Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/7.2.1.2
7.2.1.2 Waardestijging- of daling van de zaken
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90903:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.3.
TM, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 279.
MvAII, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 280-281.
Schelhaas 2012, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:39 BW, aant. 10. Zie ook Fikkers 1992, p. 180-182.
Fikkers 1992, p. 189; Hijma 1992, p. 149-151; Asser/Hijma 7-I* 2013/607.
Fikkers 1992, p. 192. Zie tevens Hijma, 1992, p. 150-151; Asser/Hijma 7-I* 2013/607.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.1.2, in het bijzonder het intermezzo.
Asser/Hijma 7-I* 2013/607.
Fikkers 1992, p. 184, voetnoot 46.
Van Vliet, NTBR 2008/8, p. 335.
De teruggevorderde zaken kunnen in de periode tussen de overdracht en het uitoefenen van het reclamerecht in waarde zijn gestegen of juist zijn gedaald.
Bij een waardedaling van de zaken kan de leverancier die een eigendomsvoorbehoud heeft bedongen na ontbinding schadevergoeding vorderen van de koper op grond van art. 6:277 BW.1 Uit de wet volgt echter dat de leverancier deze schadevergoeding niet kan vorderen bij de uitoefening van het recht van reclame. Art. 7:39 lid 1 BW noemt art. 6:277 BW namelijk niet als één van de ontbindingsbepalingen die van overeenkomstige toepassing is op het recht van reclame. Daarnaast wordt in de Toelichting Meijers opgemerkt dat art. 6:277 BW niet van toepassing is. Op deze wijze wordt aangesloten bij het BW (oud).2 Dit betekent dat de schade die de leverancier lijdt door de uitoefening van het recht van reclame (en door niet te kiezen voor een ander rechtsmiddel) niet gevorderd kan worden.3 Deze schade kan bestaan uit de waardedaling van de zaak, maar ook schade als gevolg van zaaksbeschadiging, gederfde winst en de kosten voor het ophalen van de zaak. Wel kan de leverancier secundaire schade verhalen op de koper. Dit is de schade die de leverancier lijdt doordat de koper zijn (na ontbinding ontstane) ongedaanmakingsverplichting niet of niet correct nakomt. Hieronder vallen onder meer de gerechtelijke kosten.4
Fikkers en Hijma betogen terecht dat de leverancier recht dient te hebben op aanvullende schadevergoeding als hij zaken reclameert, zoals in het geval van een waardedaling van de zaken.5 Zij stellen voor om de schadevergoedingsvordering van de koper te baseren op art. 6:74 e.v. BW, omdat een beroep op art. 6:277 BW niet mogelijk lijkt te zijn door art. 7:39 lid 1 BW.6
Voor de stelling dat de leverancier recht moet hebben op schadevergoeding kunnen meerdere argumenten worden aangevoerd. Ten eerste kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om de leverancier enerzijds van rechtswege een rechtsmiddel toe te kennen ter bescherming van het geval dat de koper in gebreke blijft met betaling van de koopprijs en die tot gevolg heeft dat de koopovereenkomst wordt ontbonden en de eigendom door de leverancier wordt herkregen, terwijl de leverancier anderzijds de schadevergoedingsvordering wordt ontzegd. Hij heeft dit vorderingsrecht namelijk wel als hij de koopovereenkomst ontbindt – zonder een beroep te doen op het reclamerecht – in het geval de koper in gebreke is met voldoening van de koopprijs. De leverancier kan dan gedwongen zijn om de overeenkomst te ontbinden in plaats van het recht van reclame uit te oefenen, terwijl het recht van reclame tot doel heeft om de leverancier te beschermen en tot gevolg heeft dat de leverancier de eigendom herkrijgt. Hiervoor moet hij de toepasselijkheid van de afdeling over het recht van reclame contractueel uitsluiten of wachten tot de termijn van art. 7:44 BW is verlopen en vervolgens de overeenkomst ontbinden.
