Het rijbewijs was bijgesloten bij voornoemde kennisgeving.
HR, 11-03-2014, nr. 12/03806
ECLI:NL:HR:2014:538, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-03-2014
- Zaaknummer
12/03806
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:538, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 11‑03‑2014; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:121, Contrair
ECLI:NL:PHR:2014:121, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑02‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:538, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑08‑2012
- Wetingang
art. 164 Wegenverkeerswet 1994
- Vindplaatsen
NJ 2014/375 met annotatie van B.F. Keulen
SR-Updates.nl 2014-0120
NbSr 2014/174
Uitspraak 11‑03‑2014
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Beklag, beslag. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep. 2. Art. 164 WVW 1994, ingevorderd rijbewijs. Ad 1. De Rb heeft het klaagschrift van klager strekkende tot teruggave aan hem van zijn ingehouden rijbewijs, gegrond verklaard. Nu die beslissing afwijkt van het door de OvJ dienaangaande in raadkamer ingenomen standpunt, kan deze in zijn beroep worden ontvangen. Ad 2. In het licht van de in de conclusie van de AG weergegeven wetsgeschiedenis moet art. 164.4 WVW 1994 aldus worden uitgelegd dat in de gevallen waarin o.g.v. lid 2 het rijbewijs is ingevorderd, steeds sprake is van een wettelijk vermoeden van recidivegevaar t.z.v. die gevallen en dat de OvJ bijgevolg in dergelijke gevallen bevoegd is dat rijbewijs onder zich te houden, tenzij gelet op bijz. omstandigheden toch niet gezegd kan worden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling, en behoudens klemmende redenen om van die maatregel af te zien (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0743).
Partij(en)
11 maart 2014
Strafkamer
nr. 12/03806 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 augustus 2011, nummer RK 11/900, op een klaagschrift als bedoeld in art. 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in zijn cassatieberoep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
De Rechtbank heeft het klaagschrift van de klager strekkende tot teruggave aan hem van zijn ingehouden rijbewijs, gegrond verklaard. Nu die beslissing afwijkt van het door de Officier van Justitie dienaangaande in raadkamer ingenomen standpunt, kan deze in zijn beroep worden ontvangen en kan zijn middel, dat zich met een rechts- en een motiveringsklacht keert tegen die gegrondverklaring, in behandeling worden genomen.
2.2.
De Rechtbank heeft haar door het middel bestreden beslissing - voor zover hier van belang - als volgt gemotiveerd:
"(...)De rechtbank is derhalve van oordeel dat de invordering van het rijbewijs en de verdere inhouding daarvan door het openbaar ministerie terecht is geschied.
Uit de stukken en hetgeen bij de behandeling in raadkamer naar voren is gebracht blijkt voorts dat klager recentelijk een transactie heeft voldaan wegens een soortgelijk verkeersdelict. Daaruit kan blijken van een gevaar voor recidive, maar de rechtbank zal hier, gelet op de pleegdatum van meer dan twee jaar geleden, in dit geval geen rekening houden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat er thans onvoldoende omstandigheden zijn aan te wijzen die duiden op een concreet gevaar voor recidive, zodat het belang van klager bij teruggave van zijn rijbewijs dient te prevaleren boven het belang van een verdere inhouding van dat rijbewijs."
2.3.
Art. 164 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) luidt:
"1. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs.
2. De in het eerste lid bedoelde vordering wordt gedaan in geval van overtreding van:
a. artikel 8, indien bij een onderzoek als bedoeld in het tweede lid, van die bepaling blijkt of, bij ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed;
b. artikel 8, indien bij een onderzoek als bedoeld in het derde of vierde lid, aanhef en onderdeel b, juncto het derde lid, van die bepaling blijkt of, bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 350 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 0,8 milligram alcohol per milliliter bloed;
c. artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid;
d. overschrijding van een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid met vijftig kilometer of meer, door een bestuurder van een motorrijtuig anders dan een bromfiets, in geval van staandehouding van de bestuurder;
e. overschrijding van een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid met dertig kilometer of meer door een bestuurder van een bromfiets, in geval van staandehouding van de bestuurder.
