in Spanje te laten voorlichten over de gevolgen van dit testament in het licht van het Nederlandse huwelijksvermogensregime. Dit geldt temeer nu in ieder geval een van zijn zonen - namelijk de man - in Nederland en zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden met een Nederlandse vrouw was gehuwd. Het hof acht voorts onvoldoende onderbouwd dat de vader van de man niet bedoeld zou hebben dat de erfrechtelijke verkrijging in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen zou vallen omdat de verstandhouding tussen de vader van de man en de vrouw - zijn schoondochter - slecht zou zijn, zoals de man stelt. Het hof acht de verklaringen die de man heeft overgelegd om de gestelde slechte relatie tussen zijn vader en de vrouw te onderbouwen, niet representatief en doorslaggevend voor de verhouding tussen de vrouw en haar schoonvader, aangezien het merendeel van die verklaringen pas achteraf, namelijk ten tijde van het feitelijke uiteengaan van partijen en de echtscheidingsprocedure is opgemaakt door personen aan die zich aan de zijde van de man bevinden.
Gezien het voorgaande is het hof ten aanzien van de erfrechtelijke verkrijging door de man van oordeel dat de door de man aangedragen omstandigheden onvoldoende zijn om tot de conclusie te komen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de krachtens het Spaanse testament verkregen geldsom inde huwelijksgoederengemeenschap valt. Anders dan de rechtbank heeft bepaald komt de man ter zake dan ook geen vergoedingsrecht toe. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook vernietigen.’
2.12
Het hof heeft, zo volgt uit het bovenstaande, geen aandacht besteed aan de stellingen van de man in eerste aanleg die zien op de uitleg van het testament in het kader van de bedoeling van de erflater. De vraag rijst of het hof, zoals het middel betoogt, de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend en ten onrechte voorbij is gegaan aan essentiële stellingen van de man in eerste aanleg over de uitleg van het testament in het kader van de bedoeling van de erflater.
2.13
Ik merk hierover het volgende op. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het gehele geschil zoals dat zich in eerste aanleg heeft ontwikkeld, in beginsel wordt voorgelegd aan de appelrechter.4.De devolutieve werking wordt evenwel begrensd door het grievenstelsel, hetgeen inhoudt dat de appelrechter slechts heeft te oordelen over behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grieven tegen de uitspraak in eerste aanleg.5.De negatieve zijde van de devolutieve werking brengt mee dat niet door een grief aangevallen oordelen van de eerste rechter in beginsel in stand blijven. De positieve zijde van de devolutieve werking leidt ertoe dat, indien de appelrechter een of meer grieven van de appellant gegrond bevindt, hij ook de verweren die de geïntimeerde in eerste aanleg had aangevoerd (ook de stellingen die buiten behandeling zijn gelaten of zijn verworpen) opnieuw dient te onderzoeken, tenzij dat verweer in hoger beroep is prijsgegeven.6.
2.14
De stellingen die de man in eerste aanleg heeft aangevoerd, heeft hij in hoger beroep niet prijsgegeven. Zijn stellingen zien onmiskenbaar op één van de aspecten die blijkens het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2017 – en ook volgens het hof zelf – relevant is voor de vraag of de geldsom die de man krachtens Spaans erfrecht heeft verkregen in de door Nederlands recht beheerste huwelijksgemeenschap van partijen valt, namelijk de bedoeling van de erflater. Indien de stellingen van de man op dit punt juist zouden zijn, zou dat tot het oordeel kunnen leiden dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de erflater niet heeft gewenst dat het te erven bedrag zou komen te vallen in een gemeenschap van goederen waarin de man is gehuwd7., en zou dat tot een andere uitkomst van de toetsing aan de redelijkheid en billijkheid kunnen leiden. Nadat het hof de grief van de vrouw gegrond had bevonden, had het hof bij de boordeling van het geschil dus niet zonder motivering voorbij mogen gaan aan de in het onderdeel vermelde essentiële stellingen van de man. De klacht slaagt daarom.
2.15
Onderdeel 1-III klaagt dat het hof in rov. 28 heeft verzuimd om de bedoeling en kennelijke strekking van het testament van de vader van de man vast te stellen en dat het hof art. 149 en 150 Rv heeft miskend. Onderdeel 1-IV klaagt over de vaststelling van het hof dat de vader van de man vanaf 1965 ruim 30 jaar in Nederland heeft gewoond. Het onderdeel wijst er onder meer op dat de erflater vanaf 1990 weer in Spanje heeft gewoond. Onderdeel I-V bevat een veegklacht.
2.16
Deze onderdelen bouwen voort op onderdeel 1-II. Nu onderdeel 1-II slaagt, behoeven zij bij deze stand van zaken geen bespreking.
2.17
Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 38-42 van de bestreden beschikking en betreft de door de man in 2011 van zijn voormalige werkgever ontvangen ontslagvergoeding die is ondergebracht in een Gouden Handdruk Spaarregeling. Nadat het hof in rov. 38 de stellingen van de man en in rov. 39 die van de vrouw heeft weergegeven en vervolgens in rov. 40 het juridisch kader, heeft het hof het volgende overwogen:
‘41. Uit de door de man overgelegde brief van 16 juni 2021 van zijn [voormalige werkgever] (productie 15 bij het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel) blijkt dat de man op 14 juli 2011 een eenmalige ontslagvergoeding ter hoogte van een jaarsalaris is toegekend die op een geblokkeerde bankrekening is gestort ten behoeve van een toekomstig recht op periodieke uitkeringen. Voorts blijkt daaruit dat die toekomstige periodieke uitkeringen kwalificeren als te derven loon en dat er geen sprake is van een Regeling Vervroegde Uittreding.
42. Nu - gelet op bovenstaand schrijven - de eenmalige vergoeding is verkregen als compensatie voor gederfd loon in de periode die ligt voor de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, ziet het hof geen enkele reden voor het aannemen van verknochtheid en dient de vergoeding in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap te worden betrokken. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen voor zover daarin is bepaald dat de vrouw bij elke toekomstige uitkering van de ontslagvergoeding, recht heeft op de helft daarvan. Geen van partijen heeft tegen deze wijze van verdeling gegriefd.’
2.18
Onderdeel 2-I keert zich tegen deze overwegingen met rechts- en motiveringsklachten. Volgens het onderdeel is het oordeel van het hof rechtens onjuist, omdat bepalend is wanneer de periodieke uitkering tot uitkering zal komen. Indien en voor zover dat in de huwelijkse periode is, vallen de uitkeringen in de gemeenschap, maar voor zover dat buiten die periode is, zijn de uitkeringen verknocht en komen zij te zijner tijd alleen toe aan de man. Het hof heeft miskend dat de aanspraken uit hoofde van de Gouden Handdruk Spaarregeling pas ontstaan na 15 januari 2027 en dus in de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, zodat die aanspraken wel degelijk als verknocht dienen te worden aangemerkt, aldus de klacht.
2.19
Zoals het hof in rov. 40 terecht – en in cassatie onbestreden – heeft overwogen, is in deze zaak art. 1:94 lid 3 (oud) BW van toepassing. Volgens vaste rechtspraak is het antwoord op de vraag of een goed wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 (oud) BW, aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt (art. 1:94 lid 3 (oud) BW), afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed, zoals die mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.8.Ook een (aanspraak op een) ontslagvergoeding die aan een van de echtgenoten is verstrekt dan wel een aanspraak die hiervoor in de plaats treedt, kan verknocht zijn in het geval dat deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. In zo’n geval moet voor het antwoord op de vraag of deze aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze niet in de gemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid.9.
2.20
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 23 februari 201810.geoordeeld dat de aanspraak uit hoofde van een stamrechtovereenkomst zelfstandig – dus los van de ontslagvergoeding waaruit deze aanspraak is gefinancierd – op verknochtheid dient te worden beoordeeld. Voor een ontslagvergoeding die is ondergebracht in een Gouden Handdruk Spaarregeling geldt naar mijn mening hetzelfde.11.De aanspraak daaruit dient dan ook zelfstandig – dus los van de ontslagvergoeding waaruit deze aanspraak is gefinancierd – op verknochtheid te worden beoordeeld. Daarom had het hof deze aanspraak niet moeten beoordelen op grond van de brief van de voormalige werkgever van de man van 16 juni 2021 (rov. 41-42). Het hof had echter de vraag moeten beantwoorden of de aanspraak van de man op de Gouden Handdruk Spaarregeling strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid. Bij een bevestigend antwoord had het hof moeten onderzoeken in hoeverre die aanspraak ziet op de periode vóór respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Nu het hof dat niet heeft gedaan, getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het onderdeel slaagt.
2.21
Onderdeel 3 valt uiteen in drie subonderdelen en is gericht tegen rov. 9 van de bestreden beschikking. Daarin heeft het hof overwogen dat het, zoals het hof ter terechtzitting heeft meegedeeld aan partijen, gelet op de tweeconclusieregel geen acht zal slaan op de op 31 januari 2022 bij het hof ingekomen ‘Akte houdende nadere toelichting bij hoger beroep’ van de man.
2.22
Onderdeel 3-I klaagt dat het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt om de akte met ‘producties’12.te weigeren op grond van art. 347 Rv, omdat in de akte uitsluitend wordt ingegaan op het reeds lopende debat en de door de vrouw ingebrachte bijlagen, maar nergens is sprake van een nieuwe grief, nieuwe weer of een eiswijziging.
