Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/9.4
9.4 Enige aanbevelingen
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS580687:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie §4.4.4.2.
Zie §4.3.4.
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 114; zie hierover ook § 4.4.4.2.
Zie §5.2.3.4.
Zie §3.2.3.
Zie §5.2.3.4.
Zie §5.2.3.4.
Zie §5.5.
Zie § 5.3.4.
Al zou men in dat geval ook kunnen zeggen dat nog niet werkelijk sprake is van een rechtersregeling, maar nog slechts van een 'rechtersregeling in wording'.
Zie § 5.3.3; zie hierover ook Teuben 2004, p. 737-738.
Zie §5.2.3.5.
In een eerdere versie van de beslagsyllabus was de aanbeveling neergelegd dat een bindend advies niet als 'eis in de hoofdzaak' kan gelden. Zie over deze vraag ook Rb. Haarlem 22 april 2003, JBPr 2003, 65 met (kritische) noot van G.J. Meijer.
Zie §5.3.4.2.
Vgl. § 8.5.4.
HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 m.nt. PvS, waarover ook § 8.5.4.
Zie hierover § 2.8.
Aan de hand van hetgeen in de voorgaande hoofdstukken is onderzocht, kan tot slot een aantal aanbevelingen worden geformuleerd.
In de eerste plaats verdient het aanbeveling de bevoegdheid tot vaststelling van rechtersregelingen op enigerlei wijze in de wet (bijvoorbeeld in de Wet RO) te regelen. Weliswaar kan ook thans een impliciete bevoegdheid van rechters tot vaststelling van rechtersregelingen worden geconstrueerd1 en is in die zin een uitdrukkelijke regeling dus niet noodzakelijk; het zou mijns inziens echter zuiverder en duidelijker zijn indien deze bevoegdheid ook in de wet neergelegd zou worden. Gewezen kan worden op de beleidsregel in het bestuursrecht, ten aanzien waarvan in het verleden een vergelijkbare ontwikkeling heeft plaatsgevonden.2
Een bevoegdheid tot vaststelling van rechtersregelingen kan in algemene zin worden opgenomen in de wet, bijvoorbeeld op soortgelijke wijze als art. 4:81 Awb thans in algemene zin bepaalt dat een bestuursorgaan beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot een hem toekomende bevoegdheid. Een andere mogelijkheid is dat de wetgever voor specifieke situaties aangeeft dat nadere invulling via een rechtersregeling kan of moet plaatsvinden. Als voorbeeld hiervan kan het huidige art. 35 Rv worden genoemd. Hoewel in de tekst van deze bepaling wordt verwezen naar een algemene maatregel van bestuur, blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat de in art. 35 Rv bedoelde nadere regels inzake termijnen en uitstel, het verloop van de procedure en de eenheid in de wijze van rechtspleging, naar de opvatting van de wetgever bij voorkeur door de rechterlijke macht zélf tot stand gebracht dienen te worden.3 Een bevoegdheid tot vaststelling van rechtersregelingen zou dus ook voor een specifiek onderwerp in een bepaling als art. 35 Rv opgenomen kunnen worden (met dien verstande dat dan uiteraard niet aan een algemene maatregel van bestuur, maar aan een rechtersregeling dient te worden gerefereerd). Deze laatste aanpak heeft echter als mogelijk nadeel, dat vervolgens uit het ontbreken van zo'n uitdrukkelijke bepaling bij andere onderwerpen a contrario zou kunnen worden afgeleid dat daar de invulling via een rechtersregeling dus niet is toegestaan. Aangezien algemene rechtsbeginselen als het gelijkheids-en het rechtszekerheidsbeginsel ook voor andere gevallen meebrengen dat rechters op consistente wijze van de hen toekomende beslissingsruimte gebruik dienen te maken (hetgeen een bevoegdheid of eventueel zelfs een plicht tot vaststelling van rechtersregelingen impliceert), zou dit echter niet juist zijn.
Wanneer ervoor wordt gekozen de rechtersregeling op enigerlei wijze in de wet te regelen, biedt dit als voordeel dat ook hiermee samenhangende vragen kunnen worden geregeld. De herziening van de Wet RO heeft op dit punt nog het een en ander te wensen overgelaten. Zo maakt bijvoorbeeld de huidige wet niet duidelijk welk orgaan binnen de gerechten bevoegd is tot vaststelling van rechtersregelingen. De parlementaire geschiedenis van de Wet RO wijst in de richting van een bevoegdheid van de sectorvergaderingen en/of de gerechtsvergadering van ieder gerecht.4 Dit zou ook stroken met het feit dat de rechterlijke onafhankelijkheid weliswaar niet aan de vaststelling van (bindende) rechtersregelingen in de weg staat, maar wél meebrengt dat de individuele rechters zoveel mogelijk in de gelegenheid dienen te zijn, op de totstandkoming van een rechtersregeling invloed uit te oefenen.5 Deze bevoegdheid van de sector- en gerechtsvergadering zou dus uitdrukkelijk in de Wet RO kunnen worden neergelegd. Voorts verdient het aanbeveling de wijze van vaststelling van rechtersregelingen in de wet te regelen.6 Hierbij valt met name te denken aan regels op het gebied van de stemverhouding (kan een rechtersregeling bij gewone meerderheid worden vastgesteld of niet?) en een eventueel quorum. Momenteel worden deze onderwerpen door alle gerechten afzonderlijk geregeld in hun bestuursreglementen en bestaan ter zake (dus) verschillende regels.7 Een ander belangrijk onderwerp dat een wettelijke regeling verdient, is de wijze van bekendmaking van rechtersregelingen. Voor het ontstaan van (voorafgaande) binding aan een rechtersregeling is, blijkens de rolrichtlijnen-jurisprudentie van de Hoge Raad, immers een 'behoorlijke bekendmaking' vereist. Gelet op de vereiste rechtszekerheid zou mijns inziens in de wet geregeld dienen te worden via welk medium of welke media deze bekendmaking zou moeten geschieden, wil de desbetreffende rechtersregeling tot binding kunnen leiden.8
Zoals zojuist opgemerkt is de bekendmaking van een rechtersregeling een voorwaarde voor het ontstaan van (voorafgaande) binding aan die regeling én voor het verkrijgen van de status van 'recht' in de zin van art. 79 RO. Een andere vraag is óf rechtersregelingen (in alle gevallen) bekendgemaakt zouden moeten worden. Momenteel gebeurt dit vaak niet en worden bestaande rechtersregelingen intern gehouden. Een verplichting tot bekendmaking van rechtersregelingen in alle gevallen kan uit het geldende recht, ook uit art. 6evrm, niet worden afgeleid.9 Het invoeren van een dergelijke algemene verplichting zou mijns inziens ook te ver gaan. Er kunnen in bepaalde gevallen immers legitieme redenen aanwezig zijn om een rechtersregeling (nog) niet te publiceren, bijvoorbeeld wanneer de regeling inhoudelijk nog niet voldoende is uitgekristalliseerd.10 Ook kan het zo zijn dat gebondenheid aan een rechtersregeling (nog) niet wenselijk wordt geacht door de betrokken rechters of gerechten, terwijl publicade een dergelijke binding juist in het leven zou kunnen roepen, of althans een verkeerd beeld zou kunnen geven omtrent de status van de desbetreffende regeling.
