HR, 02-09-2011, nr. 10/00756
ECLI:NL:HR:2011:BQ7058
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
02-09-2011
- Zaaknummer
10/00756
- Conclusie
Mr. L. Strikwerda
- LJN
BQ7058
- Roepnaam
Lehmann Timber
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Vermogensrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BQ7058, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 02‑09‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ7058
ECLI:NL:PHR:2011:BQ7058, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑05‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ7058
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑01‑2010
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑09‑2011
2 september 2011
Eerste Kamer
10/00756
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
de rechtspersoon naar Russisch recht METALL MARKET OOO,
gevestigd te Kaluga City, Rusland,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
1. de rechtspersoon naar het recht van Gibraltar MOORMERLAND LIMITED,
gevestigd te Gibraltar,
2. de rechtspersoon naar het recht van Cyprus VITORIO SHIPPING COMPANY LIMITED,
gevestigd te Limassol, Cyprus,
VERWEERSTERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Metall Market, Moormerland en Vitorio.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 330378/KG ZA 09/489 van de voorzieningenrechter te Rotterdam van 26 mei 2009;
b. het arrest in de zaak 200.036.187/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 december 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Metall Market beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Moormerland en Vitorio is verstek verleend.
De zaak is voor Metall Market toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Metall Market in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Moormerland en Vitorio begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 2 september 2011.
Conclusie 27‑05‑2011
Mr. L. Strikwerda
Partij(en)
conclusie inzake
Metall Market OOO
tegen
- 1.
Moormerland Ltd
- 2.
Vitorio Shipping Company Ltd
Edelhoogachtbaar College,
1.
Dit kort geding betreft een vordering ex art. 705 Rv tot opheffing van een op 30 april 2009 te Amsterdam op een zeeschip, de ‘Lehmann Timber’, gelegd conservatoir vreemdelingenbeslag. Eiseres tot cassatie zal hierna worden aangeduid als Metall Market. Verweersters in cassatie zullen hierna worden aangeduid als Moormerland en Vitorio of gezamenlijk als de rederij.
2.
De ‘Lehmann Timber’ vaart onder de vlag van Gibraltar. Het schip behoort toe aan Moormerland en is in rompbevrachting uitgegeven aan Vitorio. Eind april 2008 vertrok de ‘Lehmann Timber’ met onder meer een lading staalrollen voor een reis van Changshu, China, via Warnemünde, Duitsland, naar St. Petersburg, Rusland. Metall Market is eigenaar van de staalrollen en houder van de voor het vervoer ervan uitgegeven cognossementen. De cognossementen bepalen dat averij-grosse moet worden vastgesteld en afgewikkeld overeenkomstig de York-Antwerp Rules 1994.
3.
Tijdens de reis, op 28 mei 2008, is de ‘Lehmann Timber’ in de Golf van Aden gekaapt door Somalische piraten. De piraten waren gewapend, eisten losgeld en dreigden het schip te laten zinken. Ruim een maand later hebben de kapers, na betaling van een losgeld van USD 752.250,-, het schip verlaten. Kort nadien is het schip, dat bij de kaping was beschadigd, met behulp van een sleepboot naar een noodhaven in Salalah, Oman, gebracht. Daar vonden reparatiewerkzaamheden plaats, waarna de reis naar Europa en Rusland is vervolgd.
4.
De rederij heeft de schade door en rond de kaping averij-grosse verklaard. Als dispacheur werd aangesteld Stichling Hahn Hilbrich GmbH (hierna: SHH). Deze heeft de landingbelanghebbenden verzocht door middel van een ‘general average bond’ en een ‘general average guarantee’ zekerheid te stellen voor hun aandeel in de averij-grosse.
5.
In verband met ontoereikende verzekering was Metall Market niet in staat de verlangde zekerheid te stellen. Dit in combinatie met het ontbreken van een toereikende mogelijkheid om in St. Petersburg een retentierecht of ‘possessory lien’ op de lading uit te oefenen, was voor de rederij aanleiding om de ‘Lehmann Timber’ te laten uitwijken naar Hamina, Finland, waar de lading staalrollen is gelost en opgeslagen.
6.
Metall Market houdt de rederij aansprakelijk voor de schade die zij lijdt door het niet uitleveren van de lading staalrollen in St. Petersburg. Zij tracht door beslaglegging op de ‘Lehmann Timber’ zekerheid te verkrijgen voor het verhaal van deze oplopende schade. Na eerdere, later weer opgeheven beslagleggingen in havens in Finland en Marokko, heeft Metall Market op grond van een daartoe door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verkregen verlof op 30 april 2009 conservatoir vreemdelingenbeslag gelegd op de ‘Lehmann Timber’ in de haven van Amsterdam. De door Metall Market gepretendeerde vordering is in het beslagverlof begroot op een bedrag van USD 8.833.000,-, zijnde de geschatte waarde van de lading staalrollen, vermeerderd met 30% wegens rente en kosten.
7.
De rederij heeft in kort geding voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam opheffing van het door Metall Market op de ‘Lehmann Trader’ gelegde beslag gevorderd. Zij heeft daartoe gesteld dat de vordering waarop Metall Market het beslag baseert summierlijk ondeugdelijk is omdat de rederij, nu Metall Market in gebreke is gebleven met het stellen van zekerheid voor de averij-grosse, gerechtigd is een retentierecht op de staalrollen uit te oefenen.
8.
