Het hof heeft na het wijzen van bovengenoemd arrest geconstateerd dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel een kennelijke verschrijving bevat. Bij herstelarrest van 28 september 2021 heeft het hof het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 48.368,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 38.694,00 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 773 dagen. Cassatie van de bestreden uitspraak brengt mee dat ook de herstelbeslissing van zijn effect wordt beroofd (vgl. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478, NJ 2012/490 m.nt. Borgers).
HR, 05-03-2024, nr. 21/04065 P
ECLI:NL:HR:2024:301
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-03-2024
- Zaaknummer
21/04065 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:301, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑03‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1236
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2021:4344
ECLI:NL:PHR:2023:1236, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:301
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑07‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0045
NJ 2024/152 met annotatie van N. Jörg
UDH:TvSO/18430 met annotatie van mr. L.A. van Bavel en mr. T.S.E. van Nispen
Uitspraak 05‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. bereiding van GHB door GBL voorhanden te hebben. Motivering schatting w.v.v. na partiële vrijspraak in strafzaak, beroep op EHRM-arrest Geerings/Nederland. Heeft hof miskend wat rechter in strafzaak heeft bewezenverklaard? Rechter in strafzaak heeft de in tll. voorkomende woorden ‘en/of verkocht en/of afgeleverd’ niet in bewezenverklaring opgenomen. Reden daarvoor was niet, zo ligt in ’s hofs overwegingen besloten, dat rechter in strafzaak niet kon vaststellen dat verdachte bij verkoop en aflevering betrokken was geweest. Reden daarvoor was daarentegen dat rechter in strafzaak zo tot uitdrukking heeft gebracht dat dit deel van tll. niet van belang is voor kwalificatiebeslissing. Deze door hof gegeven uitleg van het door rechter in strafzaak gegeven oordeel is in dit specifieke geval niet onverenigbaar met inhoud van vonnis van die rechter. Daarbij is van belang dat rechter in strafzaak uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft vastgesteld, mede o.g.v. erkenning door betrokkene dat hij bezig is geweest met levering van GBL, dat betrokkene GBL heeft verkocht en afgeleverd, en verder dat in het licht van strafbaarstelling van art. 10a.1.3 Opiumwet voor kwalificatiebeslissing uitsluitend van belang is of bewezen wordt verklaard dat sprake was van ‘voorhanden hebben’ van voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen. Uit dat laatste volgt immers dat ten laste leggen en vervolgens bewezenverklaren van verkoop of aflevering van GBL door verdachte voor de in strafzaak te nemen beslissingen overbodig was. Hof heeft bij schatting van w.v.v. tot uitgangspunt genomen dat betrokkene is veroordeeld voor het in vereniging voorbereidingshandelingen verrichten voor bereiding van GHB door hoeveelheden GBL voorhanden te hebben gehad. Daarbij heeft hof kennelijk geoordeeld dat bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen ertoe strekten en geëigend waren om voordeel te genereren en dat (nu rechter in strafzaak heeft vastgesteld dat betrokkene GBL die hij in vereniging voorhanden had, heeft verhandeld en afgeleverd) dit voordeel ook daadwerkelijk is verkregen. Mede in het licht van erkenning door betrokkene dat hij bezig is geweest met levering van GBL, getuigt dit oordeel over het uit bewezenverklaard feit w.v.v. niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Deze schatting door hof van w.v.v. komt in dit specifieke geval ook niet in strijd met onschuldpresumptie van art. 6.2 EVRM, gelet op wat is overwogen over reden waarom rechter in strafzaak een onderdeel van tll. niet in bewezenverklaring heeft opgenomen en in aanmerking genomen dat ook door rechter in strafzaak de betrokkenheid van betrokkene bij verkopen en afleveren van GBL uitdrukkelijk is vastgesteld. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met HR:2024:234.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04065 P
Datum 5 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 september 2021, nummer 20-000201-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft P.G. Grijpstra, advocaat te Breda, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de schatting door het hof van het voordeel dat de betrokkene heeft verkregen uit het strafbare feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld. Het voert daartoe onder meer aan dat het hof hierbij heeft miskend wat de rechter in de strafzaak heeft bewezenverklaard.
2.2.1
In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is aan de betrokkene onder 3 tenlastegelegd dat:
“hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014 te Veldhoven en/of Eindhoven en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB), zijnde Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens) een of meer hoeveelheid/hoeveelheden GBL (Gamma-butyrolacton) en/of één of meer (andere) voorwerp(en) en/of stoffen), voorhanden heeft gehad en/of verkocht en/of afgeleverd, waarvan verdachte en/of verdachte's mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) en/of stof(fen) bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).”
2.2.2
Daarvan is bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 22 september 2014 bewezenverklaard dat hij:
“op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014 te Veldhoven en Eindhoven en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden van Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB), zijnde Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, telkens een of meer hoeveelheden GBL (Gamma-butyrolacton) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte ernstige redenen had te vermoeden, dat die stof bestemd was tot het plegen van dat feit.”
2.2.3
De rechtbank heeft het onder 3 bewezenverklaarde gekwalificeerd als:
“Medeplegen van: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10a van de Opiumwet voorbereiden of bevorderen, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.”
2.2.4
Het vonnis van de rechtbank houdt verder onder meer in:
“De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan ten aanzien van feit 3.
(...)
Het oordeel van de rechtbank
Ten laste gelegd is dat verdachte zich in een langere periode, van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014, heeft bezig gehouden met de verkoop en levering van GBL en dat hij dit samen met anderen zou hebben gedaan.
Verdachte erkent dat hij vanaf begin januari 2014 tot aan zijn aanhouding op 17 februari 2014, een periode van ongeveer zes weken, bezig is geweest met de levering van GBL. Die levering vond plaats op parkeerplaatsen, voornamelijk in Veldhoven. Verdachte maakte daarbij gebruik van een zwarte jeep, merk Ssangyong, voorzien van kenteken [kenteken 1] .
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in september 2013 175 liter GBL heeft gekocht voor € 17.500,-. Deze GBL heeft hij contant betaald. Hij dacht winst te kunnen maken met de verkoop van de GBL omdat het uit de handel zou gaan. In oktober 2013 is hij naar eigen zeggen gestart met de verkoop van GBL, voornamelijk aan particulieren. Contacten met klanten verliepen via de telefoon. Bestellingen werden zowel in gesprekken als in sms-berichten geplaatst en de aflevering vond onder andere plaats op parkeerplaatsen.
Verbalisanten hebben het gegevensverkeer van verschillende telefoonnummers opgenomen en afgeluisterd/uitgelezen. Daaruit is een algemene werkwijze gebleken:
- via het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , het “klantennummer” waarvan medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij het in gebruik had, worden bestellingen van klanten aangenomen, hoofdzakelijk via sms-berichten;
- in deze sms-berichten worden de aantallen (liters) afgesproken, wanneer en naar welke locatie de klant komt en met welke auto de klant komt;
- de klant wordt gevraagd korte tijd voor aankomst op de afgesproken plek een sms-bericht te sturen;
- na dit sms-bericht wordt de informatie over de aantallen, de locatie en het type auto van de klant doorgegeven via een sms-bericht van het nummer [telefoonnummer 2] , het “doorgeefnummer” naar het nummer [telefoonnummer 3] , het “chauffeurnummer”.
Vanuit het “chauffeurnummer” worden enkel en alleen sms-berichten verstuurd naar en ontvangen van het “doorgeefnummer”.
Middels het chauffeurnummer zijn verschillende sms-berichten ontvangen van en verstuurd naar het doorgeefnummer. Volgens de politie is dit nummer met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in gebruik bij verdachte aangezien in sms-berichten onder andere wordt gesproken over [betrokkene 1] terwijl de partner van verdachte is genaamd [betrokkene 1] en aangezien voorts wordt gesproken over een zwarte Jeep terwijl verdachte in het bezit is van een zwarte jeep, merk Ssangyong, voorzien van kenteken [kenteken 1] .
Op 29 januari 2014 vanaf 10.50 uur vindt er een sms-wisseling plaats tussen eerdergenoemd klantennummer en het nummer [telefoonnummer 4] , waarin onder meer wordt gesproken over minuten, een halve liter, en een groene polo. Om 13.12 uur wordt door een observatieteam gezien dat een zwarte Sangyong met kenteken [kenteken 1] stopt op de Kromstraat te Veldhoven ter hoogte van een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 2] . De bestuurder van de Volkswagen (NN-3) stapt met lege handen uit en stapt in de zwarte Ssangyong. Enkele minuten later stapt NN-3 weer uit en heeft hij een oranje gevulde plastic tas in zijn handen. Hiervan zijn foto’s gemaakt. De bestuurder van de Ssangyong wordt door verbalisanten herkend als zijnde verdachte. Getuige [betrokkene 2] is gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] en van de eerdergenoemde Volkswagen Polo. Hij heeft verklaard dat hij vanaf december 2013 een aantal keren GBL heeft besteld, telkens via hetzelfde telefoonnummer. De bestellingen gingen vooral via sms, waarbij hij een tijdstip en kenmerken van zijn auto moest doorgeven. Minimaal drie verschillende mensen hebben hem GBL geleverd. Als hem foto’s getoond worden die het observatieteam op 29 januari 2014 gemaakt heeft, herkent hij zichzelf en de man met de groene jas, waarvan hij GBL gekocht heeft. Van deze man heeft hij twee keer GBL gekocht.
