VR 2014/119
Invordering rijbewijs. Beklag. Ontvankelijkheid.
HR 11-03-2014, ECLI:NL:HR:2014:538
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
11 maart 2014
- Magistraten
mrs. Van Dorst, Jörg, Van den Brink
- Zaaknummer
12/03806
- Conclusie
A-G Knigge
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Verkeersstrafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2014:538, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 11‑03‑2014
ECLI:NL:PHR:2014:121, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑02‑2014
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑08‑2012
- Wetingang
(art. 164 WVW 1994, 552a Sv)
Essentie
Invordering rijbewijs. Beklag. Ontvankelijkheid.
Samenvatting
Het vierde lid van art. 164 WVW 1994 moet aldus worden uitgelegd dat in de gevallen waarin op grond van het tweede lid van genoemde bepaling het rijbewijs is ingevorderd, steeds sprake is van een wettelijk vermoeden van recidivegevaar ter zake van die gevallen en dat de officier van justitie bijgevolg in dergelijke gevallen bevoegd is dat rijbewijs onder zich te houden, tenzij gelet op bijzondere omstandigheden toch niet gezegd kan worden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling, en behoudens klemmende redenen om van die maatregel af ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.