Metall Market heeft tegen de vordering van de rederij verweer gevoerd, onder meer op grond van de stelling dat de kaping geen averij-grosse evenement is, zodat voor haar geen verplichting tot het stellen van zekerheid voor de schade door en rond de kaping bestaat.
9.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 26 mei 2009 de vordering van Metall Market waarvoor beslag is gelegd herbegroot op een bedrag van USD 955.000,- en het gelegde beslag opgeheven, indien en zodra de rederij ten gunste van Metall Market zekerheid stelt voor genoemd bedrag. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
10.
Metall Market is van het vonnis van de voorzieningenrechter in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's‑Gravenhage. De rederij stelde incidenteel appel in.
11.
Bij arrest van 1 december 2009 heeft het hof, recht doende in het principaal en in het incidenteel appel, de bestreden beslissing van de voorzieningenrechter vernietigd, en alsnog het beslag op de ‘Lehmann Timber’ opgeheven, zonder verplichting van de rederij tot zekerheidstelling. Daartoe heeft het hof onder meer en verkort weergegeven overwogen
- —
dat aangenomen mag worden dat in de Londense arbitrageprocedures die tussen partijen in de hoofdzaak aanhangig zijn, Engels recht zal worden toegepast en misschien aanvullend Russisch of Fins recht op de vraag of de rederij een ‘possessory lien’ mag uitoefenen op de lading (r.o. 11),
- —
dat naar Engels recht de kosten die samenhangen met de kaping averij-grosse mogen worden verklaard (r.o. 13),
- —
dat de rederij voor de verschuldigde ladingbijdrage een ‘possessory lien’ kan uitoefenen op de lading (r.o. 18), en
- —
dat derhalve summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door Metall Market gepretendeerde vorderingsrecht is gebleken (r.o. 20).
12.
Metall Market is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel dat een reeks klachten bevat. Moormerland en Vitorio zijn in cassatie niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.
13.
De in het middel aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. Daarom wordt volstaan met een korte bespreking van de door het middel aangevoerde klachten.
14.
Het middel bevat in de eerste plaats klachten over de door het hof vastgestelde feiten. Meer bepaald is volgens het middel onjuist en/of onvolledig de feitenvaststelling door het hof met betrekking tot de dreiging van gevaar voor schip en lading (onder 1.2 en 1.4), de averij-grosse verklaring (onder 1.5), de plaats van vaststelling en afwikkeling van de averij-grosse (onder 1.6), de schadeposten die averij-grosse zijn verklaard (onder 1.8), en de plaats waar het schip in St. Petersbrug voor anker is gegaan (onder 1.8).
15.
Deze klachten falen. De vaststelling van de feiten is voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt en kan in cassatie niet worden bestreden met de stelling dat van andere feiten moet worden uitgegaan dan het hof heeft vastgesteld. Cassatie is slechts mogelijk indien de vaststelling door de rechter van een bepaald feit in het licht van de gedingstukken niet begrijpelijk is of anderszins ontoereikend is gemotiveerd. Dat daarvan met betrekking tot de door het hof als vaststaand aangenomen feiten sprake is, wordt door het middel niet aangevoerd.
16.
Voorts bestrijdt het middel (onder 1.4) als onjuist het oordeel van het hof dat de enkele omstandigheid dat losgeld is betaald voldoende is om aan te nemen dat sprake is van een averij-grosse evenement.
17.
De klacht is tevergeefs voorgesteld. Het bestreden oordeel van het hof berust op zijn uitleg van het Engelse recht (r.o. 13). Ingevolge het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO kan dit oordeel in cassatie op juistheid niet worden getoetst.
18.
Vervolgens voert het middel als klacht aan (onder 1.9) dat het hof niet heeft onderkend dat tussen partijen nog steeds een vervoerovereenkomst van kracht is, zodat Metall Market onverkort recht heeft op ontscheping en uitlevering aan haar van de staalrollen.
19.
De klacht kan wegens gebrek aan feitelijke grondslag geen doel treffen. Het hof heeft blijkens zijn overwegingen in r.o. 18 onderkend dat tussen partijen nog steeds een vervoerovereenkomst van kracht is, doch heeft geoordeeld dat het verwijt van Metall Market dat niet tijdig aan haar is afgeleverd, ongegrond is omdat de vertraging in de aflevering aan haar zelf (haar weigering om ter zake van de averij-grosse zekerheid te stellen) te wijten is.
20.
Een volgende klacht (onder 1.10) is gericht tegen r.o. 11 van het bestreden arrest. De klacht verwijt het hof te hebben miskend dat de vraag of sprake is geweest van een averij-grosse evenement nu juist inzet van de arbitrage-procedure in Londen is en dat pas wanneer deze vraag bevestigend is beantwoord, de vraag aan de orde kan komen of Metall Market gehouden is om zekerheid te stellen en of de rederij een ‘possessory lien’ op de lading mag uitoefenen.
21.
Ook deze klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft aangegeven dat naar Engels recht, welk recht de arbiters naar zijn verwachting zullen toepassen (r.o. 11), de betaling van het losgeld als kosten die samenhangen met de kaping averij-grosse mogen worden verklaard (r.o. 13). Uitgaande van dit oordeel is het hof vervolgens ingegaan op de vraag of de rederij voor de door Metall Market verschuldigde ladingbijdrage een ‘possessory lien’ op de lading kan uitoefenen, om deze vraag in bevestigende zin te beantwoorden (r.o. 18). Hieruit blijkt dat het hof de volgorde van de door de klacht bedoelde vragen niet uit het oog verloren en dat het hof heeft onderkend dat de vraag of sprake is geweest van een averij-grosse evenement wordt beslist in de arbitrage-procedure in Londen. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof als rechter in kort geding niet vooruit mocht lopen op het bodemgeschil tussen partijen, berust het op een onjuiste opvatting van art. 257 Rv.