Op 29 januari 2014 vanaf 14.08 uur vindt er een sms-wisseling plaats tussen eerdergenoemd klantennummer en het nummer [telefoonnummer 5] , waarin over en weer gemeld wordt dat er gereden gaat worden en een aantal minuten wordt doorgegeven. Omstreeks 15.04 uur wordt door een observatieteam gezien dat er in de Kromstraat te Veldhoven, ter hoogte van Princen Tools & Techniek, een bordeauxrode Renault Megane Cabrio met kenteken [kenteken 3] geparkeerd wordt. Om 15.05 uur stopt een zwarte Ssangyong met kenteken [kenteken 1] achter de Renault. Beide bestuurders stappen uit. De bestuurder van de Ssangyong (NN-1) overhandigt een witte jerrycan met een doorzichtige vloeistof aan de bestuurder van de Renault (NN-5), die papieren geld overhandigt aan NN-1. Van de overdracht zijn foto’s gemaakt. De bestuurder van de Ssangyong wordt door verbalisanten herkend als verdachte. Getuige [betrokkene 3] is gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] en van de eerder genoemde Renault Megane. Hij zegt op 29 januari 2014 twee of drie liter GBL gekocht te hebben in Veldhoven. [betrokkene 3] verklaart dat hij vanaf eind 2013 GBL heeft gekocht via datzelfde nummer, in totaal zeker drie of vier keer. Hij heeft in ieder geval GBL gekocht op 24 januari 2014, 29 januari 2014 en 5 februari 2014. Iedere keer vond de verkoop op dezelfde wijze plaats, via sms. Als aan [betrokkene 3] eerdergenoemde sms-wisseling getoond wordt, herkent hij deze. Ook herkent hij de man die de GBL leverde op de foto’s die het observatieteam op 29 januari 2014 van verdachte heeft gemaakt. De GBL werd telkens geleverd door dezelfde man.
Uit een aantal tapgesprekken is gebleken dat naast medeverdachte [medeverdachte 1] ook medeverdachte [medeverdachte 2] de telefoon met eerdergenoemd klantnummer heeft beantwoord en boodschappen heeft aangenomen en doorgegeven. Op 23 januari 2014 is een aantal gesprekken gevoerd tussen een man met telefoonnummer [telefoonnummer 7] en het klantnummer, dat beantwoord wordt door medeverdachte [medeverdachte 1] . Afgesproken wordt “drie voor vierhonderd” en rond 22.00 uur op station Eindhoven. Om 22:18 uur belt hetzelfde nummer in op het klantnummer, dat beantwoord wordt door medeverdachte [medeverdachte 2] . In dit gesprek zegt ze dat hij er zo zal zijn. Op 25 januari 2014 om 19.19 uur wordt het klantnummer gebeld door een man met telefoonnummer [telefoonnummer 8] . Medeverdachte [medeverdachte 2] beantwoordt de telefoon en zegt tegen de man waar hij moet wachten. Op 27 januari 2014 om 14.07 uur belt een man met [telefoonnummer 9] in op het klantnummer, dat beantwoord wordt door medeverdachte [medeverdachte 2] . Zij spreekt af dat hij rond vier uur bij de Lidl moet zijn, vraagt of de man wil sms’en als hij in de buurt van Veldhoven is en zegt dat het drie van tien zijn. Tevens wordt medeverdachte [medeverdachte 2] onder meer op 4 februari 2014 om 17.07 uur en 17.13 uur, op 13 februari 2014 om 13.57 uur en 14.07 uur door medeverdachte [medeverdachte 1] [telefoonnummer 10] gebeld op haar eigen nummer ([telefoonnummer 11]) en gaan de gesprekken over plekken, tijdstippen, omschrijvingen van auto’s en betalingen.
Voorts blijkt uit diverse tapgesprekken die vanaf het klantnummer naar de klanten gestuurd worden dat er gesproken wordt over een chauffeur die gestuurd wordt. In een gesprek op 23 januari 2014 om 22.01 uur tussen een man en medeverdachte [medeverdachte 1] antwoordt [medeverdachte 1] op de vraag of hij er al is onder meer “Dan ga ik hem even een berichtje sturen. (...) Jij moest drie hebben he? (...) Voor vierhonderd. Oke is goed. Hij komt eraan. Hij is er zo.” In een gesprek op 27 januari 2014 om 14.33 uur tussen een man en medeverdachte [medeverdachte 1] antwoordt [medeverdachte 1] op de vraag over een wijziging in tijdstip onder meer “oh dan moet ik heel even gaan sms’en. (...) Dan laat ik even de chauffeur een berichtje sturen en dan laat ik het je zo weten”. Dat daadwerkelijk een chauffeur werd gestuurd blijkt ook uit uitgaande sms-berichten van het klantnummer, zoals op 25 januari 2014 om 19:00 uur: “Ok waar herkent hij jullie aan” en op 25 januari 2014 om 19:11 uur: “Op parkeer plaats staat zwarte jeep loop daar heen hij zit daar in”. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vast staat dat verdachte de GBL in een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft verkocht.
(...)
De rechtbank is op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, van oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de GBL die hij heeft geleverd bedoeld was voor het vervaardigen van GHB.
(...)
Oplegging van straf en/of maatregel
(...)
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen gedurende een periode van ruim 4 maanden schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de bereiding van GHB door GBL, een grondstof voor het vervaardigen van GHB, te verhandelen.”
2.3
De bestreden uitspraak van het hof houdt onder meer in:
“Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling en de wettelijke grondslag
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 22 september 2014 onder parketnummer 01-879167-14 ter zake van onder meer – kort weergegeven – het in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014 in vereniging voorbereidingshandeling verrichten voor de bereiding van GHB, door hoeveelheden GBL voorhanden te hebben gehad, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.
Ondanks dat formeel is bewezenverklaard dat betrokkene enkel hoeveelheden GBL voorhanden heeft gehad, constateert het hof ambtshalve dat in die bewezenverklaring ten onrechte de handelingen ten aanzien van de verkoop en aflevering van GBL zijn weggestreept. Het hof overweegt dat de bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen overduidelijk ervan blijk geven dat deze handelingen wel degelijk bewezen worden geacht, en dat het niet anders kan zijn dan dat in de bewezenverklaring sprake is van een kennelijke misslag. Het is evident niet de bedoeling geweest dat betrokkene enkel voor het voorhanden hebben van hoeveelheden GBL werd veroordeeld. Het hof stelt derhalve vast dat de handelingen ten aanzien van de verkoop en aflevering van GBL materieel zijn
bewezenverklaard.
Op basis van het vorengaande, en aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen, ontleent het hof het oordeel dat de betrokkene door middel van het begaan van het hiervoor vermelde bewezenverklaarde feit, te weten de verkoop en levering van GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014, een direct voordeel uit het strafbare feit als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
De opzet van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In het dossier is een proces-verbaal opgenomen bevattende een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, d.d. 3 juni 2015.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft blijkens een onderzoek plaatsgevonden naar de verkoop van GBL door betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte 1] . Uit dit onderzoek zijn de volgende factoren naar voren gekomen; de dagomzet in de tapperiode, alsmede de extrapolatie van de dagomzet naar de gehele verkoopperiode, de inkoopprijs per liter, de verkoopprijs per liter en de overige kosten. Het hof zal deze factoren achtereenvolgens bespreken.
De verkoopperiode
Uit het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel ex. artikel 36e, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, gedateerd 3 juni 2015 blijkt onder meer het navolgende.
De tapperiode liep van 23 januari 2014 tot en met 16 februari 2014 en bedroeg 25 dagen. Uit de tapgesprekken en onderschepte SMS-berichten blijkt dat de betrokkene en zijn medebetrokkene in deze periode in totaal 282,25 liter GBL hebben omgezet.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er enkel 175 liter is verkocht gedurende de bewezenverklaarde periode van de strafzaak, en dat er derhalve niet kan worden geëxtrapoleerd.
Het hof gaat niet mee met de stelling van de verdediging dat er enkel in oktober 2013 een hoeveelheid van 175 liter is ingekocht en er niet meer liters kunnen zijn verkocht. Uit de onderzoeksresultaten ten aanzien van die specifieke tijdsperiode blijkt al van een omzethoeveelheid van meer dan 175 liter in 25 dagen. Daarnaast verdraagt deze stelling zich niet met de eigen verklaring van de medebetrokkene, dat hij zijn in oktober 2013 ingekochte hoeveelheid reeds “snel nadien” heeft verkocht. Het hof verwerpt daarmee het verweer van de verdediging nu dit geenszins aannemelijk is geworden.
Ten aanzien van de methode van extrapolatie overweegt het hof dat de betrokkene in de samenhangende strafzaak onder meer is veroordeeld wegens het tezamen en in vereniging verkopen en afleveren van GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 16 februari 2014. Gelet op de veroordeling in de strafzaak, staat genoegzaam vast dat de betrokkene zich ook vóór de tapperiode schuldig heeft gemaakt aan de handel in GBL en ook in die periode wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof verwerpt daarmee tevens het verweer van de verdediging dat de betrokkene enkel vanaf 1 januari 2014 betrokken is geweest bij de verkoop en levering van GBL.”
2.4
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang.
“1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.”
- Artikel 10a lid 1, aanhef en onder 3, van de Opiumwet:
“1. Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:
(...)
3° voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.5.1
De rechter in de strafzaak heeft de in de tenlastelegging voorkomende woorden ‘en/of verkocht en/of afgeleverd’ niet in de bewezenverklaring opgenomen. De reden daarvoor was niet, zo ligt in de overwegingen van het hof in de bestreden uitspraak besloten, dat de rechter in de strafzaak niet kon vaststellen dat de verdachte bij verkoop en aflevering betrokken was geweest. De reden daarvoor was daarentegen dat de rechter in de strafzaak zo tot uitdrukking heeft gebracht dat dit deel van de tenlastelegging niet van belang is voor de kwalificatiebeslissing. Deze door het hof gegeven uitleg van het door de rechter in de strafzaak gegeven oordeel is in dit specifieke geval niet onverenigbaar met de inhoud van het vonnis van die rechter. Daarbij is van belang dat de rechter in de strafzaak uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft vastgesteld, mede op grond van de erkenning door de betrokkene dat hij bezig is geweest met de levering van GBL, dat de betrokkene GBL heeft verkocht en afgeleverd, en verder dat in het licht van de strafbaarstelling van artikel 10a lid 1, aanhef en onder 3, Opiumwet voor de kwalificatiebeslissing uitsluitend van belang is of bewezen wordt verklaard dat, kort gezegd, sprake was van het ‘voorhanden hebben’ van voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen. Uit dat laatste volgt immers dat het ten laste leggen en vervolgens bewezenverklaren van verkoop of aflevering van GBL door de verdachte voor de in de strafzaak te nemen beslissingen overbodig was.
2.5.2
Het hof heeft bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt genomen dat de betrokkene is veroordeeld voor het in vereniging voorbereidingshandelingen verrichten voor de bereiding van GHB door hoeveelheden GBL voorhanden te hebben gehad. Daarbij heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen ertoe strekten en geëigend waren om voordeel te genereren en dat – nu de rechter in de strafzaak heeft vastgesteld dat de betrokkene GBL die hij in vereniging voorhanden had, heeft verhandeld en afgeleverd – dit voordeel ook daadwerkelijk is verkregen. Mede in het licht van de erkenning door de betrokkene dat hij bezig is geweest met de levering van GBL, getuigt dit oordeel over het uit het bewezenverklaarde feit wederrechtelijk verkregen voordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Deze schatting door het hof van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt in dit specifieke geval ook niet in strijd met de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), gelet op wat in 2.5.1 is overwogen over de reden waarom de rechter in de strafzaak een onderdeel van de tenlastelegging niet in de bewezenverklaring heeft opgenomen, en in aanmerking genomen dat ook door de rechter in de strafzaak de betrokkenheid van de betrokkene bij het verkopen en afleveren van GBL uitdrukkelijk is vastgesteld.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 38.694.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 34.825 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering, M. Kuijer, T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2024.
Conclusie 19‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. 1. Heeft ontnemingsrechter bij schatting w.v.v. de bewezenverklaring in de strafzaak ten onrechte aangevuld met gedragingen waarvan de verdachte is vrijgesproken? 2. Klacht m.b.t. overschrijding redelijke termijn in cassatiefase. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Samenhang met 21/04058.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04065 P
Zitting 19 december 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de betrokkene
1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 23 september 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 52.162,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 41.730,00 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 834 dagen.1.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 21/04058. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. P.G. Grijpstra, advocaat te Breda, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof een feit waarvan de betrokkene in de strafzaak (partieel) is vrijgesproken ten grondslag heeft gelegd aan de schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel. Voordat ik dit middel bespreek, geef ik ’s hofs overwegingen in de bestreden uitspraak en passages uit het vonnis in de strafzaak weer.
’s Hofs overwegingen en passages uit het vonnis in de hoofdzaak
5. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder meer het volgende overwogen:
‘Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling en de wettelijke grondslag
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats s'-Hertogenbosch, van 22 september 2014 onder parketnummer 01-879167-14 ter zake van onder meer – kort weergegeven – het in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014 in vereniging voorbereidingshandeling verrichten voor de bereiding van GHB, door hoeveelheden GBL voorhanden te hebben gehad, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.
Ondanks dat formeel is bewezenverklaard dat betrokkene enkel hoeveelheden GBL voorhanden heeft gehad, constateert het hof ambtshalve dat in die bewezenverklaring ten onrechte de handelingen ten aanzien van de verkoop en aflevering van GBL zijn weggestreept. Het hof overweegt dat de bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen overduidelijk ervan blijk geven dat deze handelingen wel degelijk bewezen worden geacht, en dat het niet anders kan zijn dan dat in de bewezenverklaring sprake is van een kennelijke misslag. Het is evident niet de bedoeling geweest dat betrokkene enkel voor het voorhanden hebben van hoeveelheden GBL werd veroordeeld. Het hof stelt derhalve vast dat de handelingen ten aanzien van de verkoop en aflevering van GBL materieel zijn bewezenverklaard.
Op basis van het vorengaande, en aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen, ontleent het hof het oordeel dat de betrokkene door middel van het begaan van het hiervoor vermelde bewezenverklaarde feit, te weten de verkoop en levering van GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014, een direct voordeel uit het strafbare feit als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.’
6. Het vonnis van de rechtbank in de strafzaak, waartegen de betrokkene geen hoger beroep heeft ingesteld, dateert van 22 september 2014 en houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
‘De tenlastelegging
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 mei 2014. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
(…)
3.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014 te Veldhoven en/of Eindhoven en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB), zijnde Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens) een of meer hoeveelheid/hoeveelheden GBL (Gamma-butyrolacton) en/of één of meer (andere) voorwerp(en) en/of stof(fen), voorhanden heeft gehad en/of verkocht en/of afgeleverd, waarvan verdachte en/of verdachte's mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) en/of stof(fen) bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).
(…)
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan ten aanzien van feit 3.
(…)
Het oordeel van de rechtbank
Ten laste gelegd is dat verdachte zich in een langere periode, van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014, heeft bezig gehouden met de verkoop en levering van GBL en dat hij dit samen met anderen zou hebben gedaan.
Verdachte erkent dat hij vanaf begin januari 2014 tot aan zijn aanhouding op 17 februari 2014, een periode van ongeveer zes weken, bezig is geweest met de levering van GBL. Die levering vond plaats op parkeerplaatsen, voornamelijk in Veldhoven. Verdachte maakte daarbij gebruik van een zwarte jeep, merk Ssangyong, voorzien van kenteken [kenteken 1] .
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in september 2013 175 liter GBL heeft gekocht voor € 17.500,-. Deze GBL heeft hij contant betaald. Hij dacht winst te kunnen maken met de verkoop van de GBL omdat het uit de handel zou gaan. In oktober 2013 is hij naar eigen zeggen gestart met de verkoop van GBL, voornamelijk aan particulieren. Contacten met klanten verliepen via de telefoon. Bestellingen werden zowel in gesprekken als in sms-berichten geplaatst en de aflevering vond onder andere plaats op parkeerplaatsen.
Verbalisanten hebben het gegevensverkeer van verschillende telefoonnummers opgenomen en afgeluisterd/uitgelezen. Daaruit is een algemene werkwijze gebleken:
- via het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , het "klantennummer" waarvan medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij het in gebruik had, worden bestellingen van klanten aangenomen, hoofdzakelijk via sms-berichten;
- in deze sms-berichten worden de aantallen (liters) afgesproken, wanneer en naar welke locatie de klant komt en met welke auto de klant komt;
- de klant wordt gevraagd korte tijd voor aankomst op de afgesproken plek een sms-bericht te sturen;
- na dit sms-bericht wordt de informatie over de aantallen, de locatie en het type auto van de klant doorgegeven via een sms-bericht van het nummer [telefoonnummer 2] , het "doorgeefnummer" naar het nummer [telefoonnummer 3] , het "chauffeurnummer".
Vanuit het "chauffeurnummer" worden enkel en alleen sms-berichten verstuurd naar en ontvangen van het "doorgeefnummer".
Middels het chauffeurnummer zijn verschillende sms-berichten ontvangen van en verstuurd naar het doorgeefnummer. Volgens de politie is dit nummer met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in gebruik bij verdachte aangezien in sms-berichten onder andere wordt gesproken over [betrokkene 2] terwijl de partner van verdachte is genaamd [betrokkene 2] en aangezien voorts wordt gesproken over een zwarte Jeep terwijl verdachte in het bezit is van een zwarte jeep, merk Ssangyong, voorzien van kenteken [kenteken 1] .
Op 29 januari 2014 vanaf 10.50 uur vindt er een sms-wisseling plaats tussen eerdergenoemd klantennummer en het nummer [telefoonnummer 4] , waarin onder meer wordt gesproken over minuten, een halve liter, en een groene polo. Om 13.12 uur wordt door een observatieteam gezien dat een zwarte Sangyong met kenteken [kenteken 1] stopt op de Kromstraat te Veldhoven ter hoogte van een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 2] . De bestuurder van de Volkswagen (NN-3) stapt met lege handen uit en stapt in de zwarte Ssangyong. Enkele minuten later stapt NN-3 weer uit en heeft hij een oranje gevulde plastic tas in zijn handen. Hiervan zijn foto's gemaakt. De bestuurder van de Ssangyong wordt door verbalisanten herkend als zijnde verdachte. Getuige [betrokkene 3] is gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] en van de eerdergenoemde Volkswagen Polo. Hij heeft verklaard dat hij vanaf december 2013 een aantal keren GBL heeft besteld, telkens via hetzelfde telefoonnummer. De bestellingen gingen vooral via sms, waarbij hij een tijdstip en kenmerken van zijn auto moest doorgeven. Minimaal drie verschillende mensen hebben hem GBL geleverd. Als hem foto's getoond worden die het observatieteam op 29 januari 2014 gemaakt heeft, herkent hij zichzelf en de man met de groene jas, waarvan hij GBL gekocht heeft. Van deze man heeft hij twee keer GBL gekocht.