3. De in het eerste lid bedoelde vordering kan worden gedaan indien door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht.
4. De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken.
(...)"
2.4.
In het licht van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 weergegeven wetsgeschiedenis moet het vierde lid van art. 164 WVW 1994 aldus worden uitgelegd dat in de gevallen waarin op grond van het tweede lid van genoemde bepaling het rijbewijs is ingevorderd, steeds sprake is van een wettelijk vermoeden van recidivegevaar ter zake van die gevallen en dat de officier van justitie bijgevolg in dergelijke gevallen bevoegd is dat rijbewijs onder zich te houden, tenzij gelet op bijzondere omstandigheden toch niet gezegd kan worden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling, en behoudens klemmende redenen om van die maatregel af te zien (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0743, NJ 1997/548).
2.5.
Gelet hierop is de bestreden beschikking ontoereikend gemotiveerd.
3. Slotsom
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking;
wijst de zaak terug naar de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2014.
Conclusie 04‑02‑2014
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Beklag, beslag. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep. 2. Art. 164 WVW 1994, ingevorderd rijbewijs. Ad 1. De Rb heeft het klaagschrift van klager strekkende tot teruggave aan hem van zijn ingehouden rijbewijs, gegrond verklaard. Nu die beslissing afwijkt van het door de OvJ dienaangaande in raadkamer ingenomen standpunt, kan deze in zijn beroep worden ontvangen. Ad 2. In het licht van de in de conclusie van de AG weergegeven wetsgeschiedenis moet art. 164.4 WVW 1994 aldus worden uitgelegd dat in de gevallen waarin o.g.v. lid 2 het rijbewijs is ingevorderd, steeds sprake is van een wettelijk vermoeden van recidivegevaar t.z.v. die gevallen en dat de OvJ bijgevolg in dergelijke gevallen bevoegd is dat rijbewijs onder zich te houden, tenzij gelet op bijz. omstandigheden toch niet gezegd kan worden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling, en behoudens klemmende redenen om van die maatregel af te zien (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0743).
Nr. 12/03806 B Zitting: 4 februari 2014 | Mr. Knigge Conclusie inzake: [klager] |
1. De Rechtbank te Zwolle-Lelystad heeft bij beschikking van 19 augustus 2011 het beklag van klager ex art. 164 lid 8 WVW 1994, dat volgens de bestreden beschikking strekt tot teruggave van zijn door de politie Flevoland ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden rijbewijs, gegrond verklaard en de teruggave van het rijbewijs aan [klager] bevolen.
2. De officier van justitie bij de Rechtbank te Zwolle-Lelystad heeft tegen deze beschikking cassatieberoep ingesteld en H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij die Rechtbank, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1. Uit de tot de stukken van het geding behorende kennisgeving beslissing inhouding rijbewijs van de officier van justitie aan klager van 1 augustus 2011 blijkt dat het rijbewijs van klager op 21 juli 2011 is ingevorderd en dat het vier maanden zou worden ingehouden. Tegen die invordering en inhouding heeft klager een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave van zijn rijbewijs. De Rechtbank heeft dat klaagschrift bij beschikking van 19 augustus 2011, als gezegd, gegrond verklaard en heeft de teruggave van het rijbewijs aan klager bevolen. Tegen een dergelijke beslissing staat op de voet van art. 164 lid 8 WVW 1994 beroep in cassatie open. Uit de tot de stukken van het geding behorende kennisgeving beslissing teruggave rijbewijs van de officier van justitie aan klager van 24 augustus 2011 blijkt evenwel dat het rijbewijs naar aanleiding van de raadkamerzitting van 17 augustus 2011 aan klager is teruggegeven.1.Hieruit volgt mijns inziens dat het belang aan het cassatieberoep is komen te ontvallen en dat de officier van justitie daarin dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Het algemene belang dat het openbaar ministerie bij het middel heeft, maakt dat niet anders.2.Wel zou de Hoge Raad in een overweging ten overvloede een oordeel kunnen uitspreken over de rechtsvraag die het middel opwerpt. Met het oog daarop wil ik het volgende opmerken.