2.23
Over dit onderdeel merk ik het volgende op. De tweeconclusieregel brengt mee dat grieven, een eisverandering of -vermeerdering, en nieuwe feiten en stellingen in beginsel uiterlijk in de eerste conclusie (in vorderingsprocedures de memorie van antwoord en de memorie van grieven, en in verzoekschriftprocedures het beroepschrift en het verweerschrift) mogen worden aangevoerd. Dit geldt ook voor verweren die geïntimeerde/verweerder aanvoert tegen de vordering/verzoek van de oorspronkelijk eiser/verzoeker. Deze verweren dienen te worden aangevoerd in de eerste conclusie in hoger beroep en wel voor zover de verweren niet in het verlengde liggen van de door partijen omlijnde rechtsstrijd in appel.13.Deze regel is gericht op de beperking van het processuele debat en wordt ook wel de ‘in beginsel strakke regel’ genoemd.14.Deze regel is in beginsel strak, omdat hierop een drietal uitzonderingen is aanvaard, namelijk in het geval dat (i) de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd15., (ii) onverkorte toepassing van de regel in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde (zoals bij een apparaatsfout16.of nieuwe ontwikkelingen van feitelijke of juridische aard), en (iii) de bijzondere aard van de procedure dat meebrengt.17.Ook voor die uitzonderingsgevallen blijft echter gelden dat dit niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. De tweeconclusieregel staat er niet aan in de weg dat reeds ingenomen grieven, stellingen en verweren later worden uitgewerkt of gepreciseerd.18.
2.24
Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de in de desbetreffende akte opgenomen stellingen en bijlagen geen nadere precisering dan wel geen nadere onderbouwing van reeds eerder ingenomen stellingen vormen waardoor de akte in strijd is met de tweeconclusieregel (en dat kennelijk volgens het hof geen sprake is van de in de rechtspraak aanvaarde uitzonderingen op deze regel). Dit oordeel van het hof berust op een uitleg van de gedingstukken. Uitleg van de gedingstukken en het vaststellen van de strekking van een stelling is een feitelijke beslissing19., die in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het onderdeel faalt om die reden.
2.25
Onderdeel 3-II klaagt dat de akte overeenkomstig art. 1.4.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven tijdig is ingediend en het hof ook daarom de akte en de aangehechte bijlagen niet buiten beschouwing mocht laten.
2.26
Onderdeel 3-III betoogt dat, indien en voor zover het hof impliciet zou hebben geoordeeld dat de ingediende bijlagen niet op de juiste wijze zouden zijn ingediend (bijvoorbeeld omdat dit in de visie van het hof niet bij akte maar bijvoorbeeld bij brief met omschrijving van de bijlagen had moeten plaatsvinden), het hof in dat geval de man daartoe een termijn had moeten geven om zijn verzuim te herstellen. Ook om die reden had het hof niet het gehele gedingstuk inclusief bijlagen buiten beschouwing mogen laten, aldus de klacht.
2.27
De beide onderdelen kunnen gezamenlijk worden behandeld. In de bestreden beschikking valt niet te lezen dat het hof de weigering van de akte heeft gebaseerd op het niet tijdig indienen van het processtuk of op het niet op de juiste wijze indienen van bijlagen. Uit rov. 9 volgt immers dat het hof de akte heeft geweigerd op grond van strijd met de tweeconclusieregel. De beide onderdelen falen dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag.
2.28
Onderdeel 3-IV bouwt op de voorafgaande klachten voort en behoeft geen bespreking. Dit lot treft ook de voortbouwende klacht20.gericht tegen rov. 56 en het dictum.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de in cassatie bestreden beschikking van het hof Den Haag van 30 maart 2022 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑02‑2023
Zie de bestreden beschikking van het hof Den Haag van 30 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2026, p. 1 en 2, en de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6754, rov. 1 en 2.1-2.3.
Zie o.a. conclusie A-G Strikwerda (ECLI:NL:PHR:2011:BQ7058) vóór HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7058, RvdW 2011/1051 (art. 81 RO), onder 15; conclusie A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2012:BW4994) vóór HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4994, RvdW 2012/920 (art. 81 RO), onder 2.3; conclusie A-G Van Peursem (ECLI:NL:PHR:2020:972) vóór HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1997, RvdW 2021/45 (art. 81 RO), onder 2.5; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/189; B.T.M. van der Wiel, Cassatie, 2019/115.
HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:276, NJ 2017/175, m.nt. Th.M. de Boer, JPF 2017/41, m.nt. B.E. Reinhartz, rov. 3.4.
Zie o.a. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/81 en 125; H.E. Ras & A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr. 4), 2017/61; H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel (BPP nr. 2), 2009/216.
Zie o.a. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/101; Ras & Hammerstein, a.w., 2017/16; Snijders & Wendels, a.w., 2009/162.
Zie bijv. HR 21 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:445, RvdW 2021/375, rov. 3.1.2; HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:838, RvdW 2015/479, rov. 3.3.2; HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8514, NJ 2012/583, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.3.2.
Vgl. Asser/Vonken & Ibili 10-II 2021/785: ‘Indien erflater een testament heeft gemaakt (zonder uitsluitingsclausule) zou men ook nog de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen van stal kunnen halen om tot de conclusie te komen dat erflater alleen de verkrijger heeft willen begunstigen en een uitsluitingsclausule bedoeld heeft (vgl. art. 4:46 BW).’
HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141, m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 3.5.3; HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292, JPF 2016/93, m.nt. B.E. Reinhartz, rov. 3.3.3; HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259, m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 4.1.4.
HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259, m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 4.1.4, onder verwijzing naar HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41 en HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292, JPF 2016/93, m.nt. B.E. Reinhartz. Zie onder meer ook C.A. Kraan & S.H. Heijning, Handboek huwelijksvermogensrecht, 2022, par. 4.5.2.
HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259, m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 4.2.2, onder verwijzing naar HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2295, NJ 2009/40, m.nt. L.C.A. Verstappen.
De Gouden Handdruk Spaarregeling is een geblokkeerde rekening als bedoeld in art. 11a van de Wet op de loonbelasting 1964 (waarvan de aanhef van lid 1 destijds als volgt luidde: ‘Met aanspraken op periodieke uitkeringen die dienen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, worden gelijkgesteld de bedragen die ter vervanging van gederfd of te derven loon door de inhoudingsplichtige zijn overgemaakt naar een door de werknemer bij een kredietinstelling als omschreven in het tweede lid aangehouden geblokkeerde rekening (stamrechtspaarrekening) of die ter vervanging van gederfd of te derven loon door de inhoudingsplichtige ten behoeve van de werknemer zijn overgemaakt naar een beheerder van een beleggingsinstelling als omschreven in dat lid, ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling (stamrechtbeleggingsrecht) (…)’). De Gouden Handdruk Spaarregeling is in eerste aanleg door de man overgelegd als bijlage 7 bij het ‘Verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek’. Zie tevens: HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292, JPF 2016/93, m.nt. B.E. Reinhartz, rov. 3.3.2.
In de procesinleiding wordt steeds gesproken van ‘producties’, terwijl bedoeld zal zijn ‘bijlagen’.
HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2045, NJ 2013/7, m.nt. H.J. Snijders; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, NJ 2018/31.
Op deze regel wordt ook wel kritiek geleverd, zie W.L. Valk, De tweeconclusieregel herzien, in: R. de Bock e.a. (red.), Voor Daan Asser, Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75e verjaardag, 2020, p. 277 e.v.
HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, NJ 2018/31; HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1758, RvdW 2022/1163.
HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465, m.nt. W.D.H. Asser.
HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301, NJ 2012/293 en HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:281, JBPR 2017/35, m.nt. G.C.C. Lewin.
Zie procesinleiding p. 19, onder 4.
Beroepschrift 10‑05‑2022
PROCESINLEIDING IN EEN VERZOEKSCHRIFTPROCEDURE
Verzoeker tot cassatie is:
de heer [de man], wonende te [woonplaats], hierna: de man, voor deze zaak domicilie kiezende te (2582 GM) Den Haag aan de Statenlaan 28, ten kantore van Alt Kam Boer advocaten van wie mr. H.J.W. Alt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, door requirant als zodanig is aangewezen om hem te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure
Verweerster te dezen is mevrouw [de vrouw] wonende te [woonplaats] aan het [adres], hierna: de vrouw, in hoger beroep bijgestaan door mr. N. Plaisier MSc., kantoorhoudende te (3341 EB) Hendrik Ido Ambacht aan de Schoof 94 (WP Advocaten);
De man stelt hierbij cassatieberoep in tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 30 maart 2022, gewezen onder zaaknummer 200.297.463/01, hierna: de beschikking;
Voorbehoud: proces verbaal: ten tijde van het opstellen van deze procesinleiding had de man nog niet de beschikking over het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2022. Dit proces-verbaal is met spoed opgevraagd. De man behoudt zich het recht voor deze procesinleiding aan te vullen indien en voor zover dat proces-verbaal daartoe aanleiding geeft.
