Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/5.3.2:5.3.2 Pandexecutie door de retentor met een vuistpandrecht
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/5.3.2
5.3.2 Pandexecutie door de retentor met een vuistpandrecht
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS591090:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Spath 2010/155.
Zie par. 5.2.7.3.
Vgl. HR 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:440, JOR 2014/147 m.nt. V. Tweehuysen, NJ 2015/192 m.nt. A.I.M. van Mierlo (KBC/De Jong), dat in de volgende paragraaf uitgebreider aan de orde komt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
191. De retentor die niet ook pandhouder is, heeft niet het recht van parate executie. Hij moet beslag leggen en heeft een executoriale titel nodig om zich te verhalen op het vermogen van zijn schuldenaar. De pandhouder heeft daarentegen het recht van parate executie: hij heeft geen executoriale titel nodig om uit te winnen. Wanneer de pandgever in verzuim is met de voldoening van de gesecureerde vordering, is de pandhouder bevoegd om de verpande zaken te verkopen en zich uit de opbrengst te voldoen (zie art. 3:248 lid 1 BW). In deze paragraaf behandel ik de gevolgen van parate executie krachtens het pandrecht voor de positie van de pandhouder-retentor.
192. Bij parate executie door een pandhouder, wordt het pandrecht door de executie uiteraard ‘verbruikt’. De executie geschiedt krachtens dat pandrecht. Het pandrecht gaat teniet en de pandhouder verkrijgt een verhaalsrecht met voorrang bij de verdeling van de opbrengst.1 Dit roept de vraag op, wat er gebeurt met het retentierecht, wanneer niet de gehele vordering van de pandhouder-retentor uit de executieopbrengst kan worden voldaan. Als de pandhouder-retentor dan nog een restantvordering heeft, is dan namelijk nog steeds aan de vereisten voor het retentierecht voldaan. En wanneer de pandhouder krachtens de executieverkoop levert aan de koper, kan het retentierecht op grond van art. 3:291 lid 1 BW nog worden ingeroepen tegen de executiekoper. Op grond van art. 3:292 BW zou de retentor de bevoegdheid hebben om zich krachtens zijn retentierecht door middel van beslag opnieuw op dezelfde zaak te verhalen, die zich nu in het vermogen van de executiekoper bevindt. Desondanks moet worden aangenomen, dat ook zijn retentierecht vervalt, wanneer de pandhouder-retentor paraat executeert. Hoewel de schuldeiser twee hoedanigheden heeft, gaat het om de uitoefening van rechten door één-en-dezelfde partij. Hier speelt hetzelfde als bij beslagexecutie door de retentor waarbij de retentor een restantvordering overhoudt:2 hoewel er nog aan de vereisten is voldaan, moet toch worden aangenomen dat zijn retentierecht door de (pand)executie tenietgaat. De pandhouder-retentor deelt als partij mee bij de verdeling van de executieopbrengst. Hij verkrijgt maximaal het bedrag dat wordt gegenereerd uit die executieopbrengst. Dat verandert niet, wanneer hij bij die executie twee hoedanigheden aan kan nemen; het blijft één (rechts)persoon.3