5. Het middel heeft betrekking op art. 164 WVW 1994 zoals dat met ingang van 1 juni 2011 is komen te luiden als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 24 oktober 2008, Stb. 433. Vóór de genoemde datum bestond er verschil tussen de gevallen waarin de politie op grond van art. 164 lid 2 WVW 1994 verplicht was het rijbewijs in te vorderen en de gevallen waarin de officier van justitie op grond van art. 164 lid 4 WVW 1994 vervolgens bevoegd was het rijbewijs in te houden. Kort gezegd kwam het erop neer dat voor de inhouding een hoger alcoholpromillage (namelijk 1,8 promille) en hogere overschrijding van de maximumsnelheid (namelijk met 70 km/uur) was vereist dan het promillage en de snelheidsoverschrijding die grond opleverden voor de verplichte invordering (namelijk 1,3 promille respectievelijk 50 km/uur). Dat verschil is als gevolg van de wetswijziging verdwenen. Het vierde lid van art. 164 WVW 1994 luidt thans als volgt:
“De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken.”
6. In de MvT op het wetsvoorstel dat leidde tot de Wet van 24 oktober 2008, Stb. 433 wordt de wetswijzing als volgt toegelicht:
“In hun advies pleiten het CPG en de RHC ervoor om in artikel 164, vierde lid, WVW 1994 dezelfde overschrijding van de maximumsnelheid en dezelfde alcohollimiet op te nemen als in artikel 164, tweede lid, WVW 1994. Nu is het zo dat voor de inhoudingsbevoegdheid van de officier van justitie een hogere grens geldt dan voor de invorderingsplicht van de politie. Met deze adviesorganen kan worden vastgesteld dat het onwenselijk is dat er gevallen zijn waarin de politie moet invorderen, terwijl de officier van justitie niet de bevoegdheid toekomt tot inhouding, en het rijbewijs dus moet teruggeven. De officier van justitie mag, zo wordt in dit onderdeel voorgesteld, overeenkomstig de invorderingsplicht voor de politie, gaan inhouden bij rijden onder invloed van een alcoholgehalte vanaf 1,3 promille voor de ervaren bestuurder, en vanaf 0,8 voor de beginnende bestuurder, en bij snelheidsovertredingen vanaf vijftig kilometer per uur te hard.
Ten opzichte van de bestaande situatie houdt de wijziging die in dit onderdeel wordt voorgesteld louter en alleen in, dat de inhoudingsbevoegdheid van de officier van justitie wordt uitgebreid tot die gevallen van rijden onder invloed van alcohol en grove snelheidsovertredingen, waarin de politie op basis van artikel 164, tweede lid, WVW 1994 verplicht is om het rijbewijs in te vorderen. Het inhouden van het rijbewijs kan alleen op grond van recidivegevaar. Het wettelijk vermoeden dat daarvan sprake is bij rijden onder invloed van een alcoholgehalte vanaf 1,8 promille en snelheidsovertredingen vanaf zeventig kilometer per uur te hard heeft in zoverre een enigermate arbitrair karakter, dat daarvan ook sprake kan zijn vanaf 1,3 onderscheidenlijk 0,8 promille en vijftig kilometer per uur te hard. De belangen van rijbewijshouders blijven gewaarborgd doordat voor inhouding steeds als extra voorwaarde geldt, dat moet kunnen worden gezegd dat ernstig rekening moet worden gehouden met recidivegevaar (HR 3 juni 1997, NJ 1997, 548). Bovendien moet het rijbewijs worden teruggegeven als niet te verwachten is dat een rijontzegging zal worden opgelegd voor een langere periode dan gedurende welke het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden (artikel 164, zesde lid, WVW 1994). Tenslotte kan de rijbewijshouder een klaagschrift indienen bij raadkamer van de rechtbank (artikel 164, achtste lid, WVW 1994).