De man voert tegen de beschikking het volgende middel van cassatie aan:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het hof bij de aangevallen beschikking heeft overwogen en beslist gelijk in de beschikking vermeld — hier als herhaald en ingelast te beschouwen — ten onrechte om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen:
A. Kern van de zaak
i
In casu betreft het — voor zover in cassatie nog van belang — de boedelscheiding na echtscheiding waarbij partijen in gemeenschap van goederen gehuwd waren en in onderhavige procedure van mening verschillen of (1) een erfenis krachtens een buitenlands testament verkregen privé vermogen van de man betreft en of (2) een ontslagvergoeding die pas in 2027 periodiek tot uitkering komt verknocht is aan de man dan wel in de gemeenschap. Daarbij wordt ook geklaagd (3) over het feit dat een akte met producties die tijdig is ingediend is geweigerd op grond van de tweeconclusieleer. Daarmee onderbreekt een deel van de onderbouwing in appel.
ii
De man kan zich met de beschikking niet verenigen en voert daartegen de navolgende klachten aan.
B. Klachten
Onderdeel 1: erfenis van de vader (hierna: erflater)
1
Dit onderdeel is gericht tegen rovv. 21 t/m 29, 56 en het dictum waarin het hof, heel kort gezegd, van oordeel is dat de vader van de man op de hoogte was of had moeten zijn van het Nederlandse huwelijksvermogensregime van zijn zoon omdat hij vrijwel zijn hele werkzame leven in Nederland heeft gewoond en het op zijn weg had gelegen om zich in 2000 bij het opstellen van het Spaanse testament zich te laten voorlichten over de gevolgen van het Nederlandse huwelijksvermogensregime, alsook dat onvoldoende onderbouwd is dat de relatie van vader met zijn schoondochter slecht zou zijn geweest. Dit alles leidt er volgens het hof in rov. 28 toe dat de door de man aangedragen feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om aan te nemen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de krachtens het Spaanse testament verkregen geldsom in de huwelijksgemeenschap valt, zodat de beschikking van de rechtbank wordt vernietigd (rov. 28) en de grief van de vrouw slaagt (rov. 29), alsmede rov 56 en het dictum die daarop voortbouwen.
Onvoldoende feitenvaststelling; hof laat na de bedoeling van het testament vast te stellen
1-I
Het hof oordeelt blijkens rovv. 24 t/m 28 aan de hand van HR 17 februari 2017: ECLI:NL:HR:2017:276 dat de erfenis in de gemeenschap is gevallen, waarbij het hof in rov 26 terecht opmerkt dat de situatie in de uitspraak van de Hoge Raad (wezenlijk) afwijkt van die van onderhavige casus, nu in die zaak het ging om erfrechtelijke verkrijging voorafgaand aan een huwelijk, waarbij de partij zelf door bij het huwelijk huwelijksvoorwaarden te maken kon bewerkstelligen dat de aldus eerder verkregen onroerende zaken niet in de gemeenschap zouden vallen, hetgeen die partij vervolgens heeft nagelaten. In casu betreft het een situatie waarin een Spaanse erflater in Spanje bij een Spaanse advocaat een testament opmaakt met een zeer specifieke daarin vervatte bedoeling van de erflater omtrent de personen aan wie hij wat nalaat.1.
- 1.
Vooropgesteld zij dat voor de vraag of — kort gezegd — een beroep op het ontbreken van een expliciete uitsluitingsclausule in een in het buitenland naar buitenlands recht opgemaakt testament naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is alle omstandigheden van het geval van belang zijn, ook in onderling verband beschouwd.
- 2.
Vooropgesteld zij voorts dat (tenminste) één van die daarbij van belang zijn factoren is de uitleg en strekking van het testament van de erflater zelf in samenhang met en aan de hand van het recht waaronder dat testament is opgemaakt en wat de erflater onder dat recht en met dat testament heeft beoogd te regelen. Die bedoeling kan — in samenhang met hetgeen het testament blijkens die tekst beoogt regelen — vervolgens blijken uit hetgeen hij heeft verklaard tegen de opstellende notaris, alsook kan die worden ondersteund door de door de man gestelde slechte relatie van erflater met de vrouw en haar familie. De kern is echter de kennelijke bedoeling van erflater met het testament in samenhang met het toepasselijke recht waaronder dat testament is opgesteld en de wijze waarop dat testament tot stand is gekomen.
- 3.
Dat onder 1 en 2 gestelde betekent dus ook dat het hof eerst aan de hand van het debat had moeten vaststellen ex artikel 24, 149 en 150 Rv welke feiten omtrent die bedoeling van de erflater met dat testament en wat hij daarmee kennelijk heeft willen regelen zijn gesteld en welke feiten daarvan als niet, of niet voldoende betwist zijn vastgesteld, om daar vervolgens conclusies uit te (kunnen) trekken ter zake van de hierboven onder 1 genoemde vraag. Dat geldt mutatis mutandis ook voor de overige stellingen van de man zoals hierna nog in onderdeel 1-II verder worden genoemd.
- 4.
Het hof laat die kennelijke bedoeling van erflater met het testament in de aangevallen beschikking goeddeels onbesproken in die zin dat het hof het testament in het geheel niet uitlegt of zelfs maar inhoudelijk bespreekt, hoewel het de bedoeling in rov. 27 wèl als één van de aspecten benoemt die het in acht moet nemen. Het oordeelt dan slechts (in rov. 28) dat de man onvoldoende zou hebben onderbouwd dat de vader van de man niet bedoeld zou hebben de erfrechtelijke verkrijging in de huwelijksgemeenschap van partijen te laten vallen. Dat kan bezwaarlijk als een uitleg van het testament worden opgevat en indien dat niettemin zo bedoeld is, is dat oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. In rov. 28 oordeelt het hof voorts dat de man omdat hij in Nederland heeft gewoond en gewerkt bekend was of had moeten zijn met het Nederlandse huwelijksvermogensrecht en het dan op zijn weg had gelegen om zich te laten informeren en diskwalificeert de overgelegde verklaringen, maar laat ook daarmee de uitleg van en de vaststelling van de kennelijke strekking en bedoeling van het testament onbesproken. Het hof miskent aldus opnieuw, ondanks rov. 27, dat de bedoeling, uitleg en kennelijke strekking van het testament een essentiële stelling is van de man voor het door hem ingeroepen rechtsgevolg dat het in de gemeenschap vallen van die nalatenschap naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Indien het hof in rov 28 beoogd heeft ook die kennelijke strekking van het testament uit te leggen, is dat oordeel, zonder nadere toelichting, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
- 5.
Ook hier wreekt zich dat het hof niet of nauwelijks feiten vaststelt. Hoewel het in rov. 22 wel kort het standpunt van de vrouw weergeeft en in rov. 23 enkele stellingen van de man. Het hof verzuimt echter in rovv. 24 t/m 29 en ook overigens deugdelijk vast te stellen welke stellingen van de man wel en welke stellingen van de man niet als vaststaand kunnen worden aangenomen alvorens te oordelen dat de door de man aangedragen feiten en omstandigheden onvoldoende zouden zijn om aan te nemen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de krachtens het Spaanse testament verkregen geldsom in de huwelijksgemeenschap valt. Het hof slaat dus een stap over en kon en mocht niet volstaan met, na een weergave van wat wederzijdse stellingen te oordelen dat ‘de aangedragen stellingen onvoldoende zouden zijn.
- 6.
Althans, indien en voor zover 's‑Hofs oordeel aldus moet worden begrepen dat hetgeen het hof heeft vastgesteld aan feiten onvoldoende is, dit oordeel onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd is nu daarmee onvoldoende duidelijk is welke feiten het hof dan (wel) vaststelt en waarom dat niet voldoende is.
Uitwerking van onderdeel I-I: hof miskent devolutieve werking; om welke stellingen gaat het?
1-II
Zoals in het vorige onderdeel al is aangegeven noemt het hof in rov 23 slechts een gedeelte van hetgeen de man stelt omtrent het niet in de gemeenschap vallen van de erfenis van zijn vader. Eén van de door het hof in dat kader onvermeld en onbesproken gelaten stellingen c.q. factoren in dat kader is de in onderdeel 1-I al genoemde kennelijke bedoeling en strekking en dus de uitleg van het Spaanse testament. Nu voor de vraag of het in de gemeenschap vallen van de nalatenschap van erflater naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is alle omstandigheden van het geval bepalend zijn, waaronder juist hetgeen de kennelijke bedoeling is geweest van wat de erflater met het Spaanse testament heeft beoogd te regelen, had het hof voor de vraag die thans voorligt2., niet onbesproken mogen laten de in eerste aanleg aangevoerde stellingen omtrent de uitdrukkelijke bedoeling van de erflater3. en deze stellingen (voldoende) kenbaar mede in zijn beoordeling moeten betrekken. Het hof heeft aldus hetzij de devolutieve werking van het appel miskend, hetzij heeft het in elk geval geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt.
- 1.
Het testament is bij brief van 2 april aan de rechtbank zijdens mr. Dorhout als productie 10 in het geding gebracht met vertaling daarvan.4.
- 2.
Bij pleitnota in eerste aanleg (1 pag.) wordt niet alleen gesteld dat erflater de Spaanse nationaliteit had, in Spanje getrouwd is en in 1990 volgens Spaans recht gescheiden, maar ook dat hij vanaf 1990 weer in Spanje woonde, zo ook 10 jaar later in 2000, ten tijde van het opstellen van het testament.5.
- 3.
In rnr. 2 van die pleitnotities in eerste aanleg zijdens de man wordt expliciet verwezen naar het feit dat de erflater heel specifiek heeft aangegeven wie zijn erfgenamen zijn en sloot daarmee uitdrukkelijk alle anderen, bijvoorbeeld ook zijn dochter en de kleinkinderen van zijn jongste zoon uit.
