Rechtbank Noord-Holland 6 juli 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:5503.
HR, 17-05-2024, nr. 23/02377
ECLI:NL:HR:2024:718
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-05-2024
- Zaaknummer
23/02377
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Ondernemingsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:718, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑05‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:699
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1199
ECLI:NL:PHR:2023:1199, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:718
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑06‑2023
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2024-0051
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0051
JAR 2024/162 met annotatie van prof. mr. dr. W.A. Zondag
JIN 2024/91 met annotatie van Mr. P.H. Bossema-De Greef
JBPr 2024/46 met annotatie van Mr. P.W. den Hollander
NJ 2025/330 met annotatie van G. van Solinge
JAR 2024/162 met annotatie van prof. mr. dr. W.A. Zondag
Uitspraak 17‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Burgerlijk procesrecht. Bewijsrecht. Verzoek voorlopig getuigenverhoor. Doorbreking rechtsmiddelenverbod van art. 188 lid 2 Rv. Is hof buiten toepassingsgebied art. 186 Rv getreden door voorlopig getuigenverhoor te bevelen terwijl vordering met oog waarop verhoor is verzocht in een, met voldoende waarborgen omklede, kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld? Kerkelijk statuut (art. 2:2 BW).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/02377
Datum 17 mei 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[de bisschop], in zijn hoedanigheid van bisschop van het [bisdom],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de bisschop,
advocaat: A. Knigge,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
advocaat: Y.E.J. Geradts.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C15/314899 / HA RK 21-60 van de rechtbank Noord-Holland van 6 juli 2021;
b. de beschikking in de zaak 200.300.662/01 van het gerechtshof Amsterdam van 21 maart 2023.
De bisschop heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 21 maart 2023 en tot verwijzing.
De advocaat van [verweerder] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verweerder] heeft tot april 2019 gewerkt als pastoor van een rooms-katholieke parochie in [plaats] (hierna: de parochie).
(ii) Eind september 2018 heeft een lid van de diocesane pastorale raad van het bisdom een melding gedaan over [verweerder] bij het Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag RKK (hierna: de melding).
(iii) Bij brief van 14 februari 2019 heeft de bisschop [verweerder] bericht over de afhandeling van de melding en aan [verweerder] een coachingstraject aangeboden.
(iv) In april 2019 heeft [verweerder] een door hem geschreven boek gepresenteerd. Dit boek bevat het levensverhaal van [verweerder], waaronder zijn beleving van het celibaat. De dag na deze boekpresentatie is [verweerder] op non-actief gesteld.
(v) Bij bisschoppelijk decreet van 11 april 2019 is [verweerder] geschorst als priester en bij bisschoppelijk decreet van 24 juni 2019 is [verweerder] ontheven als pastoor van de parochie.
(vi) Bij brief van 27 augustus 2019 heeft de bisschop aan [de kardinaal] (hierna: de kardinaal) van de Congregatie voor de Clerus te Rome (hierna: de Congregatie) de inhoud van de brief van 14 februari 2019, waaronder zijn daarin beschreven zorgen over het gedrag van [verweerder] in de omgang met kinderen, in verkorte vorm meegedeeld.
(vii) Bij brief van 24 december 2019 heeft de bisschop aan [verweerder] meegedeeld dat hij de hiervoor onder (iii) genoemde brief van 14 februari 2019 intrekt “nu op andere wijze wordt voorzien in een traject van bezinning en begeleiding”.
(viii) [verweerder] heeft de hiervoor onder (v) genoemde decreten in een kerkelijke procedure tot in hoogste instantie, te weten de Congregatie, zonder succes aangevochten. Bij decreten van 28 mei 2020 heeft de Congregatie beslist dat [verweerder] geschorst blijft als priester en dat hem het ambt van pastoor wordt ontnomen. Deze decreten zijn door paus Franciscus goedgekeurd.
2.2
[verweerder] heeft in deze procedure verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Aan dit verzoek heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat de bisschop onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem te betichten van imprudent gedrag jegens kinderen, andere minderjarigen en kwetsbaren, en daaraan ruchtbaarheid te geven door het doorzenden van de (hiervoor in 2.1 onder (iii) vermelde) brief van 14 februari 2019 aan de Congregatie. Daarmee is volgens [verweerder] sprake van smaad en/of laster. [verweerder] wenst door het horen van getuigen onder meer duidelijkheid te verkrijgen over de stelling van de bisschop dat hij de aan [verweerder] toegezegde intrekking van deze brief (zie hiervoor in 2.1 onder (vii)) mondeling maar niet schriftelijk heeft meegedeeld aan de Congregatie.
2.3
De rechtbank1.heeft het verzoek van [verweerder] afgewezen.
2.4
Het hof2.heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en heeft het verzoek van [verweerder] in zoverre toegewezen dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden met betrekking tot een vijftal vragen, waarin de bisschop, de kardinaal en [verweerder] als getuigen zullen worden gehoord. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, overwogen:
“3.9 Voor zover het voorlopig getuigenverhoor bedoeld is te achterhalen waarom de intrekking van de brief van 14 februari 2019 van [de bisschop] aan [verweerder] niet schriftelijk is medegedeeld aan de Congregatie – ondanks de verklaring van [de bisschop] dat hij die intrekking mondeling heeft gedaan – is het verzoek wel toewijsbaar omdat niet kan worden gezegd dat de verklaring van [de bisschop] hierover niet relevant kan zijn voor een eventueel te entameren procedure inzake smaad en/of laster. Naar hiervoor reeds is overwogen strekt het voorlopig getuigenverhoor immers mede ertoe [verweerder] de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van de in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen meer zekerheid te verkrijgen omtrent voor de beslissingen van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te entameren. Om zijn procespositie beter te kunnen bepalen, wil [verweerder] weten waarom [de bisschop] de intrekking van de brief niet schriftelijk aan de Congregatie heeft medegedeeld. De omstandigheid dat de Congregatie – die blijkens de stukken kennis heeft genomen van de brief van 14 februari 2019 – heeft geoordeeld dat de brief geen rol heeft gespeeld bij de beslissing de schorsing van [verweerder] als priester en diens ontslag als pastoor te handhaven, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat er immers om dat in de brief van 14 februari 2019 [de bisschop] zijn zorgen heeft geuit over het door hem genoemde imprudent gedrag van [verweerder] jegens minderjarigen en dat hij in verband daarmee [verweerder] coaching heeft aangeboden. [verweerder] stelt dat met het verstrekken van die informatie [de bisschop] de eer en goede naam van [verweerder] heeft aangetast en overweegt daarom een procedure te starten jegens [de bisschop] op grond van onrechtmatige daad. In dit licht bezien heeft [verweerder] belang bij een voorlopig getuigenverhoor dat betrekking heeft op de vraag waarom de intrekking van de brief van 14 februari 2019 niet schriftelijk is medegedeeld teneinde te voorkomen dat deze deel blijft uitmaken van het dossier in de canoniek rechtelijke procedure en onder ogen van anderen komt. (…)
Het verzoek van [verweerder] voor zover dat ziet op het horen van hemzelf, is eveneens toewijsbaar aangezien [verweerder] kan verklaren wat hem is toegezegd over de intrekking van de brief van 14 februari 2019 en de mededelingen daarover aan derden, bijvoorbeeld het verwijderen uit het dossier van de canoniek rechtelijke procedure, en deze verklaring mogelijk relevant kan zijn met het oog op een eventueel te entameren procedure inzake smaad en/of laster. Ten slotte is ook het horen van [de kardinaal] toewijsbaar aangezien de verklaring van deze getuige over de intrekking van de brief van 14 februari 2019 relevant kan zijn met het oog op een eventueel te entameren procedure inzake smaad en/of laster, omdat de kardinaal, als vertegenwoordiger van de Congregatie, kan bevestigen (of ontkennen) dat [de bisschop] mondeling heeft medegedeeld dat hij de brief heeft ingetrokken en dat de brief dus uit het canoniek rechtelijk dossier moet worden verwijderd.”
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
3.1
In zijn beschikking heeft het hof het verzoek van [verweerder] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor gedeeltelijk toegewezen. In zoverre is ingevolge art. 188 lid 2 Rv tegen deze beschikking geen hogere voorziening toegelaten. Degene die in weerwil van dit verbod een rechtsmiddel instelt, is daarin niet ontvankelijk, tenzij een beroep wordt gedaan op een doorbrekingsgrond.3.Daarvan is volgens vaste rechtspraak sprake indien de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.4.
4. Beoordeling van het middel
4.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat op grond van het toepasselijke statuut (als bedoeld in art. 2:2 lid 2 BW) van de Rooms-Katholieke Kerk voor [verweerder] een met voldoende waarborgen omklede kerkelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan. Daarom is geen taak voor de burgerlijke rechter weggelegd en is het hof buiten het toepassingsgebied van art. 186 Rv getreden door het verzoek van [verweerder] toe te wijzen, aldus het onderdeel.
4.2
[verweerder] heeft aan zijn verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ten grondslag gelegd dat de bisschop onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem te betichten van imprudent gedrag jegens kinderen, andere minderjarigen en kwetsbaren, en daaraan ruchtbaarheid te geven door het doorzenden van de brief van 14 februari 2019 (zie hiervoor in 2.1 onder (iii)) aan de Congregatie. Daarmee is volgens [verweerder] sprake van smaad en/of laster (zie hiervoor in 2.2). Dit is de vordering met het oog waarop [verweerder] het voorlopig getuigenverhoor heeft verzocht.
4.3
De burgerlijke rechter dient degene die bij hem opkomt met een vordering betreffende een onderwerp dat valt onder het in art. 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut van een kerkgenootschap, in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren indien de gedaagde zich erop beroept, en toereikend onderbouwt, dat deze vordering uitsluitend in een, met voldoende waarborgen omklede, kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld.
4.4
De bisschop heeft in feitelijke instanties gesteld – welke stelling [verweerder] heeft betwist – dat de vordering van [verweerder] ziet op schending van een norm naar canoniek recht (canon 220, waarin is bepaald dat het niemand geoorloofd is de goede naam die iemand geniet onwettig te schaden of het recht te schenden van wie ook om de eigen privacy te bewaren) en dat hiervoor een procedure naar canoniek recht moet worden gevoerd. De bisschop heeft echter ook gesteld dat voor smaad en laster “ook” een canonieke procedure bestaat waarbij het voor de hand ligt eerst die procedure te volgen, en dat als [verweerder] de bisschop in rechte wil aanspreken wegens smaad en laster, het aan de “civielrechtelijke of kerkrechtelijke” bodemrechter zal zijn om te beoordelen of en in hoeverre bewijslevering aan de orde komt.
4.5
Uit hetgeen de bisschop aldus heeft aangevoerd en de norm van canoniek recht die hij in dat verband heeft ingeroepen, kan niet worden afgeleid dat de vordering met het oog waarop [verweerder] het voorlopig getuigenverhoor heeft verzocht, uitsluitend in een kerkelijke rechtsgang en niet bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.
Reeds hieruit volgt dat het hof niet buiten het toepassingsgebied van art. 186 Rv is getreden door het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toe te wijzen.
4.6
Uit het voorgaande volgt dat de gestelde doorbrekingsgrond zich niet voordoet en dat het cassatieberoep dus moet worden verworpen. Aan een behandeling van de overige klachten van het middel, die betogen dat het hof art. 186 Rv onjuist, dan wel met een onbegrijpelijke motivering heeft toegepast, wordt niet toegekomen.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [de bisschop] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 17 mei 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑05‑2024
Gerechtshof Amsterdam 21 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:699.
HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:344, rov. 3.4.2.
HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1387, rov. 3.1.
Conclusie 22‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Rechtspersonenrecht. Kerkelijk recht. Voorlopig getuigenverhoor. Is uit ambt gezette priester ontvankelijk in verzoek tot houden voorlopig getuigenverhoor voor gestelde onrechtmatige uitlatingen bisschop als de interne kerkelijke rechtsgang niet is doorlopen? Art. 2:2 lid 2 BW. Beoordeling ontvankelijkheid door civiele rechter op grond van statuut van kerkgenootschap.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02377
Zitting 22 december 2023
CONCLUSIE
E.M. Wesseling-van Gent
In de zaak
[de bisschop] ,
tegen
[verweerder] .
1. Aanduiding partijen en korte inhoud zaak
1.1
Partijen worden hierna aangeduid als [de bisschop] en [verweerder] .
1.2
Deze zaak betreft een verzoek van [verweerder] om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Aan dit verzoek heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat [de bisschop] onrechtmatig heeft gehandeld door hem te betichten van imprudent gedrag jegens kinderen, andere minderjarigen en kwetsbaren, en daaraan ruchtbaarheid te geven door middel van het doorzenden van een brief van 14 februari 2019 aan de Congregatie voor de Clerus te Rome en de intrekking van die brief niet (schriftelijk) te melden aan de Congregatie.De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en het hof heeft het verzoek gedeeltelijk toegewezen.In cassatie wordt in de kern geklaagd dat het hof art. 2:2 BW heeft miskend door een voorlopig getuigenverhoor ten overstaan van de civiele rechter toe te wijzen voor een interne kerkelijke kwestie.
2. Feiten en procesverloop
Feiten1.
2.1
[verweerder] , priester van beroep, heeft tot april 2019 gewerkt als pastoor van de [RK Parochie] in [plaats] (hierna: [RK Parochie] ).
2.2
Eind september 2018 heeft [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) een melding gedaan over [verweerder] bij het Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag RKK (hierna: de melding).
2.3
Op 20 november 2018 heeft [de bisschop] met [verweerder] over de melding gesproken. Bij dat gesprek waren tevens aanwezig [betrokkene 2] , canonist en kerkrechtelijk advocaat van [verweerder] (hierna: [betrokkene 2] ), en [betrokkene 3] , kanselier van het [bisdom] .[verweerder] heeft in een brief van 12 december 2018 op dat gesprek en op de melding gereageerd.
2.4
Bij brief van 14 februari 2019 heeft [de bisschop] aan [verweerder] bericht over de afhandeling van de melding en aan [verweerder] een coachingstraject aangeboden. In de brief heeft [de bisschop] geschreven dat [betrokkene 1] bij het meldpunt heeft gemeld:
(i) dat zij een aantal foto’s heeft gezien van het bed van [verweerder] met daarboven kindertekeningen en dat die foto’s naar de ouders en de kinderen zijn verstuurd;
(ii) dat [verweerder] tijdens een jongerenkamp zich in het bijzijn van jongeren en [betrokkene 1] op het strand heeft uitgekleed en met een handdoek om zijn middel zijn zwembroek heeft aangetrokken;
(iii) dat enkele keren tijdens besloten Taizéavonden in 2012 een mannelijke bezoeker aanwezig mocht zijn van wie bij meerdere parochianen bekend was dat hij een bijzondere voorkeur had/heeft voor jonge jongens;
(iv) dat misdienaars van zeven of acht jaar oud aan het einde van de Eucharistieviering de kelk met geconsacreerde wijn moesten leegdrinken; en
(v) dat [verweerder] zijn huishoudster tijdens een feest een glas wijn heeft aangeboden, terwijl hij wist dat zij een verleden had van drugsgebruik, alcoholverslaving en prostitutie.
2.5
In deze brief van 14 februari 2019 heeft [de bisschop] , voor zover in cassatie van belang, daarnaast het volgende geschreven:
“Maar ik zou u van mijn kant wel attent willen maken op het gegeven dat binnen de vertrouwelijkheid van onze conversatie noch uw goede naam noch uw recht op een gerechtelijke beoordeling conform de voorschriften van het recht ook maar even in het geding zijn geweest: zoals betaamt, ga ik vooralsnog uit van uw onschuld, tenzij het tegengestelde bewezen zou worden, en - uitgaande van uw goede wil en uw veronderstelde inzet om van het verleden te willen leren - gaat mijn voorkeur er niet naar uit om de zaak extra te belasten met een gerechtelijke procedure, waarbij ook nog eens gedacht moet worden aan een suspensie van uw priesterlijke taken lopende het onderzoek. Dit alles neemt niet weg dat ik meen te moeten opmerken dat de onderwerpen die tijdens ons gesprek de revue passeerden, weliswaar alle door u in uw beantwoording correct zijn hernomen, maar de antwoorden mij op verschillende punten niet geheel bevredigend voorkomen, niet in het minst door een zekere ambiguïteit van uitdrukkingswijze en een zeer sterkte beklemtoning van uw eigen inschattingsvermogen. Het moge echter duidelijk zijn dat, voorafgaand aan onze eigen voorstellingen en ideeën, ons pastoraal werken slechts naar behoren kan plaatshebben binnen de objectieve zedelijke orde, waarnaar we ons te richten hebben en waarop we ook aangesproken moeten kunnen worden.
Uitgaande hiervan zou ik concreet met u willen komen tot een drievoudige benadering van de omstandigheden waarin u zich naar buiten toe bevindt, en wel met het oog op een pastorale attitude en de mogelijkheid tot persoonlijke verbetering en groei. Belangrijk is daarbij zich de vraag te stellen welk priesterbeeld u naar buiten toe wilt laten zien en of dit overeenkomt met de verwachtingen die de Kerk en haar gelovigen daarbij mogen hebben. Niet minder belangrijk is daarbij ook de vraag in hoeverre u zich dit beeld ook innerlijk eigen heeft gemaakt en ernaar streeft dit te blijven doen.(...)
(3) - Mijn derde aandachtspunt, tevens blijvende zorg, betreft de vraag naar een prudente omgang met kinderen en andere minderjarige personen. Hier geldt toch bijzonder dat onze omgangsvormen naar buiten toe de toets der kritiek glansrijk moeten kunnen doorslaan. Te groot is het leed dat in het verleden is berokkend aan kinderen en jongeren door mensen die de plichten van hun kerkelijk ambt misbruikt of veronachtzaamd hebben. Per 13 april 2018 geldt voor de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland de herziene Gedragscode Pastoraal, waarvan u ongetwijfeld kennis hebt genomen. Deze regels geven de nodige fundamentele informatie inzake een correcte omgang binnen gangbare pastorale verhoudingen. Een verantwoord pastoraat kan echter alleen maar slagen, wanneer bewust afstand genomen wordt van een te eigenmachtig inschatten van wat wel of niet door de beugel kan. Er blijven bij mij helaas te veel onbeantwoorde vragen of u zonder deskundige hulp voldoende bent toegerust om verantwoordelijke beslissingen in de omgang met kwetsbare mensen te kunnen nemen. Wij willen u daarom vragen om gedurende een periode van zes maanden begeleiding van een coach te aanvaarden, met wie u in alle vertrouwen en met diepgang de uitdagingen kunt bespreken waarvoor u staat. We hebben [betrokkene 4] hiertoe bereid gevonden, indien U zelf ervoor open staat deze begeleiding van harte te aanvaarden. Doel van het coachingstraject zal zijn u te helpen bij de inschatting van de verschillende situaties binnen de pastoraal betreffende de omgang met kwetsbare personen. Na drie maanden zal een evaluatie van de voortgang van de coaching plaatsvinden, alsmede na afloop. Graag verneem ik of u bereid bent deze coaching te aanvaarden. (...)”
2.6
In april 2019 heeft [verweerder] een door hem geschreven boek gepresenteerd, getiteld ‘Ontkleed niet naakt staan’. Dit boek bevat het levensverhaal van [verweerder] waaronder zijn beleving van het celibaat. De dag na deze boekpresentatie is [verweerder] op non-actief gesteld.
2.7
Bij bisschoppelijk decreet van 11 april 2019 is [verweerder] geschorst als priester en bij bisschoppelijk decreet van 24 juni 2019 is [verweerder] ontheven als pastoor van [RK Parochie] . [verweerder] heeft deze decreten in de daartoe aangewezen kerkrechtelijke procedure tot in hoogste instantie, te weten de Congregatie voor de Clerus te Rome (hierna: de Congregatie), zonder succes aangevochten.Bij decreet van 28 mei 2020 van de Congregatie is beslist dat [verweerder] geschorst blijft als priester en bij decreet van dezelfde datum heeft de Congregatie beslist dat [verweerder] het ambt van pastoor wordt ontnomen (hierna gezamenlijk ook wel te noemen: de Romeinse decreten). De Romeinse decreten zijn op 31 mei 2020 door paus Franciscus goedgekeurd. Latere verzoeken van [verweerder] en sympathisanten (‘getuigen’) om herziening van deze decreten en nader onderzoek, zijn afgewezen door de Congregatie.