De in dit onderdeel voorgestelde wijziging betreft artikel 164, vierde lid, tweede zin, WVW 1994 zoals dat komt te luiden nadat de wet van 12 mei 2005 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met verlaging van de wettelijke alcohollimiet voor beginnende bestuurders (Stb. 283) in werking is getreden.”3.
7. In het arrest waarnaar in deze toelichting wordt verwezen (HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0743; NJ 1997/548), overwoog de Hoge Raad onder meer (rov. 4.4):
“Art. 164, vierde lid, WVW 1994 dient aldus te worden verstaan dat de ambtenaar van het openbaar ministerie bevoegd is om het rijbewijs onder zich te houden, onder meer indien blijkt of een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger was dan 785 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (vergelijkbaar met een bloedalcoholgehalte boven 1,8 promille), tenzij dan, gelet op bijzondere omstandigheden, toch niet gezegd kan worden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling, en behoudens het bestaan van klemmende redenen om van die maatregel af te zien.”
8. Volgens de steller van het middel dient art. 164 lid 4 (nieuw) WVW 1994 aldus te worden uitgelegd dat in de gevallen waarin het rijbewijs op grond van art. 164 lid 2 WVW 1994 is ingevorderd, een wettelijk vermoeden geldt dat sprake is van recidivegevaar. Dat brengt mee dat de officier van justitie in een dergelijk geval bevoegd is het rijbewijs in te houden, tenzij sprake is van de bijzondere omstandigheden of klemmende redenen waarvan in de hiervoor aangehaalde overweging van de Hoge Raad wordt gesproken. Die uitleg komt mij juist voor.
9. In het onderhavige geval is de invordering van het rijbewijs op 21 juli 2011, dus na het van kracht worden van de nieuwe wettelijke regeling ingevorderd op grond van art. 164 lid 2 sub d WVW 1994 (overschrijding van de maximumsnelheid met 50 km/uur). De Rechtbank overwoog, voor zover hier van belang, het volgende:
“(…)
Uit de stukken en hetgeen bij de behandeling in raadkamer naar voren is gebracht blijkt dat klager ervan wordt verdacht op 21 juli 2011 als bestuurder van een motorrijtuig te hebben gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg met snelheden oplopend tot 132 kilometers per uur, daar waar een wettelijke toegestane maximum snelheid van 80 kilometers per uur gold, door welk weggedrag naar het oordeel van de rechtbank de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is gebracht.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat de invordering van het rijbewijs en de verdere inhouding daarvan door het openbaar ministerie terecht is geschied.
Uit de stukken en hetgeen bij de behandeling in raadkamer naar voren is gebracht blijkt voorts dat klager recentelijk een transactie heeft voldaan wegens een soortgelijk verkeersdelict. Daaruit kan blijken van een gevaar voor recidive, maar de rechtbank zal hier, gelet op de pleegdatum van meer dan twee jaar geleden, in dit geval geen rekening houden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat er thans onvoldoende omstandigheden zijn aan te wijzen die duiden op een concreet gevaar voor recidive, zodat het belang van klager bij teruggave van zijn rijbewijs dient te prevaleren boven het belang van een verdere inhouding van dat rijbewijs.”
10. Uit deze overweging blijkt niet dat de Rechtbank heeft onderzocht of er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan toch, ondanks het wettelijk vermoeden van recidivegevaar, niet gezegd kan worden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling dan wel of er klemmende redenen zijn om van de inhouding af te zien. Derhalve lijkt het oordeel van de Rechtbank van een onjuiste rechtsopvatting te getuigen. Dat oordeel is in elk geval niet zonder meer begrijpelijk.