22.
Het middel klaagt verder (onder 1.11) dat het hof in r.o. 13 heeft miskend dat naar Engels recht de kosten die samenhangen met kaping averij-grosse kunnen worden verklaard en dat de vraag of dit in een concreet geval zo is, dus sterk afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden van het geval.
23.
De klacht stuit af op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO. Cassatie is niet de plaats om de inhoud en strekking van buitenlands recht vast te stellen.
24.
Een volgende klacht (onder 1.14) komt erop neer dat het hof, door te oordelen (in r.o. 18) dat de rederij ervoor mocht kiezen de ‘possessory lien’ verder uit te oefenen in Finland, niet heeft onderkend dat de vervoersverplichting voor gaat ten opzichte van de eventuele verplichting tot zekerheidstelling in verband met een gesteld averij-grosse evenement, zodat de rederij gehouden was tot afmeren in St. Petersburg en tot het aldaar lossen van de partij staalrollen.
25.
De klacht faalt. Zij verliest uit het oog dat het gewraakte oordeel berust op 's hofs uitleg van het Engelse recht en dus ingevolge de meergenoemde bepaling van art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO in cassatie op juistheid niet kan worden getoetst.
26.
Het middel klaagt verder over het oordeel van het hof — in r.o. 19 — inzake de vraag of Metall Market verplicht is een ‘general average bond’, versterkt met een ‘general average guarantee’, af te geven. Volgens het middel heeft Metall Market, anders dan het hof heeft overwogen, niet erkend dat de ‘general average bond’ een in de praktijk gebruikelijke vorm van zekerheidstelling is (onder 1.15) en heeft het hof niet of onvoldoende gereageerd op de stelling van Metall Market dat rechtens geen afdwingbaar verplichting tot het tekenen en afgeven van een ‘general average bond’ bestaat indien reeds een ‘general average guarantee’ is afgegeven (onder 1.18 en 1.19).
27.
De klachten kunnen, wat daar verder ook van zij, reeds wegens gebrek aan belang geen doel treffen. Het hof heeft immers — onbestreden in cassatie — vastgesteld dat Metall Market heeft toegezegd de verlangde zekerheid te verstrekken (r.o. 4 en 18).
28.
Een volgende klacht (onder 1.20) houdt in dat het hof in r.o. 19 uit het oog heeft verloren dat het averij-grosse evenement noopt tot de aldaar voorgeschreven procedure van ‘adjustment and settling’ in Londen, zodat SHH ter zake geen eigen rechten toekomen.
29.
De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft, blijkens r.o. 17, onderkend dat ingevolge de cognossementsbepaling de averij-grosse moet worden ‘adjusted, stated and settled’ in Londen. Het hof heeft t.a.p. de stelling dat de benoeming van SHH tot dispacheur daarmee niet verenigbaar is, gemotiveerd verworpen. Tegen deze verwerping en de motivering daarvan richt het middel geen klacht.
30.
De klacht die het middel (onder 1.22) richt tegen de overweging van het hof dat een belangenafweging slechts in het nadeel van Metall Market kan uitvallen (r.o. 20), faalt wegens gebrek aan belang omdat de bestreden overweging door het hof kennelijk ten overvloede is gegeven en de dragende overwegingen in cassatie tevergeefs zijn bestreden.
31.
Naast de hierboven genoemde klachten, bevat het middel verspreid nog enige klachten die naar mijn inzicht hetzij een herhaling inhouden van de genoemde klachten (onder 1.11, 1.12, 1.17 en 1.21), hetzij daarop voortbouwen (onder 1.18, 1.19 en 1.21). Zij moeten het lot van de genoemde klachten delen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Beroepschrift 26‑01‑2010
Heden, de zesentwintigste januari van het jaar tweeduizendentien, ten verzoeke van de rechtspersoon naar Russisch recht Metall Market OOO, gevestigd te Kaluga City, Rusland, die voor deze zaakdomicilie heeft gekozen te 2517 AC 's‑Gravenhage aan de Laan van Meerdervoort nr. 33 ten kantore van de aldaar gevestigde advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. P.Garretsen, die zich als zodanig stelt teneinde mijn rekwirante in na te melden cassatieprocedure rechtsgeldig te vertegenwoordigen.
1.
De rechtspersoon naar het recht van Gibraltar Moormerland Limited, gevestigd te Gibraltar, Gibraltar, die blijkens na te melden arrest in de vorige tevens hoogste feitelijke instantie te dezer zake uitdrukkelijk domicilie heeft gekozen te Rotterdam aan de Veerkade nr. 5-i ten kantore van de aldaar gevestigde advocaat mr. H. van der Wiel, die zich als zodanig heeft gesteld en aldus in hoger beroep is opgetreden, aan dat gekozen domicilie mijn exploot doende, sprekende met en afschrift dezes latende aan:
2.
De rechtspersoon naar het recht van Cyprus VITORIO SHIPPING COMPANY Limited, gevestigd te Limassol, Cyprus, die blijkens na te melden arrest in de vorige, tevens hoogste feitelijke instantie te dezer zake uitdrukkelijk domicilie heeft gekozen te Rotterdam aan de Veerkade nr. 5-i ten kantore van de aldaar gevestigde advocaat mr. H. van der Wiel, die zich als zodanig heeft gesteld en aldus in het hoger beroep heeft opgetreden, aan dit gekozen domicilie mijn exploot doende, sprekende met en afschrift dezes latende aan:
- I.