2.8
Bij brief van 27 augustus 2019, die is gesteld in de Italiaanse taal, heeft [de bisschop] aan [de kardinaal] (hierna: [de kardinaal] ) van de Congregatie de inhoud van de brief van 14 februari 2019 waaronder zijn daarin beschreven zorgen omtrent het gedrag van [verweerder] in de omgang met kinderen, in verkorte vorm meegedeeld.
2.9
Bij brief van 24 december 2019 aan [verweerder] heeft [de bisschop] de brief van 14 februari 2019 aan [verweerder] ingetrokken met de vermelding "nu op andere wijze wordt voorzien in een traject van bezinning en begeleiding".
Procesverloop2.
2.10
[verweerder] heeft bij inleidend verzoekschrift, gedateerd 2 april 2021, de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, teneinde vijftien getuigen te horen die kunnen verklaren over de feiten en omstandigheden die zien op de melding, waarover [de bisschop] op 3 oktober 2018 met [betrokkene 1] en 20 november 2018 met [verweerder] heeft gesproken.3.Verder wilde [verweerder] door middel van het horen van getuigen duidelijkheid verkrijgen over de stelling van [de bisschop] dat hij de aan [verweerder] toegezegde intrekking van de brief van 14 februari 2019 mondeling maar niet schriftelijk heeft gecommuniceerd met de Congregatie. De brief waarin [de bisschop] refereert aan de melding van [betrokkene 1] , werkt immers door in de Romeinse decreten. Ook wilde [verweerder] weten wat [de bisschop] heeft ondernomen in het kader van onderzoek naar de aantijgingen die hij “klakkeloos heeft overgenomen” van [betrokkene 1] en heeft geventileerd in de brief van 14 februari 2019, in dit verband hoe de interactie tussen meldster [betrokkene 1] , het Meldpunt en [de bisschop] precies is geweest en of [de bisschop] met de ouders en/of betrokkenen heeft gesproken en zelf onderzoek heeft gedaan. Ten slotte wilde [verweerder] weten hoe het Meldpunt zelf de melding heeft behandeld en beoordeeld.4.
2.11
[verweerder] heeft, kort gezegd, aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat [de bisschop] onrechtmatig heeft gehandeld door [verweerder] te betichten van imprudent gedrag jegens kinderen, andere minderjarigen en kwetsbaren, en daaraan ruchtbaarheid te geven door middel van het doorzenden van zijn brief van 14 februari 2019 aan de Congregatie. Daarmee is sprake van smaad en laster door [de bisschop] , aldus [verweerder] .5.
2.12
[de bisschop] heeft verweer gevoerd en daarbij gesteld dat (1) het verzoek niet aan de wettelijke vereisten voldoet, (2) [verweerder] geen belang bij zijn verzoek heeft, (3) [verweerder] misbruik maakt van de bevoegdheid tot het inzetten van een voorlopig getuigenverhoor, (4) het verzoek in strijd is met de goede procesorde en (5) het verzoek afstuit op andere bezwaren van zwaarwegende aard.6.
2.13
De rechtbank heeft het verzoek van [verweerder] bij beschikking van 6 juli 2021 afgewezen.
2.14
[verweerder] is, onder aanvoering van tien grieven, van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam en heeft daarbij geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, na vermindering van eis, (alsnog) - uitvoerbaar bij voorraad - zal bepalen dat een voorlopig getuigenverhoor wordt gehouden teneinde de in het beroepschrift vermelde getuigen te doen horen.
2.15
[verweerder] heeft in zijn beroepschrift andermaal gesteld dat [de bisschop] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld omdat zijn gedragingen en uitlatingen kunnen worden betiteld als smaad en laster en dat hij, alvorens een procedure aan te vangen, antwoord wil op een zevental vragen.7.
2.16
[de bisschop] heeft de grieven bestreden en, verkort weergegeven, geconcludeerd dat het hof het verzoek van [verweerder] zal afwijzen.
2.17
Het hof heeft de zaak op 30 september 2022 mondeling behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen [verweerder] , bijgestaan door zijn advocaat, alsmede [betrokkene 2] en [betrokkene 5] . Aan de zijde van [de bisschop] zijn verschenen [betrokkene 6] , algemeen econoom van het [bisdom] , bijgestaan door mr. M. Bakhuis, advocaat te Haarlem.De advocaten van partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde schriftelijke spreekaantekeningen.
2.18
Het hof heeft bij beschikking van 21 maart 2023 de beschikking van de rechtbank vernietigd en heeft opnieuw rechtdoende, voor zover thans van belang,- bevolen dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden met betrekking tot de in de bestreden beschikking in rov. 3.4.2 onder 1, 2, 4, 6 en 7 vermelde vragen;- bepaald dat als getuigen zullen worden gehoord: [de bisschop] , [de kardinaal] en [verweerder] en- de zaak daartoe naar de rechtbank Noord-Holland verwezen.Het hof heeft verder het meer of anders verzochte afgewezen.
2.19
[de bisschop] heeft van deze beschikking (hierna: de bestreden beschikking) tijdig8.cassatieberoep ingesteld.[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping.9.
3. Ontvankelijkheid cassatieberoep
3.1
Art. 188 lid 2 Rv bepaalt dat voor zover een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen, geen hogere voorziening is toegelaten. Een dergelijk rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken indien een van de in de rechtspraak ontwikkelde doorbrekingsgronden wordt aangevoerd.10.In cassatie wordt gesteld dat het hof ten onrechte art. 2:2 lid 2 BW buiten toepassing heeft gelaten11.en dat is een van de doorbrekingsgronden.
3.2
Het voorgaande brengt mee dat [de bisschop] ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.
3.3
Vervolgens moet de in het cassatiemiddel aangevoerde doorbrekingsgrond worden beoordeeld.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel bevat vier onderdelen met een toelichting, en een veegklacht.
4.2
Onderdeel 1 richt zich met name tegen rov. 3.9 t/m 3.13, waarin het hof het in rov. 3.6 en 3.7 opgenomen juridische kader als volgt heeft toegepast:
“3.9 Voor zover het voorlopig getuigenverhoor bedoeld is te achterhalen waarom de intrekking van de brief van 14 februari 2019 van [de bisschop] aan [verweerder] niet schriftelijk is medegedeeld aan de Congregatie - ondanks de verklaring van [de bisschop] dat hij die intrekking mondeling heeft gedaan - is het verzoek wel toewijsbaar omdat niet kan worden gezegd dat de verklaring van [de bisschop] hierover niet relevant kan zijn voor een eventueel te entameren procedure inzake smaad en/of laster. Naar hiervoor reeds is overwogen strekt het voorlopig getuigenverhoor immers mede ertoe [verweerder] de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van de in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen meer zekerheid te verkrijgen omtrent voor de beslissingen van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te entameren. Om zijn procespositie beter te kunnen bepalen, wil [verweerder] weten waarom [de bisschop] de intrekking van de brief niet schriftelijk aan de Congregatie heeft medegedeeld. De omstandigheid dat de Congregatie - die blijkens de stukken kennis heeft genomen van de brief van 14 februari 2019 - heeft geoordeeld dat de brief geen rol heeft gespeeld bij de beslissing de schorsing van [verweerder] als priester en diens ontslag als pastoor te handhaven, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat er immers om dat in de brief van 14 februari 2019 [de bisschop] zijn zorgen heeft geuit over het door hem genoemde imprudent gedrag van [verweerder] jegens minderjarigen en dat hij in verband daarmee [verweerder] coaching heeft aangeboden. [verweerder] stelt dat met het verstrekken van die informatie [de bisschop] de eer en goede naam van [verweerder] heeft aangetast en overweegt daarom een procedure te starten jegens [de bisschop] op grond van onrechtmatige daad. In dit licht bezien heeft [verweerder] belang bij een voorlopig getuigenverhoor dat betrekking heeft op de vraag waarom de intrekking van de brief van 14 februari 2019 niet schriftelijk is medegedeeld teneinde te voorkomen dat deze deel blijft uitmaken van het dossier in de canoniek rechtelijke procedure en onder ogen van anderen komt. Aldus heeft [verweerder] aangegeven welke stellingen en feiten hij met behulp van het getuigenverhoor wil ophelderen. Daarmee heeft [verweerder] voldoende inzicht gegeven in het feitelijk gebeuren waarop het getuigenverhoor betrekking zal hebben. Dit betekent dat de hiervoor onder 3.4.2 sub 1, 2, 4, en 6 vermelde vragen in een verhoor van [de bisschop] aan de orde kunnen komen. Het verzoek van [verweerder] voor zover dat ziet op het horen van hemzelf, is eveneens toewijsbaar aangezien [verweerder] kan verklaren wat hem is toegezegd over de intrekking van de brief van 14 februari 2019 en de mededelingen daarover aan derden, bijvoorbeeld het verwijderen uit het dossier van de canoniek rechtelijke procedure, en deze verklaring mogelijk relevant kan zijn met het oog op een eventueel te entameren procedure inzake smaad en/of laster. Ten slotte is ook het horen van [de kardinaal] toewijsbaar aangezien de verklaring van deze getuige over de intrekking van de brief van 14 februari 2019 relevant kan zijn met het oog op een eventueel te entameren procedure inzake smaad en/of laster, omdat de kardinaal, als vertegenwoordiger van de Congregatie, kan bevestigen (of ontkennen) dat [de bisschop] mondeling heeft medegedeeld dat hij de brief heeft ingetrokken en dat de brief dus uit het canoniek rechtelijk dossier moet worden verwijderd.
3.10
Voor zover [de bisschop] heeft betoogd dat het verzoek om getuigen te doen horen [verweerder] niet zal helpen in een eventuele procedure inzake smaad en/of laster omdat een eventuele vordering op [de bisschop] kansloos is, wordt dat betoog verworpen. Naar hiervoor reeds is overwogen, ligt bij de beoordeling van de toewijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor de slagingskans van een in te stellen vordering immers niet ter toetsing voor.
3.11
Het hof acht voorts onvoldoende aannemelijk dat [verweerder] met het verzoek van zijn bevoegdheid tot het bezigen van het voorlopig getuigenverzoek misbruik maakt. Het toewijsbaar geachte deel van het verzoek heeft immers geen betrekking op de melding, maar op de vraag waarom [de bisschop] , ondanks zijn toezegging aan [verweerder] , niet schriftelijk heeft medegedeeld aan derden dat de brief was ingetrokken, teneinde te voorkomen dat deze onderdeel zou blijven van het dossier in de canoniek rechtelijke procedure voor de Congregatie. Evenmin zijn door [de bisschop] voldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat vanwege onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen [verweerder] in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten.
3.12
Ten slotte is het hof van oordeel dat het onderhavige verzoek niet strijdig is met de goede procesorde.
3.13
Concluderend is het hof van oordeel dat [verweerder] recht en belang heeft bij het voorlopig horen van [de bisschop] , [de kardinaal] en zichzelf.”
4.3
Onderdeel 1 bestaat uit twee subonderdelen.In subonderdeel 1.1 wordt, zakelijk en verkort weergegeven, geklaagd dat het hof ten onrechte heeft verzuimd art. 2:2 lid 2 BW toe te passen, ambtshalve, dan wel op de voet van art. 25 Rv, en met inachtneming van de devolutieve werking van het hoger beroep. Het hof heeft volgens de klacht nagelaten te beoordelen of met de voorgenomen vordering van [verweerder] een inhoudelijke beoordeling door de burgerlijke rechter in een civiele procedure gerechtvaardigd en geboden is. Subsidiair wordt geklaagd dat het hof art. 2:2 lid 2 BW en het daaraan ten grondslag liggende beginsel van scheiding van kerk en staat heeft geschonden en met zijn oordeel blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door art. 186 in verbinding met art. 166 Rv toe te passen op het verzoek van [verweerder] . Subonderdeel 1.2 bevat een motiveringsklacht.
4.4
In de toelichting op het onderdeel wordt voorop gesteld dat het hof bevoegdheid om te oordelen kon aannemen voor zover [verweerder] in zijn verzoek heeft gesteld dat [de bisschop] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door zich schuldig te hebben gemaakt aan smaad en laster.12.Uit het verzoekschrift van [verweerder] en het beroepschrift in hoger beroep blijkt volgens de toelichting echter duidelijk dat de door [verweerder] gemaakte verwijten betrekking hebben op het handelen en nalaten van [de bisschop] in zijn hoedanigheid van bisschop, in een kerkelijke kwestie die speelt in een kerkelijke procedure, inzake het functioneren van [verweerder] als priester en pastoor. [verweerder] baseert zijn vermeende vordering wegens smaad en laster op uitlatingen van [de bisschop] in de brieven van 14 februari en 27 augustus 2019, en op “onduidelijkheid" over het “intrekken” van de brief van 14 februari 2019. Deze beide brieven zijn geschreven (uitsluitend) in het kader van de kerkelijke kwestie dan wel procedure rondom de schorsing van [verweerder] als priester en ontslag als pastoor en betreffen zijn functioneren als geestelijke binnen de Rooms Katholieke Kerk. [verweerder] is het oneens met de manier waarop [de bisschop] in zijn functie heeft gehandeld, waaronder het mondelinge “intrekken” van een deel van de brief van 14 februari 2019 en het versturen van de brief van 27 augustus 2019 aan [de kardinaal] . [verweerder] meent dat [de bisschop] schriftelijk had moeten mededelen aan de Congregatie en de Paus dat hij (een deel van) de brief introk dan wel de daarin genoemde maatregelen zou laten vervangen door andere maatregelen in het geval dat [verweerder] een bezinningstraject zou doorlopen. De stellingen van [verweerder] laten geen andere conclusie toe dan dat de brief van 14 februari 2019 - die zoals het hof vaststelt, deel uitmaakt van het dossier in de canoniekrechtelijke procedure - en het (verweten) handelen van [de bisschop] met betrekking tot die brief in het kader van de lopende kerkelijke procedures onmiskenbaar onder de reikwijdte vallen van het statuut van het kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 2 BW, aldus de toelichting.
4.5
Met betrekking tot de klacht dat het hof met inachtneming van de devolutieve werking van het hoger beroep de rechtsgronden van het verweer van [de bisschop] had moeten aanvullen, wordt er in de toelichting op gewezen dat [de bisschop] bij herhaling een beroep heeft gedaan op het primaat van het kerkelijk statuut en dat [verweerder] met zijn klachten over het handelen van [de bisschop] zijn belangen in een kerkelijke procedure aan de orde kan stellen.13.In de toelichting14.wordt hierbij o.m. verwezen naar de in eerste aanleg ingenomen stellingen dat, als [verweerder] meent dat er nog gronden zouden zijn om [de bisschop] aan te spreken omdat zijn goede naam ten onrechte zou zijn geschaad, (i) het in dat geval gaat om schending van een norm naar canoniek recht (canon 220 van het kerkelijk wetboek, Codex luris Canonici15.), (ii) dat hiervoor een procedure naar canoniek recht moet worden gevoerd16.en (iii) dat [verweerder] in dat geval een klacht tegen dit handelen van de bisschop kan indienen bij de competente Congregatie [sinds 2022 "Dicasterie" genaamd] binnen de Romeinse Curie (en eventueel tegen de beslissing van die Congregatie in beroep gaan bij de Apostolische Signatura, de hoogste rechtbank van de katholieke kerk). Ook in hoger beroep is, aldus de toelichting, gesteld dat een eventuele procedure wegens smaad tegen [de bisschop] wordt beheerst door het canonieke recht (canon 220 van het kerkelijk wetboek, Codex luris Canonici) en dat hiervoor een procedure naar Canoniek recht moet worden gevoerd.17.
4.6
De toelichting wijst er verder nog op dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat geen taak voor de burgerlijke rechter is weggelegd indien, zakelijk weergegeven, een partij een voorziening verlangt met het oog op een procedure bij een andere rechter.18.Art. 186 in verbinding met art. 166 Rv komt als gevolg daarvan volgens de toelichting niet voor toepassing in aanmerking.
4.7
Ik betrek bij de behandeling van het onderdeel het volgende.19.
Art. 2:2 BW20.
4.8
Art. 2:2 BW bepaalt in het eerste lid dat kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en de lichamen waarin zij zijn verenigd, rechtspersoonlijkheid bezitten. Zij worden, aldus het tweede lid van art. 2:2 BW, geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet.21.Kerkgenootschappen zijn dus rechtspersonen van eigen aard.22.
4.9
Art. 2:2 BW voorziet kerkgenootschappen van een vergaande organisatievrijheid, die zowel de oprichting als de inrichting omvat.23.Asser/Rensen typeert art. 2:2 BW als meer een verwijzingsregel dan een materiële regeling van Nederlands recht. Het zegt dat niet het Nederlandse recht, maar het vreemde, kerkelijke recht van toepassing is.24.Dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet, berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat.25.Dit beginsel wordt gekenmerkt door het in art. 6 van de Grondwet verankerde non-interventiebeginsel (vrijheid van godsdienst26.).27.
4.10
Art. 2:2 lid 2 BW bevat een aantal begrippen die niet nader zijn gedefinieerd, waaronder ‘kerkgenootschap’28., ‘statuut’ en ‘de wet’. De Hoge Raad heeft de begrippen ‘statuut’ en ‘wet’ in het arrest NGK/ […]29.als volgt nader ingevuld:
“ 3.2 (…) Wat in een concreet geval behoort tot het statuut van een kerkgenootschap, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen behoren daartoe regelingen over de organisatiestructuur en het interne functioneren van het kerkgenootschap, waaronder regels over het bestuur van het kerkgenootschap en over de verhouding tussen het kerkgenootschap en zijn geestelijk ambtsdrager(s).30.Uit art. 2:2 lid 2 BW volgt dat het eigen statuut alleen geldt voor zover dit niet in strijd is met de wet. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het begrip ‘wet’ in deze bepaling verwijst naar bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend recht’, waarbij is gedacht aan ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’.31.
3.3
Gelet op het voorgaande brengt de in art. 2:2 lid 2 BW vervatte inrichtingsvrijheid mee dat een kerkgenootschap de rechtsverhouding tot een geestelijk ambtsdrager in zijn statuut in beginsel naar eigen inzicht kan vormgeven. Daarbij is afwijking van dwingend recht mogelijk, tenzij dat recht een belang van zo fundamentele aard beschermt dat afwijking van dat dwingend recht in de omstandigheden van het geval, ondanks de aan kerkgenootschappen toekomende inrichtingsvrijheid, niet kan worden aanvaard.”
4.11
In Asser/Rensen is het statuut nader gedefinieerd als het geheel van regels dat het kerkgenootschap zichzelf geeft voor de normering van verhoudingen die het kerkgenootschap, volgens het civiele recht, autonoom kan regelen. Het kerkelijk recht32., het interne recht in de kerkgenootschappen, bepaalt de inhoud van die regels. Het civiele recht bepaalt de omvang van het statuut, dat wil zeggen welke verhoudingen aan de autonomie van het kerkgenootschap worden overgelaten.33.
4.12
Volgens Pel34.kan de inhoud en omvang van een statuut van een kerkgenootschap sterk variëren, maar bestaat het kerkelijk statuut in de uiteenlopende kerkgenootschappen in meer of mindere mate telkens uit de volgende bestanddelen: het geschreven (kerk)recht, kerkelijke besluiten, kerkelijke jurisprudentie, ongeschreven kerkelijke traditie(s) of gewoonten35.en de kerkelijke doctrine. Die regeling(en) kunnen verschillend zijn aangeduid (kerkorde, reglement, statuut, gedragscode36.) en zijn primair ontwikkeld op basis van (rechts)bronnen gerelateerd aan de eigen kerkelijke geloofsidentiteit.37.
4.13
Een statuut kan bijvoorbeeld regels bevatten over het bestuur van het kerkgenootschap, over de verhouding tussen het kerkgenootschap en zijn geestelijk ambtsdrager(s)38.en over de verhoudingen tussen de leden en/of ambtsdragers onderling39.. Een ander voorbeeld is de regeling van interne geschilbeslechting.40.
4.14
Wat in een concreet geval tot het statuut behoort, zal op basis van het arrest NGK/ […] van geval tot geval moeten worden nagegaan. Het statuut in de zin van art. 2:2 lid 2 BW is in ieder geval geen recht in de zin van art. 79 RO; oordeel over en uitleg van het statuut zijn daarom van feitelijke aard.41.