11. Deze conclusie strekt ertoe dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑02‑2014
In de toelichting op het middel wordt gewezen op het volgende. In verband met de forse toename van het aantal klaagschriften ex art. 164 lid 8 WVW 1994 sinds de aanscherping van het inhoudingsbeleid en in aanmerking genomen dat deze klaagschriften veelal gegrond worden verklaard, bestaat er in de praktijk dringend behoefte aan duidelijkheid over de consequenties van de wetswijziging van 1 juni 2011 voor de inhoudingsbevoegdheid ex art. 164 lid 4 WVW 1994 en, in het verlengde daarvan, over de houdbaarheid van het aangescherpte inhoudingsbeleid.
Beroepschrift 27‑08‑2012
CASSATIESCHRIFTUUR
Parketnummer: 96/178149-11
Rekestnr.: 11/900
Zaaknummer HR: S 12/03806 B
Aan de Hoge Raad der Nederlanden:
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen de beslissing van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 augustus 2011, waarbij de Rechtbank het klaagschrift ex art. 164 lid 8 WVW 1994 van:
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
gegrond heeft verklaard en de teruggave heeft bevolen van het rijbewijs.
Rekwirant kan zich met deze beslissing niet verenigen.
Cassatiemiddel
Schending van het recht en/of verzuim van vormen als bedoeld in art. 79 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie, waarbij in het bijzonder art. 164 WVW 1994 is geschonden, aangezien de Rechtbank, zoals nader zal worden toegelicht, bij haar beslissing tot gegrondverklaring van het beklag een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd dan wel haar beslissing tot teruggave ontoereikend heeft gemotiveerd.
Toelichting
1.
De Rechtbank heeft haar beslissing als volgt gemotiveerd:
‘Uit de stukken en hetgeen bij de behandeling in raadkamer naar voren is gebracht blijkt dat klager ervan wordt verdacht op 21 juli 2011 als bestuurder van een motorrijtuig te hebben gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg met snelheden oplopend tot 132 kilometers per uur, daar waar een wettelijke toegestane maximum snelheid van 80 kilometers per uur gold, door welk weggedrag naar het oordeel van de rechtbank de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is gebracht.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat de invordering van het rijbewijs en de verdere inhouding daarvan terecht is geschied.
Uit de stukken en hetgeen bij de behandeling naar voren is gebracht blijkt voorts dat klager recentelijk een transactie heeft voldaan wegens een soortgelijk verkeersdelict. Daaruit kan blijken van een gevaar voor recidive, maar de rechtbank zal hier, gelet op de pleegdatum van meer dan twee jaar geleden, in dit geval geen rekening houden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat er thans onvoldoende omstandigheden zijn aan te wijzen die duiden op een concreet gevaar voor recidive, zodat het belang van klager bij teruggave van zijn rijbewijs dient te prevaleren boven het belang van een verdere inhouding van dat rijbewijs.’
2.
Art. 164 WVW 1994 luidt — voor zover hier van belang — als volgt:
- ‘1.
Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs.
- 2.
De in het eerste lid bedoelde vordering wordt gedaan in geval van overtreding van:
(…)
- d.
overschrijding van een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid met vijftig kilometer of meer, door een bestuurder van een motorrijtuig anders dan een bromfiets, in geval van staandehouding van de bestuurder;
(…)
- 3.
De in het eerste lid bedoelde vordering kan worden gedaan indien door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht.
- 4.
De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken.
(…)
- 6.
Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij de ingevorderde bewijzen onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke de bewijzen zijn ingevorderd of ingehouden geweest. Teruggave vindt ten slotte plaats indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd. (…)’
3.1.
Onder het oude art. 164 WVW 1994 — zoals dit gold tot 1 juni 2011 — waren bij first offenders de mogelijkheden voor de politie om het rijbewijs in te vorderen ruimer dan die voor de officier van justitie om het rijbewijs in te houden. Zo was de politie verplicht het rijbewijs in te vorderen bij een overschrijding van de maximumsnelheid met 50 km/u of meer, en was de officier van justitie (pas) bevoegd om het rijbewijs in te houden bij een overschrijding van de maximumsnelheid met 70 km/u of meer. Met de inwerkingtreding op 1 juni 2011 van de Wet van 24 oktober 2008 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten (puntenstelsel) (Stb. 2008, 433) heeft art. 164 WVW 1994 zijn huidige redactie gekregen.1.