AANGEZEGD dat mijn rekwirante hierbij beroep in cassatie instelt tegen het arrest d.d. 1 december 2009 door de sector handel van het gerechtshof te 's‑Gravenhage onder zaaknummer 200.036.187/01 gewezen tussen mijn rekwirante las appellante, tevens geïntimeerde in het incidenteel appel, en de gerekwireerden voornoemd als geïntimeerden in het principaal appel, tevens appellanten in het incidenteel appel.
- II.
Deze beide gerekwireerden voornoemd GEDAGVAARD om op vrijdag, de twaalfde maart van het jaar tweeduizendentien, des voormiddags te 10.00 uur, niet in persoon doch (ieder0 vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad derr Nederlanden (Eerste Enkelvoudige Kamer voor Civiele Zaken), te houden in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden aan de Kazernestraat nr. 52 te 's‑Gravenhage.
- III.
MET AANZEGGING dat nu hier sprake is van meerdere gedaagden, dan wordt indien slechts een van de gedaagden in het geding verschijnt, en jegens de niet-verschenen gedaagde de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen zijn, jegens deze niet-verschenen gedaagde verstek verleend, en wordt tussen alle partijen voortgeprocedeerd, waarbij een arrest zal worden gewezen dat als arrest op tegenspraak wordt beschouwd.
Op de aangezegde rechtsdag zal namens mijn rekwirante als eiseres in cassatie worden voorgedragen het navolgend middel van cassatie, en op basis daarvan zal worden gevorderd als hiermee is aangegeven.
0.
Algemene uitgangspunten.
0.1.
Partijen zijn hierna te noemen MM, Moormerland en Vitorio, en deze belde laatste hierna ook Moormerland c.s.
O.2.
Moormerland is de geregistreerde eigenaar van het motorschip de ‘Lehmann Timber’, hierna ‘de boot’. Vitorio Shipping Company Limited geldt hier als rompbevrachter.
0.3.
De boot is op 17 april 2008 afgeleverd aan de eigenaren na afbouw en oplevering, Lehmann Catering GmbH huurde deze boot in voor een periode van twee Jaar. Lehmann heeft op contractbasis zich verplicht een partij luikdeksels en staalrollen te vervoeren vanuit Changsu, Yantze Rivier, Provincie Jiangsu, China, via Warnemünde (Duitsland) naar St. Petersburg (Rusland). Die luikdeksels moesten naar Warnemünde, deze rollen staal naar St. Petersburg.
0.4.
Ten behoeve van deze laatstgenoemde vervoersopdracht zijn een viertal ‘Bills of lading’ (Cognossementen) afgegeven met betrekking tot in totaal 1089 staalrollen. Op die Bills of lading staat (aan de achterzijde) vermeld:
- ‘(1)
All terms and conditions and exceptions of the Charter Party, dated als overleaf, including the Law and Arbitration Clause, are herewith incorporated.
(…)
- (3)
General Average
General average shall be adjusted, stated and settled according tot York-Antwerp Rules 1994, or any subsequent modification thereof in London unless another place is agreed in the Charter Party.
Cargo's contribution tot General Average shall be paid tot the Carrier even when such average is the result of a fault, neglect or error of the Master, Pilot or Crew: The Charterers, Shippers and Consignees expressly renounce the Belgian Commercial Cade, Part. II, Art. 148.
- (4)
New Jason Clause
In the event of accident, danger or disaster before or rafter the commencement of the voyage, resulting from any cause whatsoever, whether due to negligence or not, for which, or for the consequence of which the Carrier is not responsible, by statue, contract or otherwise, the cargo, shippers, consignees or the owners of the cargo shall contribute with the Carrier in General Average to the payment of any sacrifices, losses or expense of an General Average nature that maybe made or incurred and shall pay salvage and special charges incurred in respect of the cargo. If a salving vessel is owned or operated by the Carrier, salvage shall be paid for as folly as if the said salving vessel or vessels belonged tot straingers. Such deposit as the Carrier, or his agents, may deem sufficient tot cover the estimated contribution of the goods and any salvage and special charges thereon shall, if required, be made buy the cargo shippers, consignees or owners of the goods tot the Carrier before delivery’
O.5.
Voorts is sprake van een als vrachtbrief te duiden stuk d.d, 2 april 2008, in de Engelse tekst geduid als ‘The Steel Coils Voyage Charter’, waarin onder meer de volgende bepalingen zijn opgenomen:
- ‘(12)
General Average to be settled in London according to York-Antwerp Rules 2004.
- (35)
Arbitration
This charter party shall be governed by and constructed in accordance with English law and any dispute of difference arising out of or in Construction with this charter party shall be referred tot arbitration by thee persons in London, one to be appointed bye ach of the parties, and the third by the tow so chosen, Their decision, or that of any two of them, shall be final and, for the purposes of enforcement, any award may be made a rule of Court.
(…).’.
Ingevolge voormelde bepalingen Is Engels recht op deze zaak van toepassing, zodat er een arbitrage-procedure aanhangig moest worden gemaakt in London. Moormerland hebben daartoe een memorie Ingediend (productie 2 bij inleidende dagvaarding In kort geding zijdens Moormerland}; MM heeft nadien een contra-memorie ingediend met tegen-vorderingen (productie I bij dagvaarding in hoger beroep zijdens MM) NB het hierboven vermelde stuk d.d. 2 april 2008 (daar geheten Uniform General Charter) is bijlage 3 bij gemelde memorie zijdens Moormerland c.s.