4.15
Onder strijd met de wet in art. 2:2 BW moet niet worden verstaan elke strijdigheid met een wet in formele zin of een dwingende wetsbepaling. De Hoge Raad heeft in het hiervoor onder 4.10 geciteerde arrest NGK/ […] beslist dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat onder ‘wet’ in dit verband moet worden verstaan: bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend recht’ in de zin van ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’.42.
Bevoegdheid civiele rechter en ontvankelijkheid
4.16
De toegang tot de civiele rechter in kerkelijke geschillen is begrensd.43.De bevoegdheid van de civiele rechter wordt volgens vaste rechtspraak bepaald aan de hand van het door de eiser of verzoeker ingeroepen recht.44.Deze regel geldt ook voor de bevoegdheid van de civiele rechter in kerkelijke geschillen.45.Kerken en hun functionarissen kunnen dus op grond van art. 6:162 BW worden aangesproken. Bij de invulling van de zorgvuldigheidsnorm uit die bepaling dient wel rekening te worden gehouden met de kerkelijke context van het gewraakte handelen en dus ook met kerkelijk recht.46.
4.17
Met die bevoegdheid is echter niet gegeven dat een partij ook ontvankelijk is in zijn vordering of verzoek. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid is de taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en een andere (bijzondere) rechter van belang. Indien de wet een bijzondere rechtsgang heeft aangewezen, dient de burgerlijke rechter degene die bij hem opkomt in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren indien de voorgeschreven bijzondere rechtsgang met voldoende waarborgen is omkleed, aldus de Hoge Raad in het arrest Universiteiten/SCAU.47.Ontbreken deze voldoende waarborgen, dan verleent de burgerlijke rechter wel aanvullend rechtsbescherming. Aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter wordt ook verleend als voor de betrokkene geen enkele mogelijkheid heeft open gestaan om het geschil aan een andere rechter voor te leggen.48.
4.18
De hiervoor genoemde beoordeling van de ontvankelijkheid geldt ook in de situatie dat in het statuut van een kerkgenootschap is voorzien in een eigen rechtsgang.49.In een arrest van 19 januari 2010 heeft het gerechtshof Arnhem in een geschil tussen een uit het ambt ontzette predikant en de kerkgenootschap over de ontvankelijkheid van de predikant dienaangaande het volgende overwogen50.:
“3.3.4 Ingevolge artikel 2:2 van het Burgerlijk Wetboek, worden kerkgenootschappen geregeerd door hun eigen statuut voor zover dit niet in strijd is met de wet. De CGK Zeewolde is een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW. Ook de classis, als lichaam waarin de classiskerken verenigd zijn, en de leden van de kerkgenootschappen en -lichamen zijn gebonden aan het statuut waar het kwesties betreft tussen de kerk en haar leden die door het statuut worden geregeld. Dit statuut is hier de Kerkorde, aangevuld door kerkelijke uitvoeringsregelingen, kerkelijke jurisprudentie en doctrine. Wanneer de geschilbeslechting is opgedragen aan de kerkelijke rechter, dienen de partijen bij een geschil dat zowel kerkrechtelijke als civielrechtelijke aspecten heeft in beginsel deze rechtsgang te volgen. Indien zij niet eerst deze rechtsgang volgen, zijn zij in hun vordering bij de burgerlijke rechter in beginsel niet ontvankelijk. (…)
3.3.5
Zwaarwegende omstandigheden kunnen echter maken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de rechtzoekende te vergen om de kerkelijke rechtsgang te volgen. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat het statuut voor het betreffende geschil geen voorschriften bevat, of indien de kerkelijke rechtsgang niet voldoet aan fundamentele beginselen van procesrecht.”
4.19
In de literatuur wordt, veelal met verwijzing naar deze uitspraak van het gerechtshof Arnhem uit 2010, het standpunt ingenomen dat als de geschilbeslechting volgens het statuut is opgedragen aan de kerkelijke rechter, de partijen bij een geschil dat zowel kerkrechtelijke als civielrechtelijke aspecten heeft, in beginsel deze kerkelijke rechtsgang dienen te volgen.51.Daarnaast wordt in de literatuur het oordeel van het hof in rov. 3.3.5 onderschreven dat partijen, indien de interne rechtsgang niet eerst wordt gevolgd, in hun vordering bij de burgerlijke rechter in beginsel niet ontvankelijk zijn, tenzij sprake is van zwaarwegende (procedurele)52.omstandigheden. Als voorbeelden van dergelijke zwaarwegende omstandigheden worden genoemd dat het statuut voor het desbetreffende geschil geen voorschriften bevat of dat de kerkelijke rechtsgang niet voldoet aan fundamentele beginselen van het (proces)recht.53.
4.20
Indien de kerkelijke rechtsgang met voldoende waarborgen is omkleed en geheel is doorlopen, kan de civiele rechter volgens o.a. Pel, Van Kooten, Keijzer & Oldenhuis de kerkrechtelijke beslissing als ‘restrechter’ slechts marginaal toetsen.54.
4.21
Op grond van het voorgaande moet de civiele rechter dus in het kader van de ontvankelijkheid beoordelen of (i) de toepasselijke regeling in het statuut niet in strijd is met bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend recht’ in de zin van ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’ (zie hiervoor onder 4.15) en (ii) of aanvullende rechtsbescherming nodig is door de burgerlijke rechter (zie hiervoor onder 4.17) op de grond dat de interne kerkelijke rechtsgang niet met voldoende (processuele) waarborgen is omkleed.
Behandeling van onderdeel 1
4.22
De klacht dat het hof ten onrechte heeft verzuimd art. 2:2 lid 2 BW toe te passen, slaagt.Uit de bestreden beschikking blijkt nergens dat het hof de onder 4.21 omschreven beoordeling heeft toegepast, niettegenstaande het daarop betrekking hebbende betoog van [de bisschop] in eerste aanleg (het gaat om een interne kwestie, althans een schending van een norm naar canoniek recht die aan de competente Congregatie is voorbehouden, zodat [verweerder] niet ontvankelijk dient te worden verklaard55.) en in hoger beroep (het betreft een interne kerkelijk kwestie en een schending van canoniek recht waarvoor een procedure naar canoniek recht moet worden gevoerd56.).
4.23
Bij de hiervoor genoemde vereiste beoordeling van de ontvankelijkheid van [verweerder] in zijn verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor had het hof ook de vaste rechtspraak57.dienen te betrekken dat een voorlopig getuigenverhoor uitsluitend toelaatbaar is met het oog op een, al dan niet reeds aanhangige, geding voor de burgerlijke rechter. Indien dat verhoor wordt verzocht om feiten te doen ophelderen of vaststellen ten behoeve van een procedure bij een andere rechter, is het verzoek niet toewijsbaar.58.
4.24
Onderdeel 1 slaagt dus, met als gevolg dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden verwezen naar een ander hof.
4.25
In de verwijzingsprocedure zal, met toepassing van de hiervoor onder 4.21 beschreven beoordeling, moeten worden onderzocht of het toepasselijke kerkelijke recht een (vergelijkbare) voorziening biedt voor de procedure die [verweerder] wenst in te stellen, te weten een vordering op de voet van art. 6:162 BW, omdat de gedragingen en uitlatingen van [de bisschop] z.i. kunnen worden betiteld als smaad en/of laster.59.Indien het canonieke recht die voorziening biedt, en die voorziening met voldoende waarborgen is omkleed60.en de toepasselijke regeling in het statuut niet in strijd is met bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend recht’ in de zin van ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’, moet [verweerder] de interne kerkelijke rechtsgang volgen. Het bij inleidend verzoekschrift ingestelde verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor kan dan niet tot toewijzing leiden omdat een dergelijk verzoek niet kan dienen voor een procedure bij een andere dan de civiele rechter.
4.26
In het verweerschrift in cassatie wordt daarnaast op andere nog openliggende vragen gewezen, zoals de omvang van het statuut van de kerkgenootschap (par. 3.11-3.15) en de vraag in hoeverre [de bisschop] , al dan niet in functie of in privé (par. 3.10), onder de reikwijdte van dat statuut valt (par. 3.2 e.v.).
4.27
Onderdeel 2, dat zich richt tegen rov. 3.7 en 3.10, bouwt op onderdeel 1 voort met het betoog, zakelijk weergegeven, dat het hof heeft miskend dat vooruitlopen op de toewijsbaarheid van de vordering in de bodemprocedure kan worden meegewogen als blijkt dat die vordering juridisch geen kans van slagen zou hebben.
4.28
In het verlengde van het slagen van onderdeel 1, slaagt ook deze klacht.61.Voor het overige behoeft onderdeel 2 geen verdere behandeling.
4.29
Ook onderdeel 3 bouwt op onderdeel 1 voort voor zover wordt geklaagd dat het hof bovendien met schending van art. 2:2 lid 2 BW heeft miskend dat de vraag wat deel uitmaakt van het dossier in de canoniek rechtelijke procedure wordt bepaald door het canonieke recht.
4.30
De klacht slaagt in het verlengde van onderdeel 1. Behandeling van onderdeel 3 voor het overige laat ik achterwege.
4.31
Onderdeel 4 is gericht tegen de laatste volzin van rov. 3.9, waarin het hof het horen van [de kardinaal] als volgt heeft toegewezen:
“3.9 (…) Ten slotte is ook het horen van [de kardinaal] toewijsbaar aangezien de verklaring van deze getuige over de intrekking van de brief van 14 februari 2019 relevant kan zijn met het oog op een eventueel te entameren procedure inzake smaad en/of laster, omdat de kardinaal, als vertegenwoordiger van de Congregatie, kan bevestigen (of ontkennen) dat [de bisschop] mondeling heeft medegedeeld dat hij de brief heeft ingetrokken en dat de brief dus uit het canoniek rechtelijk dossier moet worden verwijderd.”
4.32
Het onderdeel klaagt dat deze toewijzing een ontoelaatbare verrassingsbeslissing betreft nu dit oordeel niet kan zijn gebaseerd op stellingen van beide partijen.62.Daarnaast wordt geklaagd dat de volgens het onderdeel: “zelfbedachte” redenering van het hof om het verzoek toe te wijzen, volledig uit de lucht komt vallen en als zodanig onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.63.
4.33
[verweerder] heeft in par. 19 van zijn beroepschrift bij vraag 7 met zoveel woorden het verzoek gedaan om [de kardinaal] te horen. Daarop heeft het hof gerespondeerd.Het onderdeel gaat er daarnaast aan voorbij dat de brief aan [de kardinaal] en de rol daarvan in het kader van een mogelijk vervolg (de procedure smaad/laster) in zowel de processtukken64.als tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is geweest65.. In zoverre heeft het hof niet buiten het procesdebat om en bij wijze van (ongeoorloofde) verrassing het verzoek toegewezen om [de kardinaal] te horen.
4.34
Onderdeel 4 faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.
4.35
Onderdeel 5 dat een voortbouwklacht bevat, slaagt voor zover het voortbouwt op het slagen van de voorgaande onderdelen.
4.36
In de procesinleiding onder 5.2 wordt nog gesteld dat indien één of meer van de klachten doel treffen, de zaak zonder verder onderzoek in feitelijke instantie door de Hoge Raad kan worden afgedaan. Ik meen dat dat standpunt onjuist is en verwijs daarvoor naar hetgeen ik onder 4.25-4.26 heb opgemerkt.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 21 maart 2023 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑12‑2023
Het gerechtshof Amsterdam heeft in zijn beschikking van 21 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:699 (hierna: de bestreden beschikking) in rov. 2 overwogen dat het de door de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, vastgestelde feiten overneemt en heeft vervolgens onder (i) t/m (viii) zelf de feiten weergegeven. De in deze conclusie genoemde feiten zijn daaraan ontleend, op een enkel punt aangevuld met een door de rechtbank in de beschikking van 6 juli 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:5503, vastgesteld feit.
Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de beschikking van de rechtbank van 6 juli 2021 (hierna: de beschikking van de rechtbank), rov. 1. Zie voor het procesverloop in hoger beroep de bestreden beschikking, rov. 1.
Zie de beschikking van de rechtbank, rov. 3.1.
Zie rov. 3.1 van de bestreden beschikking.
Rov. 3.2 van de beschikking van de rechtbank.
Rov. 3.3 van de beschikking van de rechtbank.
Deze vragen zijn in rov. 3.4.2 van de bestreden beschikking opgenomen.
De procesinleiding is op 20 juni 2023 ingediend in het webportaal van de Hoge Raad.
De procesdossiers in deze zaken stemmen niet geheel overeen. Het A-dossier bevat niet het proces-verbaal van de zitting van 30 september 2021 bij het hof. Het B-dossier bevat niet de stukken die in cassatie zijn overgelegd.
Zie over doorbrekingsgronden o.a. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/253 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/24. Zie over doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 188 lid 2 Rv o.a. G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 188 Rv, aant. 3.2 (actueel t/m 13-08-2023) en Van Nispen/Lock, T&C Rv, commentaar op art. 188 Rv, aant. 2 (actueel t/m 01-07-2023).
Procesinleiding, p. 15.
In de toelichting op het onderdeel wordt verwezen naar: het inleidend verzoekschrift, par. 17, 18 en 22-24; het verweerschrift in eerste aanleg, par. 28 en 48; beroepschrift, par. 18, 19, 21, 34-35, 44, 47-49 en naar het verweerschrift in hoger beroep, par. 7, 20 en 76.
Verweerschrift in eerste aanleg, par. 4, 9, 17, 20, 22-23, 26, 31, 33, 88-89, 106-109, 113. Verweerschrift in hoger beroep, par. 56 onder B, eerste t/m derde bullet, 56 onder D, eerste bullet, 63-66, 76-77, 90-91, 101. Pleitnotities [de bisschop] in hoger beroep, par. 14, 32.
Procesinleiding, par. 1.11 onder j met verwijzing naar het verweerschrift in eerste aanleg, par. 106-109.
Procesinleiding, voetnoot 69: Canon 220 van het kerkelijk wetboek, Codex luris Canonici bepaalt: 'Het is niemand geoorloofd de goede naam die iemand geniet onwettig te schaden, of het recht te schenden van wie ook om de eigen privacy te bewaren '
Procesinleiding, voetnoot 70: Canon 221 van het kerkelijk wetboek, Codex luris Canonici bepaalt: 'De christengelovigen komt het toe de rechten die zij in de Kerk genieten, wettig op te eisen en te verdedigen voor een bevoegde kerkelijke instantie volgens het recht.'
Procesinleiding, pagina 24, onder n, met verwijzing naar pleitnotities [de bisschop] in hoger beroep, par. 32.
De toelichting op het onderdeel verwijst hierbij naar o.m. HR 15 juli 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC4268, NJ 1988/2, m.nt. W.H. Heemskerk; HR 20 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1094, NJ 1990/825, m.nt. J.B.M. Vranken ([…] /Oss), rov. 3.2; HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, NJ 2019/412, m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans (Box Consultants c.s./Staat), rov. 3.6.2.
Het geschetste juridisch kader is toegespitst op de in cassatie voorliggende vraag.
Zie o.m. de volgende literatuur in chronologische volgorde: Asser/Rensen 2-III 2022; T. van Kooten, Het kerkgenootschap in de neutrale staat, een verkenning en analyse van de positie van het kerkgenootschap binnen de Nederlandse rechtsorde, diss. 2017; P.T. Pel, ‘Hun eigen statuut: kerkelijk primaat of statelijk privaat?’, NTKR 2018/2; A.H. Santing-Wubs, Geschilbeslechting binnen geloofsgemeenschappen; T.J. van der Ploeg, De verhouding tussen het interne recht van geloofsgemeenschappen en het burgerlijk recht; F. Keijzer & F. Oldenhuis, Positie van kerkgenootschappen en vrijheid van belijden, allen in: L.C. van Drimmelen en T.J. van der Ploeg (red.), Geloofsgemeenschappen en recht, 2014; P.T. Pel, Geestelijken in het recht, diss. Rijksuniversiteit Groningen, 2013 en van dezelfde schrijver: Het kerkelijk statuut en de wet, in: A.P.H. Meijers en T.J. van der Ploeg (red.), de rechtspersoonlijkheid van geloofsgemeenschappen, art. 2:2 BW (kerkgenootschap) en meer, 2012; F.T. Oldenhuis, De bandbreedte van kerkgenootschappen (art. 2:2 BW) in perspectief met dwingend recht, in: R.J.C. Flach, G.T de Jong, R. Koolhoven, F.J. Vonck (red.), dwingend privaatrecht op maat, 2015, p. 29-40; E.A.A. Luijten, ‘Kerkelijke rechtspersonen en hun vertegenwoordiging’, en C.J.H. Brunner, ‘De verhouding tussen kerk en staat als rechtsprobleem’, in: G.R. Rutgers (red.), Kerk, recht en samenleving (Oldenhuis-bundel), 1997.
Art. 2:2 lid 2 BW bepaalt verder dat met uitzondering van art. 2:5 BW de artikelen van titel 1 van boek 2 niet voor hen gelden, maar overeenkomstige toepassing daarvan is geoorloofd, voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen. In Asser/Rensen 2-III 2022/464 wordt toegelicht dat dit onderdeel ziet op lacunes in het kerkelijk statuut.
Zie D.F.M.M. Zaman, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, Art. 2 – Burgerlijk Wetboek Boek 2, (publicatiedatum: 21 november 2022); Asser/Rensen 2-III 2022/453-454; Pel 2018, t.a.p., par. 3-4.
Keijzer & Oldenhuis, a.w., p. 423. Zie ook Luijten, a.w., p. 33.
Asser/Rensen 2-III 2022/455. Blanco Fernandez, t.a.p. gebruikt de term ‘uitschakelbepaling’. Zie ook Pel 2018, met verwijzing naar Blanco Fernandez.
Zie HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, NJ 2020/323 m.nt. G. van Solinge, rov. 3.2.
Zie Van Kooten, a.w., hoofdstuk 3 (art. 9 EVRM) en hoofdstuk 6 (art. 6 Gw). Brunner, a.w., par. 3 e.v. Zie ook Pel 2018, t.a.p., par. 3, 5 en 6.
Opname van een scherpe algemene wettelijke definitie van het begrip kerkgenootschap achtte de toenmalige minister van Justitie bijzonder netelig vanwege diepgaande verschillen (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6, Aanpassing BW 1991, p. 118). In de onderhavige cassatie is de vraag wanneer sprake is van een kerkgenootschap niet van belang.
HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, NJ 2020/323, rov. 3.2 en 3.3.
De Hoge Raad verwijst in een voetnoot naar Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 120 en 125.
De Hoge Raad verwijst in een voetnoot naar Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 125 en 135 en naar de conclusie voor dit arrest onder 2.4-2.9.
Ook wel kerkrecht of canoniek recht genoemd, zie Pel 2013, a.w. 2013, p. 11 en 145.
Pel 2013, a.w., 162-163.
Volgens Pel, a.w. 2013, p. 163, bestaat er in dit opzicht wel een aanmerkelijk verschil tussen het canoniek recht en het protestantse kerkrecht, nu het canoniek recht vanouds bij een zeer omvangrijk geschreven kerkelijk Statuut leeft, te weten het Corpus Iuris Canonici met alle verdere universele en particuliere wetten en regelingen en daardoor de behoefte aan ongeschreven recht de facto beperkt is. Daarnaast wordt de gewoonte in het canoniek recht slechts erkend als een secundaire rechtsbron.
Vgl. de conclusie van A-G Vlas, ECLI:NL:PHR:2019:1037 onder 2.6, voor Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:143 (art. 81 RO) met verwijzing naar Pel, a.w. 2013, p. 145-152.
Vgl. Pel, a.w. 2013, p. 145 en voetnoot 11 en 12 en Pel 2018, t.a.p., par. 6.
Deze voorbeelden worden genoemd in HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, NJ 2020/323, rov. 3.2.
Vgl. o.a. Santing-Wubs 2014, a.w., p. 179; Pel, a.w. 2013, p. 158, 173; Van der Ploeg, a.w., par. 17.3.3.
Als voorbeeld genoemd door Keijzer & Oldenhuis, a.w., p. 423. Zie ook Santing-Wubs 2014, a.w., par. 10.1.1 en 10.3.
HR 14 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0280, NJ 1992/173, rov. 3.2, aangehaald door Asser/Rensen 2-III 2022/454, Roest, T&C BW, commentaar op art. 2:2 BW, aant. 4a (actueel t/m 01-07-2023).