- 4.
In rnr. 2 van die pleitnotities wordt ook expliciet gewezen het belang dat erflater toekende aan het hebben van zijn geslachtsnaam en de Spaanse nationaliteit. Voorts wordt in randnummer 2 expliciet verwezen naar de als bijlage 13 en 14 overgelegde verklaringen van zijn advocaat en van zijn ex echtgenote waaruit blijkt dat erflater uitgesproken negatief was over de vrouw en haar familie en daarom ook zeker niet gewild zou hebben dat zijn nalatenschap op welke wijze dan ook aan de vrouw ten goede zou komen.
- 5.
Het hof miskent in rov 23 en ook in rovv 24 t/m 29 door deze stellingen uit de eerste aanleg onbehandeld te laten de devolutieve werking van het hoger beroep: in eerste aanleg heeft de man immers op dit punt gelijk gekregen en is hij in hoger beroep op dit punt verweerder. Alsdan tellen ook de stellingen en weren uit de eerste aanleg mee en had het hof deze dan ook — voldoende kenbaar — moeten behandelen. Het hof heeft dit alles hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Aard en strekking van de overgelegde verklaringen m.b.t. de bedoeling; diskwalificatie
1-III
Het hof oordeelt in rov. 28:
‘(…) Het hof acht de verklaringen die de man heeft overgelegd om de gestelde slechte relatie tussen zijn vader en de vrouw te onderhouwen, niet representatief en doorslaggevend voor de verhouding tussen de vrouw en haar schoonvader, aangezien het merendeel van die verklaringen pas achteraf, namelijk ten tijde van het feitelijke uiteengaan van partijen en de echtscheidingsprocedure is opgemaakt door personen aan die zich aan de zijde van de man bevinden.’
in samenhang met — eveneens in rov 28 —
‘Vast staat dat de vader van de man vanaf 1965 ruim 30 jaar in Nederland heeft gewoond en gehuwd was met een Nederlandse vrouw, uit welk huwelijk drie kinderen zijn geboren die allen in Nederland zijn opgegroeid en daar zijn gebleven. Verder staat vast dat de vader van de man directeur was van de Nederlandse vestiging van een Spaans transportbedrijf, dat hij in Nederland verzekerd was, daar belastingplichtig was en recht had op een AOW-uitkering. Gelet op het feit dat de vader van de man zijn gehele werkzame leven feitelijk in Nederland heeft gewoond en gewerkt, was hij bekend met of had hij bekend kunnen zijn met het destijds in Nederland geldende huwelijksvermogensregime van gemeenschap van goederen. Het had naar het oordeel van het hof dan ook op zijn weg gelegen om zich in 2000 bij het opstellen van zijn testament in Spanje te laten voorlichten over de gevolgen van dit testament in het licht van het Nederlandse huwelijksvermogensregime. Dit geldt temeer nu in ieder geval een van zijn zonen — namelijk de man — in Nederland en zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden met een Nederlandse vrouw was gehuwd. Het hof acht voorts onvoldoende onderbouwd dat de vader van de man niet bedoeld zou hebben dat de erfrechtelijke verkrijging in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen zou vallen omdat de verstandhouding tussen de vader van de man en de vrouw — zijn schoondochter — slecht zou zijn, zoals de man stelt.’
1-IIIa
Het hof verzuimt ook hier de bedoeling en kennelijke strekking van het testament vast te stellen.
- 1.
Mogelijk als gevolg daarvan beperkt het hof deze verklaringen ten onrechte tot de gestelde slechte relatie tussen de vrouw en de erflater. Deze zien echter (juist) ook op de bedoeling van de erflaterbij en de totstandkoming van het testament. Met name de hierna nog te behandelen verklaring van de Spaanse advocaat (productie 13 in eerste aanleg), waar ook in het verweerschrift in appel zijdens de man rnr 15 op wordt ingegaan, gaat daar uitvoerig op in en geeft aan dat erflater dacht dat Spaans recht op de erfenis van toepassing zou zijn, waarin besloten ligt dat het hem (en zijn advocaat) niet bekend was dat hij een probleem had in de realisering van zijn bedoeling zoals hij die expliciet in zijn testament tot uitdrukking heeft gebracht.
- 2.
Dan is dus ook onbegrijpelijk dat het hof in rov. 28 heeft geoordeeld dat erflater op de hoogte was of had moeten zijn van het Nederlandse huwelijksvermogensregime en dat hij dan maar zich bij het opstellen van het Spaanse testament omtrent de gevolgen moet laten voorlichten.
- 3.
Ook in rnr. 15 van voornoemd verweerschrift in appel wordt nog eens benadrukt dat de man niet thuis was in de Nederlandse wetgeving, laat staan dat hij zich gerealiseerd heeft, of zich had moeten realiseren dat hij een uitsluitingsclausule in een testament moest opnemen. Zie verder voor het beroep op die bedoeling (naast de geweigerde akte rnr. 3 zie onderdeel 3), Pln. zijdens mr, Dorhout p. 2, tweede woordblok:
‘Wat betreft de in 2005 door de man ontvangen erfenis van zijn vader handhaaft de man zijn standpunten. De man heeft duidelijk gemaakt dat zijn vader wilde dat de erfenis uitsluitend en alleen bij zijn zoons terechtkwam en dat hij zich als Spanjaard volstrekt niet gerealiseerd heeft, of zich had moeten realiseren, dat hij een uitsluitingsclausule in zijn testament had moeten opnemen om dit in Nederland te bewerkstelligen.’
Het is dan ook zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd dat het hof vanwege het enkele feit dat de man een periode in Nederland heeft gewerkt en zijn zonen in Nederland zijn blijven wonen kennis zou hebben gehad van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht en zich omtrent de gevolgen had moeten laten informeren. Als gezegd heeft de Spaanse advocaat in haar verklaring aangegeven (1) dat de man die kennis niet had, (2) er van uit ging dat Spaans recht van toepassing was op de erfenis, (3) de vrouw wilde uitsluiten en (4) waarom dat was.6.
- 4.
Het hof laat daarbij in rov. 28 bovendien onbesproken dat de man expliciet heeft gesteld dat (1) hij in Nederland woonde als expat waardoor hij niet behoefde in te burgeren7., hij getrouwd en gescheiden is in Spanje naar Spaans recht8. en vervolgens bij een Spaanse advocaat een testament naar Spaans recht heeft opgesteld. Uit de verklaring van de Spaanse advocaat volgt, als gezegd, bovendien dat erflater zich kennelijk niet bewust was van het huwelijksvermogensregime in Nederland, alsook dat daarvoor — om de bedoeling van het testament zoals door de advocaat in haar verklaring omschreven te realiseren — een uitsluitingsclausule noodzakelijk was. Zonder nadere toelichting die ontbreekt is dan onbegrijpelijk dat het hof in rov 28 oordeelt:
‘Gelet op het feit dat de vader van de man zijn gehele werkzame leven feitelijk in Nederland heeft gewoond en gewerkt, was hij bekend met of had hij bekend kunnen zijn met het destijds in Nederland geldende huwelijksvermogensregime van gemeenschap van goederen.’
Immers, indien de erflater — naar onbetwist is gesteld — in Spanje getrouwd en gescheiden is naar Spaans recht en in Spanje een Spaans testament heeft opgesteld volgt daaruit niet dat hij bekend hoefde te zijn. Het enkele feit dat (een van) zijn kinderen in gemeenschap van goederen is getrouwd doet daar niet aan af omdat naar de aard onbekendheid met een buitenlands rechtsstelsel naar de aard meebrengt dat men niet weet dat daar zich een potentieel probleem voordoet.
- 5.
Dat laatste vitiëert dan ook de daaropvolgende — eveneens onjuiste en onbegrijpelijke overweging:
‘Het had naar het oordeel van het hof dan ook op zijn weg gelegen om zich in 2000 bij het opstellen van zijn testament in Spanje te laten voorlichten over de gevolgen van dit testament in het licht van het Nederlandse huwelijksvermogensregime. Dit geldt temeer nu in ieder geval een van zijn zonen — namelijk de man — in Nederland en zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden met een Nederlandse vrouw was gehuwd. (…)’
Het hof gaat er in die redenering voetstoots van uit dat een Spaanse leek op juridisch gebied9. niet alleen het Nederlandse stelsel van algehele gemeenschap zou doorgronden, maar daaruit ook de conclusie zou kunnen trekken dat dit ooit bij een echtscheiding een geschilpunt zou kunnen opleveren en dat daarom een noodzaak bestond om zich naar Nederlands recht bij het maken van een Spaans testament te laten voorlichten.10. Daarvoor bieden de stellingen van de man, onderbouwd met de in het vorige onderdeel behandelde verklaringen, alsmede de met de overige stukken genoemd bij verweerschrift in appel rnrs. 14 en 15 omtrent het feit dat de man expat was, geen aanknopingspunten. Integendeel, deze stukken bevestigen nogmaals dat de vader van de man slechts op basis van een aan hem verleende arbeidsvergunning als zgn. ‘expat’ voor een Spaans bedrijf in Nederland werkzaam is geweest, dat partijen ten tijde van het verkrijgen van de erfenis door de man in Spanje woonden, dat de verstandhouding tussen de vrouw en de vader van de man slecht was en dat de vrouw zeer negatief over de vader van de man was. Aangevoerd is dat een expat iemand is die tijdelijk of permanent in een land verblijft met een andere cultuur dan die waarmee hij is opgegroeid. Als argumenten dat hiervan sprake is noemt het verweerschrift in rnr 15:
- —
Hij is altijd Spaans gebleven,
- —
Hij regelde zijn juridische zaken in Spanje (huwelijk, echtscheiding, testament),
- —
zijn kinderen hadden uitsluitend de Spaanse nationaliteit (ondanks het feit dat zij een Nederlandse moeder hadden),
- —
Zoals ook uit de verklaring van [de nicht] blijkt had de man, als hij had geweten dat de erfenis tevens aan de vrouw ten goede zou komen, dit zeker willen voorkomen. Hij was echter niet van de Nederlandse wetgeving op de hoogte.