0.6.
De boot is eind april 2008 In China geladen en daar vertrokken op 5 mei 2008. Op 28 mei werd de boot in de Golf van Aden gekaapt door gewapende piraten, afkomstig uit Somalië.
Onder toezicht en begeleiding van die piraten heeft de boot moeten varen naar en is voor anker gegaan in Negro Baal (Qooriga Neegro), van Eyt, Oost-Somallë, waar de boot aankwam op 30 mei 2008. Vervolgens hebben aldaar onderhandelingen plaatsgehad, welke ertoe hebben geleid dat (onder meer) losgeld is betaald (ten bedrage van USD 752.250,-) en dat gasolie (diesel), water en proviand aan boord is gebracht; tijdens die operatie is schade aan de boot ontstaan. Op 8 Juli 2008 Is de boot vrijgegeven door de piraten.
0.7.
Tijdens de vervolgvaart is op 12 juli 2008 motorschade ontstaan. De boot moest worden gesleept; ook daarbij is toen schade ontslaan.
0.8.
Op basis van een als ‘General Average Event aangemerkt incident hebben (in het hof-arrest: de rederij, derhalve) Moormerland c.s. (zie echter hierna; advocaat) als hun ‘Average adjustors’, hierna overeenkomstig het hof-arrest ais dispacheur geduid, het bedrijf stichting Hahn Hilbrich GmbH (hierna; SHH) Ingeschakeld. Deze heeft de ladingbelanghebbenden verzocht om door middel van een General Average Bond (hierna: GAB) en een General Average Garantee (hierna: GAG) zekerheid te stellen voor hun aandeel ïn de averij-grosse.
09.
De boot kwam op 9 september 2006 in Warnemünde aan en loste daar de luikdeksels; door belanghebbenden waren een GAB en een GAG vooraf getekend en afgegeven. Op 18 september 2008 vertrok de boot uit Warnemünde naar St. Petersburg, alwaar zij op 20 september 2008 aankwam. De boot Is aldaar bulten de haven voor anker gegaan.
0.10.
Van de 1089 rollen staal waren er slechts 98 verzekerd Met betrekking tot die 98 rollen staal Is door verzekeraars een GAG gesteld, maar voor het overige deel moest MM zelf zekerheid stellen door storting op de derdenrekening van SHH van een bedrag ad USD 1.250.000, nadien verlaagd tot USD 920.000. MM heeft laatstgenoemd bedrag niet kunnen voldoen. MM heeft geweigerd een door haar getekende en gestempelde GAB af te geven.
0.11.
Het uitblijven van (voldoende) zekerheidstelling in combinatie met een gestelde toereikende mogelijkheid om in St. Petersburg een retentierecht (‘possessory lien’) op de lading van MM uit te oefenen was voor de rederij aanleiding om de boot te laten uitwijken naar Hamina, Finland, een vestigstadje aan de Finse Golf op ongeveer 200 km van St. Petersburg. Als reden werd opgegeven dat het schip voorraden en levensmiddelen moest innemen. In werkelijkheid was het echter de bedoeling om de lading in Hamina uit het schip te halen en daar- in een safe-house — op te slaan. Op 1 oktober 2008 zijn die staalrollen aldus aldaar opgeslagen. Ook de partij van 98 staalrollen bevindt zich nog daar.
0.12.
Op 1 oktober 2008 heeft MM voor de Finse rechter gevraagd haar verlof te verlenen op de boot beslag te leggen voor de schade die zij lijdt vanwege die weigering vanuit Moormerland c.s. de lading vrij te geven. De Finse rechter heeft dat beslag aanvankelijk toegestaan, doch op vordering van Moormerland c.s. bij uitspraak d.d. 17 oktober 2008 opgeheven; in het hoger beroep is MM niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbrekend belang, nu de boot inmiddels was uitgevaren.
0.13.
Op 26 maart 2009 heeft MM beslagverlof gevraagd en verkregen van de Marokkaanse rechter in Tanger. Dat beslag is bij uitspraak van de rechtbank aldaar van 22 april 2009 weer opgeheven.
0.14.
Op 29 april 2009 heeft MM bij de Voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam verlof gevraagd en gekregen om de boot in Amsterdam In beslag te mogen nemen. Na de feitelijke beslaglegging d.d. 30 april 2009 is de boot van Amsterdam naar Rotterdam gebracht en vandaar naar 's‑Gravendeel.
0.15.
De door MM in het beslagverzoek gepretendeerde vordering is in dat beslagverlof begroot op USD 8.833.000,- zijnde de geschatte waarde van de lading staalrollen, vermeerderd met 30% wegens rente en kosten.
0.16.