Op 29 januari 2014 vanaf 14.08 uur vindt er een sms-wisseling plaats tussen eerdergenoemd klantennummer en het nummer [telefoonnummer 5] , waarin over en weer gemeld wordt dat er gereden gaat worden en een aantal minuten wordt doorgegeven. Omstreeks 15.04 uur wordt door een observatieteam gezien dat er in de Kromstraat te Veldhoven, ter hoogte van Princen Tools & Techniek, een bordeauxrode Renault Megane Cabrio met kenteken [kenteken 3] geparkeerd wordt. Om 15.05 uur stopt een zwarte Ssangyong met kenteken [kenteken 1] achter de Renault. Beide bestuurders stappen uit. De bestuurder van de Ssangyong (NN-1) overhandigt een witte jerrycan met een doorzichtige vloeistof aan de bestuurder van de Renault (NN-5), die papieren geld overhandigt aan NN-1. Van de overdracht zijn foto's gemaakt. De bestuurder van de Ssangyong wordt door verbalisanten herkend als verdachte. Getuige [betrokkene 4] is gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 5] en van de eerder genoemde Renault Megane. Hij zegt op 29 januari 2014 twee of drie liter GBL gekocht te hebben in Veldhoven. [betrokkene 4] verklaart dat hij vanaf eind 2013 GBL heeft gekocht via datzelfde nummer, in totaal zeker drie of vier keer. Hij heeft in ieder geval GBL gekocht op 24 januari 2014, 29 januari 2014 en 5 februari 2014. Iedere keer vond de verkoop op dezelfde wijze plaats, via sms. Als aan [betrokkene 4] eerdergenoemde sms-wisseling getoond wordt, herkent hij deze. Ook herkent hij de man die de GBL leverde op de foto's die het observatieteam op 29 januari 2014 van verdachte heeft gemaakt. De GBL werd telkens geleverd door dezelfde man.
Uit een aantal tapgesprekken is gebleken dat naast medeverdachte [medeverdachte 1] ook medeverdachte [medeverdachte 2] de telefoon met eerdergenoemd klantnummer heeft beantwoord en boodschappen heeft aangenomen en doorgegeven. Op 23 januari 2014 is een aantal gesprekken gevoerd tussen een man met telefoonnummer [telefoonnummer 6] en het klantnummer, dat beantwoord wordt door medeverdachte [medeverdachte 1] . Afgesproken wordt "drie voor vierhonderd" en rond 22.00 uur op station Eindhoven. Om 22:18 uur belt hetzelfde nummer in op het klantnummer, dat beantwoord wordt door medeverdachte [medeverdachte 2] . In dit gesprek zegt ze dat hij er zo zal zijn. Op 25 januari 2014 om 19.19 uur wordt het klantnummer gebeld door een man met telefoonnummer [telefoonnummer 7] . Medeverdachte [medeverdachte 2] beantwoordt de telefoon en zegt tegen de man waar hij moet wachten. Op 27 januari 2014 om 14.07 uur belt een man met [telefoonnummer 8] in op het klantnummer, dat beantwoord wordt door medeverdachte [medeverdachte 2] . Zij spreekt af dat hij rond vier uur bij de Lidl moet zijn, vraagt of de man wil sms'en als hij in de buurt van Veldhoven is en zegt dat het drie van tien zijn. Tevens wordt medeverdachte [medeverdachte 2] onder meer op 4 februari 2014 om 17.07 uur en 17.13 uur, op 13 februari 2014 om 13.57 uur en 14.07 uur door medeverdachte [medeverdachte 1] [telefoonnummer 9] gebeld op haar eigen nummer ( [telefoonnummer 10] ) en gaan de gesprekken over plekken, tijdstippen, omschrijvingen van auto's en betalingen.
Voorts blijkt uit diverse tapgesprekken die vanaf het klantnummer naar de klanten gestuurd worden dat er gesproken wordt over een chauffeur die gestuurd wordt. In een gesprek op 23 januari 2014 om 22.01 uur tussen een man en medeverdachte [medeverdachte 1] antwoordt [medeverdachte 1] op de vraag of hij er al is onder meer "Dan ga ik hem even een berichtje sturen. (…) Jij moest drie hebben he? (…) Voor vierhonderd. Oke is goed. Hij komt eraan. Hij is er zo." In een gesprek op 27 januari 2014 om 14.33 uur tussen een man en medeverdachte [medeverdachte 1] antwoordt [medeverdachte 1] op de vraag over een wijziging in tijdstip onder meer "oh dan moet ik heel even gaan sms'en. (…) Dan laat ik even de chauffeur een berichtje sturen en dan laat ik het je zo weten". Dat daadwerkelijk een chauffeur werd gestuurd blijkt ook uit uitgaande sms-berichten van het klantnummer, zoals op 25 januari 2014 om 19:00 uur: "Ok waar herkent hij jullie aan" en op 25 januari 2014 om 19:11 uur: "Op parkeer plaats staat zwarte jeep loop daar heen hij zit daar in".
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vast staat dat verdachte de GBL in een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft verkocht.
Wetenschap mogelijke GHB-bereiding
GBL kent diverse toepassingen in de chemische industrie en het wordt tevens gebruikt als precursor voor de vervaardiging van GHB. GBL staat niet vermeld op één van de lijsten behorende bij de Opiumwet of de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Het uitsluitend voorhanden hebben van GBL is dan ook niet strafbaar. Verdachte wordt echter verweten GBL voorhanden te hebben gehad ter voorbereiding van de productie van GHB, een feit dat wel strafbaar is gesteld. In dat geval is vereist dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de stof bestemd was voor de bereiding van GHB.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de GBL heeft geleverd als velgenreiniger en dat hij geen ernstige reden had te vermoeden dat de klanten de GBL zouden gebruiken om GHB te bereiden.
Ter beantwoording van de vraag of verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat de klanten aan wie hij de GBL leverde de GBL zouden gebruiken om GHB te maken, acht de rechtbank, naast hetgeen hiervoor reeds is overwogen, het volgende van belang.
De GBL werd verkocht voor 160 tot 175 euro per liter. Het is een feit van algemene bekendheid dat de prijs van velgenreinigers in de detailhandel varieert van 11 tot 25 euro per liter.
De rechtbank stelt op basis van getuigenverklaringen vast dat sommige klanten met grote regelmaat GBL kochten via het klantnummer en dat verdachte in ieder geval betrokken was bij de levering van die GBL. Getuige [betrokkene 3] verklaart hierover dat hij vanaf december 2013 ongeveer vijfmaal GBL heeft gekocht. De aankopen verliepen telkens op eenzelfde wijze, via sms, en de levering was in Veldhoven of Best. Aan getuige [betrokkene 3] wordt een foto getoond van verdachte en hij herkent verdachte als zijnde de verkoper. Getuige [betrokkene 5] verklaart op 3 maart 2014 dat hij sinds ongeveer zes maanden GBL koopt via het klantnummer. In totaal heeft hij zo'n drie keer GBL gekocht. Hij herkent verdachte als zijnde de verkoper. Getuige [betrokkene 6] heeft vanaf oktober 2013 twee of drie keer GBL gekocht in Veldhoven, waarbij de afspraken telkens via sms gemaakt werden. Ook getuige [betrokkene 7] herkent verdachte als zijnde de man in de jeep van wie hij GBL heeft gekocht in januari 2014.
Dat de door verdachte en zijn mededaders verkochte GBL ook daadwerkelijk werd gebruikt voor de vervaardiging van GHB blijkt onder andere uit de verklaring van getuige [betrokkene 8] die verklaart dat hij met de GBL GHB wilde gaan maken.
De rechtbank acht voorts van belang dat verdachte en zijn mededaders de politie probeerden te ontwijken. Dit blijkt uit de op 4 februari 2014 gestuurde sms van het chauffeursnummer naar het doorgeefnummer waarin staat vermeld: "Jep en kijk uit want belgen vallen op savonds politie kwan 2X terug v hun", het op 12 februari 2014 van het doorgeefnummer naar het chauffeursnummer gestuurde sms bericht: "Staan woute te posten als je richting kromstraat rijd. Rechts honderd meter voor krom straat dus even uit kijken weet niet hoe lang ze daar staan of wat" en het op 12 februari 2014 van het chauffeursnummer naar het doorgeefnummer gestuurde sms bericht: "Ik rij camp zo weer op wamt rijd niks als politie".
De rechtbank is op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, van oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de GBL die hij heeft geleverd bedoeld was voor het vervaardigen van GHB. Indicatoren die de rechtbank daarbij van belang vindt zijn de heimelijke wijze waarop de verkoop van GBL heeft plaatsgevonden, de hoge verkoopprijs en zuiverheidsgraad van de GBL, de particuliere klantenkring, de frequentie waarmee een deel van de klanten afnam, het leveren (soms ook buiten kantooruren) op parkeerplaatsen, het gebruik van verschillende telefoonnummers om onderling boodschappen door te geven en de omstandigheid dat verdachte en zijn mededaders de politie probeerden te ontlopen. De stelling van verdachte dat hij niet wist dat zijn klanten de GBL gebruikten voor het vervaardigen van GHB acht de rechtbank gezien voornoemde omstandigheden niet aannemelijk.