- —
Evenmin lag het voor de hand dat de Spaanse notaris hem hierover geïnformeerd zou hebben, zoals de vrouw in punt 24 van het hoger beroepschrift stelt. De man was bij het opmaken van het testament gescheiden en woonde (weer reeds ruim 10 jaar in 2000) in Spanje.
De conclusie is dan ook dat, nu volgens de Spaanse advocaat die het testament opstelde blijkens haar verklaring de erflater een eenvoudige ongeschoolde man was die iets van het Spaanse recht begreep en dacht dat zijn nalatenschap beheerst werd door Spaans recht, het onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof de man, uitsluitend omdat hij een tijd in Nederland heeft gewoond en kinderen in Nederland heeft, op de hoogte was van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht en zich dan maar had moeten laten voorlichten daaromtrent.
Miskenning artt. 149 en 150 Rv en diskwalificatie verklaringen
1-IIIb
Ook miskent het hof in rov. 28 voor het onderwerp ten aanzien waarvan het hof die verklaringen wel behandelt (de slechte verhouding tussen erflater en de vrouw en haar familie) het stelsel van artikel 149 en 150 Rv, althans is dit oordeel, zeker zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd (zie ook onderdeel 1-I).
- 1.
Immers de enige stelling die de vrouw (als appellant) hieromtrent heeft gesteld is bij appelschrift:
- —
In randnummer 22 dat de vrouw tijdens de zitting heeft aangegeven dat de vrouw zich niet herkent in de verklaringen zoals overgelegd door de man. Zij heeft nooit ruzie of een meningsverschil met de vader gehad. Aan de verklaring van advocaat [de nicht] kan geen waarde worden gehecht nu dat een familielid betreft van de man (een nicht).
- —
In randnummer 23 geeft zij aan dat ‘de vrouw heel goed omging met de vader van de man, zodat niet kan worden aangenomen dat de vader van de man zou hebben gewenst dat het erfdeel niet in de huwelijksgemeenschap zou vallen’.
- 2.
De vrouw legt geen enkel bewijsstuk over van haar stellingen, hetgeen dus ‘blote’ beweringen zijn.
- 3.
De man onderbouwt zijn stellingen zoals hierboven in onderdeel 1-II weergegeven met de volgende stukken:
- —
productie 13 in eerste aanleg in eerste aanleg een verklaring van voormelde advocaat/vertrouwenspersoon van erflater die haar verklaring nota bene begint met het feit dat zij familie is van erflater:
‘That [de erflater] [erflater-[de erflater]] was one of my late father's first cousins as he was the eldest son of one of my father's aunts, [betrokkene 1] and het husband, [betrokkene 2], both of whom w[.]ere my father's godparents as [.]well'’
Zij is dus geen volle nicht, zoals de vrouw suggereert, maar had wel een goede band met erflater11. vanwege gezamenlijke familieroots. Zij beschrijft vervolgens hoe zij vertrouwenspersoon werd in al zijn juridische zaken. Zij schrijft over erflater en de wijze waarop het testament tot stand is gekomen als volgt (productie 13 zijdens de man p. 1–2):
‘He once asked me to draw up a draft of his will. I complied with his request and we had an appointment in my bureau so as to read that draft and see if the text had been written according to his instructions. During that interview he expressed his point of view about his daughter in law, [de man]'s wife. He told mijn he thought she was a tramp (‘a Dutch whore’, were his exact words) and he also stated that he didn't want that any of his property passed on to her. He said he hadn't worked so hard in order to see her enjoy the ‘fruits of his labour’. He didn't hold her family in high esteem either, and said that they were a ‘gipsy tribe’. I don't think there is a more expressive way of saying, in Spanish, that you have a poor opinion of someone.
[de erflater] was an outspoken, politically incorrect man. He was sincere and warm hearted, an extrovert who was never at a loss for words when he had express what he thought about anything. He was strong willed and had very clear ideas about how he lived and what he wanted to do with himself and his property.
He was not an educated man because he had chosen not to study and had left home as soon as he could. His grasp of Spanish law was somewhat basic (although he understood the implications of our marital and succession law) and I am quite sure that he didn't know much about Dutch law and always thought that the Spanish law would apply to his succession.
There is something else I would like to say: as far as I know, [de erflater] had only begotten three children, the ones his wife bore him.
While he was alive I never heard him talk about any other sons or daughters, although we all knew he had been quite a philanderer when he was young. Ours is a family that comes from a traditional, catholic background and acknowledging an illegitimate child would have been frowned upon by both relatives and neighbours. He never told me anything about such matters and I never suspected that he could have any other children. My father, who was close to him, never mentioned such a circumstance.’
‘His will which, as I have already said, was drawn up by me according to his instructions, was somewhat complicated. Both [de man] and [kind 2] got identical portions of his property while the eldest son, [kind 1], got a larger part. I must state that it was very important to Mr. [de erflater] that his sons and grandchildren didn't acquire the Dutch nationality. He repeatedly said so and I remember it vividly because I would never have thought that he, who had lived abroad for so long, had such strong national feelings and thought so highly of our homeland.
I declare and swear that the statements contained in the previous paragraphs are true and coincide exactly with my knowledge of the subject and to what [de erflater] told me when he was my client. I do not share his points of view about the people I mention,’
De verklaring betreft waarnemingen van deze advocaat waarvan zij zweert dat die juist zijn. Het betreffen waarnemingen over de expliciete wensen, de opvattingen (onder meer over de vrouw), over zijn hechten aan de Spaanse identiteit en over zijn (afwezige) rechtskennis van het Nederlandse recht en, als gezegd, dat erflater er van uitging dat Spaans recht op de erfenis van toepassing was.
- —
productie 14 in eerste aanleg de verklaring van de (Nederlandse) ex partner van erflater. Die verklaart dat zij zelf een zeer goede band had met de vrouw en ook geen idee had dat het rommelde binnen het huwelijk van haar zoon. Vervolgens verklaart zij over haar ex echtgenoot (erflater):
‘Wat betreft de relatie van [de erflater] met [de vrouw] en vooral met haar ouders, was dit van een hele andere orde.
[de erflater] heeft vanaf het begin, van vóór het huwelijk van [de vrouw] en [de man] [de man-[de erflater]] al zijn zorgen geuit over de familie [de vrouw].
De ouders van [de vrouw] zouden volgens mijn toenmalige echtgenoot niet deugen, waren oplichters en niet te vertrouwen.
Deze stelling over de ouders van [de vrouw], bleef hij tot aan zijn overlijden, steeds herhalen.
Hij heeft mij in die tijd meerdere voorbeelden gegeven van de familie [de vrouw], die zijn stellige mening zouden moeten bevestigen.
Hij heeft mij persoonlijk zelfs gewaarschuwd voor de ouders van [de vrouw]; ‘kijk uit met deze mensen’, waren zijn worden.
Over [de vrouw] heeft hij letterlijk gezegd; dat zij ‘dezelfde neus’ heeft als haar ouders, en dat ook zij daarom niet te vertrouwen zou zijn.
Over de wil en de gedane uitspraken, hoe [de erflater] zijn erfenis zou verdelen, kan ik het volgende getuigen.
Hij heeft mij meer dan eens, met kracht en in duidelijke bewoording aangegeven dat hij ‘niet voor een [de vrouw]’ zou werken of had gewerkt en dat zijn erfenis enkel bestemd is voor zijn zonen en kleinkinderen, mits deze de naam [de man] dragen.
Deze getuigenverklaring is geheel naar waarheid ingevuld en ondertekend.’
Kortom: ook hier een zeer genuanceerde verklaring van de moeder van de man die juist goed met de vrouw kon opschieten en tussen de regels door betreurt dat ze nooit het verhaal van de kant van de vrouw heeft vernomen. Zij geeft hetzelfde beeld van erflater als de advocaat over hoe erflater tot zijn schoondochter stond en haar familie en wat hij met zijn erfenis als bedoeling had.
- —
productie 10 in hoger beroep een verklaring van [betrokkene 3], partner van de broer van de man die verklaart dat zij voor erflater na diens vertrek naar Spanje een machtiging van hem kreeg zijn Nederlandse post heeft verzorgd en niet aan de (Spaans sprekende) vrouw. De reden daarvoor is volgens deze getuige volgens meerdere gedane uitspraken dat hij de vrouw en vooral haar ouders niet vertrouwde. Ook zij verklaart omtrent de nalatenschap dat hij zeker niet zou hebben gewenst dat deze bij iemand van de familie [de vrouw] terecht zou komen.