Moormerland c.s. hebben in kort geding de opheffing gevorderd van het hier te lande gelegde conservatoire vreemdelingenbeslag. De voorzieningenrechter heeft naar aanleiding van deze vordering en het daartegen gevoerde verweer overwogen: dat de kaping naar het toepasselijke Engelse recht en de YAR een averij-grosse incident Is en dat MM daarom als ladingbelanghebbende gehouden was tot bijdrage dan wel zekerheidstelling voor haar aandeel; dat MM daarin Is tekort geschoten, behalve ten aanzien van de 98 rollen, waarvoor naar het oordeel van de voorzieningenrechter naast de GAG niet ook nog eens een GAB behoefde te worden verstrekt; dat die 98 rollen daarom hadden moeten worden vrijgegeven, maar dat de overige 991 rollen mochten worden teruggehouden, omdat de rederij daar zowel naar Engels als Russisch recht een retentierecht op heeft, waarvan onzeker was of dit kon worden geëffectueerd bij lossing in St. Petersburg, reden waarom mocht worden uitgeweken naar Finland en de gestelde schade ontbreekt en dat daarom de schadevordering van MM op de rederij ondeugdelijk is voor zover deze ziet op het niet vrijgeven van de 991 rollen, zodat het beslag In zoverre dient te worden opgeheven. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter de vordering waarvoor het beslag destijds is toegelaten herbegroot op USD 955.000,- en het beslag opgeheven voor het geval de rederij ten gunste van MM zekerheid zou stellen voor dit bedrag, zijnde de aan de 98 staalrollen toegekende waarde van USD 734.000,- plas 30% opslag voor rente en kosten.
0.17.
MM is het niet eens met de verlaging van het bedrag waarvoor het beslag is toegestaan. Zij heeft (tijdig) hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis; de uitgebrachte dagvaarding in hoger beroep bevat reeds de grieven. Bij memorie van antwoord in het principaal appel hebben Moormerland c.s. de grieven bestreden; hunnerzijds is incidenteel hoger beroep ingesteld. MM heeft de in dat kader voorgestelde grieven bestreden bij memorie van antwoord in incidenteel appel.
0.18
Vervolgens heeft pleidooi plaatsgehad, waartoe zijdens partijen pleitnotities zijn overgelegd; het proces-verbaal van de pleidooi-zitting is opgevraagd.
0.19.
Het hof heeft bij zijn thans in cassatie te bestrijden arrest van 1 december 2009 dat vonnis vernietigd. Opnieuw rechtdoende hief het hof het beslag op de boot op, zonder verplichting van Moormerland c.s. tot zekerheidstelling. Gemeld arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Middel van cassatie.
MM meent dat het hof het recht heeft geschonden dan wel op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften heeft verzuimd door te overwegen en te beslissen als in dit arrest is weergegeven en verwoord (waarnaar wordt verwezen), waartoe het navolgende geldt (dat zonodig in onderling verband en samenhang dient te worden gelezen en beschouwd}.
1.1
Het gaat hier om de rov.n 3,11,13,14,18,19 en 20 in dit arrest, in samenhang met de slotsom vervat In rov. 22 en de vervolgens gegeven beslissing. Gemeend wordt dat deze overwegingen rechtens onjuist zijn althans bezien de Inhoud van de gedingstukken onbegrijpelijk zijn, waartoe na te melden uitwerkingen en toelichting.
1.2
Het hof heeft de relevante feiten en omstandigheden onjuist en/of onvolledig vastgesteld. Zo is de door het hof in rov. 3 geduide dreiging om het schip te laten zinken niet gebaseerd op daartoe gebleken feiten: nadat er is geschoten werd de boot gekaapt en moest het varen naar een havenplaats In Oost-Somalië. Daar heeft het ruim een maand gelegen. Na betaling van het losgeld mocht de boot vertrekken. De lading staalrollen zelf is nimmer In gevaar geweest.
1.3
De Nederlandse omschrijving van averij-grosse is die welke is gebaseerd op Rule A van de York-Antwerp-Rules 1994 (hierna; YAR). Die omschrijving is vervat in artikel 3:610 Nederlands BW en luidt; ‘Er is een averij-grosse handeling, wanneer — en alleen wanneer — enige buitengewone opoffering of uitgave opzettelijk en redelijkerwijs wordt verricht of gedaan voor de gemeenschappelijke veiligheid met het doel, de goederen, betrokken bil een gemeenschappelijke met een zeeschip uitgevoerde onderneming. voor gevaar- hoe of door wiens toedoen dit ook zij ontstaan — te behoeden.’
1.4.
MM heeft betwist dat zich een averij-grosse voorval heeft voorgedaan, na haar lading feitelijk in tact is gebleven en als zodanig In de haven van St. Petersburg had kunnen worden gelost. De enkele omstandigheid dat losgeld is betaald zegt als zodanig niets over het aanmerken van de totale situatie als averij-grosse, nu toch hier de bijzonderheid deze is dat juist niet de lading overboord is gegooid, dan wel deze boot in brand is gestoken (en vervolgens daardoor zou hebben kunnen zinken). Noch de boot zelf, noch de betrokken lading is derhalve in gevaar geweest; deze omstandigheden zijn rechtens relevant te oordelen, gelet op het bijzondere karakter van deze General Average.
1.5
Niet Moormerland maar Vitorio en/of Lehmann hebben de status General Average geduld c.q. afgegeven, hetgeen aldus verklaard dat het Duitse bureau SHH werd ingeschakeld, dat kwam tot de brieven houdende kort gezegd zekerheidstelling voor het aandeel in deze generaI average.
1.6
Anders dan het hof heeft aangenomen dient een genera! average-claim eerst te worden neergelegd c.q. gedeponeerd in London; zie sub 05 hierboven: ‘to be settled’. Het rondsturen van brieven aan alle betrokkenen om (gezamenlijk} zekerheid te stellen is echter niet hetzelfde als ‘adjusting and settling’ als in deze clausule bedoeld. De draagwijdte van MM's verweer dat het zelfstandig optreden van SHH rechtens impliceerde het aangaan van een nieuwe overeenkomst in afwijking van de reeds tussen partijen getekende documenten (die tot deze ‘adjusting and settling’ verplichtten) heeft het hof niet onderkend.