De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat een aantal getuigen door de politie zijn opgeroepen als verdachte en dat zij derhalve onder druk hun verklaring hebben afgelegd. Daarnaast hebben de fotoconfrontaties enkelvoudig plaatsgevonden. De raadsman is van oordeel dat de getuigenverklaringen en de herkenningen daarom niet kunnen worden meegenomen voor het bewijs. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
Als het al zo zou zijn dat in het onderhavige onderzoek getuigen ten onrechte als verdachte zouden zijn aangemerkt, dan is de rechtbank van oordeel dat het niet de verdachte is die door de niet-naleving van een voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen zodat daaraan in onderhavige zaak geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden.
Voorts is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat een meervoudige fotoconfrontatie in beginsel de voorkeur verdient. Echter, de enkele omstandigheid dat een herkenning heeft plaatsgevonden op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie leidt er niet toe dat die herkenning om die reden voor het bewijs buiten beschouwing dient te worden gelaten.
Gezien vorenstaande acht de rechtbank het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
3.
op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014 te Veldhoven en Eindhoven en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden van Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB), zijnde Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, telkens een of meer hoeveelheden GBL (Gamma-butyrolacton) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte ernstige redenen had te vermoeden, dat die stof bestemd was tot het plegen van dat feit.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
(…)
Oplegging van straf en/of maatregel
(…)
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen gedurende een periode van ruim 4 maanden schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de bereiding van GHB door GBL, een grondstof voor het vervaardigen van GHB, te verhandelen. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich hierdoor niet heeft laten weerhouden, maar kennelijk slechts heeft gehandeld uit financieel gewin.
DE UITSPRAAK
(…)
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van feit 3:
Medeplegen van: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10a (BFK: bedoeld zal zijn: artikel 10) van de Opiumwet voorbereiden of bevorderen, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen:
Ten aanzien van feit 3:
Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren’
Bespreking van het eerste middel
7. Het middel behelst de klacht ‘dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is bepaald niet kan worden ontleend aan een feit dat niet bewezenverklaard is’. Het hof zou in de bestreden uitspraak ‘de bewezenverklaring en/of de gronden’ waarop het vonnis in de strafzaak berust ten onrechte hebben ‘aangevuld en/of verbeterd, teneinde (in de onderhavige ontnemingszaak) de verplichting te kunnen opleggen tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, direct verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarop de veroordeling (in de hoofdzaak) betrekking heeft’. Het hof zou eveneens ten onrechte hebben overwogen ‘dat overduidelijk is dat in de bewezenverklaring (in de hoofdzaak) ten onrechte de handelingen ten aanzien van de verkoop en aflevering van GBL zijn weggestreept en dat evident is dat in (het dictum van) het vonnis sprake is geweest van een kennelijke misslag die hersteld diende te worden’. Het oordeel van het hof zou derhalve onjuist zijn, althans onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd..
8. Het hof heeft onder het tussenkopje ‘De veroordeling en de wettelijke grondslag’ overwogen dat in de bewezenverklaring van het vonnis van de rechtbank in de strafzaak ‘ten onrechte de handelingen ten aanzien van de verkoop en aflevering van GBL zijn weggestreept’. De bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen zouden ‘overduidelijk ervan blijk geven dat deze handelingen wel degelijk bewezen worden geacht’. Het zou niet anders kunnen zijn ‘dan dat in de bewezenverklaring sprake is van een kennelijke misslag’ en het zou ‘evident niet de bedoeling (zijn) geweest dat betrokkene enkel voor het voorhanden hebben van hoeveelheden GBL werd veroordeeld’. Het hof stelt ‘derhalve vast dat de handelingen ten aanzien van de verkoop en aflevering van GBL materieel zijn bewezenverklaard’. En het overweegt ‘dat de betrokkene door middel van het begaan van het hiervoor vermelde bewezenverklaarde feit, te weten de verkoop en levering van GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014, een direct voordeel uit het strafbare feit als bedoeld in art. 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten’.
9. In de overwegingen die de rechtbank in het vonnis in de strafzaak heeft geformuleerd, liggen aanwijzingen besloten die erop duiden dat de verdachte niet alleen tezamen en in vereniging met anderen hoeveelheden GBL voorhanden heeft gehad, maar deze ook tezamen en in vereniging met anderen heeft verkocht en afgeleverd. De rechtbank heeft in de bewijsmotivering overwogen dat de verdachte heeft erkend dat hij vanaf begin januari 2014 tot aan zijn aanhouding op 17 februari 2014 ‘bezig is geweest met de levering van GBL’. En op basis van sms-berichten en observaties is de rechtbank van oordeel ‘dat vast staat dat verdachte de GBL in een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft verkocht’. In de strafmotivering heeft de rechtbank overwogen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de bereiding van GHB door GBL te ‘verhandelen’.
10. Deze overwegingen brengen evenwel nog niet mee dat vaststaat dat het doorstrepen van ‘verkocht en/of afgeleverd’ in de tenlastelegging, zoals het hof aanneemt, op een kennelijke misslag berust. In art. 10a, eerste lid, Opiumwet is voor zover in deze van belang strafbaar gesteld ‘(h)ij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen: (…) 3o. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’. Alleen het ‘voorhanden hebben’ is derhalve strafbaar gesteld. Dat kan voor de rechtbank reden zijn geweest om van het (voor kwalificatie van het bewezenverklaarde niet noodzakelijke) verkopen en afleveren vrij te spreken. De vrijspraak van die beide gedragingen was, als dat de reden is geweest, wellicht onnodig en onjuist, maar betreft daarmee nog geen kennelijke misslag.
11. Maar zelfs als dat anders zou zijn, meen ik dat de weg die het hof heeft gevolgd niet begaanbaar is. Tegen de veroordeling in de strafzaak heeft hoger beroep opengestaan. De verdachte heeft ervoor gekozen dat rechtsmiddel niet aan te wenden. Daarbij kan een rol hebben gespeeld dat de veroordeling zich, wat het onder 3. tenlastegelegde feit betreft, beperkte tot het medeplegen van het voorhanden hebben van de betreffende stoffen. Ook het openbaar ministerie heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Daarmee is het vonnis in kracht van gewijsde gegaan. Met die status van het vonnis is niet verenigbaar dat de ontnemingsrechter alsnog onderdelen van de tenlastelegging waarvan de verdachte is vrijgesproken als materieel bewezenverklaard aanmerkt. Ik wijs er in dit verband nog op dat Uw Raad de mogelijkheid om fouten te herstellen in een vonnis of arrest beperkt tot kennelijke fouten die zich voor eenvoudig herstel lenen, en deze bevoegdheid voorbehoudt aan de rechters die op de zaak hebben gezeten.2.
12. De hersteloperatie van het hof past ook niet bij de verhouding tussen strafrechter en ontnemingsrechter zoals deze uit rechtspraak van Uw Raad naar voren komt. De rechter die heeft te oordelen over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is ‘gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. Dat betekent dus onder meer dat in de ontnemingsprocedure de vraag of de feiten waarvoor de betrokkene in de hoofdzaak is veroordeeld zijn bewezen niet meer ter toetse kan komen’.3.Aan een vrijspraak is de ontnemingsrechter eveneens gebonden.4.Daarbij speelt ook de uitspraak van het EHRM in de zaak Geerings tegen Nederland een rol.5.Uw Raad leidt uit die uitspraak af dat art. 6, tweede lid, EVRM zich verzet tegen het ontnemen van voordeel, verkregen door feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken.6.Die regel geldt in beginsel ook bij deelvrijspraken die meebrengen dat het bewezenverklaarde slechts op een deel van het tenlastegelegde betrekking heeft.7.
13. Illustratief is een arrest van Uw Raad van 13 maart 2018.8.Daarin was onder meer aan de verdachte tenlastegelegd dat hij ‘opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (…), een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2.476, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep’. Bewezen was verklaard dat de verdachte ‘een hoeveelheid van in totaal ongeveer 2.476 hennepplanten (een groot aantal)’ aanwezig had gehad. Uw Raad overwoog dat het hof de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel had gebaseerd op ‘soortgelijke feiten’ als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr. De betrokkene was, aldus Uw Raad, ‘in de hoofdzaak vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2.476 hennepplanten’. Gelet daarop had het hof ‘bij de beoordeling van de ontnemingsvordering ten onrechte het aan die vrijspraak gerelateerde voordeel betrokken’. De omstandigheid dat het hier kennelijk ging om een zogenoemde technische vrijspraak leidde niet tot een ander oordeel.
14. Bij deze binding aan (ook een technische) vrijspraak, die eraan in de weg staat dat een feit waarvan is vrijgesproken als een soortgelijk of ander feit dan het bewezenverklaarde toch in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt betrokken, past niet dat de ontnemingsrechter feiten waarvan is vrijgesproken alsnog als bewezenverklaard aanmerkt.
15. Los van de bezwaren tegen de weg die het hof gekozen heeft, rijst de vraag of het resultaat dat het hof voor ogen stond aldus kan worden bereikt. Uit art. 36e, tweede lid, Sr volgt dat aan de betrokkene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel heeft verkregen ‘door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan’ een betalingsverplichting kan worden opgelegd. Het hof gaat er, zo begrijp ik, vanuit dat bij een bewezenverklaring van het verkopen en afleveren het daardoor verkregen voordeel ontnomen kan worden. Nu verkopen en afleveren niet als zodanig strafbaar zijn gesteld, blijft de strafbare gedraging waarvoor de verdachte bij die bewezenverklaring veroordeeld zou zijn evenwel dezelfde: het voorhanden hebben.9.Omdat de mogelijkheid van voordeelsontneming gekoppeld is aan het ‘strafbaar feit’ en niet aan het ‘bewezenverklaarde feit’ meen ik dat een bewezenverklaring van verkopen en afleveren als zodanig niet een grondslag had geboden voor voordeelsontneming.10.Nu tegen dit aspect van ’s hofs argumentatie in cassatie geen klacht is geformuleerd, laat ik dit verder rusten.