- —
productie 11 in hoger beroep een whatsapp-conversatie tussen de man en de vrouw waarin zij op p. 1 de man verwijt (7e en 8e regel) dat hij steeds meer op zijn vader gaat lijken, maar met het grote verschil — zo schrijft de vrouw, dat zij het niet pikt in tegenstelling tot zijn moeder. Wanneer de man wijst op een streek die zijn schoonvader hem in zijn visie bijna had geleverd en hij alleen met zijn eigen voordeel bezig was, schrijft de vrouw:
‘Nou dan!! Ieder zijn meug, jouw vader was ook slecht.’
- —
Ook zal mogelijk uit het opgevraagde, maar nog niet ontvangen p-v blijken dat de man (op ma 31 januari 2022 bij geweigerde akte en op de zitting zie onderdeel 3) heeft gereageerd op de door de vrouw op vrijdag 28 januari 2021 ingediende productie 20, die overigens een goed beeld geeft van de slechte relatie van de vrouw met haar schoonvader, daar zij in deze verklaring suggereert dat de man ruzie zou hebben met zijn vader, dat de scheiding van zijn ouders door toedoen van zijn vader niet eerlijk is geweest en dat die vader samen met de broer van de man een volmacht zou hebben misbruikt. De man heeft dat laatste overigens willen weerleggen met bewijs, maar de akte die als reactie daarop met producties is ingestuurd is door het hof geweigerd (zie onderdeel 3).
- 4.
Kortom: tegenover de blote ontkenning van de vrouw in hoger beroep heeft de man gemotiveerd gesteld dat de relatie tussen erflater en de vrouw en haar familie slecht was alsmede wat om die reden erflater als bedoeling met het testament had. Het hof miskent aldus de regel van artikel 149 Rv dat de rechter die feiten als vaststaand moet aannemen die niet of die niet voldoende bestreden zijn. Nu hier een blote stelling staat tegenover drie verklaringen èn een whatsappconversatie had het hof hetzij de stellingen als vaststaand moeten aannemen, hetzij is het oordeel — zeker zonder nadere toelichting die ontbreekt — onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd dat het hof die blote betwisting volgt.
- 5.
Bovendien heeft de man ook een verklaring overgelegd van [zus van de vrouw], de zus van de vrouw12., en conversatie uit 2011 tussen die zus en de vrouw zodat het ook hier — net als de Spaanse advocaat — niet uitsluitend gaat om mensen die zich aan de zijde van de man bevinden, welk oordeel daarom bovendien onbegrijpelijk is, gelet op de inhoud van die verklaringen. Die geven juist allen blijk van objectiviteit: de Spaanse advocaat niet alleen door haar hoedanigheid, maar ook doordat zij aangeeft dat het e.e.a. niet haar opvatting is maar wat zij heeft waargenomen, de ex-echtgenoot van erflater omdat zij aangeeft zelf wel goed met de vrouw te kunnen opschieten, mw. [betrokkene 3] omdat zij gemotiveerd aangeeft waarom erflater haar een volmacht gaf en niet de vrouw (hetgeen toch meer voor de hand had gelegen nu zij Spaans sprak), de zus omdat zij gedetailleerd aangeeft dat en waarom zij het contact met de vrouw heeft verbroken sinds 2011.
- 6.
De motivering van het hof dat de verklaringen die de man heeft overgelegd om de gestelde slechte relatie tussen zijn vader en de vrouw te onderbouwen, ‘niet representatief en doorslaggevend voor de verhouding tussen de vrouw en haar schoonvader, aangezien het merendeel van die verklaringen pas achteraf, namelijk ten tijde van het feitelijke uiteengaan van partijen en de echtscheidingsprocedure is opgemaakt door personen aan die zich aan de zijde van de man bevinden’, is gelet dus:
- —
juridisch onjuist nu het ex artikel 149 Rv gaat om de vraag of er gelet op hetgeen onderbouwd gesteld is afdoende gemotiveerd is bestreden;
- —
gelet op de aard en inhoud van die bewijsmiddelen een niet toereikende motivering. Immers naar de aard zullen getuigenverklaringen ten opzichte van een in het verleden gelegen feit dat plots in een juridisch geschil opportuun wordt altijd achteraf worden overgelegd (ook in een getuigenverhoor als bedoeld in artikel 166 Rv);
- —
voor de vraag of het gaat om getuigenverklaringen ‘opgemaakt aan de zijde van de man’ gaat het in de vrij bewijsleer om wat zij verklaren. Het gaat hier om een advocaat die haar waarneming weergeeft en de totstandkoming van het testament beschrijft, alsmede de uitingen van de erflater weergeeft (waarbij zij uitdrukkelijk aangeeft dat dit niet haar mening is), een ex echtgenote die genuanceerd schrijft over haar relatie met de vrouw en over hoe erflater tegenover de vrouw en haar familie stond, een partner van een broer van de man die aangeeft waarom zij gemachtigde werd van erflater na zijn vertrek naar Spanje en niet de (Spaans sprekende)vrouw. De verklaringen worden bovendien ondersteund door het whatssappgesprek en haar eigen productie 20.
- 7.
Het getuigt aldus van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk om al deze verklaringen te diskwalificeren vanwege het enkele feit dat ze zijn opgemaakt aan de zijde van de man (en nadien zijn opgemaakt, zie hierna rnr. 8). Althans had het hof dan in elk geval indien het de verklaringen ondanks de consistentie en de inhoud niet geloofwaardig acht dit oordeel beter moeten motiveren. Het enkele feit dat zij zijn opgemaakt aan de zijde van de man is, gelet op de inhoud van die verklaringen geen toereikende motivering om aan die verklaringen verder geen waarde te hechten.
- 8.
Ook het oordeel dat de verklaringen nadien zijn opgemaakt kan en mag naar de aard niet afdoen aan de bewijskracht daarvan. Getuigenbewijs zal in beginsel altijd gaan om achteraf afgelegde verklaringen, omdat eerst dan is gebleken dat er een geschil is waarvoor nader bewijs noodzakelijk is. Het getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat het hof die verklaringen (mede) op deze grond diskwalificeert en daaraan kennelijk elke bewijskracht ontzegt.
Onbegrijpelijk oordeel duur bewoning
1-IV
Voorts is onjuist en onbegrijpelijk dat het hof oordeelt (in rov. 28) dat vaststaat dat de vader van de man vanaf 1965 ruim 30 jaar in Nederland heeft gewoond. Zoals mogelijk uit het p-v dat is opgevraagd nog nader zal blijken heeft de man aangegeven dat erflater in 1967 in Spanje is getrouwd en rond 1970 als expat in Nederland is gaan wonen. Erflater is in 1990 in Spanje gescheiden13. en heeft ook vanaf 1990 weer in Spanje gewoond.14. Rekenkundig klopt het dus niet en kan het ook niet vaststaan dat de man ruim 30 jaar in Nederland heeft gewoond.
1-V
Het slagen van één of meer klachten vitiëert ook het oordeel in rov. 29, 56 en het dictum. Het slagen onderdeel 3 betekent dat ook rnr 3 van en akte met productie 19 tot het debat behoort en had moeten worden meegenomen.
Onderdeel 2 verknochte ontslagvergoeding
2.
Dit oordeel is gericht tegen rovv 38 t/m 42, waarin het hof, heel kort gezegd, van oordeel is dat de ontslagvergoeding niet verknocht is maar in de gemeenschap valt.
Verzuim vaststelling bedoeling overeenkomst, werkgever -werknemer: beter betaalde baan; daarom uitkering in overleg met werkgever na 15 januari 2027
2-I
Het hof stelt in rov. 38 terecht vast dat de man heeft gesteld dat de Gouden Handdruk Spaarregeling bedoeld is als aanvulling op zijn inkomen na 15 januari 2027 omdat hij dan voornemens is een camping te beginnen. Het hof verzuimt echter bij de gestelde feiten op te nemen en laat ook verder onbesproken in rov. 38 t/m 42 dat dit zo is afgesproken met de werkgever (de gemeente [gemeente]) omdat de man aansluitend aan het einde van het dienstverband een nieuwe, beter betaalde baan had.15. Het hof miskent vervolgens in rovv 40 t/m 42 door de Gouden Handdruk Spaarregeling niet als verknocht aan te nemen dat daarom de bestreden beschikking wordt bekrachtigd voor zover daarin is bepaald dat de vrouw bij elke toekomstige uitkering van de ontslagvergoeding, recht heeft op de helft daarvan, dat bepalend is dat daaruit volgt dat met die werkgever is afgesproken dat die vergoeding niet bedoeld is voor een onmiddellijk na het ontslag intredende periode van inkomensderving, maar een uitdrukkelijk verder in de toekomst gelegen periode, te weten een periode die, als gevolg van de inmiddels op verzoek van de vrouw uitgesproken echtscheiding is gelegen buiten de huwelijkse periode. De aanspraken uit hoofde van de Gouden Handdruk Spaarregeling ontstaan immers pas, zoals blijkens de als productie 15 bij verweerschrift in appel overgelegde verklaring van de gemeente [gemeente] als werkgever na 15 januari 2027 en dus in de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, zodat die weldegelijk als verknocht dient te worden aangemerkt. Ter toelichting en uitwerking diene het navolgende.
- 1.