1.7
(Ook) voor wat betreft de omvang van de schade in verband met de verlangde zekerheid c.q. zekerheidstelling is van belang dat wel wordt onderschelden tussen motorschade en het specifieke General Average-evenement. MM meent dat gelet op dat specifieke karakter, een General Average-evenement strikt moet worden uitgelegd. In de meeste gevallen zal het de kapitein zijn die de averij-grosse handeling verricht. Het moet een buitengewone handeling zijn — functie — welke met opzet wordt gepleegd ter behartiging van het gemeenschappelijk belang der betrokkenen. De handeling moet voorts redelijkerwijze noodzakelijk zijn ter afwending van dreigend nadeel. Het vorenstaande impliceert, dat in verband met de toerekening aldus moet worden onderscheiden tussen een GA-evenement en motorschade. Die onderscheiding werkt vervolgens door in de vraag of en zo ja tot welk bedrag MM eventueel gehouden zou zijn zekerheid te stellen In de overigens veronderstelde (doch door MM betwiste) situatie dat zich een GA-evenement heeft voorgedaan (zie hierboven).
1.8
In rov. 4 miskent het hof derhalve de feiten. Niet alleen is de schade rond de kaping averij-grosse verklaard, maar ook de schade rond de motorproblemen (en de ingeschakelde sleep-hulp), terwijl de averij-grosse moet worden vastgesteld en afgewikkeld overeenkomstig de YAR te London, oftewel een meld-procedure daar. De boot is ook niet op de rede van St. Petersburg gearriveerd, maar is buiten de haven voor anker gegaan.
1.9
Het hof heeft niet onderkend en aldus miskend dat tussen partijen nog steeds een vervoersovereenkomst van kracht is, zodat MM onverkort recht heeft op ontscheping van de staalrollen en uitlevering aan haar. Ter zake van die schade heeft MM beslagverlof gevraagd en — uiteindelijk — van de Nederlandse rechter verkregen. Deze schadevordering — die oploopt als gevolg van deze niet-uitlevering —, is onmiskenbaar de vordering die (meer dan summierlijk vaststaat als bedoeld In art 700 lid 2 Nederlands wetboek van burgerlijke rechtsvordering waarvoor verlof kan worden verleend. Ingevolge art. 705 lid 2 Rv is het vervolgens aan Mormerland (c.s.) om (vervangende) zekerheid te stellen voor die schade. Die vervoersovereenkomst geldt immers ongeacht of uit anderen hoofde MM tot zekerheidstelling Is gehouden. Een GA-evenement verplicht immers tot de aldaar voorgeschreven procedure c.q. rechtsgang, en staat op zichzelf los van de nakoming van die vervoersovereenkomst.
1.10
In rov. 11 miskent het hof dat nu juist inzet van de arbitrageprocedure is of zich een GA-evenement heeft voorgedaan, en zo ja tot welke betrokken onderdelen (die kaping, maar ook de latere motorschade). Pas als die vragen bevestigend zijn beantwoord, komt aan de orde tot welk bedrag MM gehouden zou zijn zekerheid te stellen. Pas daarna komt aan de orde de vraag of Moormerland (c.s.) een possessory lien mag uitoefenen op de lading.
1.11
Gelet op dat hiervoor gestelde heeft MM terecht de aanspraken van Moormerland (c.s.0 betwist. In rov. 12 overweegt en oordeelt het hof dan ook ten onrechte anders. In rov. 13 miskent het hof dat naar Engels recht de kosten die samenhangen met kaping als een GA-evenement kunnen worden aangemerkt, of te wel een en ander is sterk afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van het geval. Te herhalen is immers dat noch de boot noch de lading in gevaar zijn geweest, gelet op de zich werkelijk voorgedane feiten als hierboven geduid, en dat dààrom MM verweer voert In die Arbitrage-procedure. Rov. 14 berust aldus op een onjuiste beoordeling van de feiten: er is alleen geschoten om de boot te kunnen kapen en om vervolgens losgeld te kunnen eisen.
1.12.
In het kader yan de rov.n 15 en 15 heeft het hof niet onderkend dat de lading-belanghebbende die In een GA-evenement is of wordt betrokken, uit hoofde van de vervoersovereenkomst zijn bijdrage in de averij-grosse-omslag weer op de reder-vervoerder kan verhalen. (Ook) in dat kader is van belang het antwoord op de vraag of en zo ja tot welke omvang zich een Ga-evenement heeft voorgedaan. De enkele omstandigheid dat de boot ‘disabled’ en ‘afdrift’ was geraakt, Impliceert niet noodzakelijkerwijs een Ga-evenement: daartoe zijn bijkomende omstandigheden nodig.
1.13.
In het kader van rov. 17 heeft het hof niet onderkend het verweer vanuit MM dat indien zij met SMH mee zou gaan In het ondertekenen en afgeven van een GAG en/of GAG, alsdan en om die reden sprake Is van een nieuwe overeenkomst, buiten de eigenlijke vervoerscondities om. Te herhalen is dat op basis van de Bill of lading reeds de YAR was voorgeschreven, welke YAR aldus noopt tot ‘adjusting and settling’.
