Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/9.1:9.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/9.1
9.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS574767:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat de rechter, zeker de burgerlijke rechter, een belangrijke rechtsvormende taak vervult was reeds geruime djd bekend.1 Reladef nieuw is dat rechters tegenwoordig ook buiten het kader van de beslechting van concrete geschillen regels opstellen: 'rechtersregelingen'. Hieronder zijn te verstaan regels die door een of meer rechters zijn vastgesteld teneinde de beslissingsruimte waarover de rechter ten aanzien van een bepaald onderwerp beschikt nader in te vullen, maar die niet zijn gevormd via een rechterlijke uitspraak. In dit boek is onderzocht welke juridische betekenis (of anders gezegd: bindende werking) deze rechtersregelingen hebben en hoe deze theoretisch kan worden onderbouwd.
Rechtersregelingen zijn afkomstig van rechters en berusten dus niet op enige wetgevende bevoegdheid. Twee wegen via welke een rechtersregeling niettemin een bepaalde juridische betekenis kan verkrijgen zijn in het voorgaande in kaart gebracht. In de eerste plaats is er de door de Hoge Raad aanvaarde mogelijkheid dat een rechtersregeling 'recht' in de zin van art. 79 RO vormt. Rechtersregelingen die tot deze categorie behoren berusten op 'zelfbinding' door rechters, die te vergelijken is met de wijze waarop bestuursorganen zich aan hun (eigen) beleidsregels kunnen binden.2 De vaststelling van een rechtersregeling omtrent de invulling van de hun toekomende beslissingsruimte leidt ertoe dat de betrokken rechters vervolgens (althans in beginsel) aan de desbetreffende regeling gebonden zijn. Deze binding ontstaat via de werking van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging als het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel. Belangrijk is dat de binding aan dit type rechtersregeling een voorafgaande binding is, die reeds ontstaat op het moment van vaststelling en bekendmaking van de regeling. Het gaat hierbij om een vrij sterke binding, al bestaat steeds de mogelijkheid tot afwijking van de regeling in bijzondere gevallen.3
Een tweede mogelijkheid is dat een rechtersregeling een bepaalde bindende werking kan verkrijgen via 'doorwerking' daarvan in rechterlijke uitspraken. Naar huidig recht geldt immers dat aan rechterlijke uitspraken - precedenten -in latere gevallen een meer of minder sterke bindende werking (precedentwerking) kan toekomen.4 Dit geldt niet slechts voor de uitspraken van een hogere of de hoogste rechter; ook op het niveau van lagere rechters onderling valt een zekere gebondenheid van rechters aan eikaars uitspraken te onderbouwen.5 Wanneer nu in die uitspraken een bepaalde rechtersregeling wordt toegepast, deelt de rechtersregeling in de precedentwaarde van de desbetreffende uitspraak. De bindende werking van een dergelijke 'rechtersregeling met precedentwaarde' is daarmee variabel: zij is afhankelijk van de bindende werking die toekomt aan de rechterlijke uitspraak (of uitspraken) waarin de regeling is toegepast, en kan dus meer of minder sterk zijn. Het gaat hierbij bovendien niet om voorafgaande gebondenheid, maar juist om binding 'achteraf: pas na toepassing van een rechtersregeling in een of meer rechterlijke uitspraken, kan gesproken worden van 'precedentwerking' van die regeling.