Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/5.5.2
5.5.2 Verstrekken van inlichtingen tijdens een mondelinge behandeling
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS450696:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 april 2005, NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge, JOR 2005/119, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2005/98, p. 290-295, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Laurus), r.o. 3.11; HR 10 september 2010,NJ 2010/483, JOR 2010/304, m.nt. S.M. Bartman (LCI Technology Group), r.o. 3.5.2. Voor het deskundigenonderzoek in de civiele procedure is dit wettelijk geregeld in artikel 194 lid 5 Rv.
Vgl. Hepkema 2012, p. 734, die erop wijst dat de onderzoekers doorgaans in de krant of de JOR moeten lezen wat het verloop van de tweedefaseprocedure is geweest.
Vgl. Hepkema 2012, p. 735. Vgl. echter ook OK 5 april 2016, ARO 2016/98 (De Jong Holding), r.o. 2.4, waarin de Ondernemingskamer opmerkt dat zij het doorgaans op prijs stelt als de onderzoeker op de mondelinge behandeling aanwezig is om vragen te beantwoorden.
Zie § 7.3.4.3.
Zie § 4.6.
Zie § 4.5.3.
OK 5 april 2016, ARO 2016/98 (De Jong Holding), r.o. 2.4 en 2.6.
Zie § 4.5.3.
De Hoge Raad heeft beslist dat de Ondernemingskamer in een tweedefaseprocedure de onderzoekers kan vragen aanwezig te zijn tijdens de mondelinge behandeling om een toelichting te geven op het verslag of om een oordeel te geven over stellingen van feitelijke aard die partijen inmiddels naar voren hebben gebracht.1 In de praktijk gebeurt dit niet zo vaak.2 Naar mijn mening zou de Ondernemingskamer dit vaker moeten doen. Met een simpel antwoord of een eenvoudige toelichting van de onderzoekers op hun werkwijze of een formulering in hun verslag kan een serie van verdere procedurele handelingen worden vermeden.3 Daarbij moet wel worden voorkomen dat de onderzoekers zich, als waren zij procespartij, moeten gaan verdedigen tegen verwijten over de manier waarop zij het onderzoek hebben uitgevoerd. De ervaring leert nu eenmaal dat partijen die niet tevreden zijn met de inhoud van het verslag, de wijze waarop het tot stand is gekomen aan de kaak proberen te stellen.4 Dat kan de Ondernemingskamer voorkomen door zelf de regie op de zitting te houden en niet toe te staan dat partijen vragen aan de onderzoekers stellen, maar de onderzoekers alleen vragen van haarzelf te laten beantwoorden.
Een punt van aandacht zijn de kosten die de onderzoekers moeten maken om op uitnodiging van de Ondernemingskamer op de mondelinge behandeling te verschijnen. Op het moment dat die mondelinge behandeling plaatsvindt, zal de Ondernemingskamer doorgaans al de vergoeding van de onderzoekers hebben vastgesteld.5 Na de inlevering van het verslag ter griffie kunnen de onderzoekers ook geen verzoek meer doen om het onderzoeksbudget te verhogen.6 De wet voorziet niet in de mogelijkheid om deze kosten te vergoeden. Ik zou er geen moeite mee hebben als de Ondernemingskamer deze leemte in de wet opvult en in een daarvoor in aanmerking komende situatie bepaalt dat de rechtspersoon deze kosten moet betalen. Een praktische oplossing trof de Ondernemingskamer in de zaak-De Jong Holding. In deze zaak stelde de Ondernemingskamer de vergoeding van de onderzoeker nog niet vast, met als reden dat zij het op prijs zou stellen als de onderzoeker op de mondelinge behandeling van het tweedefaseverzoek aanwezig zou zijn, en de daarmee gemoeide kosten nog niet bekend waren.7 In die zaak was dat praktisch gezien mogelijk, omdat het (verhoogde) onderzoeksbudget daarvoor nog ruimte liet en een van de partijen al had aangekondigd een tweedefaseverzoek te zullen doen. Onderzoekers zouden op een eventuele betrokkenheid bij de tweedefaseprocedure bijvoorbeeld kunnen anticiperen door zo nodig vlak voor de deponering van het verslag nog een verzoek om verhoging van het onderzoeksbudget in te dienen of de Ondernemingskamer te verzoeken om de vaststelling van hun vergoeding aan te houden.8 Aan de andere kant zou ik mij ook kunnen voorstellen dat de onderzoekers dit zien als onbetaald nawerk dat voortvloeit uit de door hen aanvaarde opdracht.