1.14
In het kader van rov. 18 heeft het hof niet onderkend dat de vervoersverplichting voor gaat ten opzichte van de eventuele verplichting tot zekerheidstelling in verband met een gesteld GA-evenement, zodat Moormerland (c.s..) vooreerst gehouden was (waren) tot afmeren in St. Petersburg en aldaar het lossen van deze partij staalrollen. St. Petersburg was immers de krachtens die vervoersovereenkomst overeengekomen loshaven, zodat enkel na overleg met en instemming van MM een nieuwe vervoersovereenkomst zou kunnen worden gesloten die tot transport naar Hamina (Finland) strekte. Onbetwist is dat SHH volstrekt eigenmachtig heeft gehandeld en beslist, en elk gesprek met MM uit de weg is gegaan respectievelijk geweigerd heeft op vragen vanuit MM te antwoorden.
1.15
In het kader van rov. 19 miskent het hof zowel de aard als de strekking van de bestaande vervoersovereenkomst met daarin die YAR-verwijzing en de arbitrage-clausule als de feiten. MM heeft zeker niet erkend dat de GAB een In de internationale praktijk gebruikelijke vorm van zekerheidstelling is: zij heeft betoogd dat zij zich kan voorstellen dat dit een gebruikelijke vorm in de Internationale praktijk Is; zie sub 2.4 in de memorie van antwoord in het incidenteel appèl.
1.16.
MM heeft voorts betoogd dat met betrekking tot de 98 staalrollen reeds een garantie was afgegeven door verzekeraar, en dat zij niet gehouden Is een (aanvullende) GAB te tekenen en af te geven. Moormerland (c.s.) waren derhalve zonder meer gehouden die 98 staalrollen naar St.Petersburg te vervoeren en daar te lossen ten gunste van MM.
1.17
In het kader van rov. 19 miskent het hof de hierboven geduide omstandigheid dat SHH c.q. Moormerland (es.) zekerheidstelling verlangden voor zowel de kosten rond de kaping als (de schade toegebracht door de sleepboten aan de boot en) de sleep- en reparatiekosten na motorschade (zie productie 3 bij conclusie van els zijdens Moormerland es.), met betrekking tot welk totaal MM heeft betwist dat deze allemaal een Ga-evenement betreffen; zie laatstelijk de pleitnota In hoger beroep, sub 3.4 e.v.. De redelijkheid van het bedrag stond of staat derhalve reeds ter discussie, ook na verlaging.
1.18
Terwijl zich rechtens geen afdwingbare verplichting tot het tekenen en afgeven van een GAB laat vaststellen. Het gaat Immers in het geval van een gesteld Ga-evenement om een bijdrage-verplichting, en aldus de legitimatie van deze bijdrageplichtige partij. Na en naast de rechtstreeks uit de vervoersovereenkomst voortvloeiende verplichting om bij te dragen (zie laatstelijk MvA Inc. sub 2,4 met noot 6 aldaar, alwaar verwijzing naar de aanvullende opinie van hfw van 28 augustus 2009, sub 9 aldaar ( ‘The bound is however wholly unnecessary where the consignee is already contractually bound to pay GA-contribution whlch may be due.by virtue of o couse in the bill of lading to that effect,’, met verwijzing naar Engelse rechtspraak}, op welk gestelde het hof niet ingaat). Het hof heeft aldus niet onderkend dat SHH verlangde dat MM een nieuwe, derhalve aanvullende overeenkomst ter zake zou afsluiten; met eventuele overdracht van naamscognossementen en dekkingsperikelen heeft dit dus niet of minder van doen. Het hof betrekt ten onrechte die of zodanige omstandigheden in zijn beschouwingen en oordeel.
1.19
Gelet op dit hiervoor gestelde heeft het hof niet althans onvoldoende gerespondeerd op sub 2.5 in MvA Inc. alwaar Is betoogd dat reeds op basis van de average garantee de goederen zullen worden vrijgegeven, zodat ook om die reden de verplichting tot het tekenen en afgeven van een GAB ontbreekt.
1.20
Alsook het hof in het kader van deze rov. 19 uit het oog verliest dat het GA-evenement noopt tot de aldaar voorgeschreven procedure van ‘adjustment and setting’ in London, zodat SHH ter zake geen eigen rechten toekomen.
1.21
Voormelde rechtsoverwegingen zijn dan ook gebaseerd op gronden die deze overwegingen en de daarin vervatte oordelen niet kunnen dragen. In ieder geval geeft het hof aldus overwegende en oordelende blijk van een onjuiste rechtsopvatting althans -toepassing met betrekking tot het begrip General Average (averij-grosse) en hetgeen krachtens deze aan verplichtingen kan worden gevorderd. Ook zijn overwegingen en oordelen omtrent de te verstrekken zekerheidstelling vanwege die gestelde ‘possessory lien’ berusten aldus op een onjuiste rechtsgrondslag. Ten slotte geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting althans -toepassing met betrekking tot de te beantwoorden vraag in het kader van art. 705 lid 2 ftv, nu toch MM aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd de schade welke zij lijdt doordat Moormerland es. de vervoersovereenkomst niet nakomen en in weerwil daarvan een retentierecht claimen op de lading, zodat deze ook niet feitelijk kan worden uitgeleverd.
1.22.
Rov. 20 voor zover dragend wordt aldus evenzeer bestreden, nu toch gegeven de — vaststaande —omstandigheid dat de reder geen zekerheid kan stellen, reeds rechtstreeks het belang met zich brengt van het beslag vanuit MM op de boot als enig (overgebleven) vermogens-bestanddeel van deze reder.
1.23.
Rov. 22 en de vervolgens gegeven beslissing kunnen derhalve niet In stand blijven.