Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/7.2.1.1
7.2.1.1 Het recht van reclame
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90831:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Art. 6:82 lid 1 BW. Zie ook de uitzonderingen in het tweede lid van deze bepaling.
Schuijling 2016, nr. 94.
Faber 2005, nr. 256; Asser/Sieburgh 6-I 2016/241. Er zijn ook andere wijzen of gronden waardoor een vordering niet-opeisbaar is naast de opschortende tijdsbepaling. Hierover: Schuijling 2016, nr. 94.
Vgl. Fikkers 1992, p. 135; Asser/Hijma 7-I* 2013/605; Asser/Sieburgh 6-I 2016/249.
TM, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 279. Zie ook hoofdstuk 2, paragraaf 2.2.2, hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.1 en hoofdstuk 5, paragraaf 5.2.1.
TM, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 291.
Hetzelfde geldt als aan de koper surseance van betaling is verleend of op hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard.
Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/98; Polak/Pannevis 2017/6.7.1. Voor surseance: art. 241a FW.
De leverancier heeft van rechtswege het recht om (een deel van) de door hem geleverde zaken terug te vorderen als de koper zijn betalingsverplichting niet nakomt en hiermee aan de vereisten voor ontbinding ex art. 6:265 BW is voldaan. De koper moet in verzuim zijn met de voldoening van een opeisbare verbintenis, tenzij nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is.1 Voor verzuim is vereist dat de koper in gebreke wordt gesteld en een redelijke termijn krijgt om alsnog na te komen.2 Heeft de leverancier echter een fatale termijn voor nakoming gesteld aan de koper, dan treedt het verzuim in zonder ingebrekestelling. Ook als uit een mededeling van de koper blijkt dat hij tekort zal schieten, is verzuim niet vereist en kan het recht van reclame direct worden uitgeoefend.3
Om te reclameren stuurt de leverancier een schriftelijke verklaring aan de koper waarin hij de zaak reclameert. Door deze verklaring wordt de koopovereenkomst ontbonden en herkrijgt de leverancier de eigendom van de zaken (art. 7:39 lid 1 BW). Dit geschiedt op het moment dat de schriftelijke verklaring de koper bereikt, zo volgt uit art. 3:37 lid 3 BW.
Is een gedeelte van de koopprijs van een levering voldaan, dan bepaalt art. 7:39 lid 2 BW dat de leverancier slechts een gedeelte van de levering kan reclameren. De bepaling onderscheidt twee situaties. Is de koopprijs van een bepaald deel niet betaald, dan kan de leverancier dat deel reclameren (art. 7:39 lid 21e zin BW). Is een gedeelte van de koopprijs van het geheel niet betaald, dan kan de leverancier een evenredig deel van het geleverde terugvorderen (art. 7:39 lid 2 2e zin BW). De koopovereenkomst wordt in beide gevallen gedeeltelijk ontbonden. Blijkt het echter niet mogelijk om een gedeelte van het geleverde terug te nemen, dan kan de leverancier het geheel terugvorderen onder teruggave van het reeds betaalde aan de koper. De gehele overeenkomst wordt ontbonden (art. 7:39 lid 3 BW).
De leverancier kan dit terugvorderingsrecht uitoefenen gedurende zes weken nadat de koopprijsvordering opeisbaar is geworden én zestig dagen nadat de zaken bij de koper zijn opgeslagen. De termijn van zestig dagen vangt aan op de dag nadat de zaken bij de koper zijn afgeleverd. Het moment waarop de termijn van zes weken aanvangt, is afhankelijk van het moment van opeisbaarheid van de vordering. Het uitgangspunt is dat de vordering direct opeisbaar is na aflevering, art. 7:26 lid 2 BW en 6:38 BW. Partijafspraken kunnen de opeisbaarheid van de vordering doen verschuiven.4 Zo kan de opeisbaarheid worden gekoppeld aan een opschortende tijdsbepaling, zo volgt uit art. 6:39 BW.5 De betalingstermijn die de opeisbaarheid verschuift wordt ook wel aangeduid als een terme de droit.6 Op deze wijze kan de leverancier de termijn voor uitoefening van het recht van reclame dus verlengen.
Niet elke betalingstermijn verschuift echter de opeisbaarheid van de vordering. Gunt de leverancier zijn koper bijvoorbeeld vijf dagen om alle administratieve handelingen te verrichten voor de betaling, zoals het instrueren van de administratie-afdeling, dan kan dit worden gezien als een terme de grâce. De leverancier heeft een opeisbare vordering op de koper, maar hij geeft te kennen dat hij geen nakoming zal afdwingen gedurende deze korte periode.7 Het is een geste van de leverancier aan de koper. Dit is in lijn met één van de twee functies van het recht van reclame: partijen kunnen binnen de periode van zes weken en zestig dagen ‘gelijk oversteken’. De leverancier kan de koper een korte periode geven om te betalen. Schaadt de koper het gegeven vertrouwen, dan beschermt de wet de leverancier doordat hij de zaken kan terugvorderen.8
Ook als de leverancier beoogt om zaken op krediet te leveren – de tweede functie van het recht van reclame – en de koper bijvoorbeeld een betalingstermijn van dertig dagen geeft, hoeft dit niet te betekenen dat partijen de opeisbaarheid van de koopprijsvordering verschuiven.9 Steeds hangt van de omstandigheden van het geval af of de koopprijsvordering direct opeisbaar is.10 Het is een kwestie van uitleg. In dit kader moet gekeken worden naar de gebruikte bewoordingen, gebruiken in de branche, de lengte en het doel van de betalingstermijn en of de betaling ineens of in termijnen geschiedt. Ook het feit dat een termijn van zestig dagen of langer zonder verschuiving van de opeisbaarheid tot gevolg kan hebben dat het recht van reclame niet kan worden ingeroepen, kan in dit kader worden meegewogen.
Tijdens het faillissement van de koper kan de leverancier de zaken reclameren door een verklaring te sturen aan de curator.11 De zaken zijn door de uitoefening van het recht van reclame immers geen eigendom meer van de failliet en vallen niet onder het faillissementsbeslag. De leverancier is separatist in de zin dat de uitoefening van deze bevoegdheid mogelijk is tijdens het faillissement. Er geldt echter wel een bijzonderheid. Art. 7:40 BW bepaalt de verhouding tussen de leverancier en de curator nader op een wijze die afwijkt van art. 58 en 60 Fw. De uitoefening heeft namelijk geen gevolg als de curator binnen een redelijke termijn de koopprijs betaalt of toezegt dit te doen en hiervoor zekerheid stelt. Uit art. 7:40 BW kan worden afgeleid dat de leverancier een redelijke termijn moet stellen aan de curator in zijn terugvorderingsverklaring om hem de mogelijkheid te geven deze keuze te maken.12 Ook de afkoelingsperiode beperkt de uitoefening van het recht van reclame, zij het tijdelijk (art. 63a FW).13 De leverancier dient in deze periode wel zijn recht van reclame in te roepen, omdat de vervaltermijnen van art. 7:44 BW doorlopen.