Tentweede kan uit de ratio van het recht van reclame afgeleid worden dat slechts vertragingsschade niet kan worden gevorderd. Schadevergoeding voor een waardedaling kan de leverancier wel vorderen, mits veroorzaakt door de koper. Met het reclamerecht wordt immers beoogd om het handelsverkeer soepel te laten verlopen en de leverancier de mogelijkheid te geven om een (korte) betalingstermijn te laten verlenen aan diens koper. Het vorderen van een vergoeding wegens vertragingsschade binnen deze betalingstermijn is mogelijk niet in lijn met deze aard en strekking van het recht van reclame. Dit zegt echter niets over een daling van de waarde van de zaak. In het bijzonder lijkt het uitsluiten van de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen niet van toepassing te zijn op gevallen waarin de daling het gevolg is van een handeling van de koper, bijvoorbeeld doordat hij de zaak heeft beschadigd. Door het recht van reclame moeten partijen namelijk in de positie van voor de verkoop en levering worden gebracht.7 De leverancier herkrijgt echter een zaak die in waarde is gedaald en bevindt dientengevolge zich niet in dezelfde positie.
Tenderde kan een steunargument worden gevonden in het Belgische recht waar de leverancier die het recht van reclame uitoefent een schadevergoedingsvordering op de koper verkrijgt wegens een waardedaling van de zaak. Het recht van reclame strekt in het Belgische recht ook tot bescherming van de leverancier die zaken levert aan de koper en hem een korte betalingstermijn gunt. Voldoet de koper de vordering niet, dan kan de leverancier de zaken reclameren en de overeenkomst ontbinden, zodat partijen zich in dezelfde situatie als voor de verkoop en levering bevonden. Zijn de zaken in waarde gedaald, dan wordt de leverancier niet in dezelfde positie gebracht als hij slechts de zaken herkrijgt en verkrijgt hij dus ook een vordering tot schadevergoeding op de koper (art. 1149 BBW).
In plaats van een waardedaling, kan de zaak ook in de periode tussen de overdracht en de uitoefening van het recht van reclame in waardezijngestegen. Verdedigbaar is dat de leverancier na uitoefening van het recht van reclame de waardestijging moet vergoeden aan de koper als het aannemelijk is dat de leverancier zonder deze waardestijging het recht van reclame niet zou hebben uitgeoefend op grond van art. 6:278 BW. Ondanks dat deze bepaling in art. 7:39 lid 1 BW niet van overeenkomstige toepassing is verklaard, lijkt het tweede lid van art. 6:278 BW wel ruimte te bieden om aan de leverancier deze vergoedingsplicht op te leggen. Het tweede lid bepaalt namelijk dat art. 6:278 BW ook van toepassing is op gevallen waarin ‘op andere grond dan ontbinding de stoot tot ongedaanmaking’ is gegeven.8
Buiten dit geval komt de waardestijging toe aan de leverancier. De leverancier herkrijgt de eigendom van de zaak. De volledige waarde van de zaak komt in zijn vermogen. Fikkers merkt terecht op dat de verstandige koper bij een sterke waardestijging zorgt dat de leverancier zijn recht van reclame niet kan uitoefenen. Gebeurt dit wel, dan is naar haar mening geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking of een onbillijke bevoordeling van de leverancier die de waardestijging houdt, want de koper heeft de uitoefening van het reclamerecht aan zichzelf te wijten.9 Van Vliet acht het wel wenselijk dat overwaarde vergoed moet worden aan de koper, ook al volgt dit niet uit de wet. Hij beroept zich ook op een vergelijking met het eigendomsvoorbehoud en huurkoop, waar hij een dergelijke vergoeding wel mogelijk acht.10 Ik meen echter dat onzeker is of op de leverancier een verplichting tot afdracht van de overwaarde rust in deze gevallen. Dit zet ik uiteen in paragraaf 7.3.1.2. Verdedigbaar is daarom naar mijn mening dat de waardestijging toekomt aan de leverancier bij de uitoefening van het recht van reclame.