Zie daarover Asser/Rensen 2-III 2022/456. Zie over de parlementaire geschiedenis van het begrip ‘wet’ in art. 2:2 BW en de literatuur op dit punt tot aan het arrest HR 4 oktober 2019 de conclusie voor dit arrest, ECLI:NL:PHR:2019:434 onder 2.4-2.10.
Zo ook Pel 2013, a.w., p. 170-171.
Dit volgt uit de objectum-litisleer die geldt sinds HR 31 december 1915, NJ 1916, p. 407, zie daarover R.J.N. Schlössels en S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat (Handboeken staats- en bestuursrecht), 2010/23.4.2.60 (actueel t/m 28-10-2010); de conclusie van A-G Langemeijer, ECLI:NL:PHR:2016:8 onder 2.21, voor Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049 en P.P.T. Bovend'Eert, De (enige?) uitzondering op Noordwijkerhout/Guldemond, in: M.W.C. Feteris e.a. (red.), De burgerlijke rechter in het publiekrecht, 2015 /II.a.7. Zie ook P.F. Lock, Ambtshalve rechtstoepassing tijdens de mondelinge behandeling, in: D. de Groot en H. Steenberghe, De mondelinge behandeling in civiele zaken, 2019, p. 292-293.
Zie F.T. Oldenhuis en A.H. Santing-Wubs, ‘De rechtspositie van de predikant kanttekeningen bij Hof Arnhem 19 januari 2010 (Ds. […] -Chr. Geref. Kerk Zeewolde)’, WPNR 2010/6849.
Aldus A-G Vlas in zijn conclusie van 11 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1037 onder 2.6, voor HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:143 (art. 81 RO) met verwijzing naar Pel 2013, a.w., p. 262-263; Keijzer & Oldenhuis, a.w., p. 428 e.v. Zie ook Pel 2012, a.w., p. 77 e.v.
HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049, NJ 2017/46 m.nt. T. Barkhuysen en M. Claessens, rov. 4.1.5 met verwijzing naar HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0527, NJ 1992/687 ([…] /Staat). Zie ook P.F. Lock, a.w., p. 292-293 met verwijzing in voetnoot 19 naar o.m. voorgaande arresten.
Aldus A-G Langemeijer in zijn conclusie voor het in de vorige voetnoot genoemde arrest Universiteiten/SCAU, ECLI:NL:PHR:2016:8 onder 2.22.
Santing-Wubs 2014, a.w., geeft in par. 10.1.2 een beschrijving van de interne rechtsgang binnen de Rooms-Katholieke Kerk.
Gerechtshof Arnhem 19 januari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BK9957 ([…] /CGK Zeewolde c.s.), rov. 3.3.4 en 3.3.5. Zie ook het in die zaak gewezen tussenarrest van 24 juni 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BF3815, rov. 5.3.4. Het van beide arresten ingestelde cassatieberoep is wegens gebrek aan belang verworpen, zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7594, NJ 2011/602, rov. 3.3. Zie ook gerechtshof Amsterdam 24 augustus 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN4748, rov. 4.5.
Zie o.a. (in chronologische volgorde) Van Kooten, a.w., p. 238-241, 247; Santing-Wubs 2014, par. 10.2.2 en 10.2.4; Pel 2014, a.w., p. 61-62, 71; Pel 2013, a.w., p. 158 e.v., 174, allen met verwijzing naar o.m. gerechtshof Arnhem 19 januari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BK9957 ([…] /CGK Zeewolde c.s.). Genoemd arrest van het gerechtshof Arnhem is besproken door Oldenhuis en Santing-Wubs, t.a.p. Zie ook gerechtshof Den Haag 18 september 1997, NJkort 1997, 76, rov. 15.
Daarbij kan, aldus hierna genoemde schrijvers, worden gedacht aan een reflexwerking van de beginselen van art. 6 EVRM zoals het recht op hoor en wederhoor, het recht op gelijke proceskansen, een deugdelijke motivering, berechting binnen een redelijke termijn voor een onpartijdige (kerk)rechter. Zie Van Kooten, a.w., p. 235, 240-243; Santing-Wubs 2014, a.w., par. 10.2.2, 10.2.4, 10.2.6-10.3; Pel 2013, a.w., p. 235 e.v. en Pel 2012, a.w., p. 70-71; Oldenhuis en Santing-Wubs, t.a.p., par. 4. Zie ook A. Dijkstra, ‘Procedurele rechtvaardigheid in het kerkrecht: een pleidooi voor de inzet van rechtsvergelijking’, NTKR 2019-2, par. 3.5, die zich overigens afvraagt of het wenselijk is dat het statelijk recht kerken zijn normen voor een eerlijk proces oplegt.
Zie o.a. Van Kooten, a.w., p. 238 e.v.; Santing-Wubs 2014, a.w., p. 184 e.v.; Keijzer & Oldenhuis, a.w. p. 427.
Pel, a.w. 2013, p. 157-158, 170-173, 184, 241 en Van Kooten, a.w., p. 243, 247 en 257, beiden met verwijzing naar HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7818, NJ 2004, 559 m.nt. C.J.H. Brunner, rov. 3.4.5. Zie ook Keijzer & Oldenhuis, a.w., p. 423. Zie ook de conclusie van A-G Vlas, ECLI:NL:PHR:2014:1743 onder 2.5, voor HR 24 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3037 (art. 81 RO) met verwijzing naar de conclusie van A-G Timmerman, ECLI:NL:PHR:2003:AN7818 onder 3.5.
Verweerschrift in eerste aanleg, par. 11, 17-18, 20-23, 26, 30-33, 88-89, 106-110, 113. Zie ook de procesinleiding, p. 19-22.
Verweerschrift in hoger beroep, par. 47, 55, 56, onder B, C en D, 64-66, 91-92, 101. Zie ook de procesinleiding, p. 22-24.
Zie mijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2023:827 onder 4.3-4.5, voor Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1538 (art. 81 RO) met bronverwijzingen aldaar, waaronder HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1112, NJ 2022/276, rov. 3.2.2 t/m 3.2.4, en HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1105, NJ 2022/277, rov. 3.2; Asser Procesrecht/Asser 3 2023/242. Zie ook G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken, 2015/222 en R.R. Verkerk & M.C Schuijt, Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 186 Rv, aant. 2 (actueel t/m 1 augustus 2023).
Zie HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, NJ 2019/412 (Box/Staat), rov. 3.6.2 met verwijzing naar HR 15 juli 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC4268, NJ 1988/2, rov. 3.1, HR 20 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1094, NJ 1990/825 en HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZC3132, NJ 2001/137. Zie ook G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 186 Rv, aant. 7.1 (actueel t/m 13-08-2023).
Zie daarover ook het verweerschrift in cassatie, par. 3.16-3.17.
Zie in dat verband het verweerschrift in cassatie, par. 3.21.
Zie G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 188 Rv, aant. 1.3 (actueel t/m 13-08-2023) met verwijzing naar HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, NJ 2022/133, JBPr 2022/24 m.nt. D.L. Barbiers; HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:727, NJ 2018/250, JBPr 2018/57, m.nt. C.J.M. Klaassen, rov. 3.5.
Procesinleiding, par. 4.2.
Procesinleiding, par. 4.8.
Beroepschrift, par. 18, 19, vraag 4, 21, 23, 34, 49, 53. Verweerschrift in hoger beroep, par. 32-38, 46, 58-60.
Pleitaantekeningen mondelinge behandeling van 30 september 2022 van [de bisschop] , par. 26; proces-verbaal van 30 september 2022 bij het hof, p. 3 en 4.
Beroepschrift 20‑06‑2023
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE IN CASSATIE
Datum: 20 juni 2023
Verzoeker:
Mgr. [de bisschop], in zijn hoedanigheid van bisschop van het bisdom [bisdom],
wonende te [woonplaats] (‘bisschop [de bisschop]’).
De advocaat bij de Hoge Raad mr. A. Knigge (Houthoff, Gustav Mahlerplein 50, 1082 MA Amsterdam) vertegenwoordigt als zodanig bisschop [de bisschop] in deze cassatieprocedure.
Verweerder:
[verweerder],
wonende aan het [adres] ([postcode]) te [woonplaats] (‘[verweerder]’),
wie in beide voorafgaande feitelijke instanties woonplaats heeft gekozen te Paterswolde, ten kantore van mr. L.H. Haarsma (Haarsma Advocaten), kantoorhoudende te (9765 CN) Paterswolde aan de Hoofdweg 288.
Bestreden uitspraak
Bisschop [de bisschop] stelt hierbij cassatieberoep in tegen de uitspraak (de ‘Beschikking’) van het Gerechtshof te Amsterdam (het ‘hof’) uitgesproken in de procedure met zaaknummer 200.300.662/01 tussen bisschop [de bisschop] als geïntimeerde en [verweerder] als appellant op 21 maart 2023.
Middel van cassatie
Bisschop [de bisschop] voert tegen de Beschikking het volgende middel van cassatie aan: Schending van het recht, althans verzuim van wezenlijke vormen, doordat het hof heeft overwogen en beslist als in de Beschikking is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
A. Inleiding
1.
De zaak heeft betrekking op het handelen van bisschop [de bisschop] in het kader van een kerkelijke procedure tegen [verweerder]. Bisschop [de bisschop] meent dat de (gedeeltelijke) toewijzing van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor miskent dat de kwestie die aan de orde is, valt onder het bereik van het ‘kerkelijk statuut’ zoals bedoeld in art. 2:2 lid 2 BW en dat het hof art. 186 Rv jo. 166 Rv ten onrechte heeft toegepast.
B. Feiten en procesverloop
1.
Bisschop [de bisschop] heeft [verweerder] bij decreet van 11 april 2019 in zijn ambt als priester in de Rooms Katholieke Kerk geschorst en heeft [verweerder] bij decreet van 24 juni 2019 (tezamen de ‘Bisschoppelijke decreten’) ontheven uit zijn ambt als pastoor van de RK Parochie [RK Parochie] in [a-plaats] (‘[RK Parochie]’). In de daaropvolgende kerkrechtelijke procedure zijn de Bisschoppelijke decreten tot in hoogste instantie, door de Congregatie voor de Clerus te Rome (de ‘Congregatie’) bekrachtigd op 28 mei 2020 (de ‘Romeinse decreten’), welke decreten op 31 mei 2020 door paus Franciscus zijn bevestigd.1.
2.
De schorsing van [verweerder] in zijn kerkelijk ambt van priester en zijn ontheffing uit het kerkelijk ambt van pastoor zijn gebaseerd op (i) de schending van het celibaat en (ii) het niet betrachten van gehoorzaamheid jegens de (toenmalige) bisschop.2. De directe aanleiding voor deze maatregelen was de presentatie van [verweerder]s autobiografie ‘Ontkleed niet naakt staan’, bij de viering van zijn 25-jarig priesterjubileum in maart 2019. Daarin schetst hij op zeer expliciete wijze een breed scala aan seksuele activiteiten die onverenigbaar zijn met zijn celibataire levensstaat.3.
3.
[verweerder] beklaagt zich in deze zaak over het handelen van bisschop [de bisschop]. Meer in het bijzonder betreft [verweerder]s klacht — voor zover in cassatie nog van belang — het handelen en nalaten van bisschop [de bisschop] met betrekking tot een door hem eerder (ruim twee maanden vóór diens publicatie en schorsing) aan [verweerder] op 14 februari 2019 verzonden brief.4. Deze brief gaat over een melding over [verweerder] bij het Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag RKK (de ‘melding’).5. Bisschop [de bisschop] geeft in deze brief weer wat de melding inhoudt, hoe hij deze heeft behandeld en hoe [verweerder] op de melding heeft gereageerd.6. In de brief wordt [verweerder] gevraagd begeleiding door een coach te aanvaarden bij de inschatting van verschillende situaties binnen het pastoraat met betrekking tot de omgang met kwetsbare personen. De brief gaat voorts over het celibaat en gehoorzaamheid. De bisschop geeft in de brief o.a. aan dat hij van een priester verlangt dat deze de leer van de Kerk in al haar facetten op een authentieke wijze verkondigt en verdedigt. En dat daarbij gehecht wordt aan een persoonlijk doorleefd celibaat dat ook getuigenis mag worden naar anderen toe.7.
4.
In vervolg op de genoemde schorsing en ontheffing heeft bisschop [de bisschop] de brief van 14 februari 2019 als bijlage bij zijn brief d.d. 27 augustus 2019 aan kardinaal [de kardinaal] (‘[de kardinaal]’) toegezonden.8. In laatstgenoemde brief vraagt hij [de kardinaal] advies ‘in deze zaak’.9. In deze brief wordt ook verslag gedaan van de melding. De ‘zaak’ ging echter met name over de schending van het celibaat en ongehoorzaamheid.
5.
Bij brief van 24 december 2019 aan [verweerder] heeft bisschop [de bisschop] de brief van 14 februari 2019 ingetrokken ‘nu op andere wijze wordt voorzien in een traject van bezinning en begeleiding’.10. Bisschop [de bisschop] heeft in feitelijke instanties erop gewezen dat hij de inhoud van zijn brief van 14 februari 2019 niet heeft ingetrokken, maar alleen het daarin aangeboden coachingstraject (de afhandeling),11. omdat inmiddels op andere wijze in het traject van bezinning en begeleiding was voorzien.
6.
De brief maakt — zo neemt het hof terecht aan12. — deel uit van het dossier in de canoniek rechtelijke procedure. De inhoud van de brief van 14 februari 2019 heeft, waar het de melding betreft, geen rol gespeeld bij de door de Congregatie uitgevaardigde Romeinse Decreten.13.
7.
[verweerder] heeft zich op 2 april 2021 gewend tot de burgerlijke rechter met het verzoek een voorlopig getuigenverhoor te bevelen (het ‘verzoek’) met het oog op een door hem voorgenomen vordering uit onrechtmatige daad wegens smaad en/of laster tegen bisschop [de bisschop].
8.
De Rechtbank Noord-Holland (de ‘rechtbank’) heeft het verzoek bij beschikking d.d. 6 juli 2021 afgewezen. In het door [verweerder] ingestelde hoger beroep heeft het Hof Amsterdam (het ‘hof’) het verzoek bij beschikking d.d. 21 maart 2023 alsnog deels toegewezen, namelijk voor zover het bedoeld is te achterhalen waarom de intrekking van de brief van 14 februari 2019 niet schriftelijk is medegedeeld aan de Congregatie — ondanks de verklaring van bisschop [de bisschop] dat hij die intrekking mondeling heeft gedaan — omdat niet gezegd kan worden dat de verklaring van bisschop [de bisschop] hierover niet relevant kan zijn voor een eventueel te entameren procedure op grond van onrechtmatige daad wegens smaad en/of laster.14. Naar het oordeel van het hof is het belang van [verweerder] erin gelegen te achterhalen waarom de intrekking van de brief van 14 februari 2019 niet schriftelijk is medegedeeld teneinde te voorkomen dat deze deel blijft uitmaken van het dossier in de canoniek rechtelijke procedure en onder ogen van anderen komt.15. Ook het verzoek [verweerder] zelf te horen is toegewezen aangezien hij kan verklaren wat hem is toegezegd over de intrekking van de brief en de mededelingen daarover aan derden, aldus het hof. Ten slotte is ook het verzoek [de kardinaal] te horen toegewezen aangezien hij volgens het hof als (voormalig) vertegenwoordiger van de Congregatie kan bevestigen (of ontkennen) hetgeen bisschop [de bisschop] de Congregatie heeft medegedeeld over de intrekking van de brief en kan bevestigen (of ontkennen) dat bisschop [de bisschop] mondeling heeft medegedeeld dat hij de brief heeft ingetrokken en dat de brief ‘dus’ uit het canoniek rechtelijk dossier moet worden verwijderd.16.
9.
Hierna zal bisschop [de bisschop] eerst ingaan op de betekenis en inhoud van art. 2:2 lid 2 BW en onder verwijzing naar klachtonderdeel 1 kort toelichten waarom zijn cassatieberoep niettegenstaande het bepaalde in art. 188 lid 2 Rv ontvankelijk is. Het daarna volgende klachtonderdeel 1, uitgewerkt in een tweetal subonderdelen, richt zich kort gezegd tegen het ten onrechte niet-toepassen door het hof van artikel 2:2 lid 2 BW en het ten onrechte toepassen van art. 186 jo. art. 166 Rv. Klachtonderdeel 2 bouwt voort op klachtonderdeel 1 en komt erop neer dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de toewijsbaarheid van de onderliggende vordering op geen enkele wijze voor zou liggen. Klachtonderdeel 3 klaagt dat het hof art. 24 Rv heeft geschonden door een oordeel te geven dat geen grondslag vindt in de feitelijke stellingen van partijen. Klachtonderdeel 4 betreft een motiveringsklacht inhoudende dat het hof tot een ontoelaatbare verassingsbeslissing is gekomen door het horen van [de kardinaal] toe te wijzen.
C. Juridisch kader
1.
De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is in de Grondwet en in internationale verdragen gewaarborgd.17. Het EHRM heeft over deze fundamentele vrijheid en de daarmee verband houdende vrijheid van vergadering overwogen:18.
‘As regards the autonomy of faith groups, the Court notes that religious communities traditionally and universally exist in the form of organised structures. Where the organisation of the religious community is in issue, Article 9 of the Convention must be interpreted in the light of Article 11, which safeguards associative life against unjustified State interference. Seen in that perspective, the right of believers to freedom of religion encompasses the expectation that they will be allowed to associate freely, without arbitrary State intervention. The autonomous existence of religious communities is indispensable for pluralism in a democratic society and is thus an issue at the very heart of the protection which Article 9 of the Convention affords. It has a direct interest, not only for the actual organisation of those communities but also for the effective enjoyment by all their active members of the right to freedom of religion. Were the organisational life of the community not protected by Article 9 of the Convention, all other aspects of the individual's freedom of religion would become vulnerable.’
2.
Deze fundamentele vrijheid is niet alleen gewaarborgd in art. 6 Gw maar berust ook op het fundamentele beginsel van ‘scheiding van kerk en staat’.19. Minister van Binnenlandse Zaken Van Dijk omschreef het principe van de scheiding van kerk en staat als volgt:20.
‘De scheiding van kerk en staat (…) houdt in dat beide (…) geheel zelfstandig en gescheiden van elkaar functioneren. Dit betekent onder meer dat de genootschappen hun godsdienst of levensovertuiging vrijelijk kunnen bepalen en belijden, naar eigen inzicht hun geestelijke en institutionele orde bepalen en zelfstandig hun functionarissen kiezen. De staat heeft zich hier niet mee te bemoeien.’
3.
Art. 2:2 BW verankert dit beginsel van scheiding van kerk en staat.21. Of, zoals door de Hoge Raad in NGK/Gort met zoveel woorden is overwogen, ‘[d]eze bepaling berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat’.22.
4.
Art. 2:2 lid 2 BW bepaalt expliciet dat het kerkgenootschap wordt geregeerd door ‘het eigen statuut’ in plaats van het statelijk recht. Als gevolg van deze scheiding, hebben religieuze gemeenschappen een grote mate van autonomie. Zie in dit verband ook de parlementaire geschiedenis:23.
‘Wat onder de uitzondering valt, is een kerkelijke organisatie die zich op grond van de eigen opvatting niet organiseert en ook niet behoeft te organiseren overeenkomstig de door de overheid gegeven wetten. Daar zijn wij het over eens. Het huidige systeem is ook dat een kerkgenootschap zich niet behoeft te organiseren overeenkomstig de door de wetgever omschreven wetten, omdat dit een ingrijpen zou kunnen zijn in het interne leven en de interne organisatie van een kerkgenootschap. De strikte scheiding tussen kerk en staat verzet zich daartegen.’
5.
Daarom wordt in art. 2:2 lid 2 BW bepaald dat een kerkgenootschap geregeerd wordt door het ‘eigen statuut’. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid ‘dat het statuut ziet op de regeling van verhoudingen binnen het kerkgenootschap. Er is in dit verband gesproken over ‘bepalingen van inrichting en bestuur’ (Parl. Gesch. BW Boek 2, 1962, p. 83 en 86 (…))’ [onderstreping toegevoegd].24. Zie in dit verband ook de herhaalde toelichting van de minister in het wetgevingskader voor de aanpassing van art. 2:2 BW:25.
‘Naar aanleiding van de vraag van deze leden om een nadere toelichting op het voorstel, zij opgemerkt dat de achtergrond van artikel 2 Boek 2 is het in ons recht aanvaarde beginsel van de scheiding tussen Kerk en Staat. Dit brengt onder meer mee dat ‘het bestuur en de inrichting’ van kerkgenootschappen niet door het publiek- of privaatrecht worden beheerst, doch door het eigen kerkrecht.’