16. Het (kennelijk) oordeel van het hof dat de rechter in de ontnemingszaak de bewezenverklaring in de strafzaak aan mag vullen met gedragingen waarvan de verdachte is vrijgesproken indien hij van oordeel is dat deze vrijspraak een kennelijke misslag betreft, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Dat brengt mee dat ook ’s hofs oordeel dat ‘de handelingen ten aanzien van de verkoop en aflevering van GBL materieel zijn bewezenverklaard’, zodat de betrokkene uit het bewezenverklaarde feit, ‘te weten de verkoop en levering van GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014’ wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is.
17. Het eerste middel slaagt.
Bespreking van het tweede middel
18. Het tweede middel bevat de klacht dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn is geschonden aangezien de stukken van het geding niet binnen acht maanden nadat het cassatieberoep is ingesteld op de griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.
19. Namens de betrokkene is op 30 september 2021 beroep in cassatie ingesteld.11.De stukken van het geding zijn op 31 mei 2023 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met iets meer dan twaalf maanden is overschreden. Indien Uw Raad, met mij, van oordeel is dat het eerste middel slaagt, is evenwel terugwijzing aangewezen. Dat brengt mee dat de klacht onbesproken kan blijven en dat het tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde kan worden gesteld.12.
20. Het tweede middel slaagt.
Afronding
21. Beide middelen slagen. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen. Indien Uw Raad met mij van oordeel is dat het eerste middel slaagt, kan de overschrijding van de redelijke termijn evenwel onbesproken blijven. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑12‑2023
Vgl. onder meer HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1217, NJ 2020/420 m.nt. Vellinga; HR 28 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1657.
HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8741.
Vgl. onder meer HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:31 en de conclusie van A-G Bleichrodt voor dit arrest. Vgl. nader J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen, Deventer: Wolters Kluwer 2018, in het bijzonder p. 325-330, 438-445.
EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03 (Geerings/Nederland), NJ 2007/349, m.nt. Borgers.
Vgl. onder meer HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4270, NJ 2009/208, rov. 2.6.
Vgl. onder meer HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK0890 en – de conclusie van A-G Bleichrodt voor – HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:31. Anders ligt het bij deelvrijspraken die een ‘algemenere of specifiekere aanduiding van het wel bewezenverklaarde gedeelte van de tenlastelegging’ vormen (Bemelmans, a.w., p. 441).
HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:341, NJ 2018/161.
Uit (onder meer) HR 6 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1484 kan worden afgeleid dat uit het enkele voorhanden hebben van stoffen die bestemd zijn tot het plegen van een in artikel 10, vierde of vijfde lid, Opiumwet strafbaar gesteld feit niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dat is (vermoedelijk) de achtergrond van de hersteloperatie van het hof. Vgl. bijvoorbeeld ook HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:300 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:626.
Vgl. W. de Zanger, De ontnemingsmaatregel toegepast, Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 58, die onder meer verwijst naar Kamerstukken II 1991/92, 21 504, nr. 20 (Vijfde nota van wijziging). Zie in dit verband ook de NJ-noot van Borgers onder HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1433, NJ 2014/52. Voordeelsontneming is in beginsel wel mogelijk op grond van andere strafbare feiten, in het bijzonder de strafbaarstelling van art. 10a, eerste lid, onder 1o, Opiumwet: het middelen verschaffen. Dat is evenwel niet de weg die het hof heeft bewandeld en ook daarbij zou de partiële vrijspraak aandacht behoeven.
De schriftelijke bijzondere volmacht was de voorgaande dag, 29 september, om 14.56 uur verzonden en om 15.01 uur doorgestuurd.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.5.3.
Beroepschrift 27‑07‑2023
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden te 's‑Gravenhage;
tegen het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch, zittingslocatie 's‑Hertogenbosch, uitgesproken op 23 september 2021 (en herstelarrest van 29 september 2021) onder parketnummer 20-000201-18 (OWV);
draagt:
de heer [betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
verzoeker tot cassatie (hierna ook te noemen: verzoeker),
die te dezer zake domicilie ten kantore van zijn raadsman, mr. P.G. Grijpstra, advocaat te Eindhoven, (postadres: Postbus 1048, 4801BA Breda) en die mr. P.G. Grijpstra bepaaldelijk heeft gevolmachtigd deze schriftuur te ondertekenen en in te dienen;
de navolgende cassatiemiddelen voor:
Middel 1 schending motiveringsplicht
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artikelen 6 en 13 EVRM, artikel 79 Wet RO, artikel 36e SR, alsmede de artikelen 358, 359, 359a en 415 SV, en wel om het navolgende:
Het eerste middel komt op tegen de schatting van (de hoogte van) het wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op de veroordeling in de hoofdzaak en daarmee de wettelijke grondslag van de vordering tot ontneming van het (vermeend) wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e SR.
In het arrest van het Gerechtshof van 23 september 2021 is — op pagina 4, onder het kopje ‘Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel’ — over de veroordeling en de wettelijke grondslag overwogen:
‘De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch, van 22 september 2014 onder parketnummer 01-879167-14 ter zake van onder meer — kort weergegeven — het in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014 in vereniging voorbereidingshandeling verrichten voor de bereiding van GHB, door hoeveelheden GBL voorhanden te hebben gehad, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.
Ondanks dat formeel is bewezenverklaard dat betrokkene enkel hoeveelheden GBL voorhanden heeft gehad, constateert het hof ambtshalve dat in die bewezenverklaring ten onrechte de handelingen ten aanzien van de verkoop en aflevering van GBL zijn weggestreept. Het hof overweegt dat de bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen overduidelijk ervan blijk geven dat deze handelingen wel degelijk bewezen worden geacht, en dat het niet anders kan zijn dan dat in de bewezenverklaring sprake is van een kennelijke misslag. Het is evident niet de bedoeling geweest dat betrokkene enkel voor het voorhanden hebben van hoeveelheden GBL werd veroordeeld. Het hof stelt derhalve vast dat de handelingen ten aanzien van de verkoop en aflevering van GBL materieel zijn bewezenverklaard.
Op basis van het vorengaande, en aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen, ontleent het hof het oordeel dat de betrokkene door middel van het begaan van het hiervoor vermelde bewezenverklaarde feit, te weten de verkoop en levering van GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014, een direct voordeel uit het strafbare feit als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.’
Dit middel ziet op de klacht dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is bepaald niet kan worden ontleend aan een feit dat niet bewezenverklaard is, oftewel waarvoor (partiële) vrijspraak is gevolgd, bij vonnis (in de hoofdzaak) van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch, van 22 september 2014 onder parketnummer 01-879167-14.
Het is niet mogelijk dat verzoeker voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het — kort weergegeven — in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014 in vereniging verrichten van een voorbereidingshandeling voor de bereiding van GHB, door hoeveelheden GBL voorhanden te hebben gehad, waarvoor hij (in de hoofdzaak) is veroordeeld door de rechtbank Oost-Brabant.
Dit heeft het Gerechtshof ook onderkend, doordat de bewezenverklaring en/of de gronden waarop het voormelde vonnis (in de hoofdzaak) van de rechtbank Oost-Brabant van 22 september 2014 berust, middels voormelde overweging in het arrest van 23 september 2021 in strijd met het recht wordt aangevuld en/of verbeterd, teneinde (in de onderhavige ontnemingszaak) de verplichting te kunnen opleggen tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, direct verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarop de veroordeling (in de hoofdzaak) betrekking heeft.
Nu de verdachte in het voormelde vonnis (in de hoofdzaak) van de rechtbank Oost-Brabant van 22 september 2014 niet is veroordeeld voor het begaan van andere strafbare feiten en, vanwege de (partiële) vrijspraak voor de ten laste gelegde verkoop en levering van GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014, niet kan worden (vast)gesteld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan, waaruit hij wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Voormelde overweging in het arrest van het Gerechtshof behelst derhalve een ontoelaatbare correctie van het onherroepelijke vonnis (in de hoofdzaak) van de rechtbank Oost-Brabant van 22 september 2014, zodat het Gerechtshof verzoeker in het arrest van 23 september 2021 ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling(sverplichting) van het opgelegde geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank Oost-Brabant heeft (in de hoofdzaak) namelijk op geen enkel moment, ook niet ten tijde van het hoger beroep in de ontnemingszaak, een herstelvonnis gewezen en daarmee niet bepaald dat in (het dictum van) het vonnis sprake was van een kennelijke misslag die hersteld diende te worden.
Het Gerechtshof heeft derhalve ten onrechte (ambtshalve) overwogen dat overduidelijk is dat in de bewezenverklaring (in de hoofdzaak) ten onrechte de handelingen ten aanzien van de verkoop en aflevering van GBL zijn weggestreept en dat evident is dat in (het dictum van) het vonnis sprake is geweest van een kennelijke misslag die hersteld diende te worden. Dit oordeel van het Gerechtshof is derhalve onjuist, althans onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd.
Toelichting op het middel
1.1.