Niettemin is het mijns inziens wenselijk dat rechters of gerechten, meer dan thans gebeurt, inzicht geven in de rechtersregelingen die binnen hun gerecht bestaan. Een oplossing voor het probleem dat publicatie van een rechtersregeling onjuiste verwachtingen omtrent de toepassing daarvan zou kunnen wekken, kan gelegen zijn in het onder (uitdrukkelijk) voorbehoud bekendmaken van rechtersregelingen.11 Zoals besproken in § 2.3 bestaat bijvoorbeeld een (ongepubliceerde) 'beslagsyllabus' van de presidentenvergadering (thans vastgesteld door het Landelijk overleg van sectorvoorzitters civiel), waarin verschillende aanbevelingen inzake het conservatoir beslag zijn opgenomen. Hoewel deze aanbevelingen voor de afzonderlijke gerechten niet (rechtstreeks) bindend zijn (de presidentenvergadering of het overleg van sectorvoorzitters vormen immers geen 'bevoegd orgaan'12), is het voor de rechtspraktijk uiteraard van groot belang om daarvan op de hoogte te zijn. Waarom zou dus deze rechtersregeling niet 'onder voorbehoud' gepubliceerd kunnen worden, bijvoorbeeld vergezeld van de uitdrukkelijke vermelding dat partijen daaraan geen rechten kunnen ontlenen? Bekendmaking kan ook de discussie over de inhoud van deze rechtersregeling bevorderen en (dus) uiteindelijk de rechtsontwikkeling bespoedigen, bijvoorbeeld ten aanzien van de op dit moment omstreden vraag of ook een bindend adviesprocedure kan gelden als 'eis in de hoofdzaak' als bedoeld in art. 700 lid 3 Rv.13 A fortiori geldt dit alles indien binnen een gerecht wél is afgesproken een bepaalde rechtersregeling voortaan toe te passen: in dat geval zou publicatie mijns inziens steeds moeten plaatsvinden. Het niet publiceren van een dergelijke regeling zou bovendien wel eens kunnen leiden tot strijd met het uit art. 6evrm voortvloeiende right to adversarial proceedings.14
Daarnaast zouden rechters ook in hun uitspraken meer inzicht kunnen geven in het bestaan en de toepassing van rechtersregelingen, bijvoorbeeld door uitdrukkelijk aan te geven wanneer (en op grond waarvan) ze een bepaalde regeling toepassen, of deze juist buiten toepassing laten. In de praktijk gebeurt dit soms al - zo wordt bijvoorbeeld naar regelingen als het rapport Voor-werk II of de NVvR-alimentatienormen met enige regelmaat verwezen -maar naar mijn indruk zou dit nog vaker kunnen gebeuren.15 Dit geldt overigens ook voor de Hoge Raad. Ook indien een rechtersregeling niet voldoet aan de eisen om als 'recht' in de zin van art. 79 RO te gelden (en de aangevallen uitspraak dus niet aan de rechtersregeling zélf kan worden getoetst), is het zinvol wanneer de cassatierechter met zoveel woorden (eventueel via een overweging ten overvloede) aandacht besteedt aan de desbetreffende rechtersregeling. Voor de rechtspraktijk, daaronder begrepen de feitenrechters, is het immers van belang te weten hoe de Hoge Raad oordeelt over de inhoud van een bepaalde rechtersregeling. Hieraan ontbreekt het soms nog. Een voorbeeld hiervan vormt een uitspraak van de Hoge Raad in een schuldsaneringszaak, waarbij het ging om de toepassing van de weigeringsgrond van art. 288 lid 2 sub b Fw (niet te goeder trouw ontstane schulden).16 Hoewel over de uitleg van deze weigeringsgrond door Recofa een voor de praktijk belangrijke aanbeveling is geformuleerd,17 komt deze aanbeveling in het arrest van de Hoge Raad in het geheel niet aan de orde. Dit is een gemiste kans. In een dergelijk geval zou aan een relevante rechtersregeling, ook indien deze niet geldt als 'recht' in de zin van art. 79 RO, niet voorbijgegaan moeten worden, maar zou deze juist uitdrukkelijk in de beschouwingen betrokken moeten worden.