3.2.
De Memorie van Toelichting bij die wet houdt onder meer het volgende in:
‘In hun advies pleiten het CPG en de RHC ervoor om in artikel 164, vierde lid, WVW 1994 dezelfde overschrijding van de maximumsnelheid en dezelfde alcohollimiet op te nemen als in artikel 164, tweede lid, WVW 1994. Nu is het zo dat voor de inhoudingsbevoegdheid van de officier van justitie een hogere grens geldt dan voor de invorderingsplicht van de politie. Met deze adviesorganen kan worden vastgesteld dat het onwenselijk is dat er gevallen zijn waarin de politie moet invorderen, terwijl de officier van justitie niet de bevoegdheid toekomt tot inhouding, en het rijbewijs dus moet teruggeven. De officier van justitie mag, zo wordt in dit onderdeel voorgesteld, overeenkomstig de invorderingsplicht voor de politie, gaan inhouden bij rijden onder invloed van een alcoholgehalte vanaf 1,3 promille voor de ervaren bestuurder, en vanaf 0,8 voor de beginnende bestuurder, en bij snelheidsovertredingen vanaf vijftig kilometer per uur te hard.
Ten opzichte van de bestaande situatie houdt de wijziging die in dit onderdeel wordt voorgesteld louter en alleen in, dat de inhoudingsbevoegdheid van de officier van justitie wordt uitgebreid tot die gevallen van rijden onder invloed van alcohol en grove snelheidsovertredingen, waarin de politie op basis van artikel 164, tweede lid, WVW 1994 verplicht is om het rijbewijs in te vorderen. Het inhouden van het rijbewijs kan alleen op grond van recidivegevaar. Het wettelijk vermoeden dat daarvan sprake is bij rijden onder invloed van een alcoholgehalte vanaf 1,8 promille en snelheidsovertredingen vanaf zeventig kilometer per uur te hard heeft in zoverre een enigermate arbitrair karakter, dat daarvan ook sprake kan zijn vanaf 1,3 onderscheidenlijk 0,8 promille en vijftig kilometer per uur te hard. De belangen van rijbewijshouders blijven gewaarborgd doordat voor inhouding steeds als extra voorwaarde geldt, dat moet kunnen worden gezegd dat ernstig rekening moet worden gehouden met recidivegevaar (HR 3 juni 1997, NJ 1997, 548). Bovendien moet het rijbewijs worden teruggegeven als niet te verwachten is dat een rijontzegging zal worden opgelegd voor een langere periode dan gedurende welke het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden (artikel 164, zesde lid, WVW 1994). Tenslotte kan de rijbewijshouder een klaagschrift indienen bij raadkamer van de rechtbank (artikel 164, achtste lid, WVW 1994).
De in dit onderdeel voorgestelde wijziging betreft artikel 164, vierde lid, tweede zin, WVW 1994 zoals dat komt te luiden nadat de wet van 12 mei 2005 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met verlaging van de wettelijke alcohollimiet voor beginnende bestuurders (Stb. 283) in werking is getreden.’2.
3.3.
Uit de tekst van art. 164 lid 4 WVW 1994 volgt dat bij overschrijding van de maximumsnelheid met 50 km/u of meer er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de bestuurder opnieuw een dergelijk feit zal begaan. Uit de hiervoor aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting volgt eveneens dat het hier gaat om een wettelijk vermoeden van recidivegevaar.
3.4.