Volgens vaste rechtspraak het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 (oud) BW aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed, respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt (art. 1:94 lid 3 (oud) BW) afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141, m.nt. L.C.A. Verstappen; en HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292). Ook een aan een van de echtgenoten verstrekte (aanspraak op een) ontslagvergoeding, dan wel een aanspraak die hiervoor in de plaats treedt, kan verknocht zijn ingeval deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. Het hof miskent dat in een zodanig geval bij de beantwoording van de vraag of deze aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze niet in de gemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. Het zojuist genoemde uitgangspunt geldt ook indien een ontslagvergoeding die is uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, niet is aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering, noch is ondergebracht in een stamrecht-BV. Anders dan kan worden afgeleid uit HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2025, NJ 1996/640, m.nt. W.M. Kleijn, bestaat er onvoldoende grond om te oordelen dat de vergoeding dan geheel in de gemeenschap valt, ook voor zover deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap zou zijn genoten. Voor dat gedeelte valt de vergoeding, voor zover het daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten is te identificeren, niet in de gemeenschap.16.
- 2.
In casu heeft de man onweersproken gesteld — en laat het hof ten onrechte onbesproken — dat de man onmiddellijk aansluitend aan zijn dienstverband bij de gemeente [gemeente] een nieuwe, beter betaalde baan had17. en dat de man daarom met zijn voormalige werkgever, de gemeente [gemeente], heeft afgesproken dat de beëindigingsvergoeding zou worden gestort op een daartoe bestemde rekening van de Rabobank om te dienen als vergoeding van een lager inkomen ná 15 januari 2027, omdat de man dan voornemens was om een camping in Spanje te beginnen en hij dan 58 jaar oud zou zijn.
- 3.
Blijkens de meermaals genoemde verklaring overgelegd als productie 15 bij verweerschrift in appel bevestigt de gemeente [gemeente] dat ook:
‘De gemeente [gemeente], in deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger], verklaart hierbij dat op 14 juli 2011 met de heer [de man] een vertrekregeling is overeengekomen, bij welke gelegenheid aan de heer [de man] ter vervanging van gederfd of te derven loon een eenmalige vergoeding ter hoogte van een jaarsalaris is toegekend.
In dat kader heeft de gemeente [gemeente] een bedrag van € 35.000, euro, overgemaakt naar een geblokkeerde spaarrekening (‘Rabo GoudenHanddrukSparen’), dit ten behoeve van een toekomstig recht op periodieke uitkeringen in de zin van artikel 10, lid 1 of artikel 11a lid 1 van de Wet op de loonbelasting 1964, derhalve uitkeringen die worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking, niet zijnde pensioen of een soortgelijke beloning, welke uitkeringen op de einddatum van de met de Rabobank gesloten overeenkomst (15 januari 2027) uitsluitend kunnen worden aangewend voor de hiervoor genoemde periodieke uitkeringen.
Daartoe heeft de gemeente [gemeente] op 3 januari 2012 een getekende Verklaring ontslagvergoeding door de (ex-(werkgever’ aan de Rabobank Drechtsteden afgegeven.
Met deze verklaring bevestigt de Gemeente [gemeente] dat zij de toekomstige periodieke uitkeringen kwalificeert als te derven loon, als bedoeld in artikel 11a, lid 1 van de Wet op de loonbelasting 1964 en dat er geen sprake is van een RVU (Regeling Vervroegde Uittreding).’
In randnummer 23 van het verweerschrift in appel tevens houdende incidenteel appel verwijst de man naar deze productie 15 in hoger beroep. Daarin wordt bevestigd dat de uitkering een toekomstig recht op periodieke uitkering betreft. Aangezien uit de getroffen gouden handdruk-regeling uitdrukkelijk de bedoeling blijkt dat deze bestemd was voor de aanvulling van inkomen nà 15 januari 2027, derhalve na ontbinding van het huwelijk van partijen (en ook niet eerder afgekocht, vervreemd of prijsgegeven mag worden) stelt de man zich in rnr. 24 van voornoemd verweerschrift in appel dat deze aan hem verknocht is en dat derhalve de aanspraak op de uitkering ervan niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. In dat kader laat de uitleg van deze verklaring geen andere uitleg toe dan dat:
- (1)
de gemeente [gemeente] op 3 januari 2012 een getekende Verklaring ontslagvergoeding door de (ex-)werkgever’ aan de Rabobank Drechtsteden afgegeven;
- (2)
de Gemeente [gemeente] met deze verklaring bevestigt dat zij de toekomstige periodieke uitkeringen kwalificeert als te derven loon, als bedoeld in artikel 11a, lid 1 van de Wet op de loonbelasting 1964 en dat er geen sprake is van een RVU (Regeling Vervroegde Uittreding).
- (3)
de gemeente [gemeente] als ontslagvergoeding ter vervanging van gederfd of te derven loon een bedrag van € 35.000, euro, heeft overgemaakt naar een geblokkeerde spaarrekening (‘Rabo GoudenHanddrukSparen’) ten behoeve van een toekomstig recht op periodieke uitkeringen in de zin van artikel 10, lid 1 of artikel 11a lid 1 van de Wet op de loonbelasting 1964, derhalve uitkeringen die worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking, niet zijnde pensioen of een soortgelijke beloning, welke uitkeringen op de einddatum van de met de Rabobank gesloten overeenkomst (15 januari 2027) uitsluitend kunnen worden aangewend voor de hiervoor genoemde periodieke uitkeringen.
Een redelijke uitleg hiervan kan vervolgens geen andere zijn dan dat de man uitdrukkelijk met zijn werkgever heeft afgesproken dat het gaat om te derven loon na 15 januari 2027, hetgeen strookt met de onder 2 genoemde stelling van de man dat er direct na het ontslag bij de gemeente [gemeente] een nieuwe, beter betaalde baan voorhanden was, zodat er dus op dat moment geen sprake was van gederfd loon, maar, naar verwachting, eerst na 15 januari 2027, de datum waarop de man 58 jaar zou worden en hij voornemens was om in Spanje een camping te beginnen. Dit betekent dat rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is hetgeen het hof in rov 41 en 42 overweegt:
- ‘41.
Uit de door de man overgelegde brief van 16 juni 2021 van zijn voormalige werkgever, de gemeente [gemeente] (productie 15 bij het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel) blijkt dat de man op 14 juli 2011 een eenmalige ontslagvergoeding ter hoogte van een jaarsalaris is toegekend die op een geblokkeerde bankrekening is gestort ten behoeve van een toekomstig recht op periodieke uitkeringen. Voorts blijkt daaruit dat die toekomstige- periodieke uitkeringen kwalificeren als te derven loon en dat er geen sprake is van een Regeling Vervroegde Uittreding.
- 42.
Nu — gelet op bovenstaand schrijven — de eenmalige vergoeding is verkregen als compensatie voor gederfd loon in de periode die ligt voor de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, ziet het hof geen enkele reden voor het aannemen van verknochtheid en dient de vergoeding in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap te worden betrokken. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen voor zover daarin is bepaald dat de vrouw bij elke toekomstige uitkering van de ontslagvergoeding, recht heeft op de helft daarvan. Geen van partijen heeft tegen deze wijze van verdeling gegriefd.’
Het oordeel is rechtens onjuist omdat bepalend is wanneer de periodieke uitkering — naar tussen werkgever en werknemer is afgesproken — tot uitkering zal komen: indien en voor zover dat in de huwelijkse periode is vallen die uitkeringen in de gemeenschap, maar voor zover dat, zoals in casu (ver) buiten de huwelijkse periode is, dan zijn die uitkeringen verknocht en komen die te zijner tijd alleen de man toe.
Het oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de onder (1) t/m (3) in dit onderdeel uit de brief van de gemeente [gemeente] van 16 juni 2021 voortvloeiende conclusies, omdat het hof van een onjuiste, onvolledige en onbegrijpelijke uitleg uitgaat van die brief, nu daaruit nu juist wel blijkt dat de strekking is dat het ter inkomensderving is van de periode nà 15 januari 2027 en dat dat de bedoeling van partijen (werkgever en werknemer) was en is. Het is niet alleen onjuist maar ook onbegrijpelijk dat het hof desalniettemin oordeelt dat uit die brief zou volgen dat de eenmalige vergoeding is verkregen als compensatie voor gederfd loon in de periode die ligt voor de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De echtscheiding is uitgesproken bij beschikking van 12 mei 2021, terwijl de huwelijksgoederengemeenschap al is ontbonden op 22 juni 2020 door indiening van het echtscheidingsverzoek. 15 januari 2027 is derhalve 7 jaar na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap.
- 4.
Nu het hof verzuimt in rov. 41 de strekking van de overeenkomst weer te geven, althans miskent is ook de conclusie daaruit in rov. 42 dat nu — gelet op bovenstaand schrijven — de eenmalige vergoeding is verkregen als compensatie voor gederfd loon in de periode die ligt voor de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, ziet het hof geen enkele reden voor het aannemen van verknochtheid en dient de vergoeding in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap te worden betrokken. Dit oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de stelling die in die in cassatie hypothetisch feitelijke grondslag heeft, dat die vergoeding bedoeld was en is voor een lager inkomen na 15 januari 2027 (en niet aansluitend aan het ontslag) omdat de man aansluitend aan het ontslag een nieuwe betrekking had met een hoger salaris en er dus geen sprake was van gederfd loon. Daarvan is eerst sprake wanneer de man op 58-jarige leeftijd zijn voornemen om dan een betrekking op te zeggen en een camping te starten realiseert.
- 5.
De conclusie die het hof daaruit vervolgens trekt, te weten dat het hof ‘de bestreden beschikking dan ook zal bekrachtigen voor zover daarin is bepaald dat de vrouw bij elke toekomstige uitkering van de ontslagvergoeding en recht heeft op de helft daarvan, nu geen van partijen heeft tegen deze wijze van verdeling gegriefd, is dan evenzeer rechtens onjuist althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
- 6.