Onder verwijzing naar het ‘Geerings-arrest’ van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 1 maart 2007, NJ 2007, 349, LJN BA1112) wordt in de onderhavige ontnemingszaak een beroep gedaan op de onschuldpresumptie. Uw Raad heeft onder meer in de uitspraak van 29 september 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1523) overwogen dat de onschuldpresumptie eveneens van toepassing is op ontnemingszaken. In dat kader wordt verwezen naar de relevante overwegingen van het EHRM in de zaak Geerings:
- ‘41.
The Court reiterates that the presumption of innocence, guaranteed by Article 6 § 2, will be violated if a judicial decision or a statement by a public official concerning a person charged with a criminal offence reflects an opinion that he is guilty before he has been proved guilty according to law (…). Furthermore, the scope of Article 6 § 2 is not limited to criminal proceedings that are pending’.
- ‘48.
Secondly, unlike in the Phillips and Van Offeren cases, the impugned order related to the very crimes of which the applicant had in fact been acquitted.’
- ‘49.
In the Asan Rushiti judgment (cited above, § 31),14 the Court emphasised that Article 6 § 2 embodies a general rule that, following a final acquittal, even the voicing of suspicions regarding an accused's innocence is no longer admissible.’
- ‘50.
The Court of Appeal's finding, however, goes further than the voicing of mere suspicions. It amounts to a determination of the applicant's guilt without the applicant having been ‘found guilty according to law’ (compare Baars v. the Netherlands, no. 44320/98, § 31, 28 October 2003).’
- ‘51.
There has accordingly been a violation of Article 6 § 2.’
1.2.
Voormelde overwegingen stellen de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM centraal met betrekking tot de bejegening van burgers die niet of nog niet schuldig zijn bevonden aan een strafbaar feit. Waar zijn schuld niet in overeenstemming met het recht is vastgesteld, laat de onschuldpresumptie niet toe dat een betrokkene wordt behandeld als ware hij schuldig. De bescherming die het EHRM biedt nadat een betrokkene ter zake een feit onherroepelijk is vrijgesproken, gaat zelfs een flinke stap verder:
‘Following a final acquittal, even the voicing of suspicions regarding an accused's innocence is no longer admissible.’ 1.
1.3.
Hieruit kan worden afgeleid dat artikel 6 lid 2 EVRM zich verzet tegen het ontnemen van (vermeend) wederrechtelijk verkregen voordeel dat zou zijn verkregen uit een strafbaar feit waarvoor de betrokkene is vrijgesproken.
1.4.
In casu is verzoeker (partieel) vrijgesproken van — kort weergegeven — de in de hoofdzaak ten laste gelegde verkoop en levering van hoeveelheden GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014. Verzoeker heeft geen voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het in de hoofdzaak bewezenverklaarde — kort weergegeven — voorhanden hebben van hoeveelheden GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014. Andere strafbare feiten zijn in de hoofdzaak niet aan verzoeker ten laste gelegd en bijgevolg dus niet bewezenverklaard, zodat geen — laat staan voldoende — aanwijzingen bestaan dat verzoeker wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten.
1.5.
Gelet op het voormelde staat vast dat de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie en de veroordeling van het Gerechtshof tot betaling(sverplichting) aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op een feit — de verkoop en levering van hoeveelheden GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014 — waarvoor verzoeker in de hoofdzaak (partieel) is vrijgesproken, terwijl de hiervoor aangehaalde jurisprudentie (van o.a. het Geerings-arrest) er aan in de weg staat te ontnemen op basis van een feit waarvan de betrokkene (partieel) is vrijgesproken.
1.6.
Vanwege de onherroepelijke (partiele) vrijspraak voor de verkoop en levering van hoeveelheden GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014 had het Gerechtshof in de voormelde overwegingen (op pagina 4, onder het kopje ‘Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel’) van het arrest van het Gerechtshof van 23 september 2021 geen ambtshalve vermoedens noch eigen interpretatie van de bewijsmiddelen mogen uiten over de schuld van verzoeker aangaande de ten laste gelegde verkoop en levering van hoeveelheden GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014.
1.7.
Het is niet toelaatbaar te overwegen dat het niet anders kan zijn dan dat sprake is van een kennelijke misslag en dat het evident niet de bedoeling is geweest dat verzoeker enkel voor het voorhanden hebben van hoeveelheden GBL werd veroordeeld. Het is eveneens niet toelaatbaar te overwegen dat de handelingen ten aanzien van de verkoop en aflevering van GBL materieel bewezen zijn verklaard en — ondanks de formele vrijspraak voor de verkoop en levering van hoeveelheden GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014 — die zogenaamde materiële bewezenverklaring als grondslag voor de ontnemingszaak te hanteren.
1.8.
Het bepaalde in artikel 36e SR biedt immers geen grondslag om op vordering van het Openbaar Ministerie, bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die (partieel) is vrijgesproken wegens een bepaald strafbaar feit, maar dat feit zogenaamd toch materieel bewezen verklaard zou zijn, de verplichting op te leggen tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
1.9.
In casu is niet aan de orde waarover uw Raad zich in de uitspraak van 9 december 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BG6304) heeft uitgelaten en waaraan het Gerechtshof in casu (mogelijk) de onjuiste rechtsopvatting heeft ontleend dat ondanks het in de bewezenverklaring doorstrepen van de ten laste gelegde verkoop en levering van hoeveelheden GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014, die doorhaling niet in de weg staat aan ontneming van het voordeel verkregen uit die (vermeende) verkoop en levering van hoeveelheden GBL.
1.10.
In die zaak had de rechtbank (in de hoofdzaak) de in de bewezenverklaring ten laste gelegde woorden ‘of omstreeks’ weggestreept. De verdediging had aangevoerd dat uit die doorhaling op te maken was, dat de betrokkene werd vrijgesproken van drugstransacties die waren begaan in de door het woord ‘omstreeks’ omvatte periode, zodat ter zake daarvan geen wederrechtelijk verkregen voordeel kon worden ontnomen. Uw Raad overwoog hieromtrent, dat aan het toesnijden van de bewezenverklaring op de daarin gespecificeerde data in het betreffende geval niet de betekenis kon worden toegekend die de steller van het middel daaraan gaf. Volgens uw Raad voorzien de woorden ‘of omstreeks’ in tenlasteleggingen in een alternatief voor het geval de rechter tot het oordeel komt dat een meer specifieke tijdsaanduiding niet bewezen kan worden verklaard. In de aangehaalde zaak achtte de rechtbank die meer specifieke tijdsaanduiding echter wel bewezen, zodat in zoverre de woorden ‘of omstreeks’ doorgestreept konden worden. In het kader van de ontnemingszaak kon daaraan niet de door het middel voorgestane conclusie worden verbonden dat de betrokkene ten onrechte was veroordeeld tot ontneming van het voordeel verkregen uit drugstransacties in de periode voorafgaand aan de bewezen verklaarde periode.
1.11.
In casu is van belang wat uw Raad in (rechtsoverweging 2.7 van) voormelde uitspraak van 9 december 2008 heeft overwogen, te weten dat in het Geerings-arrest van 1 maart 2007 door het EHRM is overwogen dat niet alsnog de schuld van de betrokkene aan een strafbaar feit kan worden aangenomen waarvan hij is vrijgesproken.
1.12.
Door zelf invulling te geven aan wat materieel bewezen zou zijn verklaard — in casu de verkoop en levering van GBL in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 17 februari 2014, waarvan verzoeker juist (partieel) is vrijgesproken — en dit niet deugdelijk, want in strijd met het recht, gemotiveerd te hebben, heeft het Gerechtshof een juridische misslag begaan. Een misslag die verzoeker direct raakt in zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Meer precies, dat de behandeling van de ontnemingszaak in hoger beroep daarmee niet conform het bepaalde in artikel 6 EVRM is verlopen. Dit levert voorts een schending op van artikel 358 lid 2 en lid 3 SV en artikel 359 lid 2 SV.
1.13.
Gelet op het voormelde meent verzoeker dat in het licht van de jurisprudentie aangaande de onschuldpresumptie voor een feit waarvan de betrokkene onherroepelijk (partieel) is vrijgesproken, het arrest van het Gerechtshof van 23 september 2021 (en het herstelarrest van 28 september 2021) geen stand kan houden.
Middel 2 overschrijding redelijke termijn
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artikelen 6 en 13 EVRM, 36e SR en 365a SV, en wel om het navolgende:
Op 29 september 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 23 september 2021 (en herstelarrest van 28 september 2021) van het Gerechtshof. Blijkens de aanzegging heeft de strafgriffie van de Hoge Raad op 31 mei 2023 de stukken van het geding ontvangen. Dit leidt tot het oordeel dat het Gerechtshof het ‘cassatiedossier’ niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, zodat daardoor de redelijke termijn voor inzending van de stukken van het geding — en daarmee van de berechting — is geschonden. Het cassatiedossier had binnen 8 maanden na het instellen van het beroep in cassatie door de strafgriffie van de Hoge Raad ontvangen moeten zijn, terwijl het in casu meer dan 20 (!) maanden heeft geduurd. Alleen al deze forse overschrijding van de redelijke termijn van meer dan 12 maanden dient te leiden tot compensatie. In casu dient dit te leiden tot matiging van de opgelegde betalingsverplichting van het ‘ontnemingsbedrag’.