Als gevolg van de wetswijziging van 1 juni 2011 heeft het openbaar ministerie besloten om met ingang van 1 juni 2011 het inhoudingsbeleid aan te scherpen, in die zin dat een rijbewijs dat is ingevorderd wegens een overschrijding van de maximumsnelheid met 50 km/u of meer, in de regel ook wordt ingehouden.3.
4.1.
Art. 164 lid 4 WVW 1994 dient naar de mening van rekwirant aldus te worden verstaan dat de officier van justitie bevoegd is om het rijbewijs onder zich te houden, onder meer indien blijkt of een ernstig vermoeden bestaat dat de bestuurder van een motorrijtuig anders dan een bromfiets de maximumsnelheid met 50 km/u of meer heeft overschreden, tenzij dan, gelet op bijzondere omstandigheden, toch niet gezegd kan worden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling, en behoudens het bestaan van klemmende redenen om van die maatregel af te zien (vgl. HR 3 juni 1997, NJ 1997/548).
4.2.
De Rechtbank heeft vastgesteld
- i)
dat klager ervan wordt verdacht op 21 juli 2011 als bestuurder van een motorrijtuig te hebben gereden met snelheden oplopend tot 132 km/u, daar waar een wettelijke toegestane maximumsnelheid van 80 km/u gold,
- ii)
dat door dit rijgedrag van klager de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is gebracht en
- iii)
dat de invordering van het rijbewijs en de verdere inhouding daarvan door het openbaar ministerie terecht is geschied.
Zonder dat de Rechtbank iets heeft vastgesteld omtrent bijzondere omstandigheden op grond waarvan toch niet gezegd kan worden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling4., dan wel omtrent het bestaan van klemmende redenen om van die maatregel af te zien, en zonder dat de Rechtbank op de voet van art. 164 lid 6 WVW 1994 heeft overwogen dat en waarom ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de betrokkene geen onvoorwaardelijke ontzegging zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke het rijbewijs is ingevorderd of ingehouden (geweest), heeft de Rechtbank naar de mening van rekwirant een onjuiste maatstaf aangelegd, dan wel is het oordeel van de Rechtbank dat het belang van klager bij teruggave van zijn rijbewijs dient te prevaleren boven het belang van een verdere inhouding van dat rijbewijs en dat het klaagschrift om die reden gegrond moet worden verklaard, naar de mening van rekwirant ontoereikend gemotiveerd.
5.
Navraag leerde dat het rijbewijs inmiddels op 24 augustus 2011 is teruggegeven aan klager. Rekwirant realiseert zich dat dit met zich brengt dat de officier van justitie mogelijk door Uw Raad niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn cassatieberoep wegens gebrek aan belang. Gelet op het feit dat het aantal klaagschriften ex art. 164 lid 8 WVW 1994 sinds de aanscherping van het inhoudingsbeleid fors is toegenomen en deze klaagschriften door de verschillende Rechtbanken ook veelal gegrond worden verklaard, bestaat er in de praktijk dringend behoefte aan duidelijkheid over de consequenties van de wetswijziging van 1 juni 2011 voor de inhoudingsbevoegdheid ex art. 164 lid 4 WVW 1994 en — in het verlengde daarvan — over de houdbaarheid van het aangescherpte inhoudingsbeleid.
Rekwirant meent het zich daarom toch te mogen veroorloven dit cassatiemiddel aan Uw Raad voor te leggen.
's‑Gravenhage, 27 augustus 2012
mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Zwolle-Lelystad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑08‑2012
Met de inwerkingtreding per 1 december 2011 van de Wet van 4 juni 2010 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanpassing van de vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma (Stb. 2010, 259) zijn aan art. 164 lid 6 WVW 1994 twee volzinnen toegevoegd, die voor de onderhavige zaak niet van belang zijn.
TK 2005–2006, 30 324, nr. 3, p. 37.
Vgl. de Aanwijzing inzake de invordering van rijbewijzen, Stcrt. 2011, 9417, § 4.
Het cassatieberoep richt zich niet tegen het oordeel van de Rechtbank dat klager dient te worden aangemerkt als first offender.