Het slagen van onderdeel 3 heeft tot gevolg dat ook rnr. 10 en productie 25 en 26 van de geweigerde akte bij het debat had moeten worden betrokken.
Onderdeel 3: weigering ‘akte houdende nadere toelichting hoger beroep’.
3.
Dit onderdeel is gericht tegen rov. 9 waarin het hof overweegt
‘Zoals het ter terechtzitting aan partijen heeft medegedeeld zal het hof gelet op de zogenaamde tweeconclusieregel geen acht slaan op de op 31 januari 2022 bij het hof ingekomen ‘Akte houdende nadere toelichting bij hoger beroep’ van de man.’
Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, om navolgende, ook in onderling verband te lezen redenen.
3-I
Vooropgesteld zij dat met de zogenaamde ‘tweeconclusieleer’ bedoeld wordt het bepaalde in artikel 347 Rv welke regel er op neerkomt dat grieven en weren in het eerste inhoudelijke processtuk dienen te worden opgenomen evenals een wijziging van eis. Uitdrukkelijk bepaalt dit artikel niet dat niet — in reactie op de stellingen en/of producties van de wederpartij — een akte zou mogen worden genomen — mits die niet het karakter heeft van een conclusie —.18. Er is dus sprake van strijd met de tweeconclusieregel indien en voor zover er in een later processtuk sprake is van een nieuwe grief of weer of van een eiswijziging c.q. — vermeerdering. Als bijlage 1 wordt de bewuste ‘Akte houdende nadere toelichting bij hoger beroep’ inclusief producties 16 t/m 32 aangehecht. Daaruit volgt dat hier — aan de hand van over te leggen producties — uitsluitend wordt ingegaan op het reeds lopende debat en de door de vrouw ingebrachte producties maar dat er nergens sprake is van een nieuwe grief, nieuwe weer of van een eiswijziging. Het getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting om dit stuk — inclusief producties — te weigeren op grond van artikel 347 Rv.
3-II
Blijkens artikel 1.4.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven 10e versie19. geeft uitdrukkelijk de mogelijkheid en regels voor een proceshandeling tijdens de mondelinge behandeling. Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 februari 2022 te 14.00 uur, zodat tussen het indienen van die stukken en de zitting nog meer dan 10 dagen zat en die stukken dus binnen de in artikel 1.4.5. genoemde termijn van artikel 87 lid 6 in verbinding met artikel 279 lid 6 Rv, zijn ingediend. Het stuk was derhalve binnen de daartoe bestemde tijd (en dus tijdig) ingediend. Ook om die reden mocht het hof dit stuk — en zeker de aangehechte producties — niet buiten beschouwing laten.
3-III
Indien en voor zover het hof — impliciet — zou hebben geoordeeld dat de ingediende producties niet op de juiste wijze zou hebben ingediend, bijvoorbeeld omdat dit in de visie van het hof niet bij akte maar bijvoorbeeld bij brief met omschrijving van de producties had moeten plaatsvinden, dan had het hof de man daartoe — nu die producties binnen de termijn in het geding waren gebracht — een termijn moeten vergunnen om zijn verzuim te herstellen, bijvoorbeeld door de akte verwerken in de pleitnota en door een korte toelichting op de producties en had het hof ook om die reden niet het gehele gedingstuk inclusief producties buiten beschouwing mogen laten.
3-IV
De man heeft belang bij deze klacht omdat zowel de expatstatus van de man (rnr 3 akte verwijzen naar bijlage 18), de inbreng van de erfenis (rnr 4 t/m 9 verwijzend naar bijlage 19 t/m 24) en de ontslagvergoeding (rnr. 10 verwijzend naar bijlage 25 en 26) nader met producties heeft onderbouwd en uitgewerkt. Het slagen van één of meer klachten van dit onderdeel vitiëert ook rovv. 21 t/m 29 (zie onderdeel 1) en rovv. 38 t/m42 (onderdeel 2)
4
Het slagen van één of meer bovengenoemde klachten vitiëert rov. 56 en het dictum.
Weshalve:
De man vordert op grond van dit middel de vernietiging van het arrest met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, met veroordeling van de vrouw in cassatie in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na het te deze te wijzen arrest van de Hoge Raad.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑05‑2022
Zie verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek zijdens de man in eerste aanleg rnr. 13. Opvallend is daarbij ook dat bij vooroverlijden de erfenis niet gaat naar de partner maar naar de afstammelingen van de met name genoemde zoons.
Is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om een erfenis, verkregen op grond van een in het buitenland opgesteld testament, waar men de gemeenschap van goederen niet kent en dus — naar verwachting — daarvoor ook geen standaardoptie in een model voorhanden zal hebben, in de gemeenschap van goederen te laten vallen.
In dat verweerschrift teven houdende zelfstandig verzoek rnr 13 wordt gewezen op de uitdrukkelijke bedoeling van de erflater om uitsluitend aan zijn 3 met name genoemde zoons zijn nalatenschap te doen toekomen en niet zijn dochter, de halfzuster van de man. Zie verder de (gedeeltelijke) pleitnota van 1 pagina van mr. Dorhout in eerste aanleg rnr. 1 en in het bijzonder rnr. 2 verwijzend naar producties 13 en 14.
Bestudering van die productie 10 leert dat erflater bij testament van 20 juli 2000 inderdaad zijn drie zoons heeft bedacht met hun afstammelingen (en dus niet de echtgenoten), zij het dat de jongste twee zoons hun legitieme krijgen en [kind 1] als erfgenaam voor het ‘restant van goederen, rechten en aandelen’. Voorts krijgen de kinderen van de oudste twee zoons onder voorwaarden een legaat van 5 miljoen peseta's (dus de groep van de man 5 mio peseta's en de groep van de oudste zoon ook 5 miljoen peseta's). Die voorwaarden zagen onder meer op het niet kiezen voor de Nederlandse nationaliteit en op het niet wijzigen van de achternaam van hun vader.
Pleitaantekening mr. Dorhout eerste aanleg rnr 1.
Zie voor exacte citaten onderdeel 1-IIIb.
Pln. in eerste aanleg mr. Dorhout rnr. 1.
Pln. in eerste aanleg mr. Dorhout rnr. 1.
Gesteld noch gebleken is dat de erflater enige juridische kennis had. In rnr. 15 wordt verwezen naar de verklaring van de Spaanse advocaat die verklaart dat erflater dacht dat het e.e.a. beheerst werd door Spaans recht. Zie het citaat in de volgende noot.
Uit de verklaring van de advocaat die het testament heeft opgesteld blijkt juist dat hij dacht dat Spaans recht van toepassing zou zijn: He was not an educated man because he had chosen not to study and had left home as soon as he could. His grasp of Spanish law was somewhat basic (although he understood the implications of our marital and succession law) and I am quite sure that he didn't know much about Dutch law and always thought that the Spanish law would apply to his succession.
Gesteld noch gebleken is dat zij dat ook had met de man.
Productie 17 in eerste aanleg bij de brief van 2 april 2021 aan de rechtbank
Pln. in eerste aanleg mr. Dorhout rnr. 1.
Pln. in eerste aanleg mr. Dorhout rnr. 1 NB: het testament, zoals dat thans aan de orde is, is opgesteld in 2000, derhalve 10 jaar later.
Verweerschrift in appel tevens houdende incidenteel appel rnrs. 22 – 24. Zie ook productie 15 bij verweerschrift in appel zijdens de man.
HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259 m.nt. L.C.A. Verstappen.
Zie onder meer toelichting grief 2 verweerschrift in appel houdende incidenteel appel rnr 22.
T&C Burgerlijke Rechtsvorderingcommentaar op art. 347 Rv aant. 1b (Hammerstein & Koerts-bew) verwijzend naar HR 28 februari 1986, NJ 1987/172 (Notarieel Pensioenfonds).
Per 1 februari 2022 geldt inmiddels de 11e versie, maar onderhavige zaak valt nog onder de 10e versie, te vinden op https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Procesreglement-verzoekschriftprocedure-familiezaken-gerechtshoven-102019.pdf Artikel 1.4.5 is inhoudelijk overigens niet gewijzigd en luidt:1.4.5 Proceshandelingen en stukken bij gelegenheid van de mondelinge behandelingEen belanghebbende die tijdens de mondelinge behandeling nog een proceshandeling wenst te verrichten of stukken in het geding wenst te brengen, zorgt ervoor dat het hof en iedere overige belanghebbende zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen de in artikel 87 lid 6 in verbinding met artikel 279 lid 6 Rv genoemde termijn, een afschrift van het in te dienen processtuk of de in het geding te brengen bewijsstukken hebben ontvangen. Dit wordt gedaan overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1.1.5, 1.1.13 en 1.1.14 voor het indienen van processtukken en bewijsstukken. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof ter mondelinge behandeling of daarna, na toepassing van hoor en wederhoor, anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de in artikel 87 lid 6 Rv in verbinding met artikel 279 lid 6 Rv vermelde termijn worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten. Deze belanghebbende dient het in te dienen processtuk of de in het geding te brengen bewijsstukken in vijfvoud in, en met inachtneming van artikel 1.1.5. De belanghebbende voegt bij de in te dienen stukken een behoorlijk ingevuld formulier V6.