Ook de behandeltermijn in cassatie lijkt te worden overschreden, aangezien uw Raad de Procureur-generaal van het Openbaar Ministerie nog een termijn dient te gunnen een conclusie te nemen in casu en uw Raad aansluitend nog een datum dient te bepalen om uitspraak te doen. Voor zover uw Raad op of na 30 september 2023 uitspraak doet, is de onderhavige zaak niet binnen de daarvoor gestelde redelijke termijn van 24 maanden afgedaan. Die (mogelijke) schending van de redelijke termijn voor behandeling van het beroep in cassatie — en daarmee van de berechting — dient te leiden tot compensatie. In casu dient dit te leiden tot een (nadere) matiging van de opgelegde betalingsverplichting van het ‘ontnemingsbedrag’, dan wel het hanteren van een verminderingspercentage voor de (resterende) opgelegde betalingsverplichting die uw Raad gepast zal voorkomen.
Toelichting op het middel
2.1.
Op 29 september 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het voormelde arrest van 23 september 2021 (en herstelarrest van 28 september 2021) van het Gerechtshof. Blijkens de aanzegging heeft de strafgriffie van de Hoge Raad op 31 mei 2023 de stukken van het geding ontvangen. Dit leidt tot het oordeel dat het Gerechtshof het ‘cassatiedossier’ niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, zodat daardoor de redelijke termijn voor inzending van de stukken van het geding — en daarmee van de berechting — is geschonden. Het cassatiedossier had binnen 8 maanden na het instellen van het beroep in cassatie door de strafgriffie van de Hoge Raad ontvangen moeten zijn, terwijl het in casu meer dan 20 (!) maanden heeft geduurd. Alleen al deze forse overschrijding dient te leiden tot compensatie, d.w.z. matiging van de betalingsverplichting van het ‘ontnemingsbedrag’, zoals volgt uit vaste jurisprudentie van uw Raad, waaronder het overzichtsarrest (‘Redelijke termijn II’) van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578).
2.2.
Aan de verdachte mag niet worden tegengeworpen dat hij onvoldoende belang heeft bij zijn klacht omdat hij zelf de oorzaak zou zijn geweest van de schending van de redelijke termijn door het instellen van het beroep in cassatie. Ondergetekende kan als raadsman van de verdachte immers pas een cassatieschriftuur indienen nadat de aanzegging van uw Raad is betekend. De strafgriffie van de Hoge Raad is daartoe pas in staat geweest, nadat de stukken van het geding van het Gerechtshof zijn ontvangen. Dit houdt in dat de schending van de redelijke termijn in casu te wijten is aan de late inzending van het cassatiedossier door het Gerechtshof.
2.3.
Voorts is van belang dat in het arrest van 11 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX0146) door uw Raad is overwogen dat klachten over de schending van de redelijke termijn afgedaan zullen worden middels artikel 80a RO, indien in die zaken alleen zou worden geklaagd over de schending van de redelijke termijn, of indien in die zaken ook over andere kwesties zou worden geklaagd, maar die klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.
2.4.
Op Nederland rust evenwel de plicht de rechtspleging zo in te richten dat procedures binnen een redelijke termijn worden afgewikkeld (zie EHRM 26 mei 1993, NJ 1993/466, m.nt. E.A. Alkema en EHRM 23 februari 1999, nr. 34966/97 (‘De Groot / Nederland’), NJ 1999/641, m.nt. G. Knigge). Geconstateerd moet worden dat Nederland, ondanks meerdere pogingen daartoe, er nog steeds niet in is geslaagd er zorg voor te dragen dat uw Raad in cassatieprocedures telkens dan wel in het overgrote deel van die zaken uitspraak doet binnen de vereiste redelijke termijn. Het tegenovergestelde is het geval, aangezien uit gepubliceerde uitspraken van uw Raad blijkt dat in zaken waarin tevens een andere klacht in cassatie aan de orde is, dikwijls ook wordt geklaagd over de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
2.5.
De Procureur-Generaal van het Openbaar Ministerie (in 2012) en de voormalig president van de Hoge Raad (in 2013) hebben zich al uitgesproken over de hoge werkdruk voor leden van het Openbaar Ministerie respectievelijk (straf)rechters, waarvoor een gebrek aan capaciteit en financiële middelen als belangrijkste oorzaken werden genoemd. Die opmerkingen zijn anno 2023 helaas nog steeds actueel. In zoverre is sprake van een verzuim dat (naar algemene ervaringsregels of objectieve gegevens) dermate vaak voorkomt dat het structurele karakter van schendingen van de redelijke termijn in beroepen in cassatie daarmee vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten onvoldoende inspanningen hebben verricht om dit te voorkomen. Gelet hierop dient uw Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase derhalve een compensatie toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak nog een andere klacht naar voren is gebracht.
2.6.
Voorkomen moet worden dat de norm ten aanzien van de duur van een strafrechtelijke (cassatie)procedure steeds maar weer wordt verlegd, waardoor er — vanwege bezuinigingen en/of capaciteitsproblemen — geen substantiële druk meer op de autoriteiten wordt gelegd om een onredelijke procesduur zoveel mogelijk te vermijden. Ook gelet hierop dient uw Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een compensatie toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak nog een andere klacht naar voren is gebracht.
2.7.
In de onderhavige schriftuur is ook een andere klacht naar voren gebracht, die betrekking heeft op de ‘prior criminal proceedings’, zodat voorts om die reden niet kan worden gesteld dat verzoeker in casu onvoldoende belang heeft bij zijn klacht over de schending van de redelijke termijn (zie EHRM 27 augustus 2013, nr. 12810/13 (‘Celik / Nederland’).
2.8.
Bovendien is de afdoening op basis van artikel 80a RO in casu niet aangewezen, gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn en omdat afdoening op basis van artikel 80a RO inbreuk maakt op het recht van ‘effective remedy’ (zie EHRM 18 december 2018, nr. 585/19 (‘Nelissen / Nederland’).
2.9.
Indien uw Raad van oordeel is dat afdoening door middel van artikel 80a RO in zaken als de onderhavige geen inbreuk lijkt te maken op het EVRM, is verzoeker van mening dat uw Raad deze kwestie dient voor te leggen aan het EHRM en wel door middel van het stellen van prejudiciële vragen. Uit hetgeen hiervoor is aangevoerd, volgt dat in zaken als de onderhavige, waarin sprake is van schending van de redelijke termijn die het gevolg is van het door het Gerechtshof niet in acht nemen van de wettelijk voorgeschreven termijnen, artikel 13 EVRM een ‘effective remedy’ vereist.
2.10.
Die prejudiciële vragen zouden als volgt kunnen luiden.
- —
Vereisen de artikelen 6 en 13 EVRM dat de cassatierechter een inhoudelijk oordeel velt over een klacht betreffende de schending van de redelijke termijn in zaken waarin de redelijke termijn van de berechting in cassatie wordt geschonden doordat de laatste feitelijke rechter geldende termijnen met betrekking tot het opstellen van relevante stukken en het opsturen van die stukken niet in acht neemt?
- —
Maakt het daarbij verschil uit of in cassatie ook andere klachten naar voren zijn gebracht?
- —
Maakt het daarbij verschil uit of deze andere klachten een behandeling in cassatie rechtvaardigen?
2.11.
Ook de behandeltermijn in cassatie lijkt te worden overschreden, aangezien uw Raad de Procureur-generaal van het Openbaar Ministerie nog een termijn dient te gunnen een conclusie te nemen in casu en uw Raad aansluitend nog een datum dient te bepalen om uitspraak te doen. Voor zover uw Raad op of na 30 september 2023 uitspraak doet, is de onderhavige zaak niet binnen de daarvoor gestelde termijn van 24 maanden afgedaan.
2.12.
Die (mogelijke) schending van de redelijke termijn voor behandeling van het beroep in cassatie — en daarmee van de berechting — dient eveneens te leiden tot compensatie. In casu dient dit te leiden tot een (nadere) matiging van de opgelegde betalingsverplichting van het ‘ontnemingsbedrag’, dan wel het hanteren van een verminderingspercentage voor de (resterende) opgelegde betalingsverplichting die uw Raad gepast zal voorkomen.
Tot slot
3.1.
Uw Raad heeft in de arresten van 11 september 2012 (o.a. NJ 2013/243) aangegeven dat de ambtshalve cassatie tegenwoordig bijzonder spaarzaam wordt toegepast en dat ervan wordt uitgegaan dat het achterwege blijven van klachten die zijn toegespitst op misslagen in de bestreden uitspraak of op fouten in de aan die uitspraak voorafgegane procedure, berust op een weloverwogen keuze.
3.2.
Ondergetekende hecht eraan op te merken dat het beslist niet zijn bedoeling is om (kansrijke) cassatieklachten te laten liggen. Hij kan echter niet uitsluiten dat hij onbedoeld iets over het hoofd ziet. Mocht het zo zijn dat uw Raad constateert dat over een bepaald punt dat tot cassatie zou moeten leiden, niet is geklaagd, dan mag uw Raad ervan uitgaan dat dit niet berust op een weloverwogen keuze van verzoeker. Verzocht wordt in dat geval gebruik te maken van uw bevoegdheid om ambtshalve te casseren. Aldus kan uw Raad inhoud geven aan de taak die u heeft op het terrein van de rechtsbescherming (naast die op het terrein van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling).
Met conclusie
Dat op vorenstaande gronden het uw Raad moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Raad noodzakelijk voorkomt.
Eindhoven, 27 juli 2023
mr. P.G. Grijpstra
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑07‑2023
Vrij vertaald: Na een definitieve vrijspraak is zelfs het uiten van vermoedens over de onschuld van een verdachte niet meer toelaatbaar.