6.
En:26.
‘De rechtspositie van de kerkgenootschappen heeft zich in de loop van de geschiedenis los van het door de overheid geregelde burgerlijk recht ontwikkeld. Ingrijpen van overheidswege in de vorige eeuw door reglementering wordt thans algemeen afgekeurd. De scheiding tussen Kerk en Staat is een in de loop van de tijd, tot welzijn van beide, gegroeide wijsheid. In feite zijn de meeste kerkgenootschappen ook ingericht op een wijze die noch op die van een vereniging noch op die van een stichting lijkt. Het verdient daarom aanbeveling om al wat met die inrichting te maken kan hebben, buiten de dwingende regels van Boek 2 te houden.’
7.
Naast de hierboven aangehaalde citaten, biedt het verdere wetgevingstraject geen concrete aanwijzingen. Wat tot ‘het statuut’ behoort, wordt door de wetgever aldus overgelaten aan de kerkgenootschappen zelf.27.
8.
Toonaangevende juridische auteurs zoals Blanco Fernández, Rensen en Kroeze scharen onder regels van het statuut ‘het geheel van regels dat het kerkgenootschap zichzelf geeft voor de normering van verhoudingen die het kerkgenootschap, volgens het civiele recht, autonoom kan regelen. Het kerkelijk recht bepaalt de inhoud van die regels. Het civiele recht bepaalt de omvang van het statuut, dat wil zeggen welke verhoudingen aan de autonomie van het kerkgenootschap worden overgelaten. (…).’28.
9.
De Hoge Raad heeft in NGK/Gort in vergelijkbare gezin geoordeeld:29.
‘(…) Wat in een concreet geval behoort tot statuut van een kerkgenootschap, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen behoren [tot het statuut] regelingen over de organisatiestructuur en het interne functioneren van het kerkgenootschap, waaronder regels over het bestuur van het kerkgenootschap en over de verhouding tussen het kerkgenootschap en zijn geestelijk ambtsdrager(s).’
Aldus geeft de Hoge Raad een niet-limitatieve aanduiding van onderwerpen die deel kunnen uitmaken van het statuut maar onderkent dat dit per kerkgenootschap kan verschillen.
10.
Pel benadrukt daarbij de autonomie van kerkgenootschappen, dit naar eigen inzicht te regelen en te besturen:30.
‘[D]e wet erkent dat de kerkgenootschappen hun kerkelijk recht niet ontlenen aan de staat, maar zelf hun eigen interne kerkelijke organisatie en rechtsstructuur ontwikkelen en hanteren. Zij bezitten het recht van zelfregulering en zelfbestuur, institutionele autonomie. De kerken zijn selfsupporting. (…) Terwijl voor de privaatrechtelijke rechtspersonen van artikel 2:3 BW de toepasselijke organisatieregels zijn opgenomen in het verdere Boek 2 BW, geldt voor de kerkelijke rechtspersonen hun eigen kerkelijk recht, samengevat onder de noemer ‘hun eigen statuut’. Voor het toepasselijk kerkelijk recht moet je bij het desbetreffende kerkgenootschap zelf zijn.’
11.
Daartoe behoren ook, zoals volgt uit het reeds aangehaalde arrest van de Hoge Raad in NGK/Gort, de verhoudingen tussen de bij het kerkgenootschap betrokken personen. Zie in dit verband bijvoorbeeld Rensen en Blanco Fernández:
‘De verhoudingen tussen de bij het kerkgenootschap betrokken personen behoren in beginsel tot het inwendige statuut van het kerkgenootschap. Het statuut regelt begin, verloop, einde en gevolgen van de verhouding.’31.
12.
Ook Van der Grinten rekent de verhouding tussen een kerkgenootschap en zijn aangeslotenen en zijn bedienaren tot het eigen statuut:32.
‘De band tussen een kerkgenootschap en zijn aangeslotenen en zijn bedienaren is in beginsel niet van civielrechtelijke aard. Het kerkgenootschap is rechtspersoon naar civiel recht, doch dit houdt niet in dat betrekkingen binnen het kerkgenootschap een civielrechtelijk karakter hebben. Op dit punt bestaat een zekere overeenstemming tussen kerkgenootschappen en publiekrechtelijke lichamen, die eveneens als rechtspersoon in het civiele recht gelden. De interne verhoudingen binnen de staat, een provincie, een gemeente zijn niet civielrechtelijke. Het belangrijke verschil is echter, dat de interne verhoudingen binnen publiekrechtelijke rechtspersoon, zijn regelingen en besluiten worden beheerst door het publieke recht van de staat, dus door statelijk recht. Bij kerkgenootschappen is dat niet het geval.’
13.
Kerkgenootschappen hebben dus een zeer grote autonomie bij het bepalen van de inhoud en omvang van het statuut. De grenzen daarvan worden bereikt waar het statuut ‘in strijd met de wet’ is.33. Volgens de minister gaat het daarbij niet om ‘gewone’ dwingendrechtelijke regels:34.
‘Wanneer Boek 2 — behalve de artikelen 2 en 5 — niet van toepassing zal zijn op de inrichting van kerkgenootschappen, blijven slechts wettelijke bepalingen van strafrechtelijke aard over, waarmee een kerkelijk statuut in strijd kan komen. Praktische betekenis zal dit inderdaad slechts kunnen hebben voor een beperkt aantal bepalingen omtrent misdrijven volgens het Wetboek van Strafrecht die van fundamentele aard zijn.’
14.
De minister stelde gedurende de parlementaire behandeling eveneens:35.
‘Het gaat inderdaad om een sterk dwingend recht. Bij de vaststellingswet is, om te laten zien hoe sterk dwingend recht het wel betreft, gesproken over het verbod om mensenoffers te brengen en het verbod van polygamie. Die begrippen maken wel duidelijk dat er inderdaad aan zeer zwaarwegende dwingend-rechtelijke bepalingen is gedacht.’
15.
Pel komt mede op basis van deze parlementaire geschiedenis tot de volgende ‘catalogus’ van de betekenis van het begrip ‘wet’:36.
- ‘1e.
er geldt tenminste de eis van een formele wet van de centrale statelijke wetgever
- 2e.
onder ‘wet’ valt met name te rekenen de strafwetgeving van de staat;
- 3e.
‘wet’ in civiele zin beperkt zich tot een strikte categorie rechtsnormen die op verschillende manieren wordt omschreven als:
- —
‘fundamentele dwingende regels met voorrangspretentie’;
- —
‘fundamentele beginselen van burgerlijke wetgeving’;
- —
‘fundamentele rechtsbeginselen van de rechtsorde, zoals goede trouw, redelijkheid, billijkheid en goede zeden’;
- —
‘regels van openbare orde’’.
16.
Ook Oldenhuis onderschrijft dat de woorden ‘voor zover niet in strijd met de wet’ in art. 2:2 lid 2 BW restrictief uitgelegd dienen te worden en dat het eigen kerkelijk recht pas moet wijken als het statuut strijdig is met ‘fundamentele regels van dwingend recht’. Hij spreekt in dit verband van ‘elementaire beginselen’ en ‘elementair dwingend recht’.37.
17.
Een zodanige restrictieve uitleg strookt eveneens met de — door de Hoge Raad in stand gehouden — overwegingen van de rechtbank, zoals opgenomen in het Kruis-arrest:38.
‘De rechtbank stelt voorop dat de beginselen van vrijheid van godsdienst en scheiding van Kerk en Staat met zich mede brengen dat uiterste terughoudendheid geboden is bij het toepasselijk verklaren van regelingen van materieel burgerlijk recht op de rechtsverhoudingen tussen de verschillende organen en onderdelen van een kerkgenootschap. De regeling van dergelijke verhoudingen in het eigen statuut van een kerkgenootschap wordt veelal in hoge mate bepaald door aspecten van leerstellig karakter die een vaak eeuwenlange ontwikkeling hebben doorgemaakt. Het resultaat daarvan doet zich vaak voor als een voor leken moeilijk te doorgronden weefsel waarin die verhoudingen op subtiele wijze zijn vervlochten. Het in dergelijke verhoudingen oordelen met toepassing van regelen van burgerlijk recht houdt licht het gevaar in zich, dat daarbij tevens wordt ingegrepen in en een oordeel wordt gegeven over de leerstellingen die aan het eigen statuut van het kerkgenootschap ten grondslag hebben gelegen.’
18.
Dit betreft onder meer ook de rechtsverhouding van een kerkgenootschap tot een geestelijk ambtsdrager. De Hoge Raad oordeelde in het al eerdergenoemde arrest NGK/Gort dat de in art. 2:2 lid 2 BW vervatte inrichtingsvrijheid meebrengt dat het kerkgenootschap die rechtsverhouding naar eigen inzicht kan vormgeven:39.
‘Daarbij is afwijking van dwingend recht mogelijk, tenzij dat recht een belang van zo fundamentele aard beschermt dat afwijking van dat dwingend recht in de omstandigheden van het geval, ondanks de aan kerkgenootschappen toekomende inrichtingsvrijheid, niet kan worden aanvaard.’
19.
De hier besproken scheiding tussen kerk en staat en de door de wetgever en de Hoge Raad erkende autonomie aangaande de organisatiestructuur, inrichting en het functioneren van een kerkgenootschap, ook in relatie tot haar geestelijk ambtsdragers en aangeslotenen, komt ook tot uitdrukking in de wijze waarop de burgerlijke rechter dient om te gaan met daarmee verband houdende geschillen. Hij dient zich daarbij (zeer) terughoudend op te stellen. Waar ter zake van een klacht of geschil dat door het ‘eigen statuut’ wordt beheerst een kerkelijke rechtsgang openstaat die nog niet is doorlopen, dient hij de vordering of het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren40. en waar die rechtsgang wel is doorlopen, kan de burgerlijke rechter slechts marginaal toetsen.41. Santing-Wubs concludeert na een uitgebreide analyse van de omvang van de toetsing door de — vooral lagere — burgerlijke rechter in kerkelijke geschillen,42. dat in gevallen als deze sprake dient te zijn van een marginale toetsing:43.
20.
Blanco Fernández schrijft in dit kader het volgende:
‘Een kerkgenootschap kan partij zijn in een procedure voor de burgerlijke rechter. Wanneer het voorwerp van het geschil burgerlijke rechten is, zal de rechter in beginsel bevoegd zijn. De rechter dient het geschil zo veel mogelijk te beslechten met toepassing van het kerkelijke statuut. Het statuut immers beheerst de verhoudingen binnen het kerkgenootschap (art. 2:2 BW). Wanneer de bepalingen van het eigen statuut in acht zijn genomen, zal de rechter in beginsel gevolg geven aan de toepasselijkheid van het statuut. Voor zover het statuut op afdoende wijze voorziet in de beslechting van die geschillen, zal eerst deze voorziene rechtsgang dienen te worden bewandeld. Bindende uitspraken in eigen kring zullen naar civielrechtelijke maatstaven op gelijke voet door de burgerlijke rechter moeten worden geaccepteerd als door partijen bij voorbaat geaccepteerde beslissing c.q. bindende adviezen. De rechterlijke toetsing zal derhalve een marginaal karakter hebben (vgl. HR 19 december 2003, NJ 2004/559 (Vrij beheer gemeenten)). In spoedeisende gevallen zal de kort geding-rechter kunnen worden geadieerd.’44.
[onderstreping toegevoegd]
21.
In het door Blanco Fernández genoemde arrest overwoog de Hoge Raad in een overweging ten overvloede bij een verwerping wegens ontbrekende feitelijke grondslag van de klacht dat het hof de geschillenregeling van Ordinantie 19 van de Nederlands Hervormde Kerk ten onrechte had aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst waarop art. 7:904 BW van toepassing is:45.
‘Hierbij wordt aangetekend dat deze analoge toepassing van art. 7:904 lid 1 BW in een geval als het onderhavige, waarin een rechter een beslissing van een lichaam toetst, die is genomen krachtens eigen bevoegdheid, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.’
22.
In dit verband kan voorts gewezen worden op hetgeen A-G Huydecoper schrijft in zijn conclusie vóór HR 9 december 2011, in een procedure waarin een ontslagen predikant niet-ontvankelijk was verklaard omdat (eerst) een met voldoende waarborgen omklede kerkelijke rechtsgang doorlopen had moeten worden:46.
‘Wat het positieve recht betreft: in HR 19 december 2003, NJ 2004, 559 m.nt. CJHB, rov. 3.3.1 en 3.3.2, is geoordeeld dat geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, de overweging dat de uitkomst van een (kerkelijke) geschillenregeling zoals die in die zaak aan de orde was, de partijen bindt op de wijze als bedoeld in art. 7:904 lid 1 BW. Dat komt er dus op neer dat de in het kerkelijke verband verkregen uitkomst de partijen bindt, zolang niet komt vast te staan dat het houden van partijen aan de desbetreffende beslissing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Of dat het geval is, kan men dan aan de rechter ter beoordeling voorleggen — maar voor het overige is zo'n beslissing aan herbeoordeling door de rechter onttrokken.’
23.
In andere bewoordingen met eenzelfde strekking schrijft A-G Vlas in zijn conclusie vóór HR 24 oktober 2014:47.
‘Het hof heeft in rov. 14 de wegzendingsprocedure geduid als een tuchtrechtelijke procedure, hetgeen in cassatie niet is bestreden. Terecht heeft het hof overwogen dat het de burgerlijke rechter niet vrijstaat deze tuchtrechtelijke procedure die beheerst wordt door het canonieke recht en niet door het Nederlandse civiele recht, inhoudelijk te toetsen en dat slechts een marginale toetsing kan plaatsvinden. De rechter kan slechts toetsen of sprake is van strijd met de wet, van strijd met de eigen tuchtrechtelijke regels en of de interne procedure met voldoende waarborgen is omkleed.’
24.
De bestaande rechtsopvatting is dus dat indien in een geschil dat onder het bereik van ‘het statuut’ in de zin van art. 2:2 lid 2 BW valt, en een partij zich beroept op een burgerlijk recht, de burgerlijke rechter weliswaar bevoegd is, maar de burgerlijke rechter die partij in een eventuele vordering wel niet-ontvankelijk dient te verklaren indien een met voldoende waarborgen omklede kerkelijke procedure openstaat. Indien die procedure al is doorlopen, kan de burgerlijke rechter niet inhoudelijk doch slechts marginaal toetsen.
D. Ontvankelijkheid cassatieberoep
1.
Het hof heeft in zijn uitspraak, voor zover die in cassatie wordt bestreden, de inhoud en betekenis van art. 2:2 lid 2 BW ten onrechte miskend en ten onrechte verzuimd deze bepaling toe te passen. Het hof heeft miskend dat de verwijten van [verweerder] aan het adres van bisschop [de bisschop] inzake diens handelen aangaande de brief van 14 februari 2019 en de brief van 27 augustus 2019 betrekking hebben op kerkelijke procedures die geregeerd worden door het ‘kerkelijk statuut’ van de Rooms Katholieke Kerk. Het hof had dienen te onderkennen dat in deze kwestie geen taak is weggelegd voor de burgerlijke rechter en had tot het oordeel moeten komen dat art. 186 jo. 166 Rv niet in aanmerking komt voor toepassing op het verzoek van [verweerder]. Een en ander wordt nader uitgewerkt en toegelicht hieronder in klachtonderdeel 1 in samenhang met de klachtonderdelen 2 en 3.
2.
Daarom is bisschop [de bisschop] niettegenstaande het bepaalde in art. 188 lid 2 Rv, ontvankelijk in zijn cassatieberoep. Het hof heeft immers verzuimd art. 2:2 lid 2 BW (juist) toe te passen, waardoor het ten onrechte heeft gemeend art. 186 jo. 166 Rv te kunnen toepassen op het verzoek van [verweerder].48.
E. Klachten
1. Onderdeel 1: verzuim (de maatstaf van) art. 2:2 lid 2 BW toe te passen en ten onrechte art. 186 jo.166 Rv toegepast
1.1.
In rov. 3.6 en 3.7 zet het hof het zijns inziens relevante juridische kader uiteen. Vervolgens past het hof in rov. 3.9 tot en met 3.13 de regels uit artikel 186 jo. 166 Rv toe zonder daarbij te toetsen aan het bepaalde in art. 2:2 BW en meer in het bijzonder lid 2 (eerste zin). Het hof laat met name na te onderzoeken en te beoordelen of met de voorgenomen vordering van [verweerder] en zijn verzoek een belang van zo fundamentele aard in het geding is, dat in de omstandigheden van het geval — waaronder of voor [verweerder] een met voldoende waarborgen omklede kerkelijke procedure openstaat of heeft opengestaan — een inhoudelijke beoordeling door de burgerlijke rechter in een civiele procedure gerechtvaardigd en geboden is en dus art. 186 jo. 166 Rv voor toepassing in aanmerking komt. Dat belang van [verweerder] zou volgens het hof erin gelegen zijn te voorkomen dat de brief van 14 februari 2019 deel blijft uitmaken van het dossier in de canoniek rechtelijke procedure. Doordat het hof verzuimd heeft een dergelijk onderzoek te doen en een oordeel in dat kader te geven, heeft het hof aldus ten onrechte verzuimd ambtshalve dan wel op de voet van art. 25 Rv en met inachtneming van de devolutieve werking van het hoger beroep, art. 2:2 lid 2 BW toe te passen, althans heeft het hof deze bepaling en het daaraan ten grondslag liggende beginsel van scheiding van kerk en staat geschonden, en met zijn oordeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door art. 186 Rv jo. art. 166 Rv wel toe te passen en het verzoek van [verweerder], voor zover in cassatie aan de orde, toe te wijzen.
1.2.
Indien en voor zover het hof met zijn oordeel niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, is zijn oordeel onbegrijpelijk nu zonder nadere motivering — die ontbreekt — niet kenbaar is waarom naar het oordeel van het hof belangen in het geding zijn van zo fundamentele aard ter zake waarvan bovendien geen met voldoende waarborgen omklede kerkelijke rechtsgang (meer) open staat, dat daarom voorbij dient te worden gegaan aan ‘het kerkelijk statuut’ en een taak voor de burgerlijke rechter is weggelegd, en art. 186 jo art. 166 Rv kan worden toegepast.
1.3.
Het klachtonderdeel dient in samenhang te worden gelezen en beoordeeld met klachtonderdelen 2 en 3.
Toelichting
1.4.
Bisschop [de bisschop] licht deze subonderdelen gezamenlijk toe.
1.5.
Krachtens art. 72 Rv dient de rechter ambtshalve zijn bevoegdheid te beoordelen. Lock schrijft hierover:49.
‘De bevoegdheid van de burgerlijke rechter wordt bepaald aan de hand van het recht waarop het gevorderde betrekking heeft. Als de burgerlijke rechter op grond van het ingeroepen recht bevoegd is van de vordering kennis te nemen, is daarmee nog niet gegeven dat de eiser door de burgerlijke rechter ook in zijn vordering kan worden ontvangen. Voor de beoordeling van die ontvankelijkheid is de taakverdeling tussen de burgerlijke rechter enerzijds en de andere (bijzondere) rechter anderzijds van belang. Indien de wet een bijzondere rechtsgang heeft aangewezen waarin de vordering kan worden beoordeeld, resteert geen taak meer voor de burgerlijke rechter, ook al is deze bevoegd om van de vordering kennis te nemen. (…) Deze keuze staat niet ter vrije bepaling van partijen, de rechter dient deze taakverdeling ambtshalve te bewaken.’
1.6.
[verweerder] stelt in zijn verzoek dat bisschop [de bisschop] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door zich schuldig te hebben gemaakt aan smaad en laster.50. In zoverre kon het hof bevoegdheid aannemen. Uit het verzoekschrift van [verweerder] en het beroepschrift in hoger beroep blijkt echter duidelijk dat de door [verweerder] gemaakte verwijten betrekking hebben op het handelen en nalaten van bisschop [de bisschop] in zijn hoedanigheid van bisschop, in een kerkelijke kwestie die speelt in een kerkelijke procedure, inzake het functioneren van [verweerder] als priester en pastoor:51.
‘De kern van de zaak is deze dat Pastoor [verweerder] beschuldigd is van imprudent (onvoorzichtig) gedrag jegens kinderen en andere kwetsbaren door Bisschop [de bisschop] die immers de aantijgingen zoals geventileerd door mevrouw [naam 3] overneemt, door na te laten een onafhankelijk, objectief onderzoek uit te voeren naar de vraag of het door mevrouw [naam 3] gestelde waar is, en vervolgens nota bene de Congregatie voor de Clerus te Rome, zijnde een Congregatie van de Romeinse Curie die verantwoordelijk is voor aangelegenheden die priesters en diakens aangaan en het bevoegd gezag is voor de religieuze opvoeding van Katholieke gelovigen, de brief van 14 februari 2019 te sturen. Door dit handelen van Bisschop [de bisschop] is Pastoor [verweerder] in zijn hoedanigheid van pastoor beschuldigd van imprudent gedrag jegens kinderen en andere kwetsbaren. Eerst na herhaald aanmanen doet Bisschop [de bisschop] op 23 december 2019 de uitdrukkelijke toezegging aan Pastoor [verweerder] de brief van 14 februari 2019 in te trekken maar hij lijkt in weerwil van deze toezegging te hebben gehandeld nu hij tot op heden niet kan aantonen dat hij tot intrekking is overgegaan en de Congregatie voor de Clerus van die intrekking heeft verwittigd.’
1.7.
[verweerder] baseert zijn vermeende vordering wegens smaad en laster op uitlatingen van bisschop [de bisschop] in de brieven van 14 februari en 27 augustus 2019, en op ‘onduidelijkheid’ over het ‘intrekken’ van de brief van 14 februari 2019.52. Deze beide brieven zijn geschreven (uitsluitend) in het kader van de kerkelijke kwestie c.q. procedure rondom Valkerings schorsing als priester en ontslag als pastoor en betreffen zijn functioneren als geestelijke binnen de Rooms Katholieke Kerk.53.
1.8.
[verweerder] is het oneens met de manier waarop bisschop [de bisschop] in zijn functie heeft gehandeld, waaronder inbegrepen het mondelinge ‘intrekken’ van een deel van de brief van 14 februari 2019 en het versturen van de brief van 27 augustus 2019 aan [de kardinaal].54. [verweerder] meent dat bisschop [de bisschop] schriftelijk had moeten mededelen aan de Congregatie en de Paus dat hij (een deel van) de brief introk c.q. de daarin genoemde maatregelen zou laten vervangen voor andere maatregelen in het geval dat [verweerder] een bezinningstraject zou doorlopen.55. De stellingen van [verweerder] laten geen andere conclusie toe dan dat de brief van 14 februari 2019 — die zoals het hof vaststelt, deel uitmaakt van het dossier in de canoniek rechtelijke procedure — en het (verweten) handelen van bisschop [de bisschop] met betrekking tot die brief in het kader van de lopende kerkelijke procedures onmiskenbaar onder de reikwijdte vallen van het statuut van het kerkgenootschap in de zin van art 2:2 lid 2 BW.
1.9.
Gelet op het fundamentele beginsel van scheiding van kerk en staat,56. had het hof aan de hand van art. 2:2 lid 2 BW ambtshalve dienen te onderzoeken of in deze kwestie een taak voor de burgerlijke rechter is weggelegd. Dit grondbeginsel is immers het fundament waarop art. 2:2 BW berust en noopt de burgerlijke rechter (ook ambtshalve) zich niet te mengen in kwesties die vallen onder het bereik van ‘het kerkelijk statuut’, en alleen voor zich een taak te zien indien een zwaarwegend belang van fundamentele aard in het geding is dat in de omstandigheden van het geval — waaronder het niet of niet (meer) openstaan van een met voldoende waarborgen omklede kerkelijke procedure — bemoeienis door de burgerlijke rechter rechtvaardigt.57.
1.10.
Uit de bewoordingen van rov. 3.6 en 3.7 en de daarop voortbouwende en de met dit klachtonderdeel bestreden rechtsoverwegingen — in het bijzonder rov. 3.9 — volgt niet dat een zodanig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat het hof bij de beoordeling van zijn bevoegdheid en de ontvankelijkheid van [verweerder] in zijn verzoek (de maatstaf van) art. 2:2 lid 2 BW heeft toegepast en het fundamentele beginsel van scheiding tussen kerk en staat in acht heeft genomen. Het hof is in het geheel niet nagegaan wat het bereik van ‘het statuut’ is en wat de regels van de canoniek rechtelijke procedure op dit punt bepalen omtrent de positie en het belang van [verweerder] en of die regels of het handelen van bisschop [de bisschop] in strijd is met de wet zoals bedoeld in art. 2:2 lid 2 BW. Het hof heeft evenmin onderzocht en in aanmerking genomen of [verweerder] zijn belang en zijn klachten in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang aan de orde kan stellen of heeft gesteld,58. dan wel of [verweerder] door het handelen van bisschop [de bisschop] wordt geschonden in een belang van zodanige fundamentele aard dat ingrijpen door de burgerlijke rechter is geboden. Een dergelijk belang is ook helemaal niet door [verweerder] gesteld.
1.11.
Voor zover het hof niet ambtshalve zijn bevoegdheid en (de daarmee samenhangende) ontvankelijkheid van [verweerder] had behoren te onderzoeken, heeft het hof met schending van art. 25 Rv verzuimd ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen en met toepassing van (de maatstaf van) art. 2:2 lid 2 BW te beoordelen of [verweerder] ontvankelijk kon worden verklaard in zijn verzoek. Bisschop [de bisschop] heeft immers bij herhaling een beroep gedaan op het primaat van het kerkelijk statuut. Sterker nog, bisschop [de bisschop] heeft nadrukkelijk gewezen op het feit dat [verweerder] met zijn klachten over het handelen van bisschop [de bisschop] zijn belangen in een kerkelijke procedure aan de orde kan stellen.59. Daarbij heeft bisschop [de bisschop] in eerste aanleg op het volgende gewezen:
- a.
‘[verweerder] heeft de bisschoppelijke decreten, waarbij hij is geschorst als priester en ontslagen als pastoor, aangevochten in Rome’;60.
- b.
‘De Melding, de afhandeling daarvan en de procedure rondom zijn schorsing en ontslag betreffen (interne) aangelegenheden die worden beheerst door de regels van het Canonieke recht. Het canonieke recht voorziet in een eigen rechtsgang in geval van conflicten tussen ambtsdragers van de katholieke kerk. [verweerder] heeft die rechtsgang gevolgd en zijn ontslag tot in hoogste instantie aangevochten’;61.
- c.
‘De Congregatie voor de Clerus, bevestigd door de Paus heeft (…) in hoogste instantie in de canonieke procedure reeds beslist dat het gestelde van [verweerder] omtrent de (afhandeling van de) Melding, en de vermeende doorwerking daarvan in de Romeinse decreten, GEEN reden is voor een nader onderzoek of voor een herziening van de Romeinse Decreten’;62.
- d.
‘De door de Congregatie gegeven beslissing, om de decreten in stand te laten en geen onderzoek naar de Melding te doen, is bindend voor de burgerlijk rechter. Dit betreft het domein van het kerkelijk recht. De civiele rechter dient het besluit van de Congregatie te respecteren. Het staat de burgerlijke rechter niet vrij dit besluit inhoudelijk te beoordelen. Evenmin mag de burgerlijke rechter de beslissingen van Rome beoordelen op volledigheid of consistentie;’63.
- e.
‘Er zou slechts een rol voor de civiele rechter zijn weggelegd als er aanleiding zou zijn om aan te nemen dat in de kerkelijke procedure belangen van fundamentele aard of zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen zijn geschonden. Er is geen grond om daarvan uit te gaan en [verweerder] heeft dat ook niet gesteld laat staan aannemelijk gemaakt. De kerkelijke rechtsgang is met voldoende waarborgen omkleed geweest. [verweerder] is daarin bijgestaan door een advocaat’;64.
- f.
‘De rechtbank was — terecht — van mening dat de vraag of er al dan niet een onderzoek naar de Melding moet komen een interne aangelegenheid is, waarover de civiele rechter niet kan oordelen’; 65.
- g.
‘Als de civiele rechter alsnog een onderzoek naar de melding en de afhandeling daarvan zou toestaan c.q. in de hoofdzaak zou oordelen over de doorwerking in de Romeinse Decreten zou dat leiden tot een ernstige ondermijning en doorkruising van het gezag van de Congregatie en de Paus, die immers bij uitsluiting over deze interne kwestie hebben te oordelen (en hebben geoordeeld)’;66.
- h.
‘[verweerder] maakt oneigenlijk gebruik van zijn bevoegdheid tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor omdat (a) het in werkelijkheid gaat om zaken waarover al in de canonieke procedure is geoordeeld (b) het hoe dan ook gaat om een kwestie die aan de competente Congregatie is voorbehouden’;67.
- i.
‘Er is geen reden om aan te nemen dat de naam van [verweerder] is aangetast bij de Congregatie voor de Clerus of de Paus. [verweerder] heeft dit immers al aan de orde gesteld bij de Congregatie (…) en aangegeven dat hij meent dat er een verband zou bestaan tussen de aantijgingen uit de brief van 14 februari 2019 en zijn ontslag en schorsing. De Congregatie heeft kennis genomen van dit verzoek en de aangevoerde argumenten en besloten dat er geen reden is de Melding te onderzoeken en er geen reden is de Romeinse Decreten te herzien. De Congregatie heeft daarnaast expliciet bevestigd dat [verweerder] is geschorst en ontslagen om andere redenen dan zijn omgang met minderjarigen. Dit oordeel is bindend voor de civiele rechter zodat niet aannemelijk is dat de civiele rechter een oordeel zal kunnen en mogen geven over de gestelde onrechtmatigheid. De burgerlijke rechter is ook niet de aangewezen instantie om te oordelen over wat de impact van de brief van 14 februari 2019 is geweest op het besluit om [verweerder] als pastoor te ontslaan en te schorsen als priester noch van de intrekking van de brief van 14 februari 2019 in het licht van de afspraken over het bezinningstraject dat [verweerder] zou aangaan maar nimmer aanging;68.
[onderstreping toegevoegd]
- j.
‘[A]ls [verweerder] meent dat er nog gronden zouden zijn om de Bisschop aan te spreken omdat zijn goede naam ten onrechte zou zijn geschaad, het in dat geval gaat om schending van een norm naar Canoniek recht (canon 220 van het kerkelijk wetboek, Codex Iuris Canonici69.) en hiervoor een procedure naar Canoniek recht moet worden gevoerd.70.[verweerder] kan in dat geval een klacht tegen dit handelen van de bisschop indienen bij de competente Congregatie [sinds 2022 ‘Dicasterie’ genaamd] binnen de Romeinse Curie (en eventueel tegen de beslissing van die Congregatie in beroep gaan bij de Apostolische Signatura, de hoogste rechtbank van de katholieke kerk’;71.’
[onderstreping toegevoegd]
- k.
‘[verweerder] geeft in zijn verzoekschrift aan dat hij voornemens is een vordering bij de burgerlijk rechter in te stellen. (…) Maar het zal dus niet aan de civiele rechter zijn om hierover te oordelen’;72.
- l.
‘[D]e Bisschop [meent] dat het verzoek (…) hoe dan ook slechts gedeeltelijk kan worden toegewezen en het verzoek niet kan worden toegewezen voor zover het ziet op een onderzoek naar interne canonieke aangelegenheden, zijn de (afhandeling van de) Melding en de procedure rond het ontslag en schorsing nu daarover al geoordeeld is in de Canonieke procedure en de civiele rechter hierin geen bevoegdheid heeft.’73.
1.12.
Bisschop [de bisschop] heeft bovendien in hoger beroep betoogd:
- a.
‘[verweerder] misbruikt het middel van een voorlopig getuigenverhoor om een onderzoek te doen naar de melding, hetgeen een interne kerkelijke aangelegenheid is, die is afgehandeld’;74.
- b.
‘[verweerder] heeft de kerkelijke instanties al gevraagd een nader onderzoek te doen naar de melding. Door de Congregatie is in hoogste instantie geoordeeld dat er geen reden is voor een ander onderzoek naar de melding’;75.
- c.
‘De civiele rechter is aan het oordeel van de kerkelijk rechter gebonden; de kort geding rechter heeft terecht geoordeeld dat het niet aan de civiele rechter is om een onderzoek te gelasten naar een interne kerkelijke kwestie’;76.
- d.
‘Het is niet acceptabel als de beslissing van de hoogste kerkelijk rechter om geen nader onderzoek te doen naar de melding zou worden doorkruist doordat de civiele rechter wel een onderzoek toestaat’;77.
- e.
‘[verweerder] stelt dat hetgeen besproken is tussen de meldster en de Bisschop geen interne aangelegenheid zou zijn. Die stelling is niet juist. Uiteraard behoren de gesprekken die de Bisschop heeft gevoerd in verband met de afhandeling van de melding ook tot de interne kerkelijke procedure rondom de afhandeling van de melding en de maatregelen die aan [verweerder] zijn opgelegd in de brief van 14 februari 2019’;78.
- f.
‘De rechtbank in eerste aanleg heeft — net als de Voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam — terecht overwogen dat de afhandeling van de melding een interne kerkrechtelijke aangelegenheid is, waarover de civiele rechter niet heeft te oordelen’;79.
- g.
‘[verweerder] heeft tot drie keer toe een verzoek gedaan bij de bevoegde kerkelijke instanties tot het doen van een nader onderzoek naar de melding en al die verzoeken zijn afgewezen. Dit besluit is bindend voor de burgerlijk rechter en het staat de burgerlijke rechter niet vrij dit besluit inhoudelijk te beoordelen’;80.
- h.
‘De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de melding een interne kerkelijke kwestie is, waarover zij niet kan oordelen’;81.
- i.
‘In het decreet van de Congregatie wordt (…) naar [de brief van 14 februari 2019] verwezen, nu die formeel de inleiding tot de kerkelijke procedure vormde. Of de brief nu wel of niet is ingetrokken laat hoe dan ook onverlet dat de Congregatie kennis heeft genomen van die brief, in het kader van de kerkelijke procedure omtrent de schorsing en het ontslag van [verweerder]’;82.
- j.
‘Over de vraag of er een onderzoek moet komen naar de melding is al beslist door de Congregatie, en wel in hoogste instantie. De civiele rechter is gebonden aan het oordeel van de canonieke rechter dat geen aanleiding is voor het gelasten van een onderzoek naar de melding’;83.
- k.
‘De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de afhandeling van de melding een interne kerkelijke aangelegenheid is, waar de civiele rechter niet over kan en mag oordelen’;84.
- l.
‘[verweerder] heeft (…) niet kunnen aangeven wat zijn belang is om de rechtbank en de Bisschop te belasten met het doen horen van een hele waslijst aan getuigen, over een afgehandelde melding die gaat over een interne kwestie waarop het canonieke recht van toepassing is, waarover de canonieke instanties reeds hebben beslist dat hier geen onderzoek naar komt, waarvan alle feiten al bekend zijn en waarvan het volstrekt onaannemelijk is dat die kunnen leiden tot een vordering wegens smaad laat staan laster’;85.
- m.
‘De door de Congregatie gegeven beslissing, om geen onderzoek te doen naar de Melding, de afhandeling daarvan en (de gevolgen van) de intrekking van de brief van 14 februari 2019 op de Romeinse Decreten, is bindend voor de burgerlijke rechter en kan niet met zich brengen dat via de burgerlijke rechter dan toch wel een onderzoek naar (de afhandeling) van die melding c.q. de doorwerking van brieven van de Bisschop op de Romeinse Decreten zou kunnen worden afgedwongen.’86.
- n.
‘(…) Dat klemt te meer nu ook een eventuele procedure wegens smaad tegen de Bisschop — net als de kwestie rond de melding — beheerst wordt door het canonieke recht (canon 220 van het kerkelijk wetboek, Codex luris Canonici) en hiervoor een procedure naar Canoniek recht moet worden gevoerd (…)’.87.
1.13.
Zelfs in het geval Uw Raad van oordeel is dat deze stellingen — ten aanzien van het wel toegewezen deel van het verzoek — niet een expliciet beroep op art. 2:2 lid 2 BW inhouden, had het hof tenminste overeenkomstig het bepaalde in art. 25 Rv en met inachtneming van de devolutieve werking van het hoger beroep de rechtsgronden van het verweer van bisschop [de bisschop] moeten aanvullen.
1.14.
Het hof heeft verzuimd na te gaan welke rechtsregels op de door beide partijen aangevoerde gronden van toepassing zijn en welke rechtsgevolgen uit die rechtsregels voortvloeien. Daarmee geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De rechter wordt geacht het recht te kennen (ius curia novit) en de relevante rechtsregels toe te passen en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen daaraan te verbinden.88.
1.15.
Indien het hof wel (ambtshalve of met inachtneming van art. 25 Rv en de devolutieve werking van het hoger beroep) art. 2:2 lid 2 BW had toegepast, dan had het moeten oordelen dat ter zake van de klachten van [verweerder] over het handelen van bisschop [de bisschop] met betrekking tot de brief van 14 februari 2019 geen taak voor de burgerlijke rechter is weggelegd en dat art. 186 jo art. 166 Rv dus niet voor toepassing in aanmerking komt.89. Uw Raad oordeelde immers eerder al:90.
‘De aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter heeft geen betrekking op voorzieningen die partijen uitsluitend verlangen met het oog op de procesvoering in de rechtsgang bij een andere rechter. Partijen zijn in die rechtsgang aangewezen op de voor die rechtsgang geldende regels en mogelijkheden. Het is aan de rechter in die rechtsgang om te beslissen over, kort gezegd, de uitleg en toepassing van die regels en mogelijkheden. In dat verband is voor de burgerlijke rechter, gelet op de wettelijke verdeling van rechterlijke bevoegdheid, geen taak weggelegd.’
1.16.
En ook in het Box Consultants-arrest oordeelde Uw Raad:91.
‘Een voorlopig getuigenverhoor is uitsluitend toelaatbaar met het oog op een geding voor de burgerlijke rechter. Indien dat verhoor wordt verzocht om feiten te doen ophelderen of vaststellen ten behoeve van een procedure bij een andere rechter, is het derhalve niet toewijsbaar.’
1.17.
Indien en voor zover het hof met zijn oordeel niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, is zijn oordeel onbegrijpelijk. Zonder nadere motivering — die ontbreekt — is niet kenbaar waarom naar het oordeel van het hof [verweerder] met zijn klachten over het handelen van bisschop [de bisschop] inzake het verzenden van de brief van 14 februari 2019, het verzenden van de brief van 27 augustus 2019 aan [de kardinaal] en het (deels) mondeling (en niet schriftelijk) ‘intrekken’ van de brief van 14 februari 2019 belangen in het geding zijn van zo fundamentele aard ter zake waarvan bovendien geen met voldoende waarborgen omklede kerkelijke rechtsgang (meer) open staat, dat daarom een taak voor de burgerlijke rechter is weggelegd en art. 186 jo. 166 Rv kan worden toegepast. Het hof maakt niet inzichtelijk welke afweging het heeft gemaakt om te concluderen dat ‘het statuut’ opzij moet worden gezet en dat in deze kwestie voor de burgerlijke rechter een taak is weggelegd.
2. Onderdeel 2: hof gaat uit van onjuiste maatstaf ten aanzien van relevantie vordering in te beginnen bodemprocedure
2.1.
Klachtonderdeel 2 bouwt voort op klachtonderdeel 1 en dient met klachtonderdelen 1 en 3 in samenhang te worden gelezen en beoordeeld en dient eveneens tot vernietiging van de Beschikking te leiden. Dit klachtonderdeel richt zich met name tegen rov. 3.7 en 3.10, waarin het hof het verweer van bisschop [de bisschop] dat de voorgenomen vordering van [verweerder] kansloos is, verwerpt.
2.2.
In rov. 3.7 overweegt het hof — onder verwijzing naar twee arresten uit 2010 respectievelijk 2017 — dat in de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ‘niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing [voor]ligt.’ In rov. 3.10 bouwt het hof daarop voort waar het hof het verweer van bisschop [de bisschop] — inhoudende dat de eventuele vordering van [verweerder] kansloos is — verwerpt. Daartoe overweegt het hof:
‘Naar hiervoor reeds is overwogen, ligt bij de beoordeling van de toewijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor de slagingskans van een in te stellen vordering immers niet ter toetsing voor.’
2.3.
Het hof geeft daarmee blijk van een onjuiste rechtsopvatting doordat het miskent dat [verweerder] een (voldoende) belang dient te hebben bij zijn verzoek, en voor zover het hof wel van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan, is zijn oordeel onbegrijpelijk, omdat het hof voorbij gaat aan essentiële stellingen van bisschop [de bisschop] en zonder (nadere) motivering die ontbreekt niet te begrijpen is waarom [verweerder] een voldoende belang heeft bij zijn verzoek.
Toelichting
2.4.
Weliswaar neemt het hof terecht tot uitgangspunt dat de toewijsbaarheid van de vordering in de bodemprocedure op zichzelf geen grond is voor afwijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Niettemin kan een gebrek aan (feitelijke of juridische) kans van slagen van (de vordering in) de bodemprocedure reden zijn om aan te nemen dat een partij onvoldoende belang heeft in de zin van art. 3:303 BW.
2.5.
Uit de jurisprudentie blijkt dat van onvoldoende belang in de zin van art. 3:303 BW onder meer sprake kan zijn in het geval een vordering ‘geen kans van slagen’ heeft.92. Ook in de literatuur wordt aangenomen dat in het geval van het ontbreken van een kans van slagen van de vordering in de bodemprocedure sprake kan zijn van onvoldoende belang.93. Verschillende toonaangevende juridische auteurs gaan daarbij uit van net andere nuances. Zo meent De Bock dat het erom moet gaan dat ‘evident’ is dat de vordering in de bodemprocedure wordt afgewezen.94. A-G Wissink lijkt een vergelijkbare, maar een net iets anders geformuleerde toets voor te staan, namelijk dat over de niet-toewijsbaarheid van de vordering ‘redelijkerwijs geen discussie mogelijk [moet] zijn’.95. Groot gaat er daarentegen vanuit dat van belang is of de vordering ‘bij een oppervlakkige beoordeling van de vordering in de hoofdzaak (…) hoogstwaarschijnlijk wordt afgewezen.’96. Onder de streep gaat het er aldus steeds om dat de vordering in de bodemprocedure met zeer hoge mate van waarschijnlijkheid dient te worden afgewezen. Dat in de onderhavige zaak aan de verschillende toetsen zoals hierboven wordt omschreven wordt voldaan, staat buiten kijf.
2.6.
[verweerder] wenst door middel van het gelasten van het voorlopig getuigenverhoor zijn positie te onderzoeken met het oog op een door hem voorgenomen en bij de burgerlijke rechter in te stellen onrechtmatige daad vordering tegen bisschop [de bisschop] wegens laster en/of smaad. Om twee op zichzelf staande redenen heeft een dergelijke vordering geen kans van slagen.
2.7.
In de eerste plaats ontbreekt enige kans van slagen van een dergelijke vordering voor de overheidsrechter, nu er geen, althans slechts een zeer beperkte rol is weggelegd voor de burgerlijke rechter in deze kwestie, zoals toegelicht onder klachtonderdeel 1.
2.8.
Zoals reeds in feitelijke instanties is uiteengezet97., bestaat er bovendien geen feitelijke grondslag voor een vordering wegens smaad en/of laster, en kunnen de onderwerpen waarover [verweerder] getuigen wil doen horen niet als basis dienen voor een vordering wegens laster en/of smaad.
2.9.
Artikel 261 Sr bepaalt dat als smaad kwalificeert:
‘Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven’.
2.10.
Aldus zijn er vier vereisten van elkaar te onderscheiden: het moet gaan om (i) opzet, (ii) om iemands eer of goede naam aan te randen, (iii) om een bepaald feit ten laste te leggen, oftewel het moet gaan om een bepaalde aantijging en (iv) er dient een ‘kennelijk doel’ te bestaan om daaraan ruchtbaarheid te geven. De Hoge Raad heeft bepaald dat onder ‘ruchtbaarheid geven’ als bedoeld onder art. 261 Sr dient te worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’. De Hoge Raad heeft bovendien duidelijk gemaakt dat bij de beoordeling van de vraag of een mededeling wordt gedaan met het kennelijke doel om deze ter kennis van het publiek te brengen van belang kan zijn of verwacht mag worden dat de ontvanger van de (smadelijke) mededeling daar vertrouwelijk mee omgaat.98.
2.11.
Bisschop [de bisschop] heeft in feitelijke instanties uitvoerig toegelicht dat van smaad reeds geen sprake kan zijn, omdat de brief van 14 februari 2019 slechts is verstuurd aan de personen die binnen het kerkgenootschap kennis moesten nemen van de brief in het kader van de kerkelijke procedure. De brief is aldus slechts intern verstuurd. Dit geldt evenzeer voor de brief van 27 augustus 2019 waarin bisschop [de bisschop] [de kardinaal] slechts om advies vraagt over de verdere (canonieke) procedure tegen [verweerder].99. Deze ontvangers hebben elk ook een eigen verplichting om hetgeen in de brief staat, niet ter kennis aan het publiek te stellen. Het is juist [verweerder] zelf die de media heeft opgezocht over de kwestie. Hij is bovendien op eigen initiatief over de melding en zijn interpretatie daarvan begonnen.100. Het hof heeft ten onrechte niet gereageerd op de essentiële stelling van bisschop [de bisschop] dat van smaad geen sprake kan zijn.
2.12.
Artikel 262 Sr bepaalt dat als laster kwalificeert:
‘Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is’.
2.13.
Van laster kan ook geen sprake zijn, omdat de inhoud van de brief overeenkomstig de daarvoor geldende procedures is onderzocht binnen de Kerk en de feiten zoals opgenomen in de brief niet in strijd met de waarheid zijn. [verweerder] heeft het overgrote deel van de ‘aantijgingen’ ook niet betwist. Het gaat daarbij onder meer om de volgende punten die zien op de (afhandeling van de) melding:101.
- a.
Meldster heeft een aantal foto's gezien van het bed van [verweerder] met daarboven kindertekeningen en dat die foto's naar de ouders en de kinderen zijn verstuurd;
- b.
[verweerder] heeft zich tijdens een jongerenkamp in het bijzijn van jongeren en [naam 3] uitgekleed en met een handdoek om zijn middel zijn zwembroek aangetrokken;
- c.
Misdienaars van zeven of acht jaar oud moesten aan het einde van de eucharistieviering de kelk met geconsacreerde wijn leegdrinken;
- d.
[verweerder] zou zijn huishoudster, van wie hij wist dat zij een verleden heeft van drugs-, alcoholverslaving en prostitutie, een glas wijn aangeboden op een feest;
- e.
Een pedoseksuele man zou aanwezig zijn geweest bij jongerenvieringen in de Kerk.
2.14.
Bovendien heeft [verweerder] niet betwist dat bisschop [de bisschop] naar aanleiding van de melding en een aantal andere aangelegenheden aan [verweerder] de brief van 14 februari 2019 heeft gestuurd en de inhoud van de melding ook niet heeft geleid tot een ingediende klacht.102.
2.15.
Het hof heeft dan ook ten onrechte niet gereageerd op de essentiële stelling dat (ook) van laster geen sprake kan zijn.
2.16.
Ten aanzien van een beweerdelijke vordering wegens smaad en/of laster valt daarnaast niet in te zien hoe door in het kader van een kerkelijke procedure in de brief van 14 februari 2019 weer te geven uit welke (relatief onschuldige) gedragingen de melding bestond en aan te geven — gelet ook op de reactie van [verweerder] op de melding — een coaching traject passend te achten om [verweerder] te helpen bij de inschatting van de verschillende situaties betreffende de omgang met kwetsbare personen, zou kwalificeren als het opzettelijk aantasten van [verweerder]s eer of goede naam.103. Evenmin valt in te zien hoe de brief van 27 augustus 2019 [verweerder]s eer of goede naam zou aantasten. Deze brief bevat geen beschuldigingen of lasterlijke uitlatingen, maar had slechts tot doel het informeren van [de kardinaal] over het feit dat de melding was gedaan, wat deze melding inhield en op welke wijze bisschop [de bisschop] de melding — en de andere aan de orde zijnde kwesties rondom het celibaat en ongehoorzaamheid — heeft afgehandeld.104.
2.17.
Bisschop [de bisschop] heeft in het licht van het bovenstaande in feitelijke instanties betoogd dat een vordering wegens smaad en/of laster ook op inhoudelijke gronden geen enkele kans van slagen heeft.
2.18.
Aldus heeft het hof in rov. 3.7 en rov. 3.10 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het heeft miskend dat een gebrek aan een kans van slagen wel dient te worden meegewogen door de rechter, althans heeft het hof zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, doordat het hof zijn gedachtegang waarom niettegenstaande de ontbrekende of zeer beperkte rol van de burgerlijke rechter in deze kwestie en de onmogelijkheid om smaad en/of laster aan te nemen, niet aan toewijzing van het verzoek in de weg staan, niet (begrijpelijk) heeft weergegeven.
3. Onderdeel 3: hof gaat in strijd met art. 24 Rv het partijdebat te buiten
3.1.
In rov. 3.9 meent het hof dat [verweerder] belang heeft bij het voorlopig getuigenverhoor van bisschop [de bisschop] dat betrekking heeft op de vraag waarom de intrekking van de brief van 14 februari 2019 niet schriftelijk is medegedeeld ‘teneinde te voorkomen dat deze deel blijft uitmaken van het dossier in de canoniek rechtelijke procedure en onder ogen van anderen komt.’ Wat [verweerder] betreft overweegt het hof ten aanzien van dat belang onder meer dat hij kan verklaren over wat hem bijvoorbeeld is medegedeeld over ‘het verwijderen uit het dossier van de canoniek rechtelijke procedure (…)’. Ten aanzien van [de kardinaal] ‘omdat de kardinaal, als vertegenwoordiger van de Congregatie, kan bevestigen (of ontkennen) dat bisschop [de bisschop] mondeling heeft medegedeeld dat hij de brief heeft ingetrokken en dat de brief dus uit het canoniek rechtelijk dossier moet worden verwijderd.’ [onderstreping toegevoegd]
3.2.
Het oordeel is strijdig met art. 24 Rv, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat voor deze overwegingen geen feitelijke grondslag te vinden is in de stellingen van partijen. Bovendien miskent het hof met schending van art. 2:2 lid 2 BW dat de vraag wat deel uitmaakt van het dossier in de canoniek rechtelijke procedure wordt bepaald door het canonieke recht.
Toelichting
3.3.
Klachtonderdeel 3 bouwt eveneens voort op klachtonderdeel 1 en dient met klachtonderdelen 1 en 2 in samenhang te worden gelezen en beoordeeld.
3.4.
Bisschop [de bisschop] heeft bij herhaling gesteld dat ‘de intrekking’ zag op de daarin genoemde maatregelen nu — zoals het hof ook in rov. 2 (v) vaststelt — op andere wijze wordt voorzien in een traject van bezinning en begeleiding (en dus niet op de gehele brief).105. Het is reeds daarom onbegrijpelijk dat het hof aanneemt dat de brief dus uit het dossier verwijderd zal worden. Daar komt bij dat geen van partijen heeft gesteld dat de brief van 14 februari 2019 uit het canoniek rechtelijk dossier moet worden verwijderd. Uit de stellingen van partijen valt evenmin af te leiden dat [de kardinaal], zoals het hof aanneemt, zal kunnen ‘bevestigen of ontkennen’ dat bisschop [de bisschop] mondeling heeft medegedeeld dat hij de brief had ingetrokken (nog afgezien van de vraag of hij hierover iets zal mogen verklaren vanuit zijn kerkelijke functie). Ten aanzien van de stellingen van [verweerder] geldt dat hetgeen het minst verwijderd is van wat het hof lijkt aan te nemen, [verweerder]s grief 5 is waarin hij stelt:106.
‘Ten onrechte oordeelt de Rechtbank in rechtsoverweging 4.9 dat vaststaat dat de Congregatie voor de Clerus van de brief van 14 februari 2019 heeft kennis genomen.’
3.5.
[verweerder] heeft in zijn toelichting op deze brief niet erop gewezen dat hij wenst dat de brief uit het canoniek rechtelijk dossier wordt verwijderd. Hij wil weten ‘hoe het traject is verlopen’ en wanneer en hoe de Congregatie is geïnformeerd over de intrekking van de brief. Bisschop [de bisschop] heeft op de bovenstaande grief gerespondeerd, waarbij bisschop [de bisschop] onder meer uiteen heeft gezet dat niet ter discussie staat dat de Congregatie over de brief van 14 februari 2019 heeft beschikt in het kader van de procedure die heeft geleid tot het ontslag en de schorsing van [verweerder], omdat in het decreet van de Congregatie immers naar de brief wordt verwezen.107.
3.6.
Bovendien heeft het hof met schending van art. 2:2 lid 2 BW miskend dat welke stukken tot het canoniek rechtelijke dossier behoren en wat beheerst wordt door de canoniek rechtelijke procedure, onder de reikwijdte van het kerkelijk statuut valt en door dat kerkelijk statuut wordt bepaald.108. Het hof heeft aldus ten onrechte verzuimd art. 2:2 BW toe te passen, althans deze bepaling en het daaraan ten grondslag liggende beginsel van scheiding van kerk en staat geschonden.
4. Onderdeel 4: toestemming om [de kardinaal] te horen als getuige onbegrijpelijk
4.1.
In rov. 3.9, laatste volzin, wijst het hof het horen van [de kardinaal] toe:
‘Ten slotte is ook het horen van [de kardinaal] toewijsbaar aangezien de verklaring van deze getuige over de intrekking van de brief van 14 februari 2019 relevant kan zijn met het oog op een eventueel te entameren procedure inzake smaad en/of laster, omdat de kardinaal, als vertegenwoordiger van de Congregatie, kan bevestigen (of ontkennen) dat bisschop [de bisschop] mondeling heeft medegedeeld dat hij de brief heeft ingetrokken en dat de brief dus uit het canoniek rechtelijk dossier moet worden verwijderd.’
4.2.
Dit betreft een ontoelaatbare verassingsbeslissing. Dit oordeel kan immers niet gebaseerd zijn op stellingen van beide partijen betrokken bij dit geschil. In eerste aanleg heeft [verweerder] de rechtbank verzocht de volgende getuigen te doen horen:109.
- ‘—
Mgr. dr. [de bisschop];
- —
Mgr. [naam 10];
- —
Drs. [naam 11];
- —
Mgr. dr. [naam 12];
- —
Mevrouw [naam 3];
- —
Mevrouw [naam 9];
- —
Mevrouw [naam 8];
- —
De heer [naam 7];
- —
Mevrouw [naam 13];
- —
Mevrouw [naam 14];
- —
Dr. [naam 15];
- —
De heer [naam 16];
- —
Mevrouw [naam 17];
- —
Pastor [verweerder];
- —
Mgr. dr. [naam 1];
- —
Nader te noemen getuigen.’
4.3.
[de kardinaal] ontbreekt in deze opsomming van mogelijke getuigen.110. Sterker nog, [verweerder] noemt [de kardinaal] slechts één keer in het verzoekschrift, namelijk waar [verweerder] het vermeende onrechtmatig handelen van bisschop [de bisschop] omschrijft:111.
‘Dit onrechtmatig handelen bestaat hieruit dat Bisschop [de bisschop] de aantijgingen van [naam 3] (…) klakkeloos heeft overgenomen in zijn brief van 14 februari 2019 aan Pastor [verweerder], als ook in een Italiaanse brief van 27 augustus 2019, gestuurd aan [de kardinaal], de Prefect van de Congregatie voor de Clerus te Rome, en in weerwil van zijn toezegging aan Pastor [verweerder] (…) de brief van 14 februari 2019 in te trekken, dit niet schriftelijk heeft gemeld aan de Congregatie voor de Clerus te Rome en aan de Paus te Rome.’
4.4.
Aldus maakte het oproepen van [de kardinaal] in eerste aanleg geen onderdeel uit van de rechtsstrijd uit tussen partijen.
4.5.
Evenmin kan in hoger beroep ervan uit worden gegaan dat [verweerder] [de kardinaal] daadwerkelijk als getuige wilde doen horen. Het enige aanknopingspunt voor het hof om aan te nemen dat [verweerder] [de kardinaal] als getuige wil laten horen, is het volgende:112.
‘Alvorens een procedure aan te vangen jegens Bisschop [de bisschop] wil Pastor [verweerder] een antwoord op de volgende vragen; (…) Voorts wil Pastoor [verweerder] graag [de kardinaal] als getuige laten horen over de vraag of de brief van 14 februari 2019 bij de Congregatie bekend is en of deze is ingetrokken door Bisschop [de bisschop].’
4.6.
Twee paragrafen daaropvolgend legt [verweerder] uit tot welk oordeel de rechtbank is gekomen. In de daaropvolgende paragraaf concretiseert [verweerder] welke getuigen hij wil doen horen. Daarbij stapt [verweerder] af van het laten horen van [de kardinaal]:113.
‘Alvorens een procedure te entameren met alle belastende gevolgen voor betrokken van dien wil Pastor [verweerder] de navolgende getuigen doen horen teneinde zijn procespositie te bepalen. Hij beperkt de getuigen in hoger beroep tot de navolgende getuigen:
- ‘a.
[de bisschop]
- b.
Vicaris-Generaal Mgr. dr. [naam 4]
- c.
Mevrouw [naam 3]
- d.
De heer [naam 7] (de veronderstelde pedoseksueel)
- e.
Mevrouw [naam 8]
- f.
Mevrouw [naam 9]
- g.
Mgr. dr. [naam 1]
- h.
Pastor [verweerder]’’
[onderstreping toegevoegd]
4.7.
Vervolgens legt [verweerder] per getuige precies uit wat zij volgens hem zouden kunnen verklaren.114. In zowel de opgesomde lijst van getuigen als de nadere uitleg per getuige wordt met geen woord gerept over het laten horen van [de kardinaal] als getuige. Tijdens het pleidooi van 30 september 2022 is het laten horen van [de kardinaal] evenmin aan bod gekomen.115. Aldus heeft bisschop [de bisschop] het beroepschrift van [verweerder] redelijkerwijs zodanig gelezen dat daarin geen verzoek werd gedaan op het oproepen van [de kardinaal] als getuige.116.
4.8.
De toewijzing van het hof in rov. 3.9 om [de kardinaal] te laten horen als getuige, en de daartoe zelfbedachte redenering van het hof, komt dan ook volledig uit de lucht gevallen en is als zodanig onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van het partijdebat in feitelijke instanties.
5. Veegklacht en verdere afdoening
5.1.
Het slagen van één of meer van klachtonderdelen 1 tot en met 4 vitieert ook het oordeel in rov. 3.14 en het dictum van de Beschikking.
5.2.
Bisschop [de bisschop] meent dat indien één of meer van zijn klachten doeltreffen, de zaak zonder verder onderzoek in feitelijke instantie door de Hoge Raad kan worden afgedaan.
Conclusie
Verzoeker verzoekt uw Raad de Beschikking te vernietigen, het hoger beroep van [verweerder] tegen de beschikking d.d. 6 juli 2021 van de rechtbank te verwerpen en die beschikking te bekrachtigen althans [verweerder] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑06‑2023
Beschikking, rov. 2 (vi).
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 13.
Beschikking, rov. 2 (v); Verzoekschrift, randnr. 12; Beroepschrift, randnr. 13; Verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 3; Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 12.
Verzoekschrift, productie 2.
Beschikking, rov. 2 (ii) en (iii).
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 35.
Zie ook Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 9.
Beschikking, rov. 2 (vii). Zie ook Verzoekschrift, productie 4; Beroepschrift, productie 2 (Nederlandse vertaling). Verzoekschrift, randnr. 22; Beroepschrift, randnr 14; Verweerschrift in hoger beroep, randnrs. 32–33, 94–97.
Beschikking, rov. 2 (vii); Verweerschrift in hoger beroep, randnrs. 33 en 37 en Pleitnotities [de bisschop] in hoger beroep, randnr. 26.
Beschikking, rov. 2 (viii) en Verweerschrift in hoger beroep, randnrs. 40 en 78. Daarmee doelde bisschop [de bisschop] op het gegeven dat inmiddels in het kader van de na de brief van 14 februari 2019 plaatsgevonden schorsing in het priesterambt en ontheffing uit het ambt als pastoor, andere afspraken waren gemaakt over het aangaan van een bezinningstraject; Pleitnotities [de bisschop] in eerste aanleg, randnrs. 43 en 44: De brief van 24 december 2019 is geschreven in het licht van de — inmiddels — met [verweerder] gemaakte afspraken dat hij vrijwillig een bezinningsperiode in zou gaan. Hij zou dan geschorst blijven als priester maar nog niet ontheven worden uit het ambt van pastoor. Na het benutten van die bezinningsperiode zou hij dan weer zijn taken kunnen hervatten na een ‘transitie’, zijnde een overplaatsing. De intrekking hield verband met de gemaakte afspraken met [verweerder] over het aanvangen van een bezinningsperiode. [verweerder] heeft zich niet aan die afspraken gehouden. De brief van 14 februari 2019 is niet ongeclausuleerd ingetrokken. Zie ook Verweerschrift in hoger beroep, randnrs. 80–83; Pleitnotities [de bisschop] in hoger beroep, randnr. 10.
Beschikking rechtbank, rov. 4.9.
Beschikking, rov. 3.9.
Beschikking, rov. 3.8 (slot).
Beschikking, rov. 3.9.
Beschikking, rov. 3.9.
Beschikking, rov. 3.9.
EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96 (2002) 34 EHRR 1339 (Hasan & Chaush vs. Bulgarije), par. 62. Zie bijv. ook EHRM 14 december 2001, nr. 45701/99 (2002) 35 EHRR 306 (Metropolitan Church of Bessarabia vs. Moldavië), rov. 118.
P.T. Pel, ‘Kerkgenootschappen en hun religieuze functionarissen in het recht. Beschouwingen naar aanleiding van HR 4 oktober 2019 (NGK/Gort), MvO 2020/3-4.
L.C. van Drimmelen en T.J. van der Ploeg (red.), Geloofsgemeenschappen en recht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2014, p. 263 onder verwijzing naar C.P van Dijk, ‘Het regeringsbeleid ten opzichte van kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag’, in: J.A.F. Peters (red.), Kerk en Staat. Actuele ontwikkelingen belicht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 5.
Zie in dit verband P.T. Pel, ‘‘Hun eigen statuut’: kerkelijk primaat of statelijk privaat?’, NTKR 2018/2, pp. 116–117: ‘‘Aan alle kerkgenootschappen is en blijft de volkomen vrijheid verzekerd alles wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in eigen boezem betreft, regelen’. Zo opende de Wet op de kerkgenootschappen van 1853. Dit sloot aan bij de Grondwet van 1848, die bepaalde dat ‘de tusschenkomst der Regeering niet wordt vereischt (…), behoudens verantwoordelijkheid volgens de wet, bij de afkondiging van kerkelijke voorschriften’. Deze bepaling stond tot 1983 ongewijzigd in de Grondwet. Sinds 1976 wordt deze lijn gecontinueerd in art. 2:2 BW met de al aangehaalde formule dat de kerkgenootschappen ‘worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet’. (…) Vanaf 1983 worden de kerkgenootschappen in de Grondwet niet meer genoemd. Met de toenmalige invoering van de ‘grondrechtencatalogus’ werden zij geacht te vallen onder de collectieve dimensie van het recht op godsdienstvrijheid van art. 6 Gr. En nadat in 1988 bij de komst van de Wet openbare manifestaties ook de oude Wet op de kerkgenootschappen werd ingetrokken, resteert in de Nederlandse wetgeving art. 2:2 BW als de kernbepaling over de kerkgenootschappen’. Zie ook A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2022, par. 3.6.1: ‘Het uitgangspunt dat de kerk wordt geregeerd door haar eigen statuut is gebaseerd op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat.’; T. Pel, ‘Het kerkelijk statuut en de wet’, NTKR 2010/4, p. 95: ‘ De wetgever heeft het bewust aan de kerkgenootschappen zelf overgelaten te bepalen wat zij rekenen te behoren tot hun statuut. De overheid stelt geen inrichtingseisen. Structuur en inrichting van een kerkgenootschap worden niet door de wet geregeld. Dat past bij de scheiding van kerk en staat als onderdeel van het aan de kerken toekomende recht op vrijheid van godsdienst en van kerkelijke organisatie.’
HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, NJ 2020/323, m.nt. G. van Solinge (NGK/Gort), rov. 3.2.
Kamerstukken II 1987/88, 17725, Handelingen UCV 18 november 1987, p. 20. Zie ook HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, NJ 2020/323, m.nt. G. van Solinge (NGK/Gort), rov. 3.2: ‘Deze bepaling berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat’.
Asser/Rensen 2-III 2022/455.
Kamerstukken II 1984–1985, 17 725, nr. 7 (MvA), p. 12.
Kamerstukken II 1987–1988, 17 725, nr. 13 (Nota n.a.v. het eindverslag), pp. 8–9.
P.T. Pel, Geestelijken in het recht (diss. Groningen), Boom Juridische uitgevers 2013, p. 144. Zie ook P.T. Pel, ‘Kerkgenootschappen en hun religieuze functionarissen in het recht. Beschouwingen naar aanleiding van HR 4 oktober 2019 (NGK/Gort)’, MvO 2020/3-4.
Zie Rensen en Blanco Fernández in Asser/Rensen 2-III 2022/455. Zie ook Kroeze in Asser/Kroeze 2-I 2021/174: ‘Een kerkgenootschap wordt beheerst door zijn eigen statuut. Met Asser/Rensen 2-III 2017/385 zou ik willen aannemen dat het statuut het geheel van regels inhoudt dat het kerkgenootschap zichzelf geeft voor de normering van verhoudingen die het kerkgenootschap autonoom kan regelen.’ In de lagere rechtspraak is dezelfde omschrijving gebruikt. Zie in dit verband bijv. Rechtbank Amsterdam 18 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4933, rov. 4.8, waar dezelfde omschrijving wordt gebruikt: ‘Onder het statuut moet worden begrepen het geheel van regels dat het kerkgenootschap zichzelf geeft voor de normering van verhoudingen die het kerkgenootschap, volgens het civiele recht, autonoom kan regelen.’
HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, NJ 2020/323, m.nt. G. van Solinge (NGK/Gort), rov. 3.2–3.3: ‘Deze bepaling berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. Wat in een concreet geval behoort tot het statuut van een kerkgenootschap, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen behoren daartoe regelingen over de organisatiestructuur en het interne functioneren van het kerkgenootschap, waaronder regels over het bestuur van het kerkgenootschap en over de verhouding tussen het kerkgenootschap en zijn geestelijk ambtsdrager(s). Uit art. 2:2 lid 2 BW volgt dat het eigen statuut alleen geldt voor zover dit niet in strijd is met de wet. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het begrip ‘wet’ in deze bepaling verwijst naar bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend recht’, waarbij is gedacht aan ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’. Gelet op het voorgaande brengt de in art. 2:2 lid 2 BW vervatte inrichtingsvrijheid mee dat een kerkgenootschap de rechtsverhouding tot een geestelijk ambtsdrager in zijn statuut in beginsel naar eigen inzicht kan vormgeven. Daarbij is afwijking van dwingend recht mogelijk, tenzij dat recht een belang van zo fundamentele aard beschermt dat afwijking van dat dwingend recht in de omstandigheden van het geval, ondanks de aan kerkgenootschappen toekomende inrichtingsvrijheid, niet kan worden aanvaard.’
P.T. Pel, ‘Kerkgenootschappen en hun religieuze functionarissen in het recht. Beschouwingen naar aanleiding van HR 4 oktober 2019 (NGK/Gort), MvO 2020/3-4.
Asser/Rensen 2-III 2022/463.
Asser/Van der Grinten 2-II 1991/220.
Art. 2:2 lid 2 BW. Zie bijv. ook P.T. Pel, Geestelijken in het recht (diss. Groningen), Boom Juridische uitgevers 2013, pp. 209–210: ‘(…) Het gaat hier om een afbakeningskwestie, niet om een statelijke suprematiebepaling. De kerkgenootschappen zijn autonoom in hun interne regelgeving en besluitvorming, gebaseerd op godsdienstige en kerkelijke rechtsbronnen. Er is echter een grens aan de interne autonomie, die wordt bereikt bij schending van de statelijke ‘wet’. Het gaat dus om de vaststelling van die wederzijdse grens.’
Kamerstukken II 1987/88, 17725, Handelingen UCV 18 november 1987, p. 16.
P.T. Pel, Geestelijken in het recht (diss. Groningen), Boom Juridische uitgevers 2013, p. 212.
F.T. Oldenhuis, ‘De bandbreedte van kerkgenootschappen (art. 2:2) in perspectief met dwingend recht’, in: R.J.C. Flach e.a. (red.), Dwingend privaatrecht op maat, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2015, p. 40. Zie in dit verband ook HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, NJ 2020/323, m.nt. G. van Solinge (NGK/Gort), rov. 3.3.
Oordeel rechtbank in rov. 4.4.2, zoals opgenomen in HR 14 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZCO280, NJ 1992/173. Zie rov. 3.2 van het arrest voor de overweging waarin de Hoge Raad dit oordeel van de rechtbank in stand laat.
HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, NJ 2020/323, m.nt. G. van Solinge (NGK/Gort), rov. 3.3.
Zie bijv. Hof Arnhem 19 januari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BK9957 (De Boer/Chr. Geref. Kerk Zeewolde c.s.). Zie ook Asser/Rensen 2-III 2022/464; T. Van Kooten, Het kerkgenootschap in de neutrale staat, Den Haag: Boom juridisch 2017, pp. 238–239.
Zie in dit verband HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7818, NJ 2004/559, m.nt. Brunner (Vrij- beheergemeenten), rov. 3.3.2, 3.4.5. Zie ook Asser/Rensen 2-III 2022/464.
Zie voor een uitgebreide analyse van de toetsing door de burgerlijke rechter in kerkelijk geschillen: A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2022, pp. 164–187.
A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2022, p. 186. Zie ook o.m. Asser/Rensen 2-III 2022/464.
Asser/Rensen 2-III 2022/464.
HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7818, NJ 2004/559, m.nt. Brunner (Vrij- beheergemeenten), rov. 3.3.1 en 3.3.2 waarin als volgt is geoordeeld: ‘In rov. 8 heeft het hof geoordeeld dat de geschillenregeling zoals neergelegd in Ordinantie 19, meer in het bijzonder in art. 2 daarvan, mede bezien in het licht van art. 8 lid 5 en art. 17 van die Ordinantie, bezwaarlijk anders kan worden begrepen dan dat een ingevolge art. 2 van die geschillenregeling door de Generale Commissie gegeven beslissing de partijen bij dat geschil bindt op de wijze als bedoeld in art. 7:904 lid 1 BW; een dergelijke beslissing kan dan ook slechts op de in die bepaling aangegeven gronden worden aangetast. Dit een en ander komt, aldus het hof, neer op een marginale toetsing van de inhoud van het desbetreffende besluit.’ en ‘Onderdeel 2.1 bevat een in algemene bewoordingen gestelde klacht tegen rov. 8, namelijk dat het hof door aldus te overwegen heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn beslissing terzake niet of onvoldoende heeft gemotiveerd. Deze klacht wordt nader uitgewerkt in de onderdelen 2.2–2.4. Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof Ordinantie 19 ten onrechte heeft aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst waarop art. 7:904 BW van toepassing is. Het hof heeft echter niet geoordeeld dat Ordinantie 19 een vaststellingsovereenkomst is doch dat een beslissing die op grond van Ordinantie 19 is genomen, partijen bindt op de wijze als bedoeld in art. 7:904 lid 1 BW. De klacht kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Hierbij wordt aangetekend dat deze analoge toepassing van art. 7:904 lid 1 BW in een geval als het onderhavige, waarin een rechter een beslissing van een lichaam toetst, die is genomen krachtens eigen bevoegdheid, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.’
Conclusie A-G Huydecoper vóór HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7594, NJ 2011/602, nr. 32.
Conclusie A-G Vlas vóór HR 24 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3037, RvdW 2014/1184, nr. 2.5.
Het betreft immers de doorbrekingsgronden ‘de rechter heeft het desbetreffende wetsartikel ten onrechte niet toegepast’ en ‘de rechter heeft het desbetreffende artikel ten onrechte toegepast’. Zie bijv. E.F. Groot, Het voorlopig getuigenverhoor (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. XVII) (diss. Amsterdam VU), Deventer: Wolters Kluwer 2015, nrs. 195–196; B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Kluwer 2019, nrs. 162 en 164. Zie ook HR 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4689, NJ 1986/242, m.nt. L. Wichers-Hoeth en W.H. Heemskerk (Enka/Dupont), rov. 3.2. Zie verder bijv. HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2312, NJ 2011/220 (Flynth/Stoffels), rov. 3.4.3; HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:972, NJ 2018/429, m.nt. S. Perrick (Bethanie/Rabobank c.s.), rov. 3.4; HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1085, NJ 2019/423, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.4.
P.F. Lock in: D. de Groot en H. Steenberghe, De mondelinge behandeling in civiele zaken, Den Haag: Boom Juridisch 2019, pp. 292–293.
Verzoekschrift, randnrs. 22 en 24; Beroepschrift, randnrs. 19 en 21. Zie ook verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 48; verweerschrift in hoger beroep, randnr. 20.
Beroepschrift, randnr. 18. Zie ook Verzoekschrift, randnr. 22; Beroepschrift, randnrs. 19 en 21.
Verzoekschrift, randnrs. 22 en 24; Beroepschrift, randnrs. 19 en 21.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 28; Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 76.
Verzoekschrift, randnrs. 18, 22–23 en Beroepschrift, randnrs. 18, 21, 34–35, 44, 47–49.
Verzoekschrift, randnrs. 17, 22–23. Beroepschrift, randnrs. 18 en 49.
Zie randnrs. 2–3 hierboven.
Vgl. HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, NJ 2020/323, m.nt. G. van Solinge (NGK/Gort), rov. 3.2–3.3.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnrs. 106–107; Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 56 onder C.
Zie in dit verband met name het onderstaande in randnrs. 1.11.j en 1.12.n.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 4.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 9.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 17.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 20.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnrs. 22–23.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 26.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 31.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 33.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnrs. 88–89.
Canon 220 van het kerkelijk wetboek, Codex Iuris Canonici bepaalt: ‘Het is niemand geoorloofd de goede naam die iemand geniet onwettig te schaden, of het recht te schenden van wie ook om de eigen privacy te bewaren.’
Canon 221 van het kerkelijk wetboek, Codex Iuris Canonici bepaalt: ‘De christengelovigen komt het toe de rechten die zij in de Kerk genieten, wettig op te eisen en te verdedigen voor een bevoegde kerkelijke instantie volgens het recht.’
Verweerschrift in eerste aanleg, randnrs. 106–107.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnrs. 108–109.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 113.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 56 onder B, eerste bullet.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 56 onder B, tweede bullet.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 56 onder B, derde bullet.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 56 onder D, eerste bullet.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 63.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 64.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 65.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 66.
Verweerschrift in hoger beroep, randnrs. 76–77.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 90.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 91.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 101.
Pleitnotities [de bisschop] in hoger beroep, randnr. 14.
Pleitnotities [de bisschop] in hoger beroep, randnr. 32.
M. Harmsen, Ambtshalve toetsing: gerechtvaardigde uitzondering of een uitgeholde regel?, (diss. Twente), Boom Juridische uitgevers 2013, pp. 179–180.
Vgl. HR 15 juli 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC4268, NJ 1988/2, m.nt. W.H. Heemskerk; HR 20 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1094, NJ 1990/825, m.nt. J.B.M. Vranken (Joosten/Oss), rov. 3.2; HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, NJ 2019/412, m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans (Box Consultants c.s./Staat), rov. 3.6.2. Uit deze arresten blijkt dat een voorlopig getuigenverhoor niet is toegelaten in verband met een te voeren geding voor de bestuursrechter, strafrechter of tuchtrechter. Zie in dit verband ook Conclusie P-G Mok vóór HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZC3132, NJ 2001/137, m.nt. W.D.H. Asser, nr. 2.4.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, RvdW 2018/1086, rov. 3.5.3, onder verwijzing naar HR 9 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC1066, NJ 1990/212, HR 11 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0364, NJ 1992/494, rov. 3.2, en HR 18 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237, rov. 3.3.
HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, NJ 2019/412, m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans (Box Consultants c.s./Staat), rov. 3.6.2.
HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:727, JBPr 2018/57, m.nt. C.J.M. Klaassen. In een zaak waarbij de onderliggende vordering een collectieve actie betrof, oordeelde uw Raad dat ‘het verzoek [tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor] wegens onvoldoende belang kan worden afgewezen indien onvoldoende aannemelijk is dat de verzoeker bij het instellen van de beoogde vordering voldoet aan de vereisten van art. 3:305a BW.’ (HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, NJ 2022/133, rov. 3.1.3). Zie ook meer algemeen verschillende uitspraken van feitenrechters: Hof Arnhem-Leeuwarden 24 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:637, rov. 2.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juli 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5948, rov. 2.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 21 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5154, rov. 2.8; Hof Arnhem-Leeuwarden 21 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5153, rov. 2.12; Hof Arnhem-Leeuwarden 21 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5152, rov. 3.9; Hof Den Haag 1 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:345, rov. 5.3; Rechtbank Amsterdam 15 september 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5395, rov. 4.23.3.
Noot M.J. Bosselaar bij Rechtbank Den Haag 4 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2427, JBPR 2021/33, p. 484.
Conclusie A-G De Bock vóór HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:727, nr. 3.15. Zie ook noot M.J. Bosselaar bij Rechtbank Den Haag 4 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2427, JBPR 2021/33, p. 484.
Conclusie A-G Wissink vóór HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2007, NJ 2021/146, m.nt. T. van Malssen e.a., nr. 3.10.2 (slot). Zie ook Noot M.J. Bosselaar bij Rechtbank Den Haag 4 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2427, JBPR 2021/33, p. 484.
E.F. Groot, Het voorlopig getuigenverhoor (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. XVII) (diss. Amsterdam VU), Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 267. Zie ook noot M.J. Bosselaar bij Rechtbank Den Haag 4 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2427, JBPR 2021/33, p. 484.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnrs. 37–40, 49–50, 76, 83–88, 90–95 en Verweerschrift in hoger beroep, randnrs. 22, 25–26, 30–31, 32, 36, 38–39, 42–44, 47, 56 onder A, 97, 101.
HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:967, NJ 2017/248, rov. 5.3.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnrs, 92–95; Verweerschrift in hoger beroep, randnrs. 29, 31, 37–38, 97.
Zie Verweerschrift in eerste aanleg, randnrs. 71, 73–74, 99–100 en Verweerschrift in hoger beroep, randnrs. 25, 36, 54, 56 onder B.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 39.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 37.
Verweerschrift in hoger beroep, randnrs. 29, 41, 85.
Deze brief maakt overigens ook geen deel uit van het dossier dat heeft geleid tot de Romeinse Decreten waarbij [verweerder] als priester is geschorst en uit het ambt van pastoor is ontheven. Zie Verweerschrift in hoger beroep, randnrs. 32, 36–37, 60.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnr. 89; Verweerschrift in hoger beroep, randnrs. 16, 40, 78, 82–83; Pleitnotities in hoger beroep, randnr. 10.
Beroepschrift, randnr. 43.
Verweerschrift in eerste aanleg, randnrs. 28 en 93; Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 76.
De kerkelijke procedure houdt immers verband met de inrichting van het kerkgenootschap en het interne functioneren binnen het kerkgenootschap. Zie randnrs. 5–12 hiervoor.
Verzoekschrift, randnr. 26.
Zie ook in dit verband proces-verbaal mondelinge behandeling in eerste aanleg, p. 3, waar [verweerder] aangeeft wie de getuigen zijn die in het verzoekschrift niet nader zijn geduid. Opnieuw wordt [de kardinaal] niet genoemd.
Verzoekschrift, randnr. 22.
Beroepschrift, randnr. 19.
Beroepschrift, randnr. 22.
Beroepschrift, randnrs. 23–30.
Pleitnotities [verweerder] in hoger beroep.
In het geval [verweerder] het verzoek om [de kardinaal] te doen horen uitdrukkelijk naar voren had gebracht, had bisschop [de bisschop] daar uiteraard bezwaar tegen gemaakt, temeer nu niet vast staat dat [de kardinaal] kan bevestigen of ontkennen of de brief van 14 februari 2019 is ingetrokken en aldus bezwaarlijk is een — inmiddels gepensioneerde — in het buitenland wonende geestelijke op te roepen zonder dat er enige aanleiding bestaat om aan te nemen dat hij iets zal kunnen verklaren dat relevant zou kunnen zijn voor de vermeende onrechtmatige daad vordering wegens